Home

Toerekenen van aandelen aan vaste inrichting (VI houdsterstructuur)

Geldig van 13 juni 2001 tot 28 maart 2007
Geldig van 13 juni 2001 tot 28 maart 2007

Toerekenen van aandelen aan vaste inrichting (VI houdsterstructuur)

Besluit CPP2001/1045M

Opvolgende besluiten
CPP2006/1783M
Versies van huidig besluit

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 13-06-2001 tot 28-03-2007]
[Regeling ingetrokken per 28-03-2007]

De Directeur-Generaal Belastingdienst geeft namens de Staatssecretaris van Financiën kennis van het volgende.

1. Inleiding

Aan de Belastingdienst is de vraag voorgelegd of een buitenlands lichaam van een internationaal concern met een vaste inrichting in Nederland waarin het Europese hoofdkantoor van het concern wordt uitgeoefend aandelen in een Nederlandse houdstermaatschappij van Europese deelnemingen kan toerekenen aan deze vaste inrichting. Indien de deelnemingsvrijstelling van toepassing is bij de vaste inrichting ten aanzien van de Nederlandse houdstermaatschappij, is geen dividendbelasting verschuldigd. Dit geldt zowel voor de dividenduitkering vanuit de Nederlandse houdstermaatschappij naar de vaste inrichting als de vanuit de vaste inrichting naar het buitenlandse hoofdhuis overgemaakte ingehouden winsten. Zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling dient separaat te worden beoordeeld. Hierna geef ik de kaders weer waarbinnen voor een dergelijk hoofdkantoor zekerheid vooraf wordt gegeven over de vraag of aandelen van een Nederlandse houdstermaatschappij kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting in Nederland.

2. Geen zekerheid vooraf ingeval opzetten structuur is gericht op het ontwijken van de bestaande dividendbelastingclaim

Zekerheid vooraf wordt niet verleend indien het opzetten van de structuur erop is gericht de bestaande dividendbelastingclaim op winstreserves bij de Nederlandse houdstermaatschappij buiten het bereik van de dividendbelasting te brengen. Belastingplichtige dient aannemelijk te maken dat de opzet van de structuur daarop niet gericht is. Als belastingplichtige aannemelijk kan maken dat overwegend zakelijke overwegingen aan de opzet van de structuur ten grondslag liggen zal de opzet van de structuur veelal niet gericht zijn op ontgaan van de bestaande dividendbelastingclaim. Indien hoofdkantooractiviteiten vanuit de Nederlandse houdstermaatschappij worden overgebracht naar de vaste inrichting in Nederland is naar mijn mening in ieder geval sprake van gericht zijn op het ontwijken van de bestaande dividendbelastingclaim.

3. Voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over de toerekening van aandelen van een Nederlandse houdstermaatschappij aan een vaste inrichting in Nederland

Het verkrijgen van zekerheid vooraf over de toerekening van aandelen van een Nederlandse houdstermaatschappij aan een vaste inrichting in Nederland zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Bij die beoordeling is ondermeer van belang hoe de handelings- en beslissingsbevoegdheid tussen hoofdhuis en vaste inrichting enerzijds en vaste inrichting en Nederlandse houdstermaatschappij anderzijds is verdeeld. In ieder geval dient aan de onderstaande voorwaarden te zijn voldaan.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat slechts sprake kan zijn van een vaste inrichting van het naar buitenlands recht opgerichte lichaam in Nederland als de woonplaats van het betreffende lichaam op basis van het van toepassing zijnde verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet in Nederland is gelegen. In belastingverdragen wordt voor de bepaling van de woonplaats veelal aangesloten bij de plaats waar de feitelijke leiding plaatsvindt. Het lichaam zal over het algemeen niet feitelijk vanuit Nederland worden geleid indien de concernleiding of de leiding van de concerndivisie plaatsvindt vanuit het betreffende lichaam en gesitueerd is in het buitenland.

Voorwaarden

4. Bindend advies door APA-/ATR-team