Home

Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen

Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen

Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen

Publicatieblad Nr. L 166 van 11/06/1998 blz. 0045 - 0050


RICHTLIJN 98/26/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (4),

(1) Overwegende dat in het rapport Lamfalussy van 1990 aan de presidenten van de centrale banken van de Groep van Tien is aangetoond dat betalingssystemen die functioneren op basis van meerdere juridische varianten van verrekening, met name multilaterale verrekening, belangrijke systeemrisico's meebrengen; dat het verminderen van de juridische risico's in verband met deelname aan real time brutobetalingssystemen van het allergrootste belang is, nu deze systemen steeds meer tot ontwikkeling komen;

(2) Overwegende dat het ook uiterst belangrijk is dat de met deelneming aan effectenafwikkelingssystemen verbonden risico's worden teruggedrongen, met name wanneer er een nauw verband bestaat tussen deze systemen en betalingssystemen;

(3) Overwegende dat deze richtlijn als doel heeft bij te dragen tot het efficiënt en rendabel functioneren van regelingen voor de afwikkeling van grensoverschrijdende betalingen en effectentransacties in de Europese Gemeenschap; dat de richtlijn daarmee aansluit op de vooruitgang die geboekt is op de weg naar de voltooiing van de interne markt, met name wat betreft het vrij verrichten van diensten en de liberalisering van het kapitaalverkeer, met het oog op de totstandbrenging van een Economische en Monetaire Unie;

(4) Overwegende dat de wetgeving van de lidstaten erop gericht dient te zijn de verstoring van een systeem ingevolge een insolventieprocedure tegen een deelnemer in dat systeem tot een minimum te beperken;

(5) Overwegende dat een uit 1985 daterend en op 8 februari 1988 geamendeerd voorstel voor een richtlijn betreffende de sanering en liquidatie van kredietinstellingen nog steeds bij de Raad in beraad is; dat het op 23 november 1995 door de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, opgestelde Verdrag betreffende Insolventieprocedures expliciet verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen en beleggingsinstellingen uitsluit;

(6) Overwegende dat deze richtlijn betrekking heeft op zowel binnenlandse als grensoverschrijdende betalings- en effectenafwikkelingssystemen; dat de richtlijn van toepassing is op systemen in de Gemeenschap en op zakelijke zekerheden die in verband met deelname aan deze systemen worden gesteld door deelnemers aan die systemen, ongeacht of zij uit de Gemeenschap dan wel uit derde landen afkomstig zijn;

(7) Overwegende dat de lidstaten de bepalingen van de richtlijn mogen toepassen op hun binnenlandse instellingen die rechtstreeks in systemen van derde landen deelnemen en op zakelijke zekerheden die in verband met deelname in dergelijke systemen worden gesteld;

(8) Overwegende dat het een lidstaat toegestaan moet zijn een systeem waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de afwikkeling van effectentransacties als onder deze richtlijn vallend systeem aan te merken, zelfs indien het systeem in beperkte mate betrekking heeft op van grondstoffen afgeleide instrumenten;

(9) Overwegende dat het terugdringen van systeemrisico's met name het definitieve karakter van de afwikkeling en de afdwingbaarheid van zakelijke zekerheden vereist; dat als zakelijke zekerheden beschouwd dienen te worden al de middelen die een deelnemer aan andere deelnemers in betalings- en/of effectenafwikkelingssystemen verstrekt tot zekerstelling van rechten en verplichtingen in verband met deze systemen, waaronder retrocessie-overeenkomsten, wettelijke retentierechten en fiduciaire eigendomsoverdrachten; dat de regels van het nationale recht betreffende de soorten zakelijke zekerheden die mogen worden gebruikt door de definitie van "zakelijke zekerheden" in deze richtlijn onverlet worden gelaten;

(10) Overwegende dat, aangezien de richtlijn mede betrekking heeft op zakelijke zekerheden welke worden gesteld in verband met transacties van de centrale banken van de lidstaten in hun functie als centrale bank, inclusief transacties uit hoofde van het monetair beleid, de richtlijn het Europees Monetair Instituut ondersteunt in zijn taak om ter voorbereiding van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie de efficiency van grensoverschrijdende betalingen te bevorderen en langs deze weg bijdraagt tot het scheppen van het noodzakelijke rechtskader waarbinnen de toekomstige Europese Centrale Bank haar beleid kan ontwikkelen;

(11) Overwegende dat overboekingsopdrachten en de verrekening (netting) daarvan in de rechtsstelsels van alle lidstaten juridisch afdwingbaar en aan derden tegen te werpen moeten zijn;

(12) Overwegende dat de regels inzake het definitieve karakter van verrekening niet beletten dat systemen, voordat de verrekening plaatsvindt, nagaan of de opdrachten die in het systeem zijn ingevoerd voldoen aan de regels van dat systeem en de afwikkeling van dat systeem mogelijk maken;

(13) Overwegende dat niets in deze richtlijn een deelnemer of een derde belet uit de onderliggende transactie voortvloeiende rechten of aanspraken uit te oefenen die zij in rechte kunnen aanvoeren ter terugvordering of restitutie met betrekking tot een overboekingsopdracht die in een systeem ingevoerd is, bijvoorbeeld in geval van fraude of een technische fout, mits dit niet leidt tot het ongedaan maken van de verrekening of de herroeping van de overboekingsopdracht in het systeem;

(14) Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat opdrachten tot overboeking na een door de regels van het systeem bepaald tijdstip niet herroepen kunnen worden;

(15) Overwegende dat een lidstaat de overige lidstaten onmiddellijk moet inlichten wanneer er tegen een deelnemer in een systeem een insolventieprocedure wordt geopend;

(16) Overwegende dat insolventieprocedures geen terugwerkende kracht mogen hebben ten aanzien van de rechten en verplichtingen die deelnemers hebben in een systeem;

(17) Overwegende dat deze richtlijn in geval van een insolventieprocedure tegen een deelnemer in het systeem ook beoogt te bepalen welk insolventierecht van toepassing is op de rechten en verplichtingen van die deelnemer in verband met diens deelname in een systeem;

(18) Overwegende dat zakelijke rechten afgeschermd moeten worden van de gevolgen van het insolventierecht dat op de insolvente deelnemer van toepassing is;

(19) Overwegende dat artikel 9, lid 2, alleen van toepassing is ten aanzien van een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot waaruit het bestaan blijkt van rechten betreffende de eigendom, de levering of de overboeking van de effecten in kwestie;

(20) Overwegende dat artikel 9, lid 2, ertoe strekt te verzekeren dat indien deelnemers, centrale banken of de toekomstige Europese Centrale Bank houder zijn van een geldige zakelijke zekerheid naar het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerd effectendepot in kwestie is gelokaliseerd de rechtsgeldigheid en de afdwingbaarheid van die zakelijke zekerheid jegens dat systeem (en de exploitant ervan) en jegens andere personen die direct of indirect via het systeem een aanspraak doen gelden, uitsluitend beheerst worden door het recht van die lidstaat;

(21) Overwegende dat met artikel 9, lid 2, niet wordt beoogd afbreuk te doen aan de werking en de rechtsgevolgen van het recht van de lidstaat waar de effecten tot zekerheid zijn gesteld of waar de effecten anderszins gelokaliseerd zijn (daaronder zonder enige beperking begrepen de wetgeving betreffende de creatie, eigendom of overdracht van die effecten of van rechten ten aanzien van die effecten) en dat daaraan niet de uitleg mag worden gegeven dat een dergelijke zakelijke zekerheid in enige lidstaat rechtstreeks uitwinbaar zou zijn of erkend kan worden anders dan in overeenstemming met het recht van die lidstaat;

(22) Overwegende dat het wenselijk is dat lidstaten trachten tussen alle onder deze richtlijn vallende systemen voor de afwikkeling van effectentransacties afdoende verbanden te leggen zodat er voor transacties betreffende effecten een maximale doorzichtigheid en rechtszekerheid nagestreefd wordt;

(23) Overwegende dat de aanneming van deze richtlijn de meest aangewezen manier is om bovengenoemde doelstellingen te verwezenlijken; dat dit voorstel noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken en niet verdergaat dan die doelstellingen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

DEEL I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op:

a) alle systemen zoals gedefinieerd in artikel 2, onder a), die beheerst worden door het recht van een lidstaat en die werken in eender welke valuta, in ECU of in verscheidene valuta's die binnen het systeem onderling worden geconverteerd;

b) deelnemers aan een dergelijk systeem;

c) zakelijke zekerheden die gesteld worden in verband met:

- deelneming aan een systeem, of

- transacties van de centrale banken van de lidstaten in hun functie van centrale banken.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "systeem": een formele overeenkomst:

- tussen drie of meer deelnemers, in voorkomend geval, een afwikkelende instantie, een centrale tegenpartij, een clearing house of een indirecte deelnemer niet meegerekend, met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor het uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers,

- waarop het recht van een door de deelnemers gekozen lidstaat van toepassing is. De deelnemers kunnen echter uitsluitend kiezen voor het recht van een lidstaat waarin ten minste een van hen zijn hoofdkantoor heeft,

- die door de lidstaat waarvan het recht toepasselijk is, onverminderd strengere algemeen toepasselijke voorwaarden die door de nationale wet worden voorgeschreven, als systeem is aangemerkt en bij de Commissie is aangemeld, nadat die lidstaat zich ervan heeft vergewist dat de regels van het systeem adequaat zijn.

Onder de in de eerste alinea genoemde voorwaarden mag een lidstaat als een systeem aanmerken een dergelijke formele overeenkomst die behelst dat overboekingsopdrachten als bedoeld in onderdeel i), tweede streepje, worden uitgevoerd en dat in beperkte mate opdrachten met betrekking tot andere financiële instrumenten uitvoert, indien de lidstaat van oordeel is dat zulks in het licht van het systeemrisico geboden is.

Een lidstaat mag in individuele gevallen ook als een systeem aanmerken een formele overeenkomst tussen twee deelnemers, een eventueel aanwezige afwikkelende instantie, centrale tegenpartij, clearing house of indirecte deelnemer niet meegerekend, als die lidstaat van oordeel is dat zulks in het licht van het systeemrisico noodzakelijk is;

b) "instelling":

- een kredietinstelling als omschreven in artikel 1, eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG (5) met inbegrip van de instellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, van die richtlijn, of

- een beleggingsonderneming als omschreven in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 93/22/EEG (6), met uitsluiting van de instellingen bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a) tot en met k), van die richtlijn, of

- een overheidsinstantie of onderneming met overheidsgarantie, of

- een onderneming met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap waarvan de werkzaamheden overeenstemmen met die van kredietinstellingen of beleggingsondernemingen in de Gemeenschap, zoals omschreven in het eerste en tweede streepje,

die deelneemt aan een systeem en verantwoordelijkheid draagt voor het nakomen van de financiële verplichtingen die ontstaan uit overboekingsopdrachten binnen dat systeem.

Indien een systeem volgens de nationale wetgeving onder toezicht staat en uitsluitend overboekingsopdrachten als bedoeld in onderdeel i), tweede streepje, uitvoert, alsmede de uit dergelijke opdrachten voortvloeiende betalingen, kunnen de lidstaten bepalen dat ondernemingen die in dat systeem deelnemen en verantwoordelijkheid dragen voor het nakomen van de financiële verplichtingen die ontstaan uit overboekingsopdrachten binnen dat systeem, beschouwd kunnen worden als instellingen, op voorwaarde dat ten minste drie andere deelnemers aan dit systeem onder de in de eerste alinea genoemde categorieën vallen en dat zulks in het licht van het systeemrisico noodzakelijk is;

c) "centrale tegenpartij": een lichaam dat tussen de instellingen in een systeem staat en dat optreedt als de exclusieve tegenpartij van deze instellingen met betrekking tot hun overboekingsopdrachten;

d) "afwikkelende instantie": een lichaam dat aan instellingen en/of een centrale tegenpartij die deelnemen aan systemen, afwikkelingsrekeningen beschikbaar stelt via welke overboekingsopdrachten binnen die systemen worden afgewikkeld, en dat in voorkomend geval aan die instellingen en/of centrale tegenpartijen krediet verleent voor afwikkelingsdoeleinden;

e) "clearing house": een lichaam dat verantwoordelijk is voor de berekening van de nettoposities van de instellingen, een eventuele centrale tegenpartij en/of een eventuele afwikkelende instantie;

f) "deelnemer": een instelling, een centrale tegenpartij, een clearing house of een afwikkelende instantie.

Naar gelang van de regels van het systeem kan eenzelfde deelnemer optreden als centrale tegenpartij, afwikkelende instantie of clearing house of alle of een deel van deze taken uitvoeren.

De lidstaten mogen besluiten dat voor de toepassing van deze richtlijn een indirecte deelnemer mag worden beschouwd als een deelnemer indien zulks in het licht van het systeemrisico noodzakelijk is en op voorwaarde dat de indirecte deelnemer bij het systeem bekend is;

g) "indirecte deelnemer": een kredietinstelling volgens de definitie onder b), eerste streepje, die contractueel verbonden is met een instelling die deelneemt in een systeem voor de uitvoering van overboekingsopdrachten volgens de definitie onder i), eerste streepje, om een geldbedrag ter beschikking van een ontvanger te stellen, middels een boeking in de rekeningen van een kredietinstelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie, waardoor bovengenoemde kredietinstelling overboekingsopdrachten via het systeem kan doorgeven;

h) "effecten": alle instrumenten als bedoeld in deel B van de bijlage bij Richtlijn 93/22/EEG;

i) "overboekingsopdracht":

- een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking op de rekeningen van een kredietinstelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie een geldbedrag ter beschikking van een ontvanger te stellen, of iedere opdracht die resulteert in het op zich nemen of het nakomen van een betalingsverplichting zoals gedefinieerd in de regels van het systeem, of

- een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking in een register, of anderszins, de rechten op of de belangen in één of meer effecten over te boeken;

j) "insolventieprocedure": elke collectieve maatregel waarin de wetgeving van een lidstaat of van een derde land voorziet, met het oog op de liquidatie of de sanering van de deelnemer indien een dergelijke maatregel gepaard gaat met opschorting van, of oplegging van beperkingen aan overboekingen of betalingen;

k) "verrekening (netting)": het in één nettovordering of nettoverplichting omzetten van vorderingen en verplichtingen die voortvloeien uit overboekingsopdrachten die een deelnemer of deelnemers geeft/geven aan of ontvangt/ontvangen van één of meer andere deelnemers, met als gevolg dat er alleen een nettovordering of een nettoverplichting ontstaat;

l) "afwikkelingsrekening": een rekening bij een centrale bank, een afwikkelende instantie of een centrale tegenpartij die gebruikt wordt voor het houden van geld en effecten en waarmee ook transacties tussen deelnemers aan een systeem worden afgewikkeld;

m) "zakelijke zekerheden": alle realiseerbare activa (met inbegrip van geld dat in het kader van een pandgeving is verstrekt), die in het kader van een pandgeving, retrocessie- of soortgelijke overeenkomst of anderszins zijn verstrekt tot zekerheid in verband met de rechten en verplichtingen die in verband met een systeem kunnen ontstaan, dan wel ten behoeve van de centrale banken van de lidstaten of de toekomstige Europese Centrale Bank.

DEEL II

VERREKENING (NETTING) EN OVERBOEKINGSOPDRACHTEN

Artikel 3

1. Overboekingsopdrachten en verrekening zijn juridisch afdwingbaar en kunnen, zelfs in geval van een insolventieprocedure tegen een deelnemer, aan derden worden tegengeworpen, mits de overboekingsopdrachten vóór het tijdstip waarop een insolventieprocedure als omschreven in artikel 6, lid 1, is geopend, in een systeem zijn ingevoerd.

Indien bij wijze van uitzondering overboekingsopdrachten in het systeem worden ingevoerd nadat er een insolventieprocedure is geopend, en worden uitgevoerd op de dag van opening van een dergelijke procedure, zijn deze uitsluitend juridisch afdwingbaar en kunnen slechts aan derden worden tegengeworpen als de afwikkelende instantie, de centrale tegenpartij of het clearing house na het tijdstip van afwikkeling kunnen aantonen dat zij niet op de hoogte waren of op de hoogte behoefden te zijn van de opening van een dergelijke procedure.

2. Wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, regels of praktijken betreffende de nietigheid van overeenkomsten en transacties die zijn aangegaan vóór het tijdstip waarop een insolventieprocedure als omschreven in artikel 6, lid 1, is geopend, mogen niet tot het ongedaan maken van een verrekening leiden.

3. Het tijdstip van invoering van een overboekingsopdracht in een systeem wordt bepaald volgens de regels van dat systeem. Indien er in het nationale recht dat het systeem beheerst voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het tijdstip van invoering, moeten de regels van dat systeem in overeenstemming zijn met deze voorwaarden.

Artikel 4

De lidstaten kunnen bepalen dat een tegen een deelnemer geopende insolventieprocedure niet belet dat middelen of effecten die op de afwikkelingsrekening van die deelnemer beschikbaar zijn, gebruikt worden om de verplichtingen van die deelnemer in het systeem na te komen op de dag waarop de insolventieprocedure wordt geopend. Bovendien kunnen de lidstaten bepalen dat een met het systeem verbonden kredietfaciliteit verleend aan een dergelijke met het systeem verbonden deelnemer tegen beschikbare zakelijke zekerheden gebruikt wordt om de verplichtingen van die deelnemer in het systeem na te komen.

Artikel 5

Vanaf het volgens de regels van een systeem bepaalde tijdstip mag een overboekingsopdracht noch door een deelnemer aan dat systeem, noch door een derde worden herroepen.

DEEL III

BEPALINGEN INZAKE INSOLVENTIEPROCEDURES

Artikel 6

1. Voor de toepassing van deze richtlijn is het tijdstip waarop een insolventieprocedure wordt geopend, het moment waarop de ter zake bevoegde rechterlijke of administratieve instantie haar beslissing heeft gegeven.

2. Wanneer overeenkomstig lid 1 een beslissing is gegeven, stelt de ter zake bevoegde rechterlijke of administratieve instantie de bevoegde autoriteit die door haar lidstaat is aangewezen, onmiddellijk in kennis van die beslissing.

3. De in lid 2 bedoelde lidstaat brengt de overige lidstaten onmiddellijk op de hoogte.

Artikel 7

Een insolventieprocedure heeft ten aanzien van de rechten en verplichtingen die voor een deelnemer uit zijn deelname aan een systeem voortvloeien, geen terugwerkende kracht vóór het tijdstip waarop een insolventieprocedure als omschreven in artikel 6, lid 1, is geopend.

Artikel 8

Ingeval een insolventieprocedure wordt geopend tegen een deelnemer aan een systeem, worden de rechten en verplichtingen die uit of in verband met diens deelname aan dat systeem ontstaan, bepaald door het recht waardoor dat systeem beheerst wordt.

DEEL IV

BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN HOUDERS VAN ZAKELIJKE ZEKERHEDEN BIJ INSOLVENTIE VAN DE INSTELLING DIE DEZE ZEKERHEDEN HEEFT GESTELD

Artikel 9

1. De rechten:

- van een deelnemer ten aanzien van zakelijke zekerheden die aan hem in verband met een systeem zijn gesteld, en

- van de centrale banken van de lidstaten of van de toekomstige Europese Centrale Bank ten aanzien van zakelijke zekerheden die hun gesteld zijn,

worden niet aangetast door een insolventieprocedure tegen de deelnemer of de wederpartij van centrale banken van de lidstaten of de toekomstige Europese Centrale Bank, die de zakelijke zekerheden heeft gesteld. Ter voldoening van deze rechten mogen die zakelijke zekerheden worden uitgewonnen.

2. Wanneer deelnemers en/of centrale banken van de lidstaten of de toekomstige Europese Centrale Bank op de in lid 1 beschreven wijze zakelijke zekerheden in de vorm van effecten (of van rechten ten aanzien van effecten) verkrijgen en wanneer hun recht (of dat van een namens hen optredende vertegenwoordiger, agent of derde) ten aanzien van de effecten wettelijk vastgelegd is in een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot, gelokaliseerd in een lidstaat, wordt de bepaling van de rechten van die personen als houders van zakelijke zekerheden ten aanzien van deze effecten beheerst door het recht van die lidstaat.

DEEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 10

De lidstaten bepalen welke systemen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, melden deze bij de Commissie aan en delen de Commissie mee welke autoriteiten zij overeenkomstig artikel 6, lid 2, hebben aangewezen.

Het systeem doet de lidstaat waarvan het recht van toepassing is mededeling van de deelnemers aan het systeem, eventuele indirecte deelneming daarbij inbegrepen alsmede van iedere verandering in het deelnemersbestand.

De lidstaten kunnen systemen die onder hun recht vallen, behalve aan de in de tweede alinea bedoelde meldplicht, ook aan toezichts- of goedkeuringsvereisten onderwerpen.

Ieder die een gerechtvaardigd belang heeft, kan van een instelling verlangen dat zij hem meedeelt aan welke systemen de instelling deelneemt, en informatie verstrekt over de belangrijkste regels die gelden voor de werking van die systemen.

Artikel 11

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 11 december 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. In deze mededeling nemen de lidstaten een correspondentietabel op, waarin een overzicht wordt gegeven van de bepalingen van intern recht die met betrekking tot elk artikel van deze richtlijn bestaan of worden ingevoerd.

Artikel 12

Uiterlijk drie jaar na de in artikel 11, lid 1, vermelde datum dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag over de toepassing van deze richtlijn in, zo nodig vergezeld van herzieningsvoorstellen.

Artikel 13

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 14

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 mei 1998.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

J.M. GIL-ROBLES

Voor de Raad

De Voorzitter

G. BROWN

(1) PB C 207 van 18. 7. 1996, blz. 13 en PB C 259 van 26. 8. 1997, blz. 6.

(2) Advies van 21 november 1996.

(3) PB C 56 van 24. 2. 1997, blz. 1.

(4) Advies van het Europees Parlement van 9 april 1997 (PB C 132 van 28. 4. 1997, blz. 74), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 13 oktober 1997 (PB C 375 van 10. 12. 1997, blz. 34) en besluit van het Europees Parlement van 29 januari 1998 (PB C 56 van 23. 2. 1998). Besluit van de Raad van 27 april 1998.

(5) Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 322 van 17. 12. 1977, blz. 30). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/13/EG (PB L 66 van 16. 3. 1996, blz. 15).

(6) Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PB L 141 van 11. 6. 1993, blz. 27). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/9/EG (PB L 84 van 26. 3. 1997, blz. 22).