Home

Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. In een verslag dat op verzoek van de Commissie op 25 februari 2009 door een groep op hoog niveau onder voorzitterschap van Jacques de Larosière werd gepubliceerd, werd geconcludeerd dat het toezichtkader voor de financiële sector van de Unie moet worden versterkt om het risico en de ernst van toekomstige financiële crises te verminderen en worden vergaande hervormingen van de toezichtstructuur voor die sector aanbevolen, waaronder de oprichting van een Europees Systeem van financiële toezichthouders, dat moet bestaan uit drie Europese toezichthoudende autoriteiten, één voor de banksector, één voor de verzekeringen en bedrijfspensioenen en één voor de sector effecten en markten, en de oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's.

  2. In haar mededeling van 4 maart 2009, getiteld „Op weg naar Europees herstel”, heeft de Commissie voorgesteld om het regelgevingskader van de Unie voor financiële diensten te versterken. In haar mededeling van 3 juli 2009, getiteld „Garanderen van efficiënte, veilige en gezonde derivatenmarkten”, heeft de Commissie de rol van derivaten in de financiële crisis geëvalueerd, terwijl zij in haar mededeling van 20 oktober 2009, getiteld „Garanderen van efficiënte, veilige en gezonde derivatenmarkten: toekomstige beleidsmaatregelen”, de maatregelen heeft geschetst die zij voornemens is te nemen teneinde de met derivaten samenhangende risico's te verkleinen.

  3. Op 23 september 2009 heeft de Commissie voorstellen aangenomen voor drie verordeningen tot oprichting van het Europees Systeem voor financieel toezicht, inclusief de oprichting van de drie Europese toezichthoudende autoriteiten (European Supervisory Authorities — ESAs), om een bijdrage te leveren aan de consistente toepassing van de Uniewetgeving en aan de invoering van kwalitatief hoogstaande gemeenschappelijke regelgevings- en toezichtsnormen en praktijken. De ESAs omvatten de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (European Supervisory Authority (European Banking Authority — EBA)), zoals opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(4), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Supervisory Authority (European Insurance and Occupational Pensions Authority — EIOPA)), zoals opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad(5), en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Supervisory Authority (European Securities and Markets Authority — ESMA)), zoals opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(6). Deze autoriteiten komt een cruciale rol toe bij het waarborgen van de stabiliteit van de financiële sector. Het is bijgevolg van essentieel belang om permanent erop toe te zien dat aan de voortgang van hun werkzaamheden hoge politieke prioriteit wordt gegeven en dat zij over adequate financiële middelen beschikken.

  4. Over-the-counter derivaten („otc-derivaten”) zijn onvoldoende transparant aangezien het privaat bedongen contracten zijn en elke informatie erover meestal uitsluitend voor de contractpartijen beschikbaar is. Zij creëren een complex web van onderlinge afhankelijkheid waardoor het moeilijk kan worden om de aard en het niveau van de betrokken risico's vast te stellen. De financiële crisis heeft aangetoond dat hierdoor de onzekerheid vergroot in tijden dat de markt onder druk staat en bijgevolg risico's voor de financiële stabiliteit ontstaan. Deze verordening stelt de voorwaarden vast voor de inperking van die risico's en de verbetering van de transparantie van de derivatencontracten.

  5. Op de top in Pittsburgh van 26 september 2009 zijn de leiders van de G20 overeengekomen dat alle gestandaardiseerde otc-derivatencontracten uiterlijk eind 2012 via centrale tegenpartijen (CTP's) moeten worden gecleard en dat otc-derivatencontracten aan transactieregisters moeten worden gerapporteerd. Op de G20-top van juni 2010 in Toronto hebben de leiders hun engagement en hebben zij zich er eveneens toe verbonden om de uitvoering van krachtdadige maatregelen ter verbetering van de transparantie van en het regelgevingstoezicht op otc-derivatencontracten op een internationaal coherente en niet-discriminatoire manier te versnellen.

  6. De Commissie dient in het oog te houden of, en trachten zeker te stellen, dat de internationale partners van de Unie deze toezeggingen op vergelijkbare wijze uitvoeren. De Commissie dient samen met de autoriteiten van derde landen te zoeken naar synergetische oplossingen, om te bewerkstelligen dat deze verordening spoort met de vereisten die door derde landen worden opgesteld en aldus mogelijke overlappingen te vermijden. De Commissie dient met de assistentie van ESMA toezicht te houden en aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de internationale toepassing van de in deze verordening vervatte beginselen. Teneinde potentieel overlappende of tegenstrijdige eisen te vermijden, moet de Commissie worden toegestaan om besluiten vast te stellen aangaande de gelijkwaardigheid van het juridisch, toezichthoudend en handhavend kader van derde landen, als bepaalde voorwaarden zijn vervuld. De beoordeling die als basis dient voor een dergelijk besluit mag geen afbreuk doen aan het recht van een in een derde land gevestigde CTP die door ESMA is erkend om clearingdiensten te verrichten voor clearingleden of handelsplatforms die in de Unie gevestigd zijn, aangezien het erkenningsbesluit los moet staan van deze beoordeling Evenzo mag een besluit inzake gelijkwaardigheid noch de beoordeling afbreuk doen aan het recht van een in een derde land gevestigde transactieregister dat door ESMA is erkend om diensten te verlenen aan entiteiten die in de Unie gevestigd zijn.

  7. Wat de erkenning van CTP's van derde landen betreft, moeten, overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Unie in het kader van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, met inbegrip van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten, besluiten waarbij de rechtsstelsels van derde landen als gelijkwaardig aan het EU-rechtsstelsel worden verklaard, uitsluitend worden aangenomen indien het rechtsstelsel van het derde land voorziet in een effectief gelijkwaardig systeem voor de erkenning van CTP's waaraan uit hoofde van buitenlandse rechtsstelsels een vergunning is verleend, conform de in september 2009 door de G20 gestelde algemene regelgevingsdoelen, te weten verbetering van de transparantie op de derivatenmarkten, afzwakking van het systeemrisico en bescherming tegen marktmisbruik. Een dergelijk systeem moet worden geacht gelijkwaardig te zijn als het garandeert dat het materiële resultaat van het toepasselijke regelgevingsstelsel soortgelijk is aan de vereisten van de Unie, en moet worden geacht effectief te zijn als die regels op consistente wijze worden toegepast.

  8. Het is in dit verband passend en noodzakelijk, gelet op de kenmerken van derivatenmarkten en de werking van CTP's, om na te gaan of buitenlandse regelgevingsstelsels effectief gelijkwaardig zijn wat betreft het nakomen van de G20-doelstellingen en -normen ter verbetering van de transparantie op de derivatenmarkten, ter afzwakking van het systeemrisico en ter bescherming tegen marktmisbruik. De zeer bijzondere situatie van CTP's vereist dat de bepalingen gerelateerd aan derde landen zijn georganiseerd en werken in overeenstemming met de akkoorden die specifiek zijn voor deze entiteiten die de markt structuren. Deze aanpak vormt niet noodzakelijk een precedent voor andere wetgeving.

  9. De Europese Raad is in zijn conclusies van 2 december 2009 overeengekomen dat de inperking van het tegenpartijkredietrisico substantieel moet worden verbeterd en dat het belangrijk is de transparantie, efficiëntie en integriteit van derivatentransacties te vergroten. In de resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2010, getiteld „Derivatenmarkten: toekomstige beleidsmaatregelen”, is opgeroepen tot verplichte clearing en rapportage van otc-derivatencontracten.

  10. ESMA dient binnen het toepassingsgebied van deze verordening te handelen door het beschermen van de stabiliteit van de financiële markten in noodsituaties, om de consistente toepassing van de Unieregels door de nationale toezichthoudende autoriteiten te verzekeren en meningsverschillen tussen hen te beslechten. ESMA is tevens belast met het ontwikkelen van ontwerpen van technische regulerings- en uitvoeringsnormen en speelt een centrale rol bij de vergunningverlening aan en de monitoring van centrale tegenpartijen en transactieregisters.

  11. Eén van de via het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren basistaken is het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer. In dit verband oefenen de leden van het ESCB supervisie uit, door te zorgen voor doelmatige en deugdelijke clearing- en betalingssystemen, de centrale tegenpartijen (CTP's) daaronder begrepen. De leden van het ESCB zijn aldus nauw betrokken bij de vergunningverlening aan en het toezicht op CTP's, de erkenning van CTP's van derde landen en de goedkeuring van interoperabiliteitsregelingen. Daarnaast zijn zij nauw betrokken bij de opstelling van technische reguleringsnormen, richtsnoeren en aanbevelingen. Deze verordening geldt onverminderd de verantwoordelijkheden van de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken (ncb's) ter verzekering van doelmatige en deugdelijke clearing- en betalingssystemen binnen de Unie en met andere landen. ESMA en het ESCB dienen derhalve bij het opstellen van de desbetreffende ontwerpen van technische standaarden nauw samen te werken, mede om het ontstaan van parallelle regelgeving te voorkomen. Voorts is de toegang tot informatie voor de ECB en de ncb's van cruciaal belang wanneer zij hun taken vervullen in verband met de supervisie op clearing- en betalingssystemen, als ook hun functie als een valuta-uitgevende centrale bank.

  12. Er zijn uniforme regels vereist voor derivatencontracten, zoals vermeld in bijlage I, punt C, punten 4 tot en met 10, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten(7).

  13. Prikkels om het gebruik van centrale tegenpartijen te bevorderen, zijn niet toereikend gebleken om ervoor te zorgen dat gestandaardiseerde otc-derivatencontracten daadwerkelijk centraal worden gecleard. Bijgevolg zijn bindende CTP-clearingvereisten noodzakelijk voor die otc-derivatencontracten die centraal kunnen worden gecleard.

  14. Het is waarschijnlijk dat de lidstaten divergente nationale maatregelen zullen nemen die belemmeringen kunnen creëren voor de goede werking van de interne markt en nadelig kunnen zijn voor de marktdeelnemers en de financiële stabiliteit. Een uniforme toepassing van de clearingverplichting in de Unie is tevens nodig om een hoog niveau van bescherming van de belegger te verzeken en gelijke spelregels voor de marktdeelnemers in te stellen.

  15. Om ervoor te zorgen dat de clearingverplichting het systeemrisico vermindert, is een proces vereist waarbij wordt vastgesteld welke klassen van derivaten in aanmerking komen om aan de genoemde verplichting te worden onderworpen. Bij dit proces moet rekening worden gehouden met het feit dat niet alle CTP-geclearde otc-derivatencontracten als geschikt voor verplichte CTP-clearing kunnen worden beschouwd.

  16. In deze verordening wordt bepaald aan de hand van welke criteria moet worden nagegaan of de verschillende klassen van otc-derivatencontracten al dan niet onder de clearingverplichting moeten vallen. De Commissie dient op basis van door ESMA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen te besluiten of een klasse van otc-derivatencontracten onder een clearingverplichting moet vallen en met ingang van welke datum de clearingverplichting in werking treedt, in voorkomend geval daaronder begrepen gefaseerde invoering en de minimale resterende looptijd van contracten die zijn gesloten of verlengd vóór de datum waarop de clearingverplichting ingaat, een en ander conform deze verordening. De gefaseerde invoering van een clearingverplichting zou eventueel per type tot clearing verplichte marktdeelnemers van toepassing kunnen worden. Bij het bepalen van de vraag welke klassen van otc-derivatencontracten aan een clearingverplichting moeten worden onderworpen, dient ESMA rekening te houden met het specifieke karakter van otc-derivatencontracten die worden aangegaan met emittenten van gedekte obligaties of met pools ter dekking van obligaties met zekerheidsstelling.

  17. Bij het vaststellen welke klassen van otc-derivatencontracten aan de clearingverplichting moeten worden onderworpen, dient ESMA ook terdege rekening te houden met andere relevante overwegingen, waarvan de onderlinge verbondenheid tussen tegenpartijen die van de desbetreffende klassen van otc-derivatencontracten gebruikmaken en de impact van de niveaus van het tegenpartijkredietrisico de belangrijkste zijn, en dient zij zich te beijveren voor gelijke concurrentievoorwaarden binnen de interne markt, conform de doelstelling als bedoeld in artikel 1, lid 5, onder d), van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

  18. Wanneer ESMA constateert dat een otc-derivatenproduct gestandaardiseerd en geschikt voor clearing is, maar er geen CTP is die bereid is om dat derivaat te clearen, moet ESMA een onderzoek instellen naar de achterliggende reden.

  19. Bij het bepalen van de vraag welke klassen van otc-derivatencontracten onder de clearingverplichting moeten vallen, dient naar behoren rekening te worden gehouden met de specifieke aard van de desbetreffende klassen van otc-derivatencontracten. In bepaalde klassen van otc-derivatencontracten kan het grootste risico bij transacties verband houden met het afwikkelingsrisico, dat wordt ondervangen door afzonderlijke infrastructurele regelingen en dat kan dienen om bepaalde klassen van otc-derivatencontracten (bijvoorbeeld valutaderivaten) van andere klassen te onderscheiden. Ctp-clearing dient specifiek om het tegenpartijkredietrisico te ondervangen en is wellicht niet de beste oplossing voor het ondervangen van afwikkelingsrisico's. De regeling voor dergelijke contracten moet in het bijzonder berusten op voorafgaande internationale convergentie en wederzijdse erkenning van de bijbehorende infrastructuur.

  20. Om een eenvormige en coherente toepassing van deze verordening te garanderen, alsook gelijke voorwaarden voor marktdeelnemers, dient een clearingverplichting die op een klasse van otc-derivatencontracten van toepassing is verklaard, ook van toepassing te zijn op alle tot die klasse van otc-derivatencontracten behorende contracten die worden gesloten op of na de datum, waarop ESMA de kennisgeving heeft ontvangen aangaande de vergunningverlening voor de clearingverplichting, maar vóór de datum, waarop de clearingverplichting in werking treedt, mits de resterende looptijd van deze contracten de door de Commissie bepaalde resterende minimumlooptijd overschrijdt.

  21. Bij de bepaling of een otc-derivatencontractenklasse aan clearingvereisten moet worden onderworpen, dient ESMA ernaar te streven het systeemrisico te beperken. Dit houdt onder meer in dat bij de beoordeling rekening moet worden gehouden met factoren zoals het niveau van de contractuele en operationele standaardisering van contracten, het volume en de liquiditeit van die klasse van otc-derivatencontracten en de beschikbaarheid van eerlijke, betrouwbare en algemeen aanvaarde informatie over de prijsstelling in de desbetreffende klasse van otc-derivatencontracten.

  22. Wil een otc-derivatencontract worden gecleard, dan moet voor beide partijen bij dat contract een clearingverplichting bestaan of moeten beide partijen bij dat contract daarin toestemmen. Ontheffingen van de clearingverplichting moeten strikt worden afgestemd omdat zij de effectiviteit van de verplichting en de voordelen van de CTP-clearing zouden verminderen en tot regelgevingsarbitrage tussen groepen van marktdeelnemers kunnen leiden.

  23. Om de financiële stabiliteit binnen de Unie te bevorderen, zou het nodig kunnen zijn dat de verplichtingen inzake clearing en risicolimiteringstechnieken ook gelden voor transacties die door in derde landen gevestigde entiteiten worden verricht, als de bewuste transacties aanzienlijke en voorzienbare rechtstreekse gevolgen binnen de Unie hebben of indien de verplichtingen in kwestie passend of noodzakelijk zijn om te voorkomen dat bepalingen van deze verordening worden omzeild.

  24. Otc-derivaten contracten die niet geschikt worden geacht voor CTP-clearing, blijven tegenpartijkredietrisico's en operationele risico's met zich meebrengen en er dienen derhalve regels te worden vastgesteld om die risico's te beheersen. Om tegenpartijkredietrisico's te beperken, dienen marktdeelnemers die aan de clearingverplichting zijn onderworpen te beschikken over risicobeheerprocedures die moeten voorzien in tijdige, nauwkeurige en passend gescheiden uitwisseling van zekerheden. Bij het opstellen van ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin deze risicoheerprocedures worden gespecificeerd, moet ESMA rekening houden met de voorstellen van de internationale normalisatie-instellingen inzake marginvereisten voor niet centraal geclearde derivaten. Bij het ontwikkelen van ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van de regelingen die nodig zijn om te kunnen voorzien in een nauwkeurige en passende uitwisseling van zekerheden ter beheersing van de risico's die verbonden zijn aan ongeclearde transacties, dient ESMA naar behoren rekening te houden met de belemmeringen waarmee emittenten van gedekte obligaties of garantiepools in een aantal rechtsgebieden van de Unie worden geconfronteerd bij het verschaffen van zekerheden. Voorts dient ESMA er ook rekening mee te houden dat bevoorrechte vorderingen op de activa van emittenten van gedekte obligaties die aan de tegenpartijen van emittenten van gedekte obligaties worden verstrekt een gelijkwaardige bescherming bieden tegen tegenpartijkredietrisico.

  25. De regels inzake het clearen van otc-derivatencontracten, het rapporteren met betrekking tot derivatentransacties, en de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een CTP worden gecleard, moeten van toepassing zijn op financiële tegenpartijen, namelijk beleggingsondernemingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2004/39/EG, kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen(8), verzekeringsondernemingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig de Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan(9), verzekeringsondernemingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering(10), herverzekeringsondernemingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 betreffende herverzekering(11), instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) en, waar dit relevant is, beheermaatschappijen daarvan waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's)(12), instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als gedefinieerd in Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening(13) en alternatieve beleggingsfondsen beheerd door beheerders van alternatieve beleggingsfondsen (Alternative Investment Fund Managers — AIFM) die beschikken over een vergunning of een registerinschrijving uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen(14).

  26. Entiteiten die pensioenregelingen uitvoeren, welke hoofdzakelijk ten doel hebben in pensioenuitkeringen te voorzien, doorgaans in de vorm van betalingen gedurende het gehele leven, maar ook in de vorm van een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens, zijn bij uitstek geneigd zo weinig mogelijk tegoeden in liquide middelen aan te houden, teneinde de efficiëntie en het rendement voor hun verzekeringsnemers te optimaliseren. Deze entiteiten tot het centraal clearen van otc-derivatencontracten verplichten, zou er derhalve toe leiden dat zij, teneinde aan de vigerende marginvereisten van de CTP's te voldoen, een aanzienlijk punt van hun tegoeden in liquide middelen zouden moeten aanhouden. Om te voorkomen dat een dergelijke verplichting een risico zou vormen voor het pensioeninkomen van toekomstige gepensioneerden, zou de clearingverplichting niet mogen gelden voor pensioenregelingen zolang de CTP's geen passende technische oplossing hebben ontwikkeld voor het overdragen van andere zekerheden dan contanten als variatiemarges om dit probleem te ondervangen. Bij het ontwikkelen van dergelijke technische oplossingen moet rekening worden gehouden met de bijzondere rol van pensioenregelingen en moeten wezenlijk nadelige gevolgen voor gepensioneerden worden vermeden. Tijdens de overgangsperiode dienen voor otc-derivatencontracten welke worden gesloten met het oog op het limiteren van de beleggingsrisico's die rechtstreeks verband houden met de financiële solvabiliteit van pensioenregelingen, niet alleen rapportageverplichtingen, maar ook bilaterale zekerheidsstellingsvereisten te gelden. Het einddoel blijft evenwel centrale clearing in te voeren zodra dit haalbaar is.

  27. Van belang is dat alleen de juiste entiteiten en regelingen voor deze speciale behandeling in aanmerking komen, dat rekening wordt gehouden met het uiteenlopende karakter van de pensioenstelsels in de Unie, alsook dat gelijke spelregels worden gegarandeerd voor alle pensioenregelingen. De tijdelijke afwijking dient derhalve te gelden voor instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die overeenkomstig Richtlijn 2003/41/EG zijn ingeschreven in een register, met inbegrip van de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen, alsook juridische entiteiten die zijn opgericht voor de beleggingsactiviteiten van dergelijke instellingen en die uitsluitend handelen in het belang van die instellingen, en voor de werkzaamheden op het gebied van bedrijfspensioenvoorziening van de in artikel 3 van Richtlijn 2003/41/EG bedoelde instellingen.

  28. De tijdelijke afwijking moet ook gelden voor de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening van levensverzekeringsondernemingen, op voorwaarde dat alle met die werkzaamheden overeenkomende activa en passiva separaat worden afgescheiden, beheerd en georganiseerd, zonder enige mogelijkheid tot overdracht. Zij moet gelden voor alle andere vergunninghoudende en onder toezicht staande entiteiten die alleen op nationale basis functioneren of voor regelingen die voornamelijk op het grondgebied van één lidstaat worden aangeboden, op voorwaarde dat die entiteiten en regelingen naar nationaal recht zijn erkend en hoofdzakelijk ten doel hebben in pensioenuitkeringen te voorzien. De in deze overweging bedoelde entiteiten en regelingen dienen voorwerp te zijn van een besluit van de relevante bevoegde autoriteit alsook — teneinde samenhang te garanderen, een einde te maken aan uiteenlopende belangen en misbruiken te voorkomen — van het advies van ESMA na raadpleging van EIOPA. Hieronder zouden ook entiteiten en regelingen kunnen vallen, die niet noodzakelijk in verband houden met pensioenprogramma's van werkgevers maar toch als hoofddoel hebben in een pensioeninkomen te voorzien, hetzij op verplichte, hetzij op vrijwillige basis. Voorbeelden hiervan zouden kunnen zijn juridische entiteiten die krachtens het nationaal recht pensioenregelingen uitvoeren op basis van kapitalisatie, op voorwaarde dat zij beleggen volgens het „prudent person”-beginsel en pensioenregelingen die rechtstreeks en individueel worden afgesloten, en die ook door levensverzekeraars kunnen worden aangeboden. De vrijstelling zou evenwel in het geval van pensioenregelingen die direct door individuen worden afgesloten niet moeten gelden voor otc-derivatentransacties die verband houden met andere levensverzekeringsproducten van de verzekeraar, welke niet hoofdzakelijk ten doel hebben in een pensioeninkomen te voorzien.

    Andere voorbeelden zouden kunnen zijn de werkzaamheden op het gebied van bedrijfspensioenvoorziening van onder Richtlijn 2002/83/EG vallende verzekeringsondernemingen, op voorwaarde dat van alle met die werkzaamheden overeenkomende activa een speciaal register wordt bijgehouden in overeenstemming met de bijlage van Richtlijn 2001/17/EG, van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van verzekeringsondernemingen(15), alsook de op collectieve arbeidsovereenkomsten gebaseerde regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening van verzekeringsondernemingen. Instellingen die zijn opgericht om aangeslotenen van pensioenregelingen te compenseren in het geval van ingebrekestelling dienen voor de toepassing van deze verordening eveneens als pensioenregeling te worden behandeld.

  29. In voorkomend geval moeten de regels die van toepassing zijn op financiële tegenpartijen tevens van toepassing zijn op niet-financiële tegenpartijen. Erkend wordt dat niet-financiële tegenpartijen otc-derivatencontracten gebruiken om zich in te dekken tegen commerciële risico's die rechtstreeks verband houden met hun commerciële of kasbeheeractiviteiten. Bijgevolg moet, bij het bepalen van de vraag of een niet-financiële tegenpartij aan de clearingverplichting moet worden onderworpen, rekening worden gehouden met het doel waarvoor die niet-financiële tegenpartij van otc-derivatencontracten gebruikmaakt en de omvang van haar risicoposities in die instrumenten. Om te bewerkstelligen dat niet-financiële instellingen in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunten omtrent de te hanteren clearingdrempels kenbaar te maken, moet ESMA bij de vaststelling van de desbetreffende technische reguleringsnormen een open publieke raadpleging organiseren, zodat ook niet-financiële instellingen daarbij worden betrokken. Tevens moet ESMA alle relevante autoriteiten, zoals bijvoorbeeld het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, raadplegen om ervoor te zorgen dat ten volle rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van die sectoren. Voorts dient de Commissie vóór 17 augustus 2015 het systeembelang van de transacties van niet-financiële ondernemingen in otc-derivatencontracten in verschillende sectoren, waaronder in de energiesector, te beoordelen.

  30. Bij het beoordelen of een otc-derivatencontract risico's vermindert die rechtstreeks met de commerciële bedrijvigheid en activiteiten betreffende het beheer van de kasmiddelen van een niet-financiële tegenpartij verband houden, dient naar behoren rekening te worden gehouden met de algehele hedging- en risicolimiteringsstrategieën van die niet-financiële tegenpartij. In het bijzonder dient te worden bezien of een otc-derivatencontract uit economisch oogpunt aangewezen is voor het inperken van de risico's bij de bedrijfsvoering en de bedrijfsleiding van een niet-financiële tegenpartij, wanneer de risico's verband houden met schommelingen van rentevoeten, wisselkoersen, inflatiepercentages of grondstoffenprijzen.

  31. De hoogte van de clearingdrempel is een zeer belangrijk cijfer voor alle voor niet-financiële tegenpartijen. Bij de vaststelling van de clearingdrempels moet rekening worden gehouden met de systeemrelevantie van de som van de nettoposities en risicoposities per tegenpartij en per klasse van otc-derivatencontracten. In dat verband moeten de nodige inspanningen worden geleverd om de methoden van risicobeperking die door niet-financiële tegenpartijen in het kader van hun normale bedrijfsactiviteiten worden toegepast, te erkennen.

  32. Leden van het ESCB en andere lidstaatorganen die soortgelijke functies vervullen, andere overheidsorganen van de Unie die belast zijn met het beheer van de overheidsschuld of bij dat beheer betrokken zijn en de Bank voor Internationale Betalingen dienen van het toepassingsgebied van deze verordening te worden uitgesloten om te vermijden dat zij worden beperkt in hun bevoegdheid hun taken van gemeenschappelijk belang te verrichten.

  33. Omdat niet alle aan de clearingverplichting onderworpen marktdeelnemers in staat zijn clearinglid van de CTP te worden, moeten zij de mogelijkheid hebben om als cliënt of indirecte cliënt tot de CTP toegang te krijgen onder bepaalde voorwaarden.

  34. Door de invoering van een clearingverplichting alsook een proces om vast te stellen welke CTP's in het kader van deze verplichting kunnen worden gebruikt, kunnen onbedoelde concurrentieverstoringen van de otc-derivatenmarkt ontstaan. Zo zou een CTP kunnen weigeren op bepaalde handelsplatforms uitgevoerde transacties te clearen omdat de CTP eigendom is van een concurrerend handelsplatform. Om dergelijke discriminerende praktijken te voorkomen, moeten de CTP's aanvaarden om op verschillende handelsplatforms uitgevoerde transacties te clearen in zoverre die handelsplatforms aan de door de CTP vastgestelde operationele en technische vereisten voldoen, ongeacht de aard van de contractuele documenten op basis waarvan de partijen bij het contract de oct-derivatentransactie in kwestie hebben gesloten, voor zover deze documenten aan de op de markt geldende normen voldoet. Handelsplatforms moeten de CTP's op transparante en niet-discriminerende basis van trade feeds voorzien. Het recht van een CTP om toegang te krijgen tot een handelsplatform dient te mogelijkheid te bieden tot regelingen waarbij verscheidene CTP's trade feeds van eenzelfde handelsplatform gebruiken. Dit zou evenwel niet tot interoperabiliteit voor derivatenclearing noch tot fragmentatie van de liquiditeit mogen leiden.

  35. Deze verordening mag geen belemmering vormen voor een eerlijke en open toegang tussen handelsplatforms en CTP's in de interne markt, overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in deze verordening en in de technische reguleringsnormen die door ESMA zijn ontwikkeld en door de Commissie zijn vastgesteld. In het algemeen moet de Commissie de ontwikkeling van de otc-derivatenmarkt nauwlettend blijven volgen en indien nodig optreden om concurrentieverstoringen op de interne markt te voorkomen, teneinde op de financiële markten een gelijk speelveld te garanderen.

  36. Binnen de sector financiële diensten en handel in derivatencontracten zijn er bepaalde gebieden waar commerciele en intellectuele eigendomsrechten ook een rol kunnen spelen. In gevallen waarin deze eigendomsrechten betrekking hebben op producten of diensten waarop de normen van de financiële sector zijn gebaseerd of die als zodanig fungeren, moeten op basis van evenredige, eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden licenties beschikbaar worden gemaakt.

  37. Om de betrokken klassen van otc-derivatencontracten die aan de clearingverplichting moeten worden onderworpen, de drempels en de systemisch relevante niet-financiële tegenpartijen vast te stellen, zijn betrouwbare gegevens nodig. Bijgevolg is het voor regelgevingsdoeleinden belangrijk dat op het niveau van de Unie een uniform vereiste wordt ingesteld om gegevens betreffende derivaten te rapporteren. Bovendien dient zowel voor financiële tegenpartijen als voor niet-financiële tegenpartijen een zo omvangrijk mogelijke rapportageverplichting met terugwerkende kracht te worden ingesteld, teneinde ESMA en de terzake bevoegde instanties van vergelijkende gegevens te voorzien.

  38. Een intragroeptransactie is een transactie tussen twee ondernemingen die zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie en onderworpen zijn aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures. Zij maken deel uit van hetzelfde institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG, of, in het geval van kredietinstellingen die zijn aangesloten bij hetzelfde centraal orgaan als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG, beide zijn kredietinstellingen of een van hen is een kredietinstelling en de ander is een centraal orgaan. Otc-derivatencontracten kunnen worden erkend binnen niet-financiële en financiële groepen, alsook binnen groepen die uit zowel financiële als niet-financiële ondernemingen bestaan en indien een dergelijk contract als intragroeptransactie wordt beschouwd met betrekking tot de ene tegenpartij, dan dient het ook met betrekking tot de andere tegenpartij van dat contract als intragroeptransactie te worden beschouwd. Erkend wordt dat intragroeptransacties noodzakelijk kunnen zijn voor het aggregeren van risico's binnen een groepsstructuur en dat intragroeprisico's derhalve specifiek zijn. Het onderwerpen van dergelijke transacties aan de clearingverplichting dreigt de procedures voor het beheer van deze intragroeprisico's minder efficiënt te maken en daarom kan het van nut zijn intragroeptransacties van clearing vrij te stellen, mits deze vrijstelling niet tot een verhoogd systeemrisico leidt. Daarom zou het clearen van deze transacties door een centrale tegenpartij moeten worden vervangen door een passende uitwisseling van zekerheden wanneer dat dienstig is om de tegenpartijrisico's binnen de groep te limiteren.

  39. Sommige intragroeptransacties kunnen evenwel in bepaalde gevallen en op basis van een besluit van de voor de groep bevoegde autoriteiten, worden vrijgesteld van het zekerheidsstellingsvereiste, mits hun risicobeheerprocedures voldoende betrouwbaar, robuust en consistent zijn met het niveau van complexiteit van de transactie en er geen belemmeringen zijn voor een onmiddellijke overboeking van eigen vermogen of terugbetaling van passiva tussen de tegenpartijen. Die criteria, alsmede de procedures voor de tegenpartijen en de relevante bevoegde autoriteiten die bij de toepassing van de vrijstellingen moeten worden gevolgd, dienen nader te worden bepaald in technische reguleringsnormen welke moeten worden vastgesteld overeenkomstig de respectieve verordeningen tot oprichting van de ESAs. Voorafgaand aan het ontwikkelen van dergelijke ontwerpen van technische reguleringsnormen dienen de ESAs de mogelijke gevolgen van die normen te beoordelen voor de interne markt en de financiëlemarktdeelnemers, en in het bijzonder voor de activiteiten en de structuur van de groepen in kwestie. Er dient bij alle technische standaarden die van toepassing zijn op zekerheden die in het kader van intragroeptransacties worden uitgewisseld, met inbegrip van criteria voor vrijstelling, rekening te worden gehouden met de heersende specifieke kenmerken van deze transacties en de bestaande verschillen tussen niet-financiële en financiële tegenpartijen, als ook met hun doel en de methoden voor het gebruik van derivaten.

  40. Tegenpartijen moeten in ieder geval worden geacht te zijn opgenomen in dezelfde consolidatie wanneer ze beide in een consolidatie zijn opgenomen in overeenstemming met Richtlijn 83/349/EEG(16) of met de Internationale Standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en van de Raad(17) zijn vastgesteld dan wel, wanneer het een groep betreft waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor heeft in een derde land, in overeenstemming met de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) van een derde land waarvan is vastgesteld dat zij gelijkwaardig zijn aan de IFRS en conform Verordening (EG) nr. 1569/2007(18) van de Commissie (of aan standaarden voor jaarrekeningen van een derde land waarvan het gebruik is toegestaan op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1569/2007), of wanneer zij beiden vallen onder hetzelfde geconsolideerd toezicht overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG of Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad(19), of, wanneer het een groep betreft waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor heeft in een derde land, onder hetzelfde geconsolideerd toezicht door de bevoegde autoriteit van een derde land waarvan is vastgesteld dat het gelijkwaardig is aan het toezicht dat wordt uitgeoefend volgens de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 143 van Richtlijn 2006/48/EG, of in artikel 2 van Richtlijn 2006/49/EG.

  41. Het is belangrijk dat de marktdeelnemers alle gegevens betreffende de door hen aangegane derivatencontracten aan de transactieregisters rapporteren. Bijgevolg dient de informatie over de aan de derivatenmarkten inherente risico's centraal te worden opgeslagen en gemakkelijk toegankelijk zijn voor o.a. ESMA, de betrokken bevoegde autoriteiten, het Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board — ESRB) en de betrokken centrale banken van het ESCB.

  42. De schaalvoordelen die een transactieregister bij het verrichten van zijn diensten geniet, kunnen de mededinging op het betreffende gebied belemmeren. Tevens kan een aan marktdeelnemers opgelegde brede rapportageverplichting de informatie die in de systemen van transactieregisters wordt bewaard, waardevoller maken, ook voor derden die nevendiensten verrichten, zoals het bevestigen van transacties, het matchen van transacties, dienstverlening rond kredietgebeurtenissen en het reconciliëren of comprimeren van portefeuilles. Het is dienstig ervoor te zorgen dat het mogelijke natuurlijke monopolie van de aanbieder van transactieregisterdiensten geen afbreuk doet aan de gelijke spelregels in de posttransactionele sector in bredere zin. Transactieregisters moeten er derhalve toe worden verplicht tegen billijke en redelijke voorwaarden en op niet-discriminerende basis toegang te verlenen tot de in hun systemen bewaarde informatie, onverminderd de noodzakelijke voorzorgen inzake gegevensbescherming.

  43. Voor een algeheel overzicht van de markt en ter beoordeling van het systeemrisico moeten zowel via CTP's geclearde als niet via CTP's geclearde derivatencontracten aan de transactieregisters worden gerapporteerd.

  44. De ESAs moeten worden voorzien van voldoende middelen om de hun bij deze verordening toebedeelde taken doeltreffend te kunnen vervullen.

  45. Tegenpartijen en CTP's die een derivatencontract sluiten, wijzigen of beëindigen, moeten ervoor zorgen dat de gegevens betreffende dat contract aan een transactieregister worden gerapporteerd. Zij moeten de rapportage betreffende het contract aan een andere entiteit kunnen delegeren. Entiteiten of hun werknemers die namens een tegenpartij de gegevens betreffende een derivatencontract overeenkomstig deze verordening aan een transactieregister rapporteren, dienen niet te worden geacht een openbaarmakingsbeperking te hebben overtreden. Bij de opstelling van ontwerpen van technische reguleringsnormen met betrekking tot rapportage dient ESMA rekening te houden met de vooruitgang die is geboekt bij de ontwikkeling van een uniek contractnummer en met de lijst van vereiste rapportagegegevens als bedoeld in bijlage I, tabel 1, van Verordening (EG) nr. 1287/2006 van de Commissie(20) tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG en overleg te plegen met andere betrokken instanties zoals het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators.

  46. Onder inachtneming van de beginselen als omschreven in de mededeling van de Commissie over de aanscherping van sanctieregelingen in de sector financiële diensten en de naar aanleiding van deze mededeling vastgestelde wetgevingshandelingen van de Unie, moeten de lidstaten regels vaststellen met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn bij inbreuken op deze verordening. De lidstaten moeten deze sancties uitvoeren op een wijze die de effectiviteit van die regels niet vermindert. Dergelijke sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Zij moeten gebaseerd zijn op de door ESMA vastgestelde richtsnoeren ter bevordering van de convergentie en de sectoroverschrijdende consistentie van de sanctieregelingen in de financiële sector. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat ingestelde sancties publiekelijk bekend worden gemaakt en dat evaluatieverslagen over de effectiviteit van de bestaande regelgeving op regelmatige basis worden gepubliceerd.

  47. Overeenkomstig deze verordening kan een CTP in eender welke lidstaatgevestigd zijn. Tegen een lidstaat of een groep van lidstaten mag als platform voor clearingdiensten niet rechtstreeks of onrechtstreeks worden gediscrimineerd. Een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde CTP mag door deze verordening op generlei wijze in haar bevoegdheid tot het clearen van een in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land luidend product worden beperkt of in de uitoefening van die bevoegdheid worden belemmerd.

  48. De verlening van een vergunning aan een CTP moet afhankelijk worden gesteld van het aanhouden van een minimumaanvangskapitaal. Het kapitaal, inclusief de ingehouden winst en reserves van een CTP, moet te allen tijde evenredig zijn aan het risico dat verbonden is aan de activiteiten van de CTP om ervoor te zorgen dat de CTP ten opzichte van niet reeds met specifieke financiële middelen gedekte krediet-, tegenpartij-, markt-, operationele, juridische en bedrijfsrisico's adequaat gekapitaliseerd is en desnoods in staat is om tot een ordelijke liquidatie of herstructurering van haar activiteiten over te gaan.

  49. Aangezien deze verordening een juridische verplichting invoert om voor regelgevingsdoeleinden via specifieke CTP's te clearen, is het essentieel ervoor te zorgen dat deze CTP's veilig en gezond zijn en te allen tijde voldoen aan de strenge organisatorische, bedrijfsvoerings- en prudentiële vereisten die bij deze verordening worden vastgesteld. Genoemde vereisten dienen betrekking te hebben op de clearing van alle financiële instrumenten waarin de centrale tegenpartijen handelen, om een uniforme toepassing van deze verordening te garanderen.

  50. Voor regelgevings- en harmonisatiedoeleinden is het bijgevolg noodzakelijk ervoor te zorgen dat financiële tegenpartijen slechts CTP's gebruiken die aan de in deze verordening vervatte vereisten voldoen. Deze vereisten dienen niet te beletten dat de lidstaten ten aanzien van op hun grondgebied gevestigde CTP's bijkomende vereisten vaststellen of blijven toepassen, inclusief bepaalde vergunningsvereisten uit hoofde van Richtlijn 2006/48/EG. Het opleggen van die bijkomende vereisten mag evenwel geen afbreuk doen aan het recht van CTP's waaraan in andere lidstaten een vergunning is verleend of die erkend zijn, overeenkomstig deze verordening, om clearingdiensten te verrichten voor clearingleden en hun cliënten die gevestigd zijn in de lidstaat die de bijkomende vereisten oplegt, aangezien deze CTP's niet onder die bijkomende vereisten vallen noch daaraan behoeven te voldoen. Tegen uiterlijk 30 september 2014 dient ESMA een rapport op te stellen over het effect van de toepassing van de aanvullende vereisten door de lidstaten.

  51. Directe regels met betrekking tot vergunningverlening aan en toezicht op de CTP's zijn een essentieel uitvloeisel van de verplichting om otc-derivatencontracten te clearen. Het is passend dat de bevoegde autoriteiten verantwoordelijkheid behouden voor alle aspecten van vergunningverlening aan en toezicht op centrale tegenpartijen, met inbegrip van de verplichting tot verificatie dat de kandidaat-centrale tegenpartij voldoet aan deze verordening en aan Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen(21), gezien het feit dat deze nationale bevoegde autoriteiten het beste in staat zijn na te gaan hoe de centrale tegenpartijen dagelijks opereren, regelmatige toetsingen uit te voeren en, indien nodig, passende maatregelen te nemen.

  52. Als een CTP insolvabel dreigt te worden, zou de budgettaire verantwoordelijkheid hoofdzakelijk bij de lidstaat van vestiging van die CTP kunnen liggen. Bijgevolg moet de vergunningverlening aan en het toezicht op deze CTP door de betrokken bevoegde autoriteit van die lidstaat worden verricht. Aangezien echter de clearingleden van een centrale tegenpartij in verschillende lidstaten kunnen zijn gevestigd en zij als eersten invloed zullen ondervinden van de wanbetaling van de CTP, is het noodzakelijk dat alle relevante bevoegde autoriteiten en ESMA wordt betrokken bij het vergunnings- en toezichtsproces. Aldus kunnen divergente nationale maatregelen of praktijken en belemmeringen voor de goede werking van de interne markt worden vermeden. Bovendien mag geen voorstel of beleidsmaatregel van een lid van een college van toezichthouders rechtstreeks of onrechtstreeks discriminerend zijn ten aanzien van een lidstaat of een groep van lidstaten als platform voor clearingdiensten in welke valuta ook. ESMA moet deel uitmaken van elk college om een consistente en juiste toepassing van deze verordening te garanderen. ESMA dient daarnaast andere bevoegde autoriteiten in de betreffende lidstaten te betrekken bij de voorbereiding van aanbevelingen en besluiten.

  53. Wat de aan de colleges toebedachte rol betreft, is het van belang dat alle relevante bevoegde autoriteiten evenals de leden van het ESCB bij de uitoefening van hun taken worden betrokken. Het college dient te bestaan uit niet alleen de bevoegde autoriteiten die toezichthouder zijn van de CTP, maar ook uit de toezichthouders van entiteiten waarop de activiteiten van die CTP van invloed kunnen zijn, namelijk bepaalde clearingleden, handelsplatforms, CTP's die met haar een interoperabiliteitsregeling hebben getroffen en centrale effectenbewaarinstellingen. De leden van het ESCB die verantwoordelijk zijn voor de supervisie op de CTP en op de CTP's waarmee interoperabiliteitsregelingen zijn getroffen, alsook de leden die verantwoordelijk zijn voor de uitgifte van de valuta's van de door de CTP geclearde financiële instrumenten, moeten van het college deel kunnen uitmaken. Aangezien de aan toezicht of supervisie onderworpen entiteiten gevestigd zouden zijn in een beperkte reeks lidstaten waar de CTP werkzaam is, zou de verantwoordelijkheid voor het toezicht of de supervisie op een aantal van die entiteiten wellicht bij één bevoegde autoriteit of één lid van het ESCB kunnen berusten. Voor een harmonieuze samenwerking tussen alle leden van het college is invoering van passende procedures en mechanismen aangewezen.

  54. Aangezien de instelling en het functioneren van het college worden geacht op een schriftelijke overeenkomst tussen alle leden van het college gebaseerd te zijn, is het gezien het gevoelige karakter van de aangelegenheid dienstig de bevoegdheid tot vaststelling van de besluitvormingsprocedures aan hen te verlenen. Daarom moeten er gedetailleerde stemprocedureregels worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de leden van het college. Met het oog op een passende weging van de belangen van alle relevante marktdeelnemers en lidstaten dient het college bij het nemen van besluiten te stemmen conform het algemene beginsel van één stem per lid, ongeacht het aantal functies dat het lid overeenkomstig deze verordening uitoefent. Voor colleges met ten hoogste 12 leden hebben ten hoogste twee collegeleden die tot dezelfde lidstaat behoren, stemrecht, en heeft elk lid met stemrecht één stem. Voor colleges met méér dan twaalf leden hebben ten hoogste drie collegeleden die tot dezelfde lidstaat behoren, stemrecht, en heeft elk lid met stemrecht één stem.

  55. De zeer bijzondere situatie van CTP's brengt met zich mee dat de colleges worden georganiseerd en werken overeenkomstig de specifiek voor het toezicht op CTP's getroffen regelingen.

  56. De in deze verordening voorgeschreven regelingen vormen geen precedent voor andere wetgeving met betrekking tot toezicht en supervisie op de financiële marktinfrastructuren, inzonderheid wat betreft stemregelingen voor aanhangigmaking bij ESMA.

  57. Een CTP dient geen vergunning te krijgen wanneer alle leden van het college, met uitzondering van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging van de CTP, in onderlinge overeenstemming tot een gezamenlijk advies zijn gekomen dat de CTP geen vergunning dient te krijgen. Indien een toereikende meerderheid van het college echter een negatief advies heeft verstrekt en een van de betrokken bevoegde autoriteiten, op basis van een tweederde meerderheid in het college, de zaak naar ESMA heeft verwezen, moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de CTP gevestigd is, haar vergunningsbesluit aan te houden en een besluit af te wachten, dat ESMA met betrekking tot de naleving van het Unierecht neemt. De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de CTP is gevestigd dient haar besluit te nemen in overeenstemming met het besluit van ESMA. Wanneer alle leden van het college, met uitzondering van de autoriteiten van de lidstaat waar de CTP gevestigd is, tot een gezamenlijk advies komen met het gevolg dat zij de overwegingen niet als vervuld achten en dat de CTP geen vergunning dient te krijgen, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de CTP gevestigd is, de zaak naar ESMA verwijzen met het oog op een besluit aangaande de naleving van het Unierecht.

  58. Het is noodzakelijk de bepalingen betreffende de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten, ESMA en andere bevoegde autoriteiten, alsmede de verplichtingen inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen deze autoriteiten te versterken. Wegens de toenemende grensoverschrijdende activiteiten dienen deze bevoegde autoriteiten elkaar alle informatie te verstrekken die relevant is voor de uitoefening van hun taken, teneinde een effectieve toepassing van deze verordening tevens te garanderen in situaties waarin inbreuken of vermoedelijke inbreuken de aandacht van de autoriteiten in meerdere lidstaten verdienen. Bij de uitwisseling van informatie is strikte professionele geheimhouding noodzakelijk. Wegens de grote impact van otc-derivatencontracten is het van essentieel belang dat andere betrokken autoriteiten, zoals de belastingautoriteiten en regelgevers uit de energiesector, toegang hebben tot de informatie die nodig is voor de uitoefening van hun functies.

  59. In het licht van het mondiale karakter van de financiële markten moet ESMA rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de erkenning van in derde landen gevestigde CTP's, waardoor deze in staat zullen zijn clearingdiensten binnen de Unie te verrichten op voorwaarde dat de Commissie heeft erkend dat het rechts- en toezichtkader van dat derde land gelijkwaardig is aan dat van de Unie en dat aan bepaalde andere voorwaarden is voldaan. Een in een derde land gevestigde CTP die clearingdiensten verricht voor in de Unie gevestigde clearingleden of handelsplatforms zou daarom door ESMA moeten worden erkend. Om evenwel geen beletsel te creëren voor de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende werkzaamheden betreffende het beheer van beleggingen in de Unie, zou een in een derde land gevestigde CTP die voor in de Unie gevestigde cliënten via een in een derde land gevestigd clearinglid diensten verricht, niet door ESMA hoeven te worden erkend. In dat verband zullen de overeenkomsten met de belangrijkste internationale partners van de Unie van bijzonder belang zijn om voor gelijke spelregels en financiële stabiliteit te zorgen.

  60. Op 16 september 2010 bereikte de Europese Raad overeenstemming over de noodzaak voor Europa om in de context van de buitenlandse betrekkingen van de EU met meer assertiviteit en in een geest van wederkerigheid en wederzijds voordeel op te komen voor haar belangen en waarden, en dat zij maatregelen moet nemen om onder meer de markttoegang voor Europese ondernemingen te vergroten en de samenwerking met belangrijke handelspartners op het vlak van regelgeving te verdiepen.

  61. Een CTP's dient ongeacht de eigendomsstructuur, over robuuste governanceregelingen, hoger management van goede reputatie en onafhankelijke leden in de raad ervan te beschikken. Ten minste een derde van de leden van de raad en in geen geval minder dan twee leden, dienen onafhankelijk te zijn. Het feit dat de governanceregelingen en eigendomsstructuren verschillen, kan echter de bereidheid of het vermogen van een CTP om bepaalde producten te clearen, beïnvloeden. Het is aldus passend dat de onafhankelijke leden van de raad en het door de CTP op te richten risicocomité potentiële belangenconflicten binnen een CTP aanpakken. De clearingleden en de cliënten dienen op adequate wijze te worden vertegenwoordigd, aangezien de door de CTP genomen besluiten op hen van invloed kunnen zijn.

  62. Een CTP mag functies uitbesteden. Het risicocomité van de CTP moet over dergelijke uitbestedingen worden geraadpleegd. Belangrijke activiteiten in verband met risicobeheer mogen niet worden uitbesteed, tenzij de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming heeft verleend.

  63. De deelnamevereisten voor een CTP moeten transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn en moeten toegang op afstand mogelijk maken in zoverre dit de CTP niet aan bijkomende risico's blootstelt.

  64. De cliënten van de clearingleden die hun otc-derivatencontracten via CTP's clearen, moet een hoog niveau van bescherming worden verleend. Het feitelijke niveau van bescherming hangt af van het niveau van afscheiding dat deze cliënten kiezen. Tussenpersonen moeten hun activa van die van hun cliënten gescheiden houden. Om deze reden moeten de CTP's geactualiseerde en gemakkelijk te herkennen vastleggingen bijhouden, teneinde te faciliteren dat de posities en activa van de cliënten van een in gebreke blijvend clearinglid naar een solvabel clearinglid worden overgeboekt, dan wel, naargelang het geval, dat de posities en activa van de cliënten op ordelijke wijze worden geliquideerd en dat de cliënten de overwaarde aan zekerheid terugkrijgen. De in deze verordening neergelegde eisen inzake het gescheiden houden en de overdraagbaarheid van de posities en activa van leden dienen derhalve voorrang te hebben op eventueel tegenstrijdige nationale wetten, regels en bestuursrechtelijke bepalingen die de partijen verhinderen deze eisen na te leven.

  65. Een CTP moet een gezond risicobeheerkader invoeren voor het beheren van de kredietrisico's, liquiditeitsrisico's, operationele en andere risico's, waaronder de risico's die zij door de onderlinge afhankelijkheid loopt of voor andere entiteiten inhoudt. Een CTP moet adequate procedures en mechanismen invoeren om wanbetaling van een clearinglid aan te pakken. Om het besmettingsrisico van wanbetaling tot een minimum te beperken, moet de CTP strikte deelnamevereisten invoeren, passende initiële margins innen en een wanbetalingsfonds en andere financiële middelen aanhouden om potentiële verliezen te dekken. Om ervoor te zorgen dat zij doorlopend over voldoende middelen beschikt, moet de CTP een minimumbedrag vaststellen, die de omvang van het wanbetalingsfonds in het algemeen niet mag onderschrijden. Dit mag evenwel niet het vermogen van de CTP beperken om dit wanbetalingsfonds in zijn geheel te gebruiken ter dekking van de door wanbetaling van een clearinglid ontstane verliezen.

  66. Bij het bepalen van een gezond risicobeheerkader dient een CTP rekening te houden met het potentiële risico en de economische impact van dit kader voor de clearingleden en hun cliënten. Hoewel CTP's in de allereerste plaats voor een zeer robuust risicobeheer moeten blijven zorgen, kunnen de kenmerken van dit risicobeheer worden aangepast aan de specifieke activiteiten en risicoprofielen van de cliënten van de clearingleden, en indien dit op basis van de door ESMA in de technische reguleringsnormen te specificeren criteria gepast wordt geacht, kunnen tot de zeer liquide activa die als zekerheden mogen worden aanvaard ten minste kasmiddelen, overheidsobligaties, obligaties met zekerheidsstelling overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG, na toepassing van een passende waarderingscorrectie („haircut”), en direct opeisbare garanties verstrekt door een lid van het ESCB worden gerekend, alsook garanties van commerciële banken, onder strikte voorwaarden, in het bijzonder omtrent de kredietwaardigheid van de garantiegever en diens financiële banden met de clearingleden van de CTP. Waar passend kan ESMA ook goud als een voor zekerheidstelling geschikt activum aanvaarden. CTP's moeten de mogelijkheid hebben om onder strikte voorwaarden omtrent risicobeheer door commerciële banken verstrekte garanties te aanvaarden van niet-financiële tegenpartijen die als clearinglid handelen.

  67. De door CTP's gehanteerde risicobeheerstrategieën moeten voldoende solide zijn om risico's voor de belastingbetaler te voorkomen.

  68. Verzoeken om bijstorting van margin en waarderingscorrecties op als zekerheid aanvaarde activa kunnen procyclische effecten hebben. CTP's, bevoegde autoriteiten en ESMA moeten bijgevolg maatregelen nemen om de mogelijke procyclische effecten van door CTP's gehanteerde risicobeheerpraktijken te voorkomen en te reguleren, zodanig dat het gezonde karakter en de financiële veiligheid van een centrale tegenpartij niet negatief worden beïnvloed.

  69. Het beheer van risicoposities is een essentieel onderdeel van het clearingproces. De toegang tot en het gebruik van toepasselijke prijsberekeningsbronnen moeten mogelijk zijn om clearingdiensten in het algemeen te verrichten. Deze prijsberekeningsbronnen dienen onder meer de bronnen te omvatten die verband houden met de indexen die als referentie-index voor derivaten of andere financiële instrumenten worden gebruikt.

  70. Margins zijn de eerste verdedigingslinie voor een CTP. Hoewel de CTP's de ontvangen margins veilig en voorzichtig dienen te beleggen, moeten zij bijzondere inspanningen leveren om te zorgen voor adequate bescherming van de margins teneinde te waarborgen dat deze tijdig worden gerestitueerd aan niet in gebreke blijvende clearingleden of, als de CTP die deze margins heeft geïnd in gebreke blijft, aan een CTP die met haar een interoperabiliteitsregeling heeft getroffen.

  71. Toegang tot adequate liquide middelen is voor een CTP van essentieel belang. Dergelijke liquiditeit kan het resultaat zijn van toegang tot liquiditeit van de centrale bank of kredietwaardige en betrouwbare commerciële bankliquiditeit, of een combinatie van beide. Toegang tot liquiditeit kan resulteren uit een overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2006/48/EG, of volgens andere passende regelingen verleende vergunning. Bij het beoordelen of er vooral in stresssituaties een adequate liquiditeit is, dient een CTP het risico in aanmerking te nemen dat voor het verkrijgen van liquiditeit alleen een beroep wordt gedaan op de kredietlijnen van commerciële banken.

  72. De Europese Gedragscode voor clearing en afwikkeling van 7 november 2006 heeft een vrijwillig kader voor het tot stand brengen van verbanden tussen CTP's ingesteld. De posttransactionele sector blijft echter volgens nationale scheidingslijnen gefragmenteerd, waardoor grensoverschrijdende transacties worden bemoeilijkt en harmonisatie gehinderd. Bijgevolg dienen de voorwaarden te worden vastgesteld voor het treffen van interoperabiliteitsregelingen tussen CTP's in zoverre de betrokken CTP's daardoor niet worden blootgesteld aan risico's die niet passend worden beheerd.

  73. Interoperabiliteitsregelingen zijn belangrijk om de posttransactionele markt binnen de Unie verder te integreren en er dienen in dat verband regels te worden gegeven. Echter, aangezien interoperabiliteitsregelingen CTP's aan bijkomende risico's kunnen blootstellen, moeten CTP's al drie jaar over een vergunning voor clearing te beschikken, of erkend zijn in overeenstemming met deze verordening of over een vergunning beschikken op basis van een voorafgaand nationaal vergunningsysteem, alvorens de bevoegde autoriteiten goedkeuring kunnen verlenen voor het treffen van dergelijke interoperabiliteitsregelingen. Gezien de bijkomende complexiteit die een interoperabiliteitsregeling tussen otc-derivatencontracten clearende CTP's met zich meebrengt, is het bovendien in dit stadium passend het toepassingsgebied van de interoperabiliteitsregelingen tot overdraagbare effecten en marktmakingsinstrumenten te beperken. Uiterlijk 30 september 2014 moet de ESMA aan de Commissie een rapport voorleggen over de vraag of het passend is het toepassingsgebied tot andere financiële instrumenten uit te breiden.

  74. De transactieregisters verzamelen gegevens voor regelgevingsdoeleinden die relevant zijn voor de autoriteiten in alle lidstaten. ESMA dient de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de registratie en de intrekking van de registratie van, alsmede voor het toezicht op transactieregisters.

  75. Aangezien de regelgevers, CTP's en andere marktdeelnemers op de door de transactieregisters bewaarde gegevens terugvallen, is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat die transactieregisters onderworpen zijn aan strikte operationele vereisten inzake bewaring van vastleggingen en gegevensbeheer.

  76. Transparantie van de prijzen, vergoedingen en risicobeheermodellen in verband met de door CTP's, hun leden en transactieregisters verrichte diensten is noodzakelijk om de marktdeelnemers in staat te stellen met kennis van zaken te kiezen.

  77. Om haar taken doeltreffend te kunnen uitvoeren, moet ESMA op eenvoudig verzoek of bij besluit alle nodige informatie kunnen opvragen van transactieregisters, aan transactieregisters gelieerde derden alsook derden waaraan de transactieregisters bepaalde functies of activiteiten hebben uitbesteed. Indien ESMA met een eenvoudig verzoek dergelijke informatie eist, is de aangezochte persoon niet verplicht de informatie te verstrekken, maar als er vrijwillig op het verzoek wordt ingegaan, mag de verstrekte informatie niet onjuist of misleidend zijn. Die informatie moet onverwijld ter beschikking worden gesteld.

  78. Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht of fiscaal recht vallen, mogen de bevoegde autoriteiten, ESMA en de andere dan bevoegde instanties betrokken organen of natuurlijke of rechtspersonen die vertrouwelijke informatie ontvangen deze slechts gebruiken voor de uitoefening van hun taken en voor de uitoefening van hun functies. Dit mag echter geen belemmering vormen voor de uitoefening, in overeenstemming met de nationale wetgeving, van de functies van nationale organen die bevoegd zijn voor het voorkomen, onderzoeken of corrigeren van gevallen van wanbeheer.

  79. Om haar toezichtbevoegdheden doeltreffend uit te oefenen, moet ESMA in staat zijn onderzoeken en inspecties ter plaatse te verrichten.

  80. ESMA moet specifieke toezichttaken aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat kunnen delegeren, bijvoorbeeld als een toezichttaak kennis en ervaring met betrekking tot plaatselijke omstandigheden vereist die gemakkelijker op nationaal niveau beschikbaar zijn. ESMA dient de mogelijkheid te hebben om het uitvoeren van specifieke onderzoekstaken en inspecties ter plaatse te delegeren. Alvorens taken worden gedelegeerd, dient ESMA met de betrokken bevoegde autoriteit overleg te plegen over de precieze voorwaarden betreffende die delegatie van taken, zoals de reikwijdte van de te delegeren taak, het tijdschema voor het vervullen van de taak en het overdragen van de noodzakelijke informatie door en aan ESMA. ESMA vergoedt de bevoegde autoriteiten voor het vervullen van een gedelegeerde taak overeenkomstig het bij gedelegeerde handeling door de Commissie vastgestelde reglement inzake vergoedingen. ESMA mag de bevoegdheid tot het vaststellen van besluiten inzake registratie niet delegeren.

  81. Er dient te worden gewaarborgd dat de bevoegde autoriteiten ESMA kunnen verzoeken na te gaan of de voorwaarden voor de intrekking van de registratie van een transactieregister zijn vervuld. ESMA moet dergelijke verzoeken beoordelen en alle passende maatregelen nemen.

  82. ESMA moet dwangsommen kunnen opleggen om transactieregisters te dwingen een inbreuk te beëindigen, de volledige en juiste informatie te verstrekken die ESMA heeft geëist of zich aan een onderzoek of een inspectie ter plaatse te onderwerpen.

  83. ESMA moet tevens in staat zijn aan transactieregisters geldboeten op te leggen wanneer zij tot de bevinding komt dat deze opzettelijk of uit onachtzaamheid een inbreuk op deze verordening hebben gepleegd. Geldboeten moeten worden opgelegd in overeenstemming met de ernst van de inbreuken. De inbreuken moeten worden ingedeeld in verschillende groepen die met specifieke boeten worden bestraft. Om het bedrag van de boete voor een bepaalde inbreuk vast te stellen, moet ESMA in twee fasen te werk gaan, namelijk de vaststelling van een basisbedrag van de boete en, indien nodig, aanpassing van dit basisbedrag door bepaalde coëfficiënten. Het basisbedrag moet rekening houdend met de jaaromzet van het transactieregister worden vastgesteld, en door toepassing, overeenkomstig deze verordening, van de desbetreffende coëfficiënten naar boven of naar beneden worden bijgesteld.

  84. In het kader van deze verordening moeten er coëfficiënten voor verzwarende en verzachtende omstandigheden worden opgesteld zodat ESMA over de nodige instrumenten beschikt om, rekening houdend met de omstandigheden, een boete vast te stellen die evenredig is met de ernst van de inbreuk die een transactieregister heeft gepleegd.

  85. Alvorens ESMA beslist geldboeten of dwangsommen op te leggen, moet zij de aan de procedure onderworpen personen in de gelegenheid stellen te worden gehoord om hun recht van verweer te eerbiedigen.

  86. ESMA dient van het opleggen van geldboeten of dwangsommen af te zien wanneer een eerdere vrijspraak of veroordeling in een krachtens het nationale recht gevoerde strafprocedure wegens hetzelfde feit of in wezen gelijkaardige feiten reeds in kracht van gewijsde is gegaan.

  87. De besluiten van ESMA inzake geldboeten en dwangsommen moeten uitvoerbaar zijn en de tenuitvoerlegging ervan moet geschieden volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De bepalingen van burgerlijke rechtsvordering mogen geen bepalingen van strafvordering omvatten, maar kunnen bepalingen betreffende administratieve procedures omvatten.

  88. ESMA moet de bevoegdheid krijgen een scala van toezichtmaatregelen te nemen ten aanzien van transactieregisters die een inbreuk plegen, wat onder meer kan inhouden dat het transactieregister verplicht wordt een inbreuk te beëindigen en dat, in laatste instantie, wanneer het transactieregister de bepalingen van deze verordening in ernstige mate of herhaaldelijk heeft geschonden, de registratie wordt ingetrokken. ESMA moet bij de toepassing van de toezichtmaatregelen rekening houden met de aard en de ernst van de inbreuk en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen. Alvorens tot toezichtmaatregelen te besluiten, moet ESMA de personen die aan een procedure worden onderworpen de gelegenheid geven te worden gehoord teneinde te voldoen aan hun rechten van verweer.

  89. Het is essentieel dat de lidstaten en ESMA het recht op privacy van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens beschermen overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(22) en met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(23).

  90. Het is belangrijk om de internationale convergentie van de vereisten voor de CTP's en transactieregisters te verzekeren. Deze verordening volgt de bestaande, door het Committee on Payment and Settlement Systems (CPSS) en de International Organization of Securities Commissions (IOSCO) ontwikkelde aanbevelingen, met de aantekening dat de beginselen van het CPSS-IOSCO voor de infrastructuur van de financiële markten, waaronder CTP's, zijn vastgesteld op 16 april 2012. Zij creëert een Uniekader waarin de CTP's veilig kunnen opereren. ESMA moet, bij het opstellen van de technische reguleringsnormen en van de in deze verordening voorziene richtsnoeren en aanbevelingen of bij het voorstellen van een herziening daarvan, de bestaande normen en hun toekomstige ontwikkelingen in overweging nemen.

  91. De bevoegdheid tot het vaststellen van handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet aan de Commissie worden overgedragen wanneer het wijzigingen betreft in de lijst van entiteiten die niet onder deze verordening vallen, nadere procedureregels met betrekking tot het opleggen van boetes of dwangsommen, met inbegrip van bepalingen inzake het recht van verweer, termijnen, het innen van boetes of dwangsommen en verjaringstermijnen voor het opleggen en innen van dwangsommen of boetes; maatregelen om bijlage II aan te passen aan de ontwikkelingen op de financiële markten; nadere specificaties omtrent de soorten vergoedingen die er zijn, de zaken waarvoor een vergoeding moet worden betaald, de omvang van de vergoedingen en de manier waarop zij moeten worden betaald. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

  92. Om een consistente harmonisatie te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 ontwerpen van technische reguleringsnormen van de ESAs vast te stellen voor de toepassing, in de zin van deze verordening, van de punten 4 tot en met 10 van bijlage I, punt C, van Richtlijn 2004/39/EG, en om het volgende te specificeren: de otc-derivatencontracten die geacht worden binnen de Unie een rechtstreeks, substantieel en voorzienbaar effect hebben, of de gevallen waarin het passend of noodzakelijk is om ontwijking van een bepaling in deze verordening te voorkomen; het type van indirecte contractuele regelingen die voldoen aan de voorwaarden van deze verordening; de klassen van otc-derivatencontracten die aan een clearingverplichting moeten worden onderworpen, de datum of data waarop die clearingverplichting van kracht wordt, met inbegrip van eventuele infaseringsperiodes, en de categorieën tegenpartijen op wie de clearingverplichting van toepassing is, en ook de minimale resterende looptijd van otc-derivatencontracten die zijn aangegaan of zijn verlengd vóór de datum waarop de clearingverplichting van kracht wordt; de gegevens die moeten worden opgenomen in de kennisgeving van een bevoegde autoriteit aan ESMA aangaande een door haar aan een CTP verleende vergunning voor het clearen van een bepaalde klasse van oct-derivatencontracten; bepaalde klassen van otc-derivatencontracten, de mate van standaardisatie van de contractuele voorwaarden en verwerkingsprocessen, het volume en liquiditeit, en de beschikbaarheid van serieuze, betrouwbare en algemeen aanvaarde prijsinformatie; de gegevens die moeten worden opgenomen in het register van ESMA voor klassen van derivatencontracten die aan de clearingverplichting zijn onderworpen; de details en het type van rapporten dat voor de verschillende klassen van derivaten moet worden opgemaakt; de criteria om te bepalen van welke otc-derivatencontracten objectief kan worden vastgesteld dat zij risico's verminderen die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteiten of kasbeheeractiviteiten, en de waarden van de clearingdrempels, de procedures en de regelingen met betrekking tot technieken inzake risicobeperking voor otc-derivatencontracten die niet door een CTP gecleard zijn; de risicobeheerprocedures, met inbegrip van vereiste niveaus en het type van zekerheden en scheidingsregelingen en het vereiste kapitaalniveau; het concept van liquiditeitsfragmentatie; eisen met betrekking tot kapitaal, ingehouden winsten en reserves van CTP's; de minimuminhoud voor regels en governanceregelingen voor CTP's; de details van de door CTP's bij te houden registers en gegevens; de minimuminhoud en eisen voor de plannen van de ctps's aangaande bedrijfscontinuïteit en calamiteitenherstel; het passende percentage en termijnen voor de liquidatieperiode en de berekening van de historische volatiliteit die voor de verschillende klasse van financiële instrumenten in aanmerking moeten worden genomen, rekening houdend met het doel om procyclische effecten te beperken en met de voorwaarden waaronder portefeuillemarginingpraktijken kunnen worden toegepast; het kader voor het vaststellen van extreme maar verklaarbare marktomstandigheden dat moet worden gebruikt om de omvang van het wanbetalingsfonds en de middelen van CTP's te bepalen; de methodiek voor het berekenen en het instandhouden van de eigen middelden van CTP's; het soort zekerheden dat kan worden beschouwd als zeer liquide, zoals contant geld, goud, overheidsobligaties en bedrijfsobligaties van hoge kwaliteit, gedekte obligaties en de haircuts en voorwaarden waaronder garanties van commerciële banken als zekerheid kunnen worden geaccepteerd; de financiële instrumenten die kunnen worden beschouwd als zeer liquide, houdende een minimaal krediet- en marktrisico, bijzonder veilige regelingen en concentratiebeperkingen; het type stresstests dat door CTP's voor verschillende categorieën van financiële instrumenten en portefeuilles moet worden uitgevoerd, de betrokkenheid van clearingleden of andere partijen in de test, de frequentie en timing van de tests en de belangrijkste informatie die CTP's openbaar moeten maken over hun risicobeheermodel en over de aannames die zij voor de uitvoering van de stresstests hebben vastgesteld; de gegevens voor de aanvraag die transactieregisters voor registratie bij de ESMA indienen; de frequentie en gedetailleerdheid waarmee transactieregisters informatie omtrent de geaggregeerde posities per klasse van otc-derivatencontracten moeten publiceren, en de operationele normen die nodig zijn om gegevens tussen registers te kunnen aggregeren en vergelijken.

  93. Elke door deze verordening opgelegde verplichting die verder moeten worden uitgewerkt door middel van gedelegeerde of uitvoeringshandelingen op grond van de artikelen 290 of 291 VWEU, moet worden geacht in werking te treden uitsluitend vanaf de datum waarop deze handelingen van kracht worden.

  94. In het kader van de ontwikkeling van technische richtsnoeren en technische reguleringsnormen, en met name bij vaststelling van de in deze verordening opgenomen clearingdrempel voor niet-financiële tegenpartijen, dient ESMA openbare hoorzittingen te organiseren om marktdeelnemers te raadplegen.

  95. Om ervoor te zorgen dat deze verordening volgens eenvormige voorwaarden wordt uitgevoerd, dienen uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie te worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(24).

  96. De Commissie dient te bezien en te beoordelen in hoeverre er behoefte is aan passende maatregelen om een consistente en effectieve toepassing en ontwikkeling te bewerkstelligen van reglementering, normen en praktijken die binnen het bereik van deze verordening vallen, met inachtneming van het resultaat van de in de relevante internationale fora gevoerde besprekingen.

  97. Gezien de regels betreffende interoperabele systemen is het passend geacht Richtlijn 98/26/EG te wijzigen om de rechten te beschermen van een systeembeheerder die zakelijke zekerheid aan een ontvangende systeembeheerder verstrekt bij een insolventieprocedure tegen die ontvangende systeembeheerder.

  98. Om een efficiënte clearing, registratie, afwikkeling en betaling te vergemakkelijken, moeten CTP's en transactieregisters in hun procedures voor communicatie met de deelnemers en marktinfrastructuren waarmee zij samenwerken plaats inruimen voor de op hun vakgebied bestaande internationale communicatieprocedures en normen voor het versturen van berichten en referentiegegevens.

  99. Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de vaststelling van uniforme vereisten voor otc-derivatencontracten en voor de uitvoering van activiteiten van CTP's en transactieregisters, niet op bevredigende wijze door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de beoogde reikwijdte beter op het niveau van de Unie kunnen worden bewerkstelligd, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

1.

Bij deze verordening worden vereisten voor clearing en bilateraal risicobeheer met betrekking tot over-the-counter („otc”)-derivatencontracten, rapportagevereisten met betrekking tot derivatencontracten en uniforme vereisten voor de uitvoering van de activiteiten van centrale tegenpartijen („CTP's”) en transactieregisters vastgesteld.

2.

Deze verordening is van toepassing op CTP's en hun clearingleden, financiële tegenpartijen en transactieregisters. Zij is van toepassing op niet-financiële tegenpartijen en handelsplatforms indien daarin is voorzien.

3.

Titel V van deze verordening is uitsluitend van toepassing op effecten en geldmarktinstrumenten als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 18, onder a) en b), en punt 19 van Richtlijn 2004/39/EG.

4.

Deze verordening is niet van toepassing op:

  1. de leden van het ESCB en andere organen van de lidstaten met een soortgelijke functie en andere overheidsinstellingen in de Unie die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld;

  2. de Bank voor Internationale Betalingen.

5.

Met uitzondering van de rapportageverplichtingen uit hoofde van artikel 9, is deze verordening niet van toepassing op de volgende entiteiten:

  1. multilaterale ontwikkelingsbanken als vermeld in bijlage VI, punt 1, punt 4.2, van Richtlijn 2006/48/EG;

  2. publiekrechtelijke lichamen in de zin van artikel 4, punt 18, van Richtlijn 2006/48/EG die in eigendom van centrale overheden zijn en beschikken over uitdrukkelijke garantieregelingen die door de centrale overheid zijn ingesteld;

  3. de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit en het Europees stabiliteitsmechanisme.

6.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 82 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 4 bedoelde lijst te wijzigen.

Met het oog daarop dient de Commissie tegen 17 november 2012 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in ter beoordeling van de internationale status van de overheidsorganen die belast zijn met of betrokken bij het beheer van de overheidsschuld en van de centrale banken.

Dit verslag bevat een vergelijkende analyse van de status van deze organen en van de centrale banken binnen het rechtskader van een groot aantal derde landen, waaronder in ieder geval de drie belangrijkste rechtsgebieden wat betreft omvang van de contracten die worden verhandeld, en van de risicobeheernormen die van toepassing zijn op de derivatentransacties die door deze organen en de centrale banken in deze rechtsgebieden zijn aangegaan. Indien uit de resultaten van het verslag, met name in het licht van de vergelijkende analyse, naar voren komt dat de centrale banken van deze derde landen wat betreft hun monetaire verantwoordelijkheden moeten worden ontheven van de clearing- en rapportageverplichting, neemt de Commissie ze in de in lid 4 bedoelde lijst op.

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

    1) „centrale tegenpartij (CTP)” :
    een rechtspersoon die zichzelf plaatst tussen de tegenpartijen bij contracten die op een of meer financiële markten worden verhandeld en daarbij de koper wordt voor elke verkoper en de verkoper voor elke koper;
    2) „transactieregister” :
    een rechtspersoon die vastleggingen betreffende derivaten centraal verzamelt en bewaart;
    3) „clearing” :
    het proces waarbij een CTP posities vaststelt, inclusief het berekenen van nettoverplichtingen, en ervoor zorgt dat financiële instrumenten, contanten of beide beschikbaar zijn om de uit deze posities voortkomende risicopositie zeker te stellen;
    4) „handelsplatform” :
    een systeem dat wordt geëxploiteerd door een beleggingsonderneming of een marktexploitant in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1 en punt 13, van Richtlijn 2004/39/EG, met uitzondering van een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 7, van die richtlijn,die meerdere koop- en verkoopintenties met betrekking tot financiële instrumenten in dit systeem samenbrengt op een zodanige wijze, dat er een overeenkomst tot stand komt in overeenstemming met titel II of titel III van die richtlijn;
    5) „derivaat” of „derivatencontract” :
    een financieel instrument als vermeld in bijlage I, punt C, punten 4 tot en met 10, van Richtlijn 2004/39/EG, zoals geïmplementeerd bij artikel 38 en artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1287/2006;
    6) „klasse van derivaten” :
    een subgroep van derivaten die essentiële kenmerken gemeen hebben, waaronder ten minste de verhouding tot de onderliggende activa, het type van de onderliggende activa en de valuta's waarin zij luiden. Derivaten die punt uitmaken van dezelfde klasse van derivaten kunnen verschillende looptijden hebben;
    7) „OTC-derivaat” of „OTC-derivatencontract” :
    een derivatencontract waarvan de uitvoering niet plaatsvindt op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG, of op een markt van een derde land die overeenkomstig artikel 19, lid 6, van Richtlijn 2004/39/EG geacht wordt gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt;
    8) „financiële tegenpartij” :
    een beleggingsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2004/39/EG, een kredietinstelling waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG, een verzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 73/239/EEG, een verzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2002/83/EG, een herverzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2005/68/EG, een icbe en, indien van toepassing haar beheermaatschappij, waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG, een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening in de zin van artikel 6, onder a), van Richtlijn 2003/41/EG en een alternatief beleggingsfonds beheerd door beheerders van alternatieve beleggingsfondsen (Alternative Investment Fund Managers — AIFM) die beschikken over een vergunning of een registerinschrijving overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU;
    9) „niet-financiële tegenpartij” :
    een in de Unie gevestigde onderneming met uitzondering van de in punt 1 en punt 8 bedoelde entiteiten;
    10) „pensioenregeling” :
    1. instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de zin van artikel 6, onder a), van Richtlijn 2003/41/EG, met inbegrip van de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen, alsook juridische entiteiten die zijn opgericht voor de beleggingsactiviteiten van deze instellingen en die uitsluitend handelen in het belang van deze instellingen;

    2. de werkzaamheden op het gebied van bedrijfspensioenvoorziening van de in Richtlijn 2003/41/EG, artikel 3, bedoelde instellingen;

    3. de werkzaamheden op het gebied van bedrijfspensioenvoorziening van onder Richtlijn 2002/83/EG vallende levensverzekeringsondernemingen, mits alle met die werkzaamheden overeenkomende activa en verplichtingen zijn afgescheiden en gescheiden van de overige werkzaamheden van de verzekeringsondernemingen worden beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat;

    4. elke andere vergunninghoudende en onder toezicht staande entiteit, of regelingen die op een nationale basis functioneren, op voorwaarde dat zij:

      1. naar nationaal recht zijn erkend, en

      2. hoofdzakelijk ten doel hebben in pensioenuitkeringen te voorzien;

    11) „tegenpartijkredietrisico” :
    het risico dat de tegenpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;
    12) „interoperabiliteitsregeling” :
    een regeling tussen twee of meer CTP's die betrekking heeft op een systeemoverschrijdende uitvoering van transacties;
    13) „bevoegde autoriteit” :
    de autoriteit die als bevoegde autoriteit is aangewezen in de wetgeving als bedoeld in punt 8 van dit artikel, de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 10, lid 5, of de autoriteit die overeenkomstig artikel 22 door elke lidstaat wordt aangewezen;
    14) „clearinglid” :
    een onderneming die aan een CTP deelneemt en verantwoordelijk is voor het vervullen van de uit die deelname voortvloeiende financiële verplichtingen;
    15) „cliënt” :
    een onderneming die een contractuele relatie heeft met een clearinglid van een CTP waardoor die onderneming in staat is haar transacties bij die CTP te clearen;
    16) „groep” :
    de groep van ondernemingen die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG, of de groep van ondernemingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, en artikel 80, leden 7 en 8, van Richtlijn 2006/48/EG;
    17) „financiële instelling” :
    een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de activiteiten als opgesomd in bijlage I, punten 2 tot en met 12, van Richtlijn 2006/48/EG;
    18) „financiële holding” :
    een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is in de zin van artikel 2, lid 15, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat(25);
    19) „onderneming die nevendiensten verricht” :
    een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten of het beheren van onroerend goed, het beheren van gegevensverwerkingsdiensten of een soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;
    20) „gekwalificeerde deelneming” :
    het rechtstreeks of middellijk bezitten van een deelneming in een CTP of een transactieregister van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten(26), daarbij rekening houdend met de in artikel 12, leden 4 en 5, van genoemde richtlijn vervatte voorwaarden voor samenvoeging daarvan, dan wel van een deelneming die de mogelijkheid inhoudt substantiële invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de CTP of het transactieregister waarin wordt deelgenomen;
    21) „moederonderneming” :
    een moederonderneming als beschreven in de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;
    22) „dochteronderneming” :
    een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG, waaronder inbegrepen elke dochteronderneming van een dochteronderneming van een moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
    23) „zeggenschap” :
    de relatie die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG;
    24) „nauwe banden” :

    een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

    1. een deelneming, bij wijze van rechtstreeks eigenaarschap of door middel van een zeggenschapsband van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of

    2. een zeggenschapsband of een soortgelijke band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming, of dochteronderneming van een dochteronderneming die eveneens wordt beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

    Onder een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens verstaan een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon.

    25) „kapitaal” :
    geplaatst kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen(27) voor zover dit is uitbetaald, plus de daarmee verbonden agiorekening, het verliezen in doorgaande bedrijfsvoering volledig opvangt en het in geval van faillissement of liquidatie achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen;
    26) „reserves” :
    reserves in de zin van artikel 9 van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen(28) en de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve resultaat;
    27) „raad” :
    raad van bestuur of raad van toezicht, of beide, overeenkomstig het nationale vennootschapsrecht;
    28) „onafhankelijk lid van de raad” :
    een lid van de raad dat geen zakelijke, familiale of andere band heeft waardoor een belangenconflict met de betrokken CTP, de aandeelhouders met zeggenschap, het management daarvan of haar clearingleden ontstaat, en dat daarmee gedurende de vijf jaar die aan zijn lidmaatschap van de raad voorafgingen geen soortgelijke band heeft gehad;
    29) „directie” :
    de persoon of de personen die daadwerkelijk de activiteiten van de CTP of het transactieregister leiden en het bij de dagelijkse leiding betrokken lid of de bij de dagelijkse leiding betrokken leden van de raad;
1.

Met betrekking tot een niet-financiële tegenpartij wordt onder een intragroeptransactie verstaan een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een andere tegenpartij die deel uitmaakt van dezelfde groep, mits beide tegenpartijen zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie en onderworpen zijn aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures en die tegenpartij gevestigd is in de Unie of — indien zij gevestigd is in een derde land — de Commissie een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 2, met betrekking tot dat derde land.

2.

Met betrekking tot een financiële tegenpartij wordt onder een intragroeptransactie verstaan:

  1. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een andere tegenpartij die deel uitmaakt van dezelfde groep, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de financiële tegenpartij is gevestigd in de Unie of, indien zij in een derde land gevestigd is, de Commissie heeft een uitvoeringshandeling in overeenstemming met artikel 13, lid 2, vastgesteld met betrekking tot dat derde land;

    2. de andere tegenpartij is een financiële tegenpartij, een financiële holding, een financiële instelling, of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop passende prudentiële vereisten van toepassing zijn;

    3. beide tegenpartijen zijn op volledige basis opgenomen in dezelfde consolidatie, en

    4. beide tegenpartijen zijn onderworpen aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures;

  2. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een andere tegenpartij waarbij beide tegenpartijen behoren tot hetzelfde institutioneel protectiestelsel, als bedoeld in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG, mits de voorwaarde als bedoeld in punt a, onder ii), van dit lid is vervuld;

  3. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten tussen kredietinstellingen die zijn aangesloten bij hetzelfde centraal orgaan, of tussen een dergelijke kredietinstelling en dat centraal orgaan als bedoeld in artikel 3, lid 1, Richtlijn 2006/48/EG, of

  4. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een niet-financiële tegenpartij die deel uitmaakt van dezelfde groep, mits beide tegenpartijen zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie en onderworpen zijn aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures en die tegenpartij gevestigd is in de Unie of in het rechtsgebied van een derde land waarvoor de Commissie een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 13, lid 2, met betrekking tot dat derde land.

3.

Voor de toepassing van dit artikel worden tegenpartijen geacht in dezelfde consolidatie te zijn opgenomen wanneer zij beide:

  1. hetzij in een consolidatie zijn opgenomen overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG of in overeenstemming met de Internationale Standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) die zijn vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002 dan wel, wanneer het een groep betreft waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft, overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen van een derde land die worden geacht gelijkwaardig te zijn aan de IFRSin overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1569/2007 (of overeenkomstig de boekhoudkundige normen van een derde land waarvan het gebruik is toegestaan op grond van artikel 4 van die verordening); hetzij

  2. onder hetzelfde toezicht op geconsolideerde basis staan overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG of Richtlijn 2006/49/EG, of — indien het de moederonderneming van een groep betreft die haar hoofdkantoor heeft in een derde land — zij onder hetzelfde toezicht op geconsolideerde basis door de bevoegde instantie van een derde land valt, dat als gelijkwaardig is gecontroleerd aan het toezicht volgens de beginselen van artikel 143 van Richtlijn 2006/48/EG, of van artikel 2 van Richtlijn 2006/49/EG.

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.

Bij deze verordening worden vereisten voor clearing en bilateraal risicobeheer met betrekking tot over-the-counter („otc”)-derivatencontracten, rapportagevereisten met betrekking tot derivatencontracten en uniforme vereisten voor de uitvoering van de activiteiten van centrale tegenpartijen („CTP's”) en transactieregisters vastgesteld.

2.

Deze verordening is van toepassing op CTP's en hun clearingleden, financiële tegenpartijen en transactieregisters. Zij is van toepassing op niet-financiële tegenpartijen en handelsplatforms indien daarin is voorzien.

3.

Titel V van deze verordening is uitsluitend van toepassing op effecten en geldmarktinstrumenten als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 18, onder a) en b), en punt 19 van Richtlijn 2004/39/EG.

4.

Deze verordening is niet van toepassing op:

  1. de leden van het ESCB en andere organen van de lidstaten met een soortgelijke functie en andere overheidsinstellingen in de Unie die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld;

  2. de Bank voor Internationale Betalingen.

5.

Met uitzondering van de rapportageverplichtingen uit hoofde van artikel 9, is deze verordening niet van toepassing op de volgende entiteiten:

  1. multilaterale ontwikkelingsbanken als vermeld in bijlage VI, punt 1, punt 4.2, van Richtlijn 2006/48/EG;

  2. publiekrechtelijke lichamen in de zin van artikel 4, punt 18, van Richtlijn 2006/48/EG die in eigendom van centrale overheden zijn en beschikken over uitdrukkelijke garantieregelingen die door de centrale overheid zijn ingesteld;

  3. de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit en het Europees stabiliteitsmechanisme.

6.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 82 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 4 bedoelde lijst te wijzigen.

Met het oog daarop dient de Commissie tegen 17 november 2012 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in ter beoordeling van de internationale status van de overheidsorganen die belast zijn met of betrokken bij het beheer van de overheidsschuld en van de centrale banken.

Dit verslag bevat een vergelijkende analyse van de status van deze organen en van de centrale banken binnen het rechtskader van een groot aantal derde landen, waaronder in ieder geval de drie belangrijkste rechtsgebieden wat betreft omvang van de contracten die worden verhandeld, en van de risicobeheernormen die van toepassing zijn op de derivatentransacties die door deze organen en de centrale banken in deze rechtsgebieden zijn aangegaan. Indien uit de resultaten van het verslag, met name in het licht van de vergelijkende analyse, naar voren komt dat de centrale banken van deze derde landen wat betreft hun monetaire verantwoordelijkheden moeten worden ontheven van de clearing- en rapportageverplichting, neemt de Commissie ze in de in lid 4 bedoelde lijst op.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

    1) „centrale tegenpartij (CTP)” :
    een rechtspersoon die zichzelf plaatst tussen de tegenpartijen bij contracten die op een of meer financiële markten worden verhandeld en daarbij de koper wordt voor elke verkoper en de verkoper voor elke koper;
    2) „transactieregister” :
    een rechtspersoon die vastleggingen betreffende derivaten centraal verzamelt en bewaart;
    3) „clearing” :
    het proces waarbij een CTP posities vaststelt, inclusief het berekenen van nettoverplichtingen, en ervoor zorgt dat financiële instrumenten, contanten of beide beschikbaar zijn om de uit deze posities voortkomende risicopositie zeker te stellen;
    4) „handelsplatform” :
    een systeem dat wordt geëxploiteerd door een beleggingsonderneming of een marktexploitant in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1 en punt 13, van Richtlijn 2004/39/EG, met uitzondering van een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 7, van die richtlijn,die meerdere koop- en verkoopintenties met betrekking tot financiële instrumenten in dit systeem samenbrengt op een zodanige wijze, dat er een overeenkomst tot stand komt in overeenstemming met titel II of titel III van die richtlijn;
    5) „derivaat” of „derivatencontract” :
    een financieel instrument als vermeld in bijlage I, punt C, punten 4 tot en met 10, van Richtlijn 2004/39/EG, zoals geïmplementeerd bij artikel 38 en artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1287/2006;
    6) „klasse van derivaten” :
    een subgroep van derivaten die essentiële kenmerken gemeen hebben, waaronder ten minste de verhouding tot de onderliggende activa, het type van de onderliggende activa en de valuta's waarin zij luiden. Derivaten die punt uitmaken van dezelfde klasse van derivaten kunnen verschillende looptijden hebben;
    7) „OTC-derivaat” of „OTC-derivatencontract” :
    een derivatencontract waarvan de uitvoering niet plaatsvindt op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG, of op een markt van een derde land die overeenkomstig artikel 19, lid 6, van Richtlijn 2004/39/EG geacht wordt gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt;
    8) „financiële tegenpartij” :
    een beleggingsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2004/39/EG, een kredietinstelling waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG, een verzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 73/239/EEG, een verzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2002/83/EG, een herverzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2005/68/EG, een icbe en, indien van toepassing haar beheermaatschappij, waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG, een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening in de zin van artikel 6, onder a), van Richtlijn 2003/41/EG en een alternatief beleggingsfonds beheerd door beheerders van alternatieve beleggingsfondsen (Alternative Investment Fund Managers — AIFM) die beschikken over een vergunning of een registerinschrijving overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU;
    9) „niet-financiële tegenpartij” :
    een in de Unie gevestigde onderneming met uitzondering van de in punt 1 en punt 8 bedoelde entiteiten;
    10) „pensioenregeling” :
    1. instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de zin van artikel 6, onder a), van Richtlijn 2003/41/EG, met inbegrip van de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen, alsook juridische entiteiten die zijn opgericht voor de beleggingsactiviteiten van deze instellingen en die uitsluitend handelen in het belang van deze instellingen;

    2. de werkzaamheden op het gebied van bedrijfspensioenvoorziening van de in Richtlijn 2003/41/EG, artikel 3, bedoelde instellingen;

    3. de werkzaamheden op het gebied van bedrijfspensioenvoorziening van onder Richtlijn 2002/83/EG vallende levensverzekeringsondernemingen, mits alle met die werkzaamheden overeenkomende activa en verplichtingen zijn afgescheiden en gescheiden van de overige werkzaamheden van de verzekeringsondernemingen worden beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat;

    4. elke andere vergunninghoudende en onder toezicht staande entiteit, of regelingen die op een nationale basis functioneren, op voorwaarde dat zij:

      1. naar nationaal recht zijn erkend, en

      2. hoofdzakelijk ten doel hebben in pensioenuitkeringen te voorzien;

    11) „tegenpartijkredietrisico” :
    het risico dat de tegenpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;
    12) „interoperabiliteitsregeling” :
    een regeling tussen twee of meer CTP's die betrekking heeft op een systeemoverschrijdende uitvoering van transacties;
    13) „bevoegde autoriteit” :
    de autoriteit die als bevoegde autoriteit is aangewezen in de wetgeving als bedoeld in punt 8 van dit artikel, de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 10, lid 5, of de autoriteit die overeenkomstig artikel 22 door elke lidstaat wordt aangewezen;
    14) „clearinglid” :
    een onderneming die aan een CTP deelneemt en verantwoordelijk is voor het vervullen van de uit die deelname voortvloeiende financiële verplichtingen;
    15) „cliënt” :
    een onderneming die een contractuele relatie heeft met een clearinglid van een CTP waardoor die onderneming in staat is haar transacties bij die CTP te clearen;
    16) „groep” :
    de groep van ondernemingen die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG, of de groep van ondernemingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, en artikel 80, leden 7 en 8, van Richtlijn 2006/48/EG;
    17) „financiële instelling” :
    een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de activiteiten als opgesomd in bijlage I, punten 2 tot en met 12, van Richtlijn 2006/48/EG;
    18) „financiële holding” :
    een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is in de zin van artikel 2, lid 15, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat(25);
    19) „onderneming die nevendiensten verricht” :
    een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten of het beheren van onroerend goed, het beheren van gegevensverwerkingsdiensten of een soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;
    20) „gekwalificeerde deelneming” :
    het rechtstreeks of middellijk bezitten van een deelneming in een CTP of een transactieregister van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten(26), daarbij rekening houdend met de in artikel 12, leden 4 en 5, van genoemde richtlijn vervatte voorwaarden voor samenvoeging daarvan, dan wel van een deelneming die de mogelijkheid inhoudt substantiële invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de CTP of het transactieregister waarin wordt deelgenomen;
    21) „moederonderneming” :
    een moederonderneming als beschreven in de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;
    22) „dochteronderneming” :
    een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG, waaronder inbegrepen elke dochteronderneming van een dochteronderneming van een moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
    23) „zeggenschap” :
    de relatie die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG;
    24) „nauwe banden” :

    een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

    1. een deelneming, bij wijze van rechtstreeks eigenaarschap of door middel van een zeggenschapsband van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of

    2. een zeggenschapsband of een soortgelijke band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming, of dochteronderneming van een dochteronderneming die eveneens wordt beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

    Onder een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens verstaan een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon.

    25) „kapitaal” :
    geplaatst kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen(27) voor zover dit is uitbetaald, plus de daarmee verbonden agiorekening, het verliezen in doorgaande bedrijfsvoering volledig opvangt en het in geval van faillissement of liquidatie achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen;
    26) „reserves” :
    reserves in de zin van artikel 9 van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen(28) en de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve resultaat;
    27) „raad” :
    raad van bestuur of raad van toezicht, of beide, overeenkomstig het nationale vennootschapsrecht;
    28) „onafhankelijk lid van de raad” :
    een lid van de raad dat geen zakelijke, familiale of andere band heeft waardoor een belangenconflict met de betrokken CTP, de aandeelhouders met zeggenschap, het management daarvan of haar clearingleden ontstaat, en dat daarmee gedurende de vijf jaar die aan zijn lidmaatschap van de raad voorafgingen geen soortgelijke band heeft gehad;
    29) „directie” :
    de persoon of de personen die daadwerkelijk de activiteiten van de CTP of het transactieregister leiden en het bij de dagelijkse leiding betrokken lid of de bij de dagelijkse leiding betrokken leden van de raad;

Artikel 3 Intragroeptransacties

1.

Met betrekking tot een niet-financiële tegenpartij wordt onder een intragroeptransactie verstaan een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een andere tegenpartij die deel uitmaakt van dezelfde groep, mits beide tegenpartijen zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie en onderworpen zijn aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures en die tegenpartij gevestigd is in de Unie of — indien zij gevestigd is in een derde land — de Commissie een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 2, met betrekking tot dat derde land.

2.

Met betrekking tot een financiële tegenpartij wordt onder een intragroeptransactie verstaan:

  1. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een andere tegenpartij die deel uitmaakt van dezelfde groep, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de financiële tegenpartij is gevestigd in de Unie of, indien zij in een derde land gevestigd is, de Commissie heeft een uitvoeringshandeling in overeenstemming met artikel 13, lid 2, vastgesteld met betrekking tot dat derde land;

    2. de andere tegenpartij is een financiële tegenpartij, een financiële holding, een financiële instelling, of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop passende prudentiële vereisten van toepassing zijn;

    3. beide tegenpartijen zijn op volledige basis opgenomen in dezelfde consolidatie, en

    4. beide tegenpartijen zijn onderworpen aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures;

  2. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een andere tegenpartij waarbij beide tegenpartijen behoren tot hetzelfde institutioneel protectiestelsel, als bedoeld in artikel 80, lid 8, van Richtlijn 2006/48/EG, mits de voorwaarde als bedoeld in punt a, onder ii), van dit lid is vervuld;

  3. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten tussen kredietinstellingen die zijn aangesloten bij hetzelfde centraal orgaan, of tussen een dergelijke kredietinstelling en dat centraal orgaan als bedoeld in artikel 3, lid 1, Richtlijn 2006/48/EG, of

  4. een otc-derivatencontract dat wordt gesloten met een niet-financiële tegenpartij die deel uitmaakt van dezelfde groep, mits beide tegenpartijen zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie en onderworpen zijn aan passende gecentraliseerde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures en die tegenpartij gevestigd is in de Unie of in het rechtsgebied van een derde land waarvoor de Commissie een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 13, lid 2, met betrekking tot dat derde land.

3.

Voor de toepassing van dit artikel worden tegenpartijen geacht in dezelfde consolidatie te zijn opgenomen wanneer zij beide:

  1. hetzij in een consolidatie zijn opgenomen overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG of in overeenstemming met de Internationale Standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) die zijn vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002 dan wel, wanneer het een groep betreft waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft, overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen van een derde land die worden geacht gelijkwaardig te zijn aan de IFRSin overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1569/2007 (of overeenkomstig de boekhoudkundige normen van een derde land waarvan het gebruik is toegestaan op grond van artikel 4 van die verordening); hetzij

  2. onder hetzelfde toezicht op geconsolideerde basis staan overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG of Richtlijn 2006/49/EG, of — indien het de moederonderneming van een groep betreft die haar hoofdkantoor heeft in een derde land — zij onder hetzelfde toezicht op geconsolideerde basis door de bevoegde instantie van een derde land valt, dat als gelijkwaardig is gecontroleerd aan het toezicht volgens de beginselen van artikel 143 van Richtlijn 2006/48/EG, of van artikel 2 van Richtlijn 2006/49/EG.

TITEL II CLEARING, RAPPORTAGE EN INPERKING VAN HET RISICO VAN OTC-DERIVATEN

Artikel 4 Clearingverplichting

Artikel 5 Procedure betreffende de clearingverplichting

Artikel 6 Openbaar register

Artikel 7 Toegang tot een CTP

Artikel 8 Toegang tot een handelsplatform

Artikel 9 Rapportageverplichting

Artikel 10 Niet-financiële tegenpartijen

Artikel 11 Risico-inperkingstechnieken voor niet door een CTP geclearde otc-derivatencontracten

Artikel 12 Sancties

Artikel 13 Mechanisme ter voorkoming van overlappende of tegenstrijdige regels

TITEL III VERGUNNINGVERLENING AAN EN TOEZICHT OP CTP'S

HOOFDSTUK 1 Voorwaarden en procedures voor vergunningverlening aan een CTP

Artikel 14 Vergunningverlening aan een CTP

Artikel 15 Uitbreiding van activiteiten en diensten

Artikel 16 Kapitaalvereisten

Artikel 17 Procedure voor verlening en weigering van een vergunning

Artikel 18 College

Artikel 19 Advies van het college

Artikel 20 Intrekking van de vergunning

Artikel 21 Toetsing en evaluatie

HOOFDSTUK 2 Toezicht op de CTP's

Artikel 22 Bevoegde autoriteit

HOOFDSTUK 3 Samenwerking

Artikel 23 Samenwerking tussen autoriteiten

Artikel 24 Noodsituaties

HOOFDSTUK 4 Betrekkingen met derde landen

Artikel 25 Erkenning van een in een derde land gevestigde CTP

TITEL IV VEREISTEN VOOR CTP'S

HOOFDSTUK 1 Organisatorische vereisten

Artikel 26 Algemene bepalingen

Artikel 27 Hoger management en de raad

Artikel 28 Risicocomité

Artikel 29 Bijhouden van gegevens

Artikel 30 Aandeelhouders en leden met een gekwalificeerde deelneming

Artikel 31 Informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteiten

Artikel 32 Beoordeling

Artikel 33 Belangenconflicten

Artikel 34 Bedrijfscontinuïteit

Artikel 35 Uitbesteding

HOOFDSTUK 2 Gedragsregels

Artikel 36 Algemene bepalingen

Artikel 37 Deelnamevereisten

Artikel 38 Transparantie

Artikel 39 Scheiding en overdraagbaarheid

HOOFDSTUK 3 Prudentiële vereisten

Artikel 40 Beheer van risicoposities

Artikel 41 Marginvereisten

Artikel 42 Wanbetalingsfonds

Artikel 43 Andere financiële middelen

Artikel 44 Beheer van liquiditeitsrisico's

Artikel 45 Trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling

Artikel 46 Zekerheidsvereisten

Artikel 47 Beleggingsbeleid

Artikel 48 Procedures in geval van wanbetaling

Artikel 49 Toetsing van modellen, stresstests en backtests

Artikel 50 Afwikkeling

TITEL V INTEROPERABILITEITSREGELINGEN

Artikel 51 Interoperabiliteitsregelingen

Artikel 52 Risicobeheer

Artikel 53 Bepaling van margins tussen CTP’s

Artikel 54 Goedkeuring van interoperabiliteitsregelingen

TITEL VI REGISTRATIE VAN EN TOEZICHT OP TRANSACTIEREGISTERS

HOOFDSTUK 1 Voorwaarden en procedures voor de registratie van een transactieregister

Artikel 55 Registratie van een transactieregister

Artikel 56 Registratieaanvraag

Artikel 57 Aan registratie voorafgaande kennisgeving aan en raadpleging van de bevoegde autoriteiten

Artikel 58 Onderzoek van de aanvraag

Artikel 59 Kennisgeving van het ESMA besluit met betrekking tot registratie

Artikel 60 Uitoefening van de in de artikelen 61 tot en met 63 bedoelde bevoegdheden

Artikel 61 Verzoek om informatie

Artikel 62 Algemene onderzoeken

Artikel 63 Inspecties ter plaatse

Artikel 64 Procedureregels voor het nemen van toezichtmaatregelen en het opleggen van boeten

Artikel 65 Geldboeten

Artikel 66 Dwangsommen

Artikel 67 Horen van de betrokken personen

Artikel 68 Openbaarmaking, aard, tenuitvoerlegging en toewijzing van de geldboeten en dwangsommen

Artikel 69 Toetsing door het Hof van Justitie

Artikel 70 Wijzigingen in bijlage II

Artikel 71 Intrekking van een registratie

Artikel 72 Vergoedingen voor toezicht

Artikel 73 Toezichtmaatregelen van ESMA

Artikel 74 Delegatie van taken van ESMA aan bevoegde autoriteiten

HOOFDSTUK 2 Betrekkingen met derde landen

Artikel 75 Gelijkwaardigheid en internationale overeenkomsten

Artikel 76 Samenwerkingsregelingen

Artikel 77 Erkenning van transactieregisters

TITEL VII VEREISTEN VOOR TRANSACTIEREGISTERS

Artikel 78 Algemene vereisten

Artikel 79 Operationele betrouwbaarheid

Artikel 80 Bescherming en registratie

Artikel 81 Transparantie en beschikbaarheid van gegevens

Artikel 82 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

TITEL VIII GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 83 Beroepsgeheim

Artikel 84 Uitwisseling van gegevens

TITEL IX OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 85 Verslag en toetsing

Artikel 86 Comitéprocedure

Artikel 87 Wijziging van Richtlijn 98/26/EG

Artikel 88 Websites

Artikel 89 Overgangsbepalingen

Artikel 90 Personeel en middelen van ESMA

Artikel 91 Inwerkingtreding

BIJLAGE I

BIJLAGE II