Home

Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten

Geldig vanaf 1 januari 2023
Geldig vanaf 1 januari 2023

Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2023]

Aanhef

De Minister van Justitie,

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  1. de opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet zijnde de buitengewoon opsporingsambtenaar voor wie de commandant van de Koninklijke marechaussee als direct toezichthouder is aangewezen, indien hij optreedt in de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012, dan wel indien die rechtens is uitgerust met een of meer geweldsmiddelen alsmede de opsporingsambtenaar in dienst van een bijzondere opsporingsdienst;

  2. bijzondere opsporingsdienst: de diensten, genoemd in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

  3. de Ambtsinstructie: Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren;

  4. geweldsmiddel: geweldsmiddel als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, van de Ambtsinstructie ;

  5. de toets geweldsbeheersing:de door de Politieacademie samengestelde toets ter beoordeling van de kennis op het gebied van geweldsbeheersing volgens de kwalificaties van een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder s, onder 2° of 3°, van de Politiewet 2012 voor de opsporingsambtenaar;

  6. de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden: de door de Politieacademie samengestelde toets ter beoordeling van aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden volgens de kwalificaties van een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder s, onder 2° of 3°, van de Politiewet 2012 voor de opsporingsambtenaar;

  7. de toets schietvaardigheid: de door de Politieacademie samengestelde toets ter beoordeling van de schietvaardigheid volgens de kwalificaties van een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder s, onder 2° of 3°, van de Politiewet 2012 voor de opsporingsambtenaar;

  8. toetser: de ambtenaar van politie dan wel de ambtenaar in vaste dienst bij een overheidsinstantie die opsporingsambtenaren in dienst heeft dan wel de werknemer in vaste dienst bij een particuliere werkgever van buitengewoon opsporingsambtenaren, die heeft voldaan aan de kwalificaties van de daartoe strekkende opleiding en is gecertificeerd door de Politieacademie om de toetsen geweldsbeheersing boa, aanhouding- en zelfverdedigingsvaardigheden boa en schietvaardigheid boa af te nemen;

  9. de werkgever: de werkgever van de opsporingsambtenaar;

  10. de toezichthouder: degene die op grond van de artikelen 36 en 37 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen alsmede degene die op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten is aangewezen als toezichthouder van de bijzondere opsporingsdienst;

  11. de direct toezichthouder: degene die op grond van de artikelen 36 en 37 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen alsmede degene die op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten is aangewezen als toezichthouder van de opsporingsambtenaar van de bijzondere opsporingsdienst.

Artikel 2

1.

Een opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderjaar geoefend in het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012, onderscheidenlijk artikel 6, eerste en derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, dan wel een geweldsmiddel als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Ambtsinstructie, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd:

  1. 1°.

    de toets geweldsbeheersing, en

  2. 2°.

    de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden.

2.

Een opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderhalfjaar geoefend in het gebruik van een vuurwapen, indien hij, naast de in het eerste lid bedoelde toetsen, in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de toets schietvaardigheid met voldoende resultaat heeft afgelegd.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt de opsporingsambtenaar van wie een geweldsmiddel op grond van het vierde lid is ingenomen, voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar, geacht wederom geoefend te zijn in het gebruik van dat geweldsmiddel, vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat heeft afgelegd.

4.

De werkgever draagt er, in overeenstemming met de direct toezichthouder, zorg voor dat de opsporingsambtenaar slechts gebruik maakt van de bevoegdheden genoemd in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012, dan wel de bevoegdheden genoemd in artikel 6, eerste en derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, indien hij geoefend is in de toepassing van deze bevoegdheden. Indien een opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar de in het eerste lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, is de opsporingsambtenaar niet bevoegd gebruik te maken van voornoemde bevoegdheden.

5.

De direct toezichthouder draagt er, in overeenstemming met de werkgever, zorg voor dat de opsporingsambtenaar slechts over een geweldsmiddel beschikt, anders dan voor het vervoer en het gebruik ervan voor het volgen van onderwijs, indien hij geoefend is in het gebruik van dat geweldsmiddel. Indien een opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldsmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door de direct toezichthouder ingenomen.

6.

Indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan de Minister van Justitie en Veiligheid besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, de opsporingsambtenaar voor de duur van een kalenderjaar geoefend is in het gebruik van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en geweldsmiddelen, indien hij de toets geweldsbeheersing en de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd.

Artikel 3

1.

De werkgever draagt zorg voor de training en de toetsing van de opsporingsambtenaar.

2.

De opsporingsambtenaar is verantwoordelijk voor zijn deelname aan de training ter voorbereiding op de af te leggen toetsen, en de toetsing.

3.

De direct toezichthouder houdt toezicht op de kwaliteit en objectiviteit van de toetsing. Dit geldt alleen voor de uitvoering van de toetsen.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8