Home

Wet op de Europese ondernemingsraden

Geldig vanaf 16 december 2017
Geldig vanaf 16 december 2017

Wet op de Europese ondernemingsraden

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 16-12-2017]

Aanhef

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de richtlijn nr. 94/45/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

In deze wet wordt verstaan onder:

  1. betrokken staat: een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  2. richtlijn: de richtlijn nr. 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PbEU 2009, L 122);

  3. een communautaire onderneming: een onderneming, die sinds twee jaar in ten minste twee betrokken staten elk gemiddeld ten minste 150 werknemers en in de betrokken staten samen gemiddeld ten minste 1000 werknemers heeft, tenzij zij behoort tot een communautaire groep;

  4. een communautaire groep: het geheel van ondernemingen bestaande uit een moederonderneming als bedoeld in artikel 2 en de onderneming of ondernemingen waarover zij de zeggenschap uitoefent en waarvan:

    1. 1°.

      ten minste twee ondernemingen in verschillende betrokken staten zijn gevestigd en

    2. 2°.

      sinds twee jaar ten minste een onderneming gemiddeld ten minste 150 werknemers in een betrokken staat en een andere onderneming gemiddeld ten minste 150 werknemers in een andere betrokken staat heeft en

    3. 3°.

      alle ondernemingen tezamen sinds twee jaar gemiddeld ten minste 1000 werknemers in de betrokken staten hebben;

  5. grensoverschrijdende aangelegenheden: aangelegenheden die voor de gehele communautaire onderneming of voor de gehele communautaire groep van belang zijn, of voor ten minste twee ondernemingen of vestigingen van een communautaire onderneming of een communautaire groep in twee verschillende betrokken staten;

  6. hoofdbestuur: in het geval van een communautaire onderneming: het bestuur van deze onderneming; in het geval van een communautaire groep: het bestuur van de moederonderneming, bedoeld in artikel 2;

  7. informatieverstrekking: het verstrekken van gegevens over grensoverschrijdende aangelegenheden door het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau aan werknemersvertegenwoordigers, op een zodanig tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat werknemersvertegenwoordigers zich een grondig oordeel kunnen vormen over de gevolgen en, desgewenst, raadpleging met het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau kunnen voorbereiden;

  8. raadpleging: het instellen van een dialoog en de uitwisseling van standpunten over voorgestelde maatregelen tussen het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau en werknemersvertegenwoordigers, op een zodanig tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat werknemersvertegenwoordigers in staat zijn op basis van de verstrekte informatie over voorgestelde maatregelen ten aanzien van grensoverschrijdende aangelegenheden waarmee de raadpleging verband houdt, binnen een redelijke termijn advies uit te brengen, waarmee rekening kan worden gehouden bij het nemen van het besluit.

2.

Indien een communautaire onderneming haar woonplaats of zetel buiten de betrokken staten heeft, wordt als hoofdbestuur aangemerkt:

  1. een daartoe door de communautaire onderneming aangewezen persoon, belast met de feitelijke leiding van een van haar vestigingen binnen een betrokken staat, dan wel, bij gebreke van zodanige aanwijzing:

  2. degene of degenen die zijn belast met de feitelijke leiding van de vestiging die het grootste aantal werknemers heeft in één betrokken staat.

3.

Indien de moederonderneming, bedoeld in artikel 2, haar woonplaats of zetel buiten de betrokken staten heeft, kan zij als haar vertegenwoordiger aanwijzen het bestuur van een groepsonderneming met woonplaats of zetel binnen de betrokken staten. Bij gebreke van zulk een aanwijzing wordt het bestuur van de groepsonderneming met woonplaats of zetel binnen de betrokken staten die het grootste aantal werknemers heeft in één betrokken staat, als zodanig aangemerkt.

4.

Handelen of nalaten door het hoofdbestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e onderscheidenlijk het derde lid, wordt toegerekend aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die de communautaire onderneming of de moederonderneming onderscheidenlijk de in het derde lid bedoelde groepsonderneming in stand houdt.

Artikel 2

1.

In deze wet wordt onder moederonderneming verstaan: de onderneming die binnen een communautaire groep direct of indirect een overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming en die zelf geen onderneming is waarover door een andere onderneming direct of indirect een overheersende zeggenschap wordt uitgeoefend. Een onderneming wordt, tenzij het tegendeel blijkt, vermoed moederonderneming te zijn, indien zij:

  1. meer dan de helft van de leden van het bestuursorgaan of van het leidinggevend dan wel toezichthoudend orgaan van de andere onderneming kan benoemen, of

  2. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de andere onderneming kan uitoefenen of

  3. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de andere onderneming verschaft.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid worden onder de rechten van de moederonderneming ten aanzien van het kapitaal, het stemrecht en de benoeming mede begrepen:

  1. de overeenkomstige rechten van andere ondernemingen waarop zij overheersende zeggenschap uitoefent;

  2. de overeenkomstige rechten van personen of organen die handelen onder eigen naam doch voor rekening van de moederonderneming of van een of meer van haar groepsondernemingen.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de rechten ten aanzien van het kapitaal en het stemrecht niet toegerekend aan een onderneming, indien zij deze voor rekening van anderen houdt.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid worden stemrechten, verbonden aan verpande aandelen, toegerekend aan de pandhouder, indien hij mag bepalen hoe de rechten worden uitgeoefend. Zijn de aandelen evenwel verpand voor een lening die de pandhouder heeft verstrekt in de gewone uitoefening van zijn bedrijf, dan worden de stemrechten hem slechts toegerekend, indien hij deze in eigen belang heeft uitgeoefend.

5.

Geen moederonderneming is een onderneming als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onder a. of c. van Verordening (EG) 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEG 2004 L 24).

6.

Het recht dat op een onderneming van toepassing is, bepaalt of die onderneming een moederonderneming is als bedoeld in het eerste lid. Indien dat recht niet het recht van een betrokken staat is, wordt dat bepaald door het recht dat van toepassing is op de groepsonderneming, waarvan het bestuur de moederonderneming vertegenwoordigt krachtens artikel 1, derde lid.

7.

Indien meer ondernemingen van een groep aan een of meer criteria van het eerste lid voldoen,

  1. wordt de onderneming die voldoet aan het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a aangemerkt als moederonderneming, waarbij het benoemingsrecht met betrekking tot het leidinggevend orgaan voorrang heeft;

  2. heeft, indien toepassing van onderdeel a niet leidt tot aanmerking van één onderneming als moederonderneming, het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voorrang boven dat, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;

een en ander onverminderd het bewijs dat een andere onderneming een overheersende invloed kan uitoefenen.

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Hoofdstuk 2. Informatieverstrekking en raadpleging van werknemers in Nederlandse communautaire ondernemingen en groepen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 6

Artikel 7

Paragraaf 2. Overeenkomsten omtrent informatieverstrekking en raadpleging

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14a

Paragraaf 3. Subsidiaire bepalingen over informatieverstrekking en raadpleging buiten overeenkomst

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Hoofdstuk 3. Informatieverstrekking en raadpleging van werknemers in niet-Nederlandse communautaire ondernemingen en groepen

Artikel 23

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26 [Vervallen per 15-11-2011]

Artikel 27

Artikel 28