Vanuit het streven naar luchtkwaliteitsniveaus die geen aanzienlijke negatieve effecten op en risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich brengen, stelt deze richtlijn de emissiereductieverbintenissen vast voor de antropogene atmosferische emissies van de lidstaten van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), ammoniak (NH3) en fijnstof (PM2,5) en houdt deze richtlijn een verplichting in om nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging op te stellen, vast te stellen en uit te voeren en om de emissies van die verontreinigende stoffen en de andere verontreinigende stoffen als vermeld in bijlage I, alsmede de effecten ervan, te monitoren en te rapporteren.
Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst
Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst
Artikel 1 Doelstellingen en onderwerp
Deze richtlijn draagt ook bij tot het bereiken van:
-
de in de Uniewetgeving bepaalde luchtkwaliteitsdoelstellingen en de vooruitgang bij het verwezenlijken van de langetermijndoelstelling van de Unie die luchtkwaliteitsniveaus inhoudt welke overeenkomen met de door de Wereldgezondheidsorganisatie gepubliceerde luchtkwaliteitsrichtsnoeren;
-
de doelstellingen van de Unie op het gebied van biodiversiteit en ecosystemen, in overeenstemming met het 7de milieuactieprogramma;
-
versterkte synergieën tussen het luchtkwaliteitsbeleid van de Unie en andere relevante beleidsterreinen van de Unie, met name het klimaat- en energiebeleid.
Artikel 2 Toepassingsgebied
Deze richtlijn is van toepassing op de emissies van de in bijlage I genoemde verontreinigende stoffen uit alle bronnen, die plaatsvinden op het grondgebied van de lidstaten, in hun exclusieve economische zones en in hun zones met verontreinigingsbeheersing.
Deze richtlijn is niet van toepassing op emissies op de Canarische eilanden, de Franse overzeese departementen, Madeira en de Azoren.
Artikel 3 Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1. „emissie” :
- uitstoot van stoffen uit een puntbron of een diffuse bron in de atmosfeer;
- 2. „antropogene emissies” :
- emissies in de atmosfeer van verontreinigende stoffen ten gevolge van menselijke activiteiten;
- 3. „ozonprecursoren” :
- stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan, methaan en koolmonoxide;
- 4. „luchtkwaliteitsdoelstellingen” :
- de grenswaarden, streefwaarden en blootstellingsconcentratieverplichtingen voor de luchtkwaliteit zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/50/EG en Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad(1);
- 5. „zwaveldioxide” of „SO2 ” :
- alle zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, waaronder zwaveltrioxide (SO3), zwavelzuur (H2SO4) en gereduceerde zwavelverbindingen zoals zwavelwaterstof (H2S), mercaptanen en dimethylsulfiden;
- 6. „stikstofoxiden” of „NOx ” :
- stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide;
- 7. „vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan” of „NMVOS” :
- alle organische verbindingen met uitzondering van methaan die fotochemische oxidatiemiddelen kunnen vormen door reactie met stikstofoxiden in aanwezigheid van zonlicht;
- 8. „fijnstof” of „PM2,5 ” :
- deeltjes met een aerodynamische diameter gelijk aan of kleiner dan 2,5 μm (μm);
- 9. „zwarte koolstof” :
- koolstofhoudende stofdeeltjes die licht absorberen;
- 10. „nationale emissiereductieverbintenis” :
- de verplichting van de lidstaten om emissies van een bepaalde stof te verminderen; het geeft de emissiereductie weer die ten minste moet worden bereikt in een vooropgesteld kalenderjaar, als een percentage van de totale vrijgekomen emissies tijdens het referentiejaar (2005);
- 11. „landings- en startcyclus” :
- de cyclus die het taxiën na landing en voor vertrek, starten, opstijgen, aanvliegen en landen en alle andere manoeuvres van het vliegtuig die plaatsvinden beneden een hoogte van 3 000 voet, omvat;
- 12. „internationale zeevaart” :
- reizen over zee en in de kustwateren door vaartuigen van alle vlaggen, uitgezonderd vissersvaartuigen, die vertrekken van het grondgebied van het ene land en aankomen op het grondgebied van een ander land;
- 13. „zone met verontreinigingsbeheersing” :
- een gebied op zee dat zich uitstrekt over ten hoogste 200 zeemijl vanaf de referentielijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten en dat door een lidstaat is ingesteld met het oog op het voorkomen, verminderen en beheersen van verontreiniging afkomstig van vaartuigen overeenkomstig de toepasselijke internationale regels en standaarden;
- 14. „brongerelateerde Uniewetgeving ter beheersing van de luchtverontreiniging” :
- Uniewetgeving die is gericht op het verminderen van de emissies van luchtverontreinigende stoffen die onder deze richtlijn vallen, door mitigerende maatregelen aan de bron te treffen.
Artikel 4 Nationale emissiereductieverbintenissen
De lidstaten beperken op zijn minst hun jaarlijkse antropogene emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan, ammoniak, en fijnstof overeenkomstig de nationale emissiereductieverbintenissen die gelden van 2020 tot en met 2029 en vanaf 2030 en verder, zoals vastgesteld in bijlage II.
Onverminderd lid 1 treffen de lidstaten de noodzakelijke maatregelen ter beheersing van hun antropogene emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan, ammoniak en fijnstof in 2025. De indicatieve niveaus van die emissies worden bepaald aan de hand van een lineair reductietraject dat is vastgesteld tussen hun emissieniveaus als bepaald door de emissiereductieverbintenissen voor 2020 en de emissieniveaus als bepaald door de emissiereductieverbintenissen voor 2030.
Lidstaten kunnen een niet-lineair reductietraject volgen indien dit economisch of technisch gezien efficiënter is, en mits dit vanaf 2025 geleidelijk samenloopt met het lineaire reductietraject en geen afbreuk doet aan een emissiereductieverbintenis voor 2030. lidstaten beschrijven dat niet-lineaire reductietraject en de redenen om dit te volgen in de nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging die overeenkomstig artikel 10, lid 1, bij de Commissie moeten worden ingediend.
Indien zij er niet in slagen de emissies in 2025 te beperken overeenkomstig het vastgestelde reductietraject, lichten de lidstaten de redenen van die afwijking alsook de maatregelen die de lidstaten weer op hun traject moeten brengen toe in de daaropvolgende informatieve inventarisrapporten die overeenkomstig artikel 10, lid 2, aan de Commissie bezorgd worden.
Wanneer wordt bekeken of is voldaan aan de leden 1 en 2 worden de volgende emissies niet in aanmerking genomen:
-
emissies van vliegtuigen, buiten de landings- en startcyclus;
-
emissies van de nationale zeevaart van en naar de in artikel 2, lid 2, genoemde gebieden;
-
emissies van de internationale zeevaart;
-
emissies van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan van activiteiten die vallen onder de rapportagenomenclatuur (NFR) van 2014 zoals voorzien door het LRTAP-verdrag, categorieën 3B (mestbeheer) en 3D (landbouwgronden).
Artikel 5 Vormen van flexibiliteit
De lidstaten kunnen overeenkomstig bijlage IV, deel 4, aangepaste jaarlijkse nationale emissie-inventarissen vaststellen voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan, ammoniak en fijnstof indien de toepassing van verbeterde en overeenkomstig de stand van de wetenschap geactualiseerde methoden voor de emissie-inventarissen zou leiden tot niet-nakoming van hun nationale emissiereductieverbintenissen.
Om te kunnen bepalen of de toepasselijke voorwaarden van bijlage IV, deel 4, zijn vervuld, worden de emissiereductieverbintenissen voor de jaren 2020 tot en met 2029 geacht te zijn vastgesteld op 4 mei 2012.
Vanaf 2025 zijn de volgende aanvullende voorwaarden van toepassing op aanpassingen in het geval van emissiefactoren of van methoden die zijn gebruikt voor het bepalen van de emissies van specifieke broncategorieën, die aanzienlijk verschillen ten opzichte van degene die werden verwacht als gevolg van de uitvoering van een bepaalde norm of standaard in de brongerelateerde Uniewetgeving ter beheersing van de luchtverontreiniging, overeenkomstig bijlage IV, deel 4, punt 1, onder d), ii) en iii):
-
de betrokken lidstaat toont, na rekening te hebben gehouden met de resultaten van nationale inspectie- en handhavingsprogramma's die de doeltreffendheid van de brongerelateerde Uniewetgeving ter beheersing van de luchtverontreiniging monitoren, aan dat de aanzienlijk verschillende emissiefactoren niet voortvloeien uit de binnenlandse uitvoering of handhaving van die wetgeving;
-
de betrokken lidstaat heeft de Commissie op de hoogte gebracht van het aanzienlijke verschil in de emissiefactoren, die, op grond van artikel 11, lid 2, nagaat of verdere actie noodzakelijk is.
Indien een lidstaat in een bepaald jaar door een uitzonderlijk koude winter of een uitzonderlijk droge zomer niet kan voldoen aan zijn emissiereductieverbintenissen, kan hij deze verbintenissen nakomen door het gemiddelde te berekenen van zijn nationale jaarlijkse emissies voor het lopende, het voorgaande en het komende jaar, op voorwaarde dat dit gemiddelde het op grond van de reductieverbintenis van de lidstaat vastgestelde nationale jaarlijkse emissieniveau niet overschrijdt.
Indien een lidstaat waarvoor een of meer van de in bijlage II neergelegde reductieverbintenissen zijn vastgesteld op een strenger niveau dan de kosteneffectieve reductie in TSAP 16, in een bepaald jaar niet aan de betrokken emissiereductieverbintenis kan voldoen na alle kosteneffectieve maatregelen te hebben uitgevoerd, wordt hij geacht aan die betrokken emissiereductieverbintenis te voldoen gedurende ten hoogste vijf jaar, mits hij voor elk jaar daarvan die niet-naleving compenseert met een gelijkwaardige emissiereductie van een andere verontreinigende stof als bedoeld in bijlage II.
Een lidstaat wordt geacht te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 4 gedurende ten hoogste drie jaar, indien de niet-naleving van zijn emissiereductieverbintenissen voor de betreffende verontreinigende stoffen het resultaat is van een plotselinge en uitzonderlijke onderbreking of capaciteitsverlies in het stroom- en/of warmtevoorzienings- of productiesysteem die redelijkerwijs niet kon worden voorspeld en mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:
-
de betrokken lidstaat heeft aangetoond dat alle redelijke inspanningen, met inbegrip van de uitvoering van nieuwe maatregelen en nieuw beleid, zijn geleverd om naleving te verzekeren, en dat die inspanningen zullen worden voortgezet om de periode van niet-naleving zo kort mogelijk te houden; en
-
de betrokken lidstaat heeft aangetoond dat de uitvoering van maatregelen en beleid in aanvulling op de maatregelen en het beleid die in punt a) zijn genoemd, zou leiden tot onevenredig hoge kosten, een aanzienlijk risico zou inhouden voor de nationale energiezekerheid of een aanzienlijk deel van de bevolking zou blootstellen aan een substantieel risico van energiearmoede.
Lidstaten die voornemens zijn om lid 1, 2, 3 of 4 toe te passen, stellen de Commissie hiervan uiterlijk op 15 februari van het desbetreffende rapportagejaar op de hoogte. De daartoe verstrekte informatie bevat een overzicht van de verontreinigende stoffen en sectoren in kwestie en, indien beschikbaar, een beschrijving van de mate waarin de nationale emissie-inventarissen hierdoor worden beïnvloed.
De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, evalueert en beoordeelt of het gebruik van de vormen van flexibiliteit voor een bepaald jaar voldoet aan de toepasselijke voorwaarden neergelegd in lid 1 van dit artikel en in bijlage IV, deel 4, of in lid 2, 3 of 4 van dit artikel, voor zover van toepassing.
Indien de Commissie van oordeel is dat het gebruik van een bepaalde vorm van flexibiliteit niet aan de toepasselijke voorwaarden neergelegd in lid 1 van dit artikel en in bijlage IV, deel 4, of in lid 2, 3 of 4 van dit artikel voldoet, stelt zij binnen negen maanden na de datum van ontvangst van het in artikel 8, lid 4, bedoelde rapport een besluit vast waarin de betrokken lidstaat op de hoogte wordt gebracht van het feit dat het gebruik van die vorm van flexibiliteit niet kan worden aanvaard en waarin de redenen voor die weigering worden gegeven. Indien de Commissie binnen negen maanden na ontvangst van het in artikel 8, lid 4, bedoelde rapport geen bezwaren heeft gemaakt, gaat de betrokken lidstaat ervan uit dat het gebruik van die vorm van flexibiliteit geldig is en is aanvaard voor dat jaar.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin gedetailleerde regels worden neergelegd voor het gebruik van de vormen van flexibiliteit als bedoeld in de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 17 beschreven onderzoeksprocedure.
De Commissie houdt bij het uitoefenen van haar bevoegdheden uit hoofde van de leden 6 en 7 rekening met de toepasselijke richtsnoeren die onder het LRTAP-verdrag zijn ontwikkeld.