Home

Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking)

Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking)

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Toepassingsgebied

1.

Deze verordening is van toepassing op openbare collectieve procedures, met inbegrip van voorlopige procedures, die zijn gebaseerd op het recht inzake insolventie en waarin, ten behoeve van herstel, schuldaanpassing, reorganisatie of liquidatie:

  1. een schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn goederen geheel of gedeeltelijk verliest en een insolventiefunctionaris wordt aangewezen,

  2. de goederen en de onderneming van een schuldenaar onder controle of toezicht van een rechter staan, of

  3. een tijdelijke schorsing van een afzonderlijke executieprocedure door een rechter wordt verleend of van rechtswege gebeurt, ten behoeve van onderhandelingen tussen de schuldenaar en diens schuldeisers, voor zover de procedure waarin de schorsing wordt verleend in passende maatregelen ter bescherming van de gezamenlijke schuldeisers voorziet en, indien er geen overeenstemming wordt bereikt, voorafgaat aan de onder a) of b) bedoelde procedure.

Indien de in dit lid bedoelde procedures kunnen worden ingeleid in omstandigheden waarin er slechts een risico op insolventie bestaat, hebben deze procedures tot doel de insolventie van de schuldenaar of het staken van diens bedrijfsactiviteiten te voorkomen.

De in dit lid bedoelde procedures worden opgesomd in bijlage A.

2.

Deze verordening is niet van toepassing op in lid 1 bedoelde procedures betreffende:

  1. verzekeringsondernemingen;

  2. kredietinstellingen;

  3. beleggingsondernemingen en andere instellingen of ondernemingen voor zover daarop Richtlijn 2001/24/EG, van toepassing is, of

  4. instellingen voor collectieve belegging.

Artikel 2 Definities

Voor het doel van deze verordening wordt verstaan onder:

    1. „collectieve procedure” :
    procedure waarbij alle of een aanzienlijk deel van de schuldeisers van een schuldenaar betrokken zijn, met dien verstande dat in laatstgenoemd geval de procedure de vorderingen van schuldeisers die hierbij niet betrokken zijn, onverlet laat;
    2. „instellingen voor collectieve belegging” :
    instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) als gedefinieerd in Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(1), en alternatieve beleggingsinstellingen (abi's) als gedefinieerd in Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(2);
    3. „schuldenaar die zijn goederen in bezit houdt” :
    een schuldenaar ten aanzien van wie een insolventieprocedure is geopend, waarbij niet noodzakelijkerwijs een insolventiefunctionaris wordt aangewezen of waarbij de rechten en plichten aangaande het beheer van de goederen van de schuldenaar niet volledig aan een insolventiefunctionaris worden overgedragen, en de schuldenaar derhalve volledig of tenminste gedeeltelijk de zeggenschap over zijn goederen en zijn onderneming behoudt;
    4. „insolventieprocedures” :
    de procedures opgesomd in bijlage A;
    5. „insolventiefunctionaris” :

    elke persoon of instantie waarvan de taak, ook op tussentijdse basis, erin bestaat:

    1. de in het kader van een insolventieprocedure ingediende vorderingen te verifiëren en te aanvaarden;

    2. het collectieve belang van de schuldeisers te behartigen;

    3. het geheel of een deel van de goederen waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren, te beheren;

    4. de onder iii) bedoelde goederen te liquideren, of

    5. toe te zien op het beheer van de onderneming van de schuldenaar.

    De in de eerste alinea bedoelde personen en organen worden opgesomd in bijlage B;

    6. „rechter” :
    1. in artikel 1, lid 1, onder b) en c), artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 21, lid 3, artikel 24, lid 2, onder j), artikel 36, artikel 39 en de artikelen 61 tot en met 77, de rechterlijke instantie van een lidstaat;

    2. in de overige artikelen: de rechterlijke instantie of enig andere bevoegde instantie van een lidstaat die bevoegd is om een insolventieprocedure te openen, een dergelijke opening te bekrachtigen of tijdens die procedure beslissingen te geven;

    7. „beslissing tot opening van een insolventieprocedure” :
    1. de beslissing van een rechter tot opening van een insolventieprocedure of tot bekrachtiging van de opening van een dergelijke procedure, alsmede

    2. de beslissing van een rechter tot aanwijzing van een insolventiefunctionaris;

    8. „tijdstip waarop de procedure is geopend” :
    het tijdstip waarop de beslissing tot opening van een insolventieprocedure rechtsgevolgen heeft, onafhankelijk van de vraag of de beslissing definitief is;
    9. „lidstaat waar zich een goed bevindt” :
    1. met betrekking tot aandelen op naam in vennootschappen die geen instrumenten als bedoeld onder ii) zijn, de lidstaat op het grondgebied waarvan de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven haar statutaire zetel heeft;

    2. met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de eigendom blijkt uit inschrijving in een register dat of op een rekening die door of namens een tussenpersoon wordt aangehouden („girale effecten”), de lidstaat waar het register waarin of de rekening waarop de inschrijving plaatsvindt, wordt aangehouden;

    3. met betrekking tot tegoeden op rekeningen bij kredietinstellingen: de in het IBAN-nummer van de rekening aangegeven lidstaat, of, voor tegoeden op rekeningen bij kredietinstellingen zonder IBAN, de lidstaat waar de kredietinstelling waarbij de rekening wordt aangehouden, haar hoofdkantoor heeft of, indien de rekening wordt aangehouden bij een bijkantoor, agentschap of andere vestiging, de lidstaat waar het bijkantoor, het agentschap of de andere vestiging is gelegen;

    4. met betrekking tot zaken of rechten, andere dan die welke onder i) worden bedoeld, die de eigenaar of de rechthebbende in een openbaar register laat inschrijven, de lidstaat onder de autoriteit waarvan dat register wordt aangehouden;

    5. met betrekking tot Europese octrooien, de lidstaat waarvoor het Europees octrooi is verleend;

    6. met betrekking tot auteursrechten en aanverwante rechten, de lidstaat op het grondgebied waarvan de eigenaar van deze rechten zijn gebruikelijke verblijfplaats of statutaire zetel heeft;

    7. met betrekking tot lichamelijke zaken, andere dan die welke onder i) tot en met iv) worden bedoeld, de lidstaat op het grondgebied waarvan de zaken zich bevinden;

    8. met betrekking tot schuldvorderingen jegens derden, andere dan die welke betrekking hebben op de onder iii) bedoelde goederen, de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de derde-schuldenaar is gelegen, als bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 1;

    10. „vestiging” :
    elke plaats van handeling waar een schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit die niet van tijdelijke aard is, uitoefent of heeft uitgeoefend in de periode van drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de hoofdinsolventieprocedure;
    11. „plaatselijke schuldeiser” :
    een schuldeiser van wie de vorderingen jegens een schuldenaar voortvloeien uit of verband houden met de exploitatie van een vestiging die in een andere lidstaat is gelegen dan de lidstaat waar zich het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar bevindt;
    12. „buitenlandse schuldeiser” :
    een schuldeiser die zijn gebruikelijke verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, met inbegrip van de belastingautoriteiten en de socialezekerheidsinstanties van de lidstaten;
    13. „groep ondernemingen” :
    een moederonderneming en al haar dochterondernemingen;
    14. „moederonderneming” :
    een onderneming die rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen. Een onderneming die geconsolideerde financiële overzichten opstelt overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(3), wordt geacht een moederonderneming te zijn.

Artikel 3 Internationale bevoegdheid

1.

De rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd een insolventieprocedure („hoofdinsolventieprocedure”) te openen. Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is.

Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de statutaire zetel in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht.

In het geval van een natuurlijke persoon die als zelfstandige een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefent, wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van diens hoofdvestiging te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de hoofdvestiging van de natuurlijke persoon in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht.

In het geval van elke andere natuurlijke persoon wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed diens gebruikelijke verblijfplaats te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de gebruikelijke verblijfplaats in de zes maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht.

2.

Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.

3.

Indien de insolventieprocedure overeenkomstig lid 1 is geopend, is iedere insolventieprocedure die vervolgens overeenkomstig lid 2 wordt geopend, een secundaire insolventieprocedure.

4.

De opening van de in lid 2 bedoelde territoriale insolventieprocedure kan slechts aan de opening van een hoofdinsolventieprocedure overeenkomstig lid 1 voorafgaan indien:

  1. de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 niet kan worden verkregen in verband met de voorwaarden die gesteld worden in het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevindt, of

  2. de territoriale insolventieprocedure is aangevraagd:

    1. door een schuldeiser wiens vordering voortvloeit uit of verband houdt met de exploitatie van een vestiging die is gelegen op het grondgebied van de lidstaat waar de territoriale procedure is aangevraagd, of

    2. door een overheidsinstantie die, uit hoofde van het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de vestiging is gelegen, het recht heeft om de insolventieprocedure aan te vragen.

Zodra er een hoofdinsolventieprocedure wordt geopend, wordt de territoriale insolventieprocedure een secundaire insolventieprocedure.

Artikel 4 Toetsing van de bevoegdheid

1.

Een rechter bij wie een insolventieprocedure wordt aangevraagd, onderzoekt ambtshalve of hij op grond van artikel 3 bevoegd is. In de beslissing tot opening van een insolventieprocedure wordt aangegeven op welke gronden de bevoegdheid van de rechter is gebaseerd, en meer bepaald of de bevoegdheid is gegrond op artikel 3, lid 1, of artikel 3, lid 2.

2.

Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten, indien een insolventieprocedure overeenkomstig het nationale recht zonder rechterlijke beslissing wordt geopend, de in een dergelijke procedure aangewezen insolventiefunctionaris opdragen te onderzoeken of de lidstaat waar een verzoek tot opening van de procedure aanhangig is, op grond van artikel 3 bevoegd is. Indien dit het geval is, vermeldt de insolventiefunctionaris in de beslissing tot opening van de insolventieprocedure op welke gronden de bevoegdheid is gebaseerd, en meer bepaald of de bevoegdheid is gegrond op artikel 3, lid 1 of lid 2.

Artikel 5 Toetsing door de rechter van de beslissing tot opening van een hoofdinsolventieprocedure

Artikel 6 Bevoegdheid inzake vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en er nauw verband mee houden

Artikel 7 Toepasselijk recht

Artikel 8 Zakelijke rechten van derden

Artikel 9 Verrekening

Artikel 10 Eigendomsvoorbehoud

Artikel 11 Overeenkomsten betreffende een onroerend goed

Artikel 12 Betalingssystemen en financiële markten

Artikel 13 Arbeidsovereenkomsten

Artikel 14 Gevolgen voor aan registratie onderworpen rechten

Artikel 15 Europees octrooi met eenheidswerking en Gemeenschapsmerk

Artikel 16 Nadelige handeling

Artikel 17 Bescherming van de derde-verkrijger

Artikel 18 Gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende rechtsvorderingen of scheidsrechterlijke gedingen

HOOFDSTUK II ERKENNING VAN DE INSOLVENTIEPROCEDURE

Artikel 19 Beginsel

Artikel 20 Gevolgen van de erkenning

Artikel 21 Bevoegdheden van de insolventiefunctionaris

Artikel 22 Bewijs van de aanwijzing van de insolventiefunctionaris

Artikel 23 Teruggave en aanrekening

Artikel 24 Invoering van insolventieregisters

Artikel 25 Onderlinge koppeling van insolventieregisters

Artikel 26 Kosten van de invoering en onderlinge koppeling van insolventieregisters

Artikel 27 Voorwaarden voor toegang tot gegevens via het systeem van onderlinge koppeling

Artikel 28 Openbaarmaking in een andere lidstaat

Artikel 29 Inschrijving in de openbare registers van een andere lidstaat

Artikel 30 Kosten

Artikel 31 Uitvoering ten voordele van de schuldenaar

Artikel 32 Erkenning en executoir karakter van andere beslissingen

Artikel 33 Openbare orde

HOOFDSTUK III SECUNDAIRE INSOLVENTIEPROCEDURES

Artikel 34 Opening

Artikel 35 Toepasselijk recht

Artikel 36 Recht om een toezegging te doen teneinde een secundaire insolventieprocedure te vermijden

Artikel 37 Recht om de secundaire insolventieprocedure aan te vragen

Artikel 38 Beslissing tot opening van een secundaire insolventieprocedure

Artikel 39 Toetsing door de rechter van de beslissing tot opening van een secundaire insolventieprocedure

Artikel 40 Voorschot op de kosten en uitgaven

Artikel 41 Samenwerking en communicatie tussen insolventiefunctionarissen

Artikel 42 Samenwerking en communicatie tussen rechters

Artikel 43 Samenwerking en communicatie tussen insolventiefunctionarissen en rechters

Artikel 44 Kosten van samenwerking en communicatie

Artikel 45 Uitoefening van de rechten van de schuldeisers

Artikel 46 Schorsing van de verrichtingen betreffende de afwikkeling van de boedel

Artikel 47 Bevoegdheid van de insolventiefunctionaris om herstructureringsplannen voor te stellen

Artikel 48 Gevolgen van de beëindiging van een insolventieprocedure

Artikel 49 Saldo van de secundaire insolventieprocedure

Artikel 50 Later geopende hoofdinsolventieprocedure

Artikel 51 Omzetting van de secundaire insolventieprocedure

Artikel 52 Conservatoire maatregelen

HOOFDSTUK IV KENNISGEVING AAN DE SCHULDEISERS EN INDIENING VAN HUN VORDERINGEN

Artikel 53 Recht om vorderingen in te dienen

Artikel 54 Verplichte kennisgeving aan de schuldeisers

Artikel 55 Procedure voor de indiening van vorderingen

HOOFDSTUK V INSOLVENTIEPROCEDURES MET BETREKKING TOT LEDEN VAN EEN GROEP ONDERNEMINGEN

DEEL 1 Samenwerking en communicatie

Artikel 56 Samenwerking en communicatie tussen insolventiefunctionarissen

Artikel 57 Samenwerking en communicatie tussen rechters

Artikel 58 Samenwerking en communicatie tussen insolventiefunctionarissen en rechters

Artikel 59 Kosten van samenwerking en communicatie in procedures met betrekking tot leden van een groep ondernemingen

Artikel 60 Bevoegdheden van de insolventiefunctionaris in procedures met betrekking tot leden van een groep ondernemingen

DEEL 2 Coördinatie

Onderafdeling 1 Procedure

Artikel 61 Aanvraag van een groepscoördinatieprocedure
Artikel 62 Voorrangsregel
Artikel 63 Kennisgeving door de aangezochte rechter
Artikel 64 Bezwaar door de insolventiefunctionarissen
Artikel 65 Gevolgen van het bezwaar tegen opneming in de groepscoördinatie
Artikel 66 Keuze van de rechter voor groepscoördinatieprocedures
Artikel 67 Gevolgen van het bezwaar tegen de voorgestelde coördinator
Artikel 68 Verzoek tot opening van een groepscoördinatieprocedure
Artikel 69 Keuze van een insolventiefunctionaris om alsnog deel te nemen
Artikel 70 Aanbevelingen en groepscoördinatieplan

Onderafdeling 2 Algemene bepalingen

Artikel 71 De coördinator
Artikel 72 Taken en rechten van de coördinator
Artikel 73 Talen
Artikel 74 Samenwerking tussen insolventiefunctionarissen en de coördinator
Artikel 75 Ontslag van de coördinator
Artikel 76 Schuldenaar die zijn goederen in bezit houdt
Artikel 77 Kosten en verdeling

HOOFDSTUK VI GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 78 Gegevensbescherming

Artikel 79 Verantwoordelijkheden van de lidstaten betreffende de verwerking van persoonsgegevens in nationale insolventieregisters

Artikel 80 Verantwoordelijkheden van de Commissie in verband met de verwerking van persoonsgegevens

Artikel 81 Informatieverplichtingen

Artikel 82 Bewaren van persoonsgegevens

Artikel 83 Toegang tot persoonsgegevens via het Europees e-justitieportaal

HOOFDSTUK VII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 84 Toepassing in de tijd

Artikel 85 Verhouding tot verdragen

Artikel 86 Informatie over het nationale en het uniale insolventierecht

Artikel 87 Invoering van de onderlinge koppeling van registers

Artikel 88 Opstelling en wijziging van de standaardformulieren

Artikel 89 Comitéprocedure

Artikel 90 Herzieningsclausule

Artikel 91 Intrekking

Artikel 92 Inwerkingtreding

BIJLAGE AINSOLVENTIEPROCEDURES ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, PUNT 4

BIJLAGE BINSOLVENTIEFUNCTIONARISSEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, PUNT 5

BIJLAGE C

BIJLAGE D