Home

Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties beroepen in de individuele gezondheidszorg

Geldig vanaf 8 juli 2022
Geldig vanaf 8 juli 2022

Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties beroepen in de individuele gezondheidszorg

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 08-07-2022]

Aanhef

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  1. aanpassingsstage: aanpassingsstage, bedoeld in artikel 1 van de wet;

  2. beroepskwalificaties: beroepskwalificaties, bedoeld in artikel 1 van de wet;

  3. betrokken staat: betrokken staat, bedoeld in artikel 1 van de wet;

  4. commissie: de in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid bedoelde commissie;

  5. dienstverrichter: dienstverrichter, bedoeld in artikel 21 van de wet;

  6. minister: Minister voor Medische Zorg;

  7. proeve van bekwaamheid: proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 1 van de wet;

  8. richtlijn: richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEG, L 255);

  9. wet: Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;

  10. wet BIG: Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Artikel 2

1.

De aanvraag tot een erkenning van beroepskwalificaties, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onderdeel c, en artikel 45, eerste lid, onderdeel c, van de wet BIG, geschiedt met gebruikmaking van een daarvoor door de minister beschikbaar te stellen aanvraagformulier.

2.

Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  1. het in het eerste lid bedoelde aanvraagformulier;

  2. een bewijs van nationaliteit, dan wel indien van toepassing een bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht heeft verkregen in een van de landen van de Europese Unie;

  3. een gewaarmerkt afschrift van het getuigschrift van het desbetreffende beroep dat door het in het land van herkomst daartoe bij of krachtens de wet bevoegd verklaard gezag is afgegeven;

  4. het programma van de opleiding tot het desbetreffende beroep, onderverdeeld in theorie en praktijkvakken, met opgave van de duur van het onderwijs in die vakken, afkomstig van de instelling waarbij de aanvrager het getuigschrift heeft behaald;

  5. een document niet ouder dan drie maanden, waaruit blijkt dat ten aanzien van de aanvrager geen maatregel berustend op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, op grond waarvan de rechten tot de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend is verloren;

  6. indien de aanvrager houder is van een getuigschrift afgegeven in een ander land dan de betrokken staat, een verklaring waaruit blijkt:

    • dat het getuigschrift door het daarvoor bevoegd gezag van de betrokken staat is erkend;

    • dat de houder een beroepservaring heeft van ten minste drie jaar in de betrokken staat; en

    • voor zover de verklaring betrekking heeft op een beroep dat valt onder titel III van hoofdstuk III van de richtlijn dat bij de eerste erkenning rekening is gehouden met de in genoemd hoofdstuk van de richtlijn bedoelde minimum opleidingseisen;

  7. bewijsstukken van eventuele beroepservaring en aanvullend onderwijs.

3.

De bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c tot en met g, zijn gesteld in het Nederlands of Engels, dan wel door een beëdigd vertaler in een van deze talen vertaald.

4.

Indien het document, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, niet wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten, wordt dit vervangen door een attest, niet ouder dan drie maanden, afgegeven door een bevoegde, gerechtelijke autoriteit, een andere bevoegde overheidsautoriteit, een notaris of een bevoegde beroepsvereniging in het land van herkomst, waaruit blijkt dat de aanvrager tegenover die instantie of functionaris onder ede, dan wel plechtig heeft verklaard, dat ten aanzien van hem geen maatregel van kracht is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e.

5.

Van de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c tot en met g, wordt het originele exemplaar verstrekt dan wel een kopie die is gewaarmerkt door de instelling die het desbetreffende document heeft afgegeven, of door de daartoe bevoegde autoriteit in een lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Van het attest, bedoeld in het vierde lid, wordt het originele exemplaar verstrekt dan wel een kopie die is gewaarmerkt door de betreffende autoriteit, notaris, bevoegde beroepsvereniging als bedoeld in dat artikellid, dan wel door een in Nederland gevestigde notaris.

Artikel 3

1.

Teneinde te kunnen beoordelen of een van de situaties, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de wet zich voordoet, wint de minister, alvorens te beslissen op een aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning voor beroepskwalificaties, advies in van de commissie.

2.

De commissie laat de minister weten of naar haar oordeel een van de situaties, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet zich voordoet en adviseert de minister over de beroepservaring die de aanvrager moet aantonen, dan wel de proeve van bekwaamheid die de aanvrager moet afleggen of de aanpassingsstage die de aanvrager moet doorlopen.

3.

Indien de aanvrager een proeve van bekwaamheid heeft afgelegd of een aanpassingsstage heeft doorlopen, raadpleegt de minister de commissie over de vraag of de aanvrager voldoende gescoord heeft op de proeve van bekwaamheid of de aanpassingsstage met succes is afgesloten om de wezenlijke verschillen te compenseren.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8