Een opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderjaar geoefend in het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012, onderscheidenlijk artikel 6, eerste en derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, dan wel een geweldsmiddel als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Ambtsinstructie, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd:
- 1°.
de toets geweldsbeheersing, en
- 2°.
de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden.