Home

Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen

Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen

Artikel 1 Algemene doelstelling van de richtlijn

1.

Teneinde de overgang van de Unie naar een circulaire economie te ondersteunen en te voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(1), met name de artikelen 4 en 12, heeft deze richtlijn tot doel het storten van afval, en met name afval dat zich leent voor recycling of andere nuttige toepassing, geleidelijk te verminderen en middels strenge operationele en technische voorschriften inzake afvalstoffen en stortplaatsen te voorzien in maatregelen, procedures en richtsnoeren om negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu, in het bijzonder de verontreiniging van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht, en voor het wereldwijde milieu, ook door het broeikaseffect, alsmede elk risico dat daar tijdens de gehele levensduur van de stortplaats uit voortvloeit voor de volksgezondheid, te voorkomen of zo veel mogelijk te verminderen.

Artikel 2 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „afvalstof”, „gevaarlijke afvalstof”, „ongevaarlijke afvalstof”, „stedelijk afval”, „afvalstoffenproducent”, „afvalstoffenhouder”, „afvalstoffenbeheer” of „afvalbeheer”, „gescheiden inzameling”, „nuttige toepassing”, „voorbereiding voor hergebruik”, „recycling” en „verwijdering”: datgene wat onder die begrippen wordt verstaan in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG;

  2. inerte afvalstoffen: afvalstoffen die geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaan. Inerte afvalstoffen lossen niet op, verbranden niet en vertonen ook geen andere fysische of chemische reacties, worden niet biologisch afgebroken en hebben geen zodanige negatieve effecten op andere stoffen waarmee zij in contact komen dat milieuverontreiniging of schade aan de volksgezondheid dreigt te ontstaan. De totale uitloogbaarheid en het gehalte aan verontreinigende componenten van de afvalstoffen, en de ecotoxiciteit van het percolaat mogen niet significant zijn en met name de kwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater niet in gevaar brengen;

  3. ondergrondse opslag: een permanente afvalopslagvoorziening in een diepe onderaardse ruimte zoals een zout- of kaliummijn;

  4. stortplaats: een afvalverwijderingsterrein voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem (d.w.z. onder de grond), met inbegrip van:

    • interne afvalstortplaatsen (d.w.z. stortplaatsen waar een afvalproducent zijn eigen afval op de plaats van de productie verwijdert), en

    • een terrein dat permanent (d.w.z. meer dan een jaar lang) wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van afval,

    maar met uitsluiting van:

    • voorzieningen waar afvalstoffen worden uitgeladen ter voorbereiding van verder transport voor terugwinning, behandeling of verwijdering elders, en

    • van opslag van afval voorafgaand aan terugwinning of behandeling voor een periode van in de regel minder dan drie jaar, of

    • van opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering, voor een periode van minder dan een jaar;

  5. behandeling: de fysische, thermische, chemische of biologische processen, met inbegrip van het sorteren, die de eigenschappen van de afvalstoffen zodanig veranderen dat het volume of de gevaarlijke eigenschappen worden gereduceerd, de behandeling wordt vergemakkelijkt of de nuttige toepassing wordt bevorderd;

  6. percolaat: iedere vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit de stortplaats of zich daarin bevindt;

  7. stortplaatsgas: alle gassen die door de gestorte afvalstoffen worden gevormd;

  8. eluaat: de oplossing die wordt verkregen door een doorsijpelingstest in het laboratorium;

  9. exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die voor een stortplaats verantwoordelijk is volgens de interne wetgeving van de lidstaat waar de stortplaats zich bevindt; deze persoon kan wisselen van de voorbereidende tot de nazorgfase;

  10. biologisch afbreekbare afvalstoffen: afvalstoffen die aëroob of of anaëroob kunnen worden afgebroken, zoals voedsel- en tuinafval, en papier en karton;

  11. aanvrager: de persoon die overeenkomstig deze richtlijn een aanvraag voor een stortplaats indient;

  12. bevoegde autoriteit: de autoriteit die door de lidstaat wordt aangewezen als verantwoordelijk voor het verrichten van de uit deze richtlijn voortvloeiende taken;

  13. vloeibare afvalstoffen: afvalstoffen in vloeibare vorm, met inbegrip van afvalwater, maar met uitzondering van slib;

  14. afgelegen woongebied: een woongebied:

    • met niet meer dan 500 inwoners per gemeente of woongebied en ten hoogste vijf inwoners per vierkante kilometer, en

    • waarvan de afstand tot de dichtstbijgelegen stedelijke agglomeratie met ten minste 250 inwoners per vierkante kilometer ten minste 50 kilometer bedraagt, dan wel met een moeilijke toegang over de weg tot die dichtstbijgelegen stedelijke agglomeraties wegens ongunstige weersomstandigheden gedurende een aanzienlijk deel van het jaar.

    De lidstaten mogen besluiten in ultraperifere gebieden in de zin van artikel 349 van het Verdrag de volgende definitie toe te passen:

    „afgelegen woongebied”: een woongebied:

    • met niet meer dan 2 000 inwoners per woongebied en ten hoogste vijf inwoners per vierkante kilometer, of met meer dan 2 000 maar minder dan 5 000 inwoners per woongebied en ten hoogste vijf inwoners per vierkante kilometer en wier afvalproductie niet meer dan 3 000 ton per jaar bedraagt, en

    • waarvan de afstand tot de dichtstbij gelegen stedelijke agglomeratie met ten minste 250 inwoners per vierkante kilometer ten minste 100 kilometer bedraagt en dat niet over de weg toegankelijk is.

Artikel 3 Toepassingsgebied

1.

De lidstaten passen deze richtlijn toe op elke stortplaats als omschreven in artikel 2, onder g).

2.

Onverminderd de bestaande Gemeenschapswetgeving zijn van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten:

  • de verspreiding op de bodem van slib, met inbegrip van zuiveringsslib en baggerspecie, alsmede soortgelijke stoffen, voor bemesting en grondverbetering,

  • het gebruik van inerte afvalstoffen die bruikbaar zijn voor terreinophoging/terreinverbetering en aanaarding of voor bouwdoeleinden, op stortplaatsen,

  • het storten van ongevaarlijke baggerspecie langs kleine waterwegen waaruit die specie afkomstig is en van ongevaarlijke specie in oppervlaktewater, met inbegrip van de bedding en haar ondergrond.

3.

Het beheer van afval van winningsindustrieën op het land, dat wil zeggen afval dat afkomstig is van de prospectie, de winning (met inbegrip van de ontwikkelingsfase die aan de productie voorafgaat), de behandeling en de opslag van mineralen en de exploitatie van groeven, is van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten wanneer dit binnen de werkingssfeer van ander wetgevingshandelingen van de Unie valt.

4.

Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 75/442/EEG mogen de lidstaten desgewenst artikel 6, onder d), artikel 7, onder i), artikel 8, onder a), iv), artikel 10, artikel 11, lid 1, onder a), b) en c), artikel 12, onder a) en c), bijlage I, punt 3 en punt 4, bijlage II (uitgezonderd punt 3, niveau 3, en punt 4) en bijlage III, punten 3 tot en met 5, gedeeltelijk of in hun geheel als niet van toepassing verklaren voor:

  1. stortplaatsen voor ongevaarlijke of inerte afvalstoffen met een totale capaciteit van hoogstens 15 000 ton of met een jaarlijkse aanvoer van hoogstens 1 000 ton op eilanden waar slechts één stortplaats is, indien die stortplaats uitsluitend bestemd is voor op het eiland ontstaan afval; zodra deze totale capaciteit is bereikt, moet elke nieuwe stortplaats op het eiland voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn;

  2. stortplaatsen voor ongevaarlijke of inerte afvalstoffen in afgelegen woongebieden, wanneer die stortplaatsen uitsluitend bestemd zijn voor in die afgelegen woongebieden ontstaan afval.

Uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, genoemde datum zenden de lidstaten de Commissie de lijst toe van de eilanden en afgelegen woongebieden waarvoor deze vrijstelling geldt. De Commissie maakt de lijst van eilanden en afgelegen woongebieden bekend.

5.

Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 75/442/EEG kunnen de lidstaten desgewenst verklaren dat ondergrondse opslag als omschreven in artikel 2, onder f), vrijgesteld kan worden van de voorschriften van artikel 13, onder d), en van bijlage I, punt 2 (behalve eerste streepje), en de punten 3 tot en met 5, en van bijlage III, de punten 2, 3 en 5.

Artikel 4 Klassen van stortplaatsen

Elke stortplaats word in één van de volgende klassen ingedeeld:

  • stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen;

  • stortplaats voor ongevaarlijke afvalstoffen;

  • stortplaats voor inerte afvalstoffen.

Artikel 5 Afvalstoffen en vormen van behandeling die niet op een stortplaats mogen worden aanvaard

1.

De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een nationale strategie voor de vermindering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas of terugwinning van materialenenergie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.

2.

De strategie dient het volgende te garanderen:

  1. uiterlijk vijf jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum wordt het naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbaar stedelijk afval verminderd tot 75 gewichtsprocent van de totale hoeveelheid biologisch afbreekbaar stedelijk afval, geproduceerd in 1995 of in het laatste jaar voor 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn;

  2. uiterlijk acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum wordt het naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbaar stedelijk afval verminderd tot 50 gewichtsprocent van de totale hoeveelheid biologisch afbreekbaar stedelijk afval, geproduceerd in 1995 of in het laatste jaar voor 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn;

  3. uiterlijk 15 jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum wordt het naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbaar stedelijk afval verminderd tot 35 gewichtsprocent van de totale hoeveelheid biologisch afbreekbaar stedelijk afval, geproduceerd in 1995 of in het laatste jaar voor 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn.

De lidstaten die in 1995 of in het laatste jaar vóór 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn meer dan 80 % van hun ingezamelde stedelijk afval naar stortplaatsen brachten, mogen het verwezenlijken van de in de punten a), b) of c) genoemde doelstellingen uitstellen met ten hoogste vier jaar. De lidstaten die voornemens zijn van deze bepaling gebruik te maken, stellen de Commissie tevoren in kennis van hun beslissing. De Commissie stelt de andere lidstaten en het Europees Parlement van die beslissingen in kennis.

De uitvoering van de bovenstaande bepaling mag er in geen geval toe leiden dat de onder c) genoemde doelstelling later wordt bereikt dan vier jaar na de onder c) bedoelde datum.

3.

De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende afvalstoffen niet op een stortplaats worden aanvaard:

  1. vloeibare afvalstoffen;

  2. afvalstoffen die onder de op de stortplaats heersende omstandigheden ontplofbaar, corrosief, oxiderend, licht ontvlambaar of ontvlambaar zijn, zoals omschreven in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG;

  3. ziekenhuisafval en andere klinische afvalstoffen, afkomstig van medische of diergeneeskundige instellingen, die infectueus zijn zoals omschreven in Richtlijn 91/689/EEG (eigenschap H9 van bijlage III), en afvalstoffen behorende tot categorie 14 (bijlage I, deel A van die richtlijn;

  4. hele gebruikte banden vanaf twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, met uitzondering van voor technische doeleinden gebruikte banden en versnipperde gebruikte banden vanaf vijf jaar na deze datum (in beide gevallen met uitzondering van fietsbanden en banden met een buitendiameter van meer dan 1 400 mm);

  5. alle anderen soorten afvalstoffen die niet voldoen aan de overeenkomstig bijlage II vastgestelde aanvaardingscriteria;

  6. afval dat overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG en artikel 22 van die richtlijn gescheiden is ingezameld ter voorbereiding voor hergebruik en voor recycling, met uitzondering van het afval dat bij de verdere behandeling van gescheiden ingezameld afval ontstaat en waarvoor storten het beste milieuresultaat oplevert overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn.

bis.

De lidstaten streven ernaar te waarborgen dat alle afval dat zich leent voor recycling of andere nuttige toepassing, in het bijzonder in stedelijk afval, vanaf 2030 niet langer in een stortplaats wordt aanvaard, met uitzondering van afval waarvoor storten het beste milieuresultaat oplevert overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG.

De lidstaten nemen informatie over de krachtens dit lid genomen maatregelen op in de in artikel 28 van Richtlijn 2008/98/EG bedoelde afvalbeheerplannen of in andere strategiedocumenten die voor het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat gelden.

4.

Het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen uitsluitend om aan de aanvaardingscriteria te voldoen.

5.

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2035 tot 10 % of minder van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval (in gewicht) wordt verminderd.

6.

Een lidstaat kan de termijn voor de verwezenlijking van de in lid 5 bedoelde doelstelling met maximaal vijf jaar verlengen mits die lidstaat:

  1. meer dan 60 % van zijn in 2013 geproduceerde stedelijk afval zoals gerapporteerd in het kader van de gezamenlijke vragenlijst van de OESO en Eurostat stortte;

  2. de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór het verstrijken van de in lid 5 van dit artikel vastgestelde termijn in kennis stelt van zijn voornemen om de termijn te verlengen, en een uitvoeringsplan indient overeenkomstig bijlage IV bij deze richtlijn. Dat plan kan worden gecombineerd met een overeenkomstig artikel 11, lid 3, onder b), van Richtlijn 2008/98/EG ingediend uitvoeringsplan.

7.

Binnen drie maanden na ontvangst van het op grond van lid 6, onder b), ingediende uitvoeringsplan kan de Commissie een lidstaat verzoeken dat plan te herzien indien de Commissie van oordeel is dat het plan niet voldoet aan de voorschriften van bijlage IV. De betrokken lidstaat dient binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek van de Commissie een herzien plan in.

8.

In geval van een verlenging van de termijn overeenkomstig lid 6 treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid gestort stedelijk afval tegen 2035 tot 25 % of minder van de totale geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval wordt verminderd.

9.

Uiterlijk 31 december 2024 bekijkt de Commissie de in lid 5 vastgelegde doelstelling opnieuw om deze te behouden of zo nodig te verlagen, een kwantitatieve doelstelling inzake gestort afval per hoofd van de bevolking te overwegen en beperkingen van het storten van ongevaarlijke afvalstoffen behalve stedelijk afval in te voeren. Hiertoe dient de Commissie een verslag, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 5 bis Voorschriften inzake de berekening van de mate waarin de doelstellingen zijn behaald

Artikel 5 ter Verslag vroegtijdige waarschuwing

Artikel 5 quater Uitwisseling van beste praktijken en informatie

Artikel 6 Avalstoffen die in de verschillende stortplaatsklassen moeten worden aanvaard

Artikel 7 Aanvragen om vergunningen

Artikel 8 Vergunningsvoorwaarden

Artikel 9 Inhoud van de vergunning

Artikel 10 Kosten van het storten van afvalstoffen

Artikel 11 Procedures voor de aanvaarding van afvalstoffen

Artikel 12 Controle- en toezichtprocedures in de exploitatiefase

Artikel 13 Sluitings- en nazorgprocedure

Artikel 14 Bestaande stortplaatsen

Artikel 15 Verslaglegging

Artikel 15 bis Instrumenten om een omschakeling naar een meer circulaire economie te bevorderen

Artikel 15 ter Vaststelling van de doorlatendheidscoëfficiënt voor stortplaatsen

Artikel 15 quater Unienorm voor de bemonstering van afvalstoffen

Artikel 16 Wijziging van de bijlagen

Artikel 17 Comitéprocedure

Artikel 18 Implementatie

Artikel 19 Inwerkingtreding

Artikel 20 Adressaten

BIJLAGE IALGEMENE VOORSCHRIFTEN VOOR ALLE STORTPLAATSKLASSEN

BIJLAGE II

BIJLAGE IIICONTROLE- EN TOEZICHTPROCEDURES IN DE EXPLOITATIE- EN NAZORGFASE

BIJLAGE IV