Home

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Onderwerp en doel

1.

Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in hun commerciële aanbiedingsvorm en voor het op de markt brengen, het gebruik en de controle ervan binnen de Gemeenschap.

2.

Bij deze verordening worden zowel regels voor de goedkeuring van werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten waaruit gewasbeschermingsmiddelen geheel of gedeeltelijk bestaan, als regels voor toevoegingsstoffen en formuleringshulpstoffen vastgesteld.

3.

Het doel van deze verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen en de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, te harmoniseren en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren.

4.

De bepalingen van deze verordening stoelen op het voorzorgsbeginsel teneinde te garanderen dat werkzame stoffen of middelen die op de markt worden gebracht niet schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu. In het bijzonder worden de lidstaten er niet van weerhouden het voorzorgsbeginsel toe te passen wanneer er wetenschappelijk gezien onzekerheid bestaat over de risico’s voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu van de op hun grondgebied toe te laten gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 2 Werkingssfeer

1.

Deze verordening is van toepassing op middelen, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, die geheel of gedeeltelijk bestaan uit werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten, en die bestemd zijn voor een van de volgende toepassingen:

  1. de bescherming van planten of plantaardige producten tegen alle schadelijke organismen of het verhinderen van de werking van dergelijke organismen, tenzij deze middelen worden beschouwd als middelen die vooral om hygiënische redenen worden gebruikt veeleer dan ter bescherming van planten of plantaardige producten;

  2. het beïnvloeden van de levensprocessen van planten, zoals het beïnvloeden van hun groei, voor zover het niet gaat om nutriënten of biostimulanten voor planten;

  3. de bewaring van plantaardige producten, voor zover die stoffen of middelen niet onder bijzondere communautaire bepalingen inzake bewaarmiddelen vallen;

  4. de vernietiging van ongewenste planten of delen van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten;

  5. de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten.

Deze middelen worden hierna „gewasbeschermingsmiddelen” genoemd.

2.

Deze verordening is van toepassing op stoffen, met inbegrip van micro-organismen, met een algemene of specifieke werking tegen schadelijke organismen of op planten, delen van planten of plantaardige producten, hierna „werkzame stoffen” genoemd.

3.

Deze verordening is van toepassing op:

  1. stoffen of preparaten die aan een gewasbeschermingsmiddel worden toegevoegd om fytotoxische effecten van het gewasbeschermingsmiddel op bepaalde planten op te heffen of te verminderen, hierna „beschermstoffen” genoemd;

  2. stoffen of preparaten die, hoewel zij geen of slechts een zwakke werking als bedoeld in lid 1 vertonen, de werking van de werkzame stof(fen) in een gewasbeschermingsmiddel kunnen versterken, hierna „synergisten” genoemd;

  3. stoffen of preparaten die worden gebruikt of die bestemd zijn om te worden gebruikt in een gewasbeschermingsmiddel of toevoegingsstof, maar die geen werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten zijn, hierna „formuleringshulpstoffen” genoemd;

  4. stoffen of preparaten die bestaan uit formuleringshulpstoffen of preparaten die een of meer formuleringshulpstoffen bevatten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd en op de markt worden gebracht om door de gebruiker te worden gemengd met een gewasbeschermingsmiddel en die de doeltreffendheid of andere verdelgende kenmerken van een pesticide versterken, hierna „toevoegingsstoffen” genoemd.

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

    1. „residuen” :
    één of meer stoffen die in of op planten of plantaardige producten, eetbare dierlijke producten, drinkwater of elders in het milieu aanwezig zijn ten gevolge van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van de metabolieten en de afbraak- of reactieproducten;
    2. „stoffen” :
    chemische elementen of verbindingen daarvan, zoals die in de natuur voorkomen of zoals die industrieel worden vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan;
    3. „preparaten” :
    mengsels of oplossingen samengesteld uit twee of meer stoffen die bestemd zijn om als gewasbeschermingsmiddel of toevoegingsstof te worden gebruikt;
    4. „tot bezorgdheid aanleiding gevende stof” :

    iedere stof die als intrinsieke eigenschap heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het milieu en die in een gewasbeschermingsmiddel in voldoende concentratie aanwezig is of ontstaat om risico’s van een dergelijk effect in te houden.

    Dergelijke stoffen zijn onder meer, maar niet uitsluitend, stoffen die voldoen aan de criteria om in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels(1) als gevaarlijk te worden geclassificeerd en die in het gewasbeschermingsmiddel aanwezig zijn in een concentratie waardoor het middel als gevaarlijk moet worden beschouwd in de zin van artikel 3 van Richtlijn 1999/45/EG;

    5. „planten” :
    levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van vers fruit, groente en zaden;
    6. „plantaardige producten” :
    producten van plantaardige oorsprong, die geen of slechts eenvoudige bewerkingen, zoals malen, drogen of persen, hebben ondergaan, voor zover het geen planten zijn;
    7. „schadelijke organismen” :
    elk(e) tot het dierenrijk of het plantenrijk behorende soort, stam of biotype, of ziekteverwekker die of dat schadelijk is voor planten of plantaardige producten;
    8. „niet-chemische methoden” :
    methoden die een alternatief vormen voor chemische pesticiden voor gewasbescherming- en plaagbestrijding en berusten op landbouwtechnieken zoals de in punt 1 van bijlage III bij Richtlijn 2009/128/EG, dan wel fysische, mechanische of biologische plaagbestrijdingsmethoden;
    9. „op de markt brengen” :
    het voorhanden hebben met het oog op verkoop binnen de Gemeenschap, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden of enige andere vorm van overdracht, al dan niet gratis, alsmede de eigenlijke verkoop, de distributie en andere vormen van overdracht zelf, maar niet het retourneren aan de oorspronkelijke verkoper. Het in het vrije verkeer brengen op het grondgebied van de Gemeenschap geldt in het kader van deze verordening als op de markt brengen;
    10. „toelating van een gewasbeschermingsmiddel” :
    bestuursrechtelijk besluit waarmee de bevoegde instantie van een lidstaat toelaat dat een gewasbeschermingsmiddel op zijn grondgebied op de markt wordt gebracht;
    11. „producent” :
    een persoon die gewasbeschermingsmiddelen, werkzame stoffen, beschermstoffen, synergisten, formuleringshulpstoffen of toevoegingsstoffen zelf produceert of de productie ervan aan een andere partij of persoon uitbesteedt, of een persoon die door de producent is aangewezen als zijn alleenvertegenwoordiger voor de naleving van deze verordening;
    12. „verklaring van toegang” :
    een authentiek document waarbij de rechthebbende van krachtens deze verordening beschermde gegevens ermee instemt dat de bevoegde autoriteit deze gegevens onder de specifieke termen en voorwaarden gebruikt voor het verlenen van toelating voor een gewasbeschermingsmiddel of goedkeuring van een werkzame stof, synergist of beschermstof ten voordele van een andere aanvrager;
    13. „milieu” :
    water (met inbegrip van grond- en oppervlaktewater, overgangs-, kust- en mariene wateren), afzettingsmateriaal, bodem, lucht, land, wilde soorten dieren en planten, alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met andere levende organismen;
    14. „kwetsbare groepen” :
    mensen die specifieke aandacht behoeven als het gaat om de beoordeling van acute en chronische gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid. Hiertoe behoren zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen en kinderen en ouderen, alsmede werknemers en bewoners die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden;
    15. „micro-organismen” :
    een microbiologische eenheid, met inbegrip van schimmels en virussen, cellulair of niet-cellulair, die in staat is genetisch materiaal te vermeerderen of over te brengen;
    16. „genetisch gemodificeerde organismen” :
    organismen waarvan het genetisch materiaal is gewijzigd in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu(2);
    17. „zone” :

    groep lidstaten zoals gedefinieerd in bijlage I.

    Wat betreft het gebruik in kassen, als behandeling na de oogst, bij de behandeling van lege opslagruimten en de behandeling van zaaizaad moeten onder zone worden verstaan alle in bijlage I gedefinieerde zones;

    18. „goede gewasbeschermingspraktijken” :
    praktijken waarbij de behandelingen van een bepaalde plant of plantaardig product met gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften voor hun toegestane gebruik worden geselecteerd, gedoseerd en getimed om met een minimumhoeveelheid een aanvaardbare doeltreffendheid te verzekeren, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en met de mogelijkheden voor teeltmaatregelen en biologische bestrijding;
    19. „goede laboratoriumpraktijken” :
    praktijken zoals gedefinieerd in punt 2.1 van bijlage I bij Richtlijn 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen(3);
    20. „goede experimentele praktijken” :
    praktijken die in overeenstemming zijn met de richtsnoeren 181 en 152 van de European and mediterranean Plant Protection Organisation (EPPO);
    21. „gegevensbescherming” :
    het tijdelijke recht van de eigenaar van een test- of studieverslag om te beletten dat het wordt gebruikt ten voordele van een andere aanvrager;
    22. „rapporteur-lidstaat” :
    de lidstaat die de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten op zich neemt;
    23. „tests en studies” :
    onderzoeken of experimenten die tot doel hebben de eigenschappen en het gedrag van een werkzame stof of van een gewasbeschermingsmiddel vast te stellen, de blootstelling aan werkzame stoffen en/of hun relevante metabolieten te voorspellen, veilige blootstellingsniveaus te bepalen en omstandigheden voor het veilige gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vast te stellen;
    24. „houder van de toelating” :
    elke natuurlijke of rechtspersoon die in het bezit is van een toelating voor het op de markt brengen en het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel;
    25. „professionele gebruiker” :
    een professionele gebruiker als gedefinieerd in artikel 3, lid 1 van Richtlijn 2009/128/EG;
    26. „kleine toepassing” :

    het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een bepaalde lidstaat op planten of plantaardige producten die:

    1. in die lidstaat niet op ruime schaal worden geteeld, of

    2. op ruime schaal worden geteeld, om te voldoen aan een uitzonderlijke behoefte op het gebied van gewasbescherming;

    27. „kas” :

    een manshoge, statische, gesloten ruimte voor de teelt van planten met een doorgaans lichtdoorlatende buitenwand, die de mogelijkheid biedt voor een gecontroleerde uitwisseling van materiaal en energie met de omgeving en verhindert dat de gewasbeschermingsmiddelen in het milieu terechtkomen.

    In het kader van deze verordening worden ook gesloten ruimtes voor de teelt van planten zonder lichtdoorlatende buitenwand (bijvoorbeeld voor de productie van champignons of witloof) als kassen beschouwd;

    28. „behandeling na de oogst” :
    behandeling van planten of plantaardige producten na de oogst in een geïsoleerde ruimte waar geen wegvloeiing mogelijk is, bijvoorbeeld in een opslagplaats;
    29. „biodiversiteit” :
    de verscheidenheid van levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van, onder andere, terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; dit kan ook de verscheidenheid omvatten binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen;
    30. „bevoegde autoriteit” :
    de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat die verantwoordelijk is of zijn voor de uitvoering van de taken waarin deze verordening voorziet;
    31. „reclame” :
    een middel ter bevordering van de verkoop of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (aan c.q. door ieder ander dan de houder van de toelating, de persoon die het gewasbeschermingsmiddel op de markt brengt en hun vertegenwoordigers) met behulp van gedrukte of elektronisch media;
    32. „relevant metaboliet” :

    elk metaboliet of afbraakproduct van een werkzame stof, beschermstof of synergist, dat in organismen of in het milieu wordt gevormd.

    Een metaboliet wordt relevant geacht indien er reden is om aan te nemen dat het intrinsieke eigenschappen heeft die vergelijkbaar zijn met die van de moederstof wat betreft de biologische doelactiviteit, of dat het een hoger of vergelijkbaar gevaar vormt voor organismen dan de moederstof of dat het bepaalde toxicologische eigenschappen bezit die als onaanvaardbaar worden beschouwd. Een dergelijk metaboliet is relevant voor het algemene goedkeuringsbesluit of voor de vaststelling van risicobeperkende maatregelen;

    33. „onzuiverheid” :
    elk ander bestanddeel dan de pure werkzame stof en/of variant die aanwezig is in het technisch materiaal (onder meer bestanddelen als gevolg van het productieproces of van afbraak tijdens de opslag);
    34. „biostimulant voor planten” :

    een product dat de voedingsprocessen van een plant stimuleert onafhankelijk van het gehalte aan nutriënten van het product, met als enige doel een of meer van de volgende eigenschappen van de plant of de rhizosfeer van de plant te verbeteren:

    1. de efficiëntie van het gebruik van nutriënten;

    2. de tolerantie voor abiotische stress;

    3. kwaliteitskenmerken;

    4. de beschikbaarheid van in de bodem of in de rhizosfeer vastgehouden nutriënten.

HOOFDSTUK II WERKZAME STOFFEN, BESCHERMSTOFFEN, SYNERGISTEN EN FORMULERINGSHULPSTOFFEN

AFDELING 1 Werkzame stoffen

Onderafdeling 1 Eisen en voorwaarden voor goedkeuringen

Artikel 4 Goedkeuringscriteria voor werkzame stoffen
Artikel 5 Eerste goedkeuring
Artikel 6 Voorwaarden en beperkingen

Onderafdeling 2 Goedkeuringsprocedure

Artikel 7 Toepassing
Artikel 8 Dossiers
Artikel 9 Ontvankelijkheid van de aanvraag
Artikel 10 Toegang van het publiek tot de dossiers
Artikel 11 Ontwerp-beoordelingsverslag
Artikel 12 Conclusie van de Autoriteit
Artikel 13 Goedkeuringsverordening

Onderafdeling 3 Verlenging en herziening

Artikel 14 Verlenging van een goedkeuring
Artikel 15 Verlengingsaanvraag
Artikel 16 Toegang van het publiek tot de informatie met het oog op verlenging
Artikel 17 Verlenging van de goedkeuringsperiode voor de duur van de procedure
Artikel 18 Werkprogramma
Artikel 19 Uitvoeringsmaatregelen
Artikel 20 Verlengingsverordening
Artikel 21 Herziening van een goedkeuring

Onderafdeling 4 Afwijkingen

Artikel 22 Werkzame stoffen met een laag risico
Artikel 23 Goedkeuringscriteria voor basisstoffen
Artikel 24 Stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen

AFDELING 2 Beschermstoffen en synergisten

Artikel 25 Goedkeuring van beschermstoffen en synergisten

Artikel 26 Beschermstoffen en synergisten die reeds op de markt zijn

AFDELING 3 Onaanvaardbare formuleringshulpstoffen

Artikel 27 Formuleringshulpstoffen

HOOFDSTUK III GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN

AFDELING 1 Toelating

Onderafdeling 1 Eisen en inhoud

Artikel 28 Toelating voor het op de markt brengen en het gebruik
Artikel 29 Eisen voor de toelating voor het op de markt brengen
Artikel 30 Voorlopige toelatingen
Artikel 31 Inhoud van toelatingen
Artikel 32 Duur

Onderafdeling 2 Procedure

Artikel 33 Aanvraag van een toelating of wijziging van de toelating
Artikel 34 Vrijstelling van de indiening van studies
Artikel 35 De lidstaat die de aanvraag onderzoekt
Artikel 36 Onderzoek voor toelating
Artikel 37 Onderzoekstermijn
Artikel 38 Beoordeling van equivalentie overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b)
Artikel 39 Rapportering en uitwisseling van informatie over toelatingsaanvragen

Onderafdeling 3 Wederzijdse erkenning van toelatingen

Artikel 40 Wederzijdse erkenning
Artikel 41 Toelating
Artikel 42 Procedure

Onderafdeling 4 Verlenging, intrekking en wijziging

Artikel 43 Verlenging van toelatingen
Artikel 44 Intrekking of wijziging van een toelating
Artikel 45 Intrekking of wijziging van een toelating op verzoek van de houder van de toelating
Artikel 46 Respijtperiode

Onderafdeling 5 Specifieke gevallen

Artikel 47 Het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico
Artikel 48 Het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die een genetisch gemodificeerd organisme bevatten
Artikel 49 Het op de markt brengen van behandeld zaaizaad
Artikel 50 Vergelijkende evaluatie van gewasbeschermingsmiddelen die stoffen bevatten die in aanmerking komen om te worden vervangen
Artikel 51 Uitbreiding van toelatingen voor kleine toepassingen
Artikel 52 Parallelhandel

Onderafdeling 6 Afwijkingen

Artikel 53 Noodsituaties op het gebied van gewasbescherming
Artikel 54 Onderzoek en ontwikkeling

AFDELING 2 Gebruik en informatie

Artikel 55 Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 56 Informatie over mogelijk schadelijke of onaanvaardbare effecten

Artikel 57 Verplichting om informatie beschikbaar te stellen

HOOFDSTUK IV TOEVOEGINGSSTOFFEN

Artikel 58 Het op de markt brengen en het gebruik van toevoegingsstoffen

HOOFDSTUK V GEGEVENSBESCHERMING EN UITWISSELING VAN GEGEVENS

Artikel 59 Gegevensbescherming

Artikel 60 Lijst van test- en studieverslagen

Artikel 61 Algemene regels om herhaling van proeven te voorkomen

Artikel 62 De uitwisseling van tests en studies waarbij gewervelde dieren zijn betrokken

HOOFDSTUK VI TOEGANG VAN HET PUBLIEK TOT INFORMATIE

Artikel 63 Vertrouwelijkheid

HOOFDSTUK VII VERPAKKING EN ETIKETTERING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN TOEVOEGINGSSTOFFEN EN RECLAME DAARVOOR

Artikel 64 Verpakking en presentatie

Artikel 65 Etikettering

Artikel 66 Reclame

HOOFDSTUK VIII CONTROLES

Artikel 67 Bijhouden van registers

Artikel 68 Toezicht en controles

HOOFDSTUK IX NOODSITUATIES

Artikel 69 Noodmaatregelen

Artikel 70 Noodmaatregelen in uiterst spoedeisende gevallen

Artikel 71 Andere noodmaatregelen

HOOFDSTUK X ADMINISTRATIEVE EN FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 72 Sancties

Artikel 73 Burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid

Artikel 74 Vergoedingen en heffingen

Artikel 75 Bevoegde instantie

Artikel 77 Richtsnoeren

Artikel 78 Wijzigingen en uitvoeringsmaatregelen

Artikel 79 Comitéprocedure

HOOFDSTUK XI OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 80 Overgangsbepalingen

Artikel 81 Afwijking voor beschermstoffen en synergisten, formuleringshulpstoffen en toevoegingsstoffen

Artikel 82 Evaluatieclausule

Artikel 83 Intrekking

Artikel 84 Inwerkingtreding en toepassing

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

BIJLAGE V