Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen
Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen
Opschrift
Aanhef
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314), alsmede in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op een bank als bedoeld in de definitie van kredietinstelling in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, onder b, van verordening (EU) 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) met zetel in Nederland, indien:
zij op 24 december 2019 kwalificeerde als een beleggingsonderneming in de zin van de Wet op het financieel toezicht, die over een op grond van artikel 2:96 van die wet verleende vergunning beschikte;
zij op enig moment in de periode van 25 december 2019 tot 27 december 2020 reeds voldeed aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, onder b, van de in de aanhef bedoelde verordening;
zij uiterlijk op 27 december 2020 een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:12 van de Wet op het financieel toezicht heeft ingediend; en
de Europese Centrale Bank nog geen besluit op de aanvraag, bedoeld in onderdeel c, heeft genomen.