Home

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Geldig vanaf 30 april 1966
Geldig vanaf 30 april 1966

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 30-04-1966]

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Preambule

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk,

De wens koesterende om de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van in burgerlijke zaken gegeven rechterlijke beslissingen alsmede van authentieke akten te regelen,

Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

De Heer dr. H. R. van Houten, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk:

De Heer dr. Claus Winterstein, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Oostenrijk in het Koninkrijk der Nederlanden,

Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel 1

(1)

Dit Verdrag is van toepassing op beslissingen, die in vermogensrechtelijke zaken door de gewone gerechten van de Hoge Verdragsluitende Partijen zijn gegeven.

(2)

Voor de toepassing van dit Verdrag worden de Oostenrijkse „Arbeitsgerichte” met gewone gerechten op een lijn gesteld.

(3)

Onder „vermogensrechtelijke zaken” worden voor de toepassing van dit Verdrag ook wettelijke onderhoudsvorderingen verstaan.

(4)

Onder „beslissingen” worden voor de toepassing van dit Verdrag verstaan: alle beslissingen, hoe ook genaamd (zoals vonnissen, beslissingen in kort geding, beschikkingen, arresten, dwangbevelen, Urteile, Zahlungsbefehle, Zahlungsaufträge, Beschlüsse), gegeven in zaken van eigenlijke of oneigenlijke rechtspraak, met uitzondering evenwel van:

  1. beslissingen inzake faillissement, akkoord en surséance van betaling;

  2. voorlopige maatregelen;

  3. beslissingen van de strafrechter omtrent burgerrechtelijke vorderingen;

  4. beslissingen van Nederlandse gerechten voorzover daarbij een schuldenaar veroordeeld is tot betaling van een dwangsom aan de schuldeiser voor het geval de schuldenaar zijn verplichting tot het verrichten of nalaten van een handeling niet nakomt, tenzij de verbeurde geldsom door een nadere beslissing van een Nederlands gerecht vastgesteld is.

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14