Home

Richtlijn 2014/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat bewaartaken, beloningsbeleid en sancties betreft (Voor de EER relevante tekst)

Richtlijn 2014/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat bewaartaken, beloningsbeleid en sancties betreft (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(3) moet worden gewijzigd om rekening te houden met de ontwikkelingen op de markt en de tot dusver door marktdeelnemers en toezichthouders opgedane ervaring, met name om discrepanties tussen de nationale bepalingen met betrekking tot de taken en aansprakelijkheid van bewaarders, beloningsbeleid en sancties aan te pakken.

  2. Om de mogelijk schadelijke gevolgen van onvolkomen vormgegeven beloningsstructuren voor een goed risicobeheer en voor een degelijke controle van het risicogedrag van individuele personen aan te pakken, dient voor beheermaatschappijen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) een uitdrukkelijke verplichting te worden opgenomen om voor de categorieën van medewerkers wier beroepsactiviteiten het risicoprofiel van de door hen beheerde icbe’s materieel beïnvloeden, een beloningsbeleid en een beloningscultuur vast te stellen en in stand te houden die met een deugdelijk en doeltreffend risicobeheer te verenigen zijn. Die categorieën van medewerkers moeten alle werknemers of stafleden op fonds- of subfondsniveau omvatten die besluiten nemen of fondsen beheren, alsook personen die besluiten nemen inzake beleggingen in niet-financiële activa, personen die bevoegd zijn om invloed uit te oefenen op dergelijke werknemers of personeelsleden, onder meer adviseurs en analisten inzake het beleggingsbeleid, hogere leidinggevende medewerkers, en elke werknemer wiens totale beloning hem in dezelfde beloningsschaal plaatst als de hogere leidinggevenden en degenen die besluiten nemen. Deze regels moeten ook gelden voor beleggingsmaatschappijen die niet op grond van Richtlijn 2009/65/EG een geautoriseerde beheermaatschappij hebben aangewezen. Dat beloningsbeleid en die beloningspraktijken moeten op evenredige wijze gelden voor derden die beleggingsbeslissingen nemen welke van invloed zijn op het risicoprofiel van de icbe’s doordat er functies zijn gedelegeerd overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2009/65/EG.

  3. Voor zover beheermaatschappijen voor icbe en beleggingsmaatschappijen alle beginselen inzake beloningsbeleid toepassen, moeten zij dat beleid en op verschillende wijze kunnen toepassen, afhankelijk van hun grootte, de grootte van de icbe die zij beheren, hun interne organisatie en de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun werkzaamheden.

  4. Ofschoon sommige handelingen door het leidinggevend orgaan moeten worden verricht, moet voor gevallen waarin de beheermaatschappij of beleggingsmaatschappij overeenkomstig het nationale recht beschikt over verschillende organen die met specifieke taken zijn belast, worden zeker gesteld dat de voorschriften gericht tot het leidinggevend orgaan of tot het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie eveneens of in plaats daarvan van toepassing zullen zijn op die organen, bijvoorbeeld op de algemene vergadering.

  5. Bij het toepassen van de bij deze verordening neergelegde beginselen voor een goed beloningsbeleid en goede beloningspraktijken dienen de lidstaten rekening te houden met de in Aanbeveling 2009/384/EG van de Commissie(4) vervatte beginselen, met de werkzaamheden van de Raad voor de financiële stabiliteit (Financial Stability Board — FSB) en met de afspraken in G20-verband om het risico in de financiële dienstverlening te beperken.

  6. Een gegarandeerde variabele beloning moet uitzonderlijk zijn omdat deze niet strookt met goed risicobeheer of met het beginsel van prestatiebeloning, en moet worden beperkt tot het eerste jaar van de indiensttreding.

  7. De beginselen voor een goed beloningsbeleid moeten ook gelden voor betalingen die icbe’s doen aan beheermaatschappijen of beleggingsmaatschappijen.

  8. De Commissie wordt verzocht na te gaan wat de normale kosten en uitgaven zijn met betrekking tot retailbeleggingsproducten in de lidstaten, en of die kosten en uitgaven verdere harmonisatie behoeven, en haar bevindingen voor te leggen aan het Europees Parlement en de Raad.

  9. Met het oog op convergentie bij de toetsing van het beloningsbeleid en de beloningscultuur dient de Europese Toezichtautoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Securities Market Authority — ESMA), die is opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(5), erop toe te zien dat er richtsnoeren voor een goed beloningsbeleid en goede beloningspraktijken in de sector vermogensbeheer bestaan. De Europese Toezichtautoriteit (Europese Bankautoriteit) (European Banking Authority — EBA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(6), moet ESMA bijstaan bij het opstellen van die richtsnoeren. Ter voorkoming van omzeiling van de bepalingen inzake beloningen moeten die richtsnoeren ook verdere sturing bieden met betrekking tot de personen op wie het beloningsbeleid en de beloningspraktijken van toepassing zijn en met betrekking tot de aanpassing van de beginselen inzake beloningen aan de omvang van de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij, de omvang van de door hen beheerde icbe’s, hun interne organisatie en de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten. De richtsnoeren van ESMA betreffende het beloningsbeleid en beloningspraktijken moeten, in voorkomend geval, voor zover mogelijk worden aangepast aan die voor instellingen welke worden gereglementeerd bij Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(7).

  10. De bepalingen inzake beloningen mogen geen afbreuk doen aan de volledige uitoefening van de grondrechten die door het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) worden gegarandeerd, de algemene beginselen van nationaal overeenkomstenrecht en arbeidsrecht, toepasselijke wetgeving inzake de rechten en de betrokkenheid van aandeelhouders en de algemene verantwoordelijkheden van de besturende en toezichtsorganen van de maatschappijen in kwestie, noch aan het eventuele recht van de sociale partners om collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten en te bekrachtigen, overeenkomstig de nationale wetgevingen en praktijken.

  11. Om het noodzakelijke niveau van harmonisatie van de betrokken reguleringsvereisten in de verschillende lidstaten te waarborgen, moeten bijkomende regels worden vastgesteld waarin de taken en verplichtingen van bewaarders worden opgenomen, waarin de rechtsentiteiten worden aangewezen die als bewaarder kunnen worden aangesteld en waarin de aansprakelijkheid van bewaarders wordt verduidelijkt in gevallen waarin in bewaring gehouden activa van de icbe verloren gaan of bij onbehoorlijke uitoefening van toezichttaken door de bewaarders. Een dergelijke onbehoorlijke uitoefening kan in het verlies van activa, maar ook in een waardeverlies van activa resulteren als bijvoorbeeld een bewaarder nalaat te handelen met betrekking tot beleggingen die niet aan het fondsreglement voldoen.

  12. Het is noodzakelijk duidelijk te maken dat een icbe één bewaarder moet aanstellen die belast is met het algemene toezicht op de activa van de icbe. Door de aanstelling van één bewaarder op te leggen, moet worden gewaarborgd dat de bewaarder een overzicht heeft van alle activa van de icbe en dat zowel fondsbeheerders als beleggers één aanspreekpunt hebben indien zich in verband met de bewaarneming van de activa of de uitoefening van de toezichttaken problemen voordoen. De bewaarneming van activa omvat het in bewaring houden van activa of, indien het activa betreft die gezien hun aard niet in bewaring te houden zijn, de verificatie van de eigendom van die activa alsmede het bijhouden van vastleggingen voor die activa.

  13. Bij de uitvoering van zijn taken moet een bewaarder betrouwbaar, eerlijk, professioneel, onafhankelijk en in het belang van de icbe en van de beleggers van de icbe handelen.

  14. Teneinde een geharmoniseerde aanpak van de uitvoering van de taken van bewaarders in alle lidstaten te garanderen, onafhankelijk van de door de icbe aangenomen rechtsvorm, is het noodzakelijk een uniforme lijst in te voeren van toezichttaken waarmee bewaarders worden belast wat betreft een icbe die als rechtspersoon is opgericht (een beleggingsmaatschappij) en een icbe die contractueel is opgericht.

  15. De bewaarder moet verantwoordelijk zijn voor de behoorlijke controle van de kasstromen van de icbe en met name om te waarborgen dat geld dat de belegger en kasgeld dat de icbe toebehoort correct worden geboekt op rekeningen die zijn geopend op naam van de icbe, op naam van de beheermaatschappij die namens de icbe optreedt of op naam van de bewaarder die namens de icbe optreedt, bij een entiteit als bedoeld in de punten a), b) en c) van artikel 18, lid 1, van Richtlijn 2006/73/EG van de Commissie(8). Bijgevolg moeten nadere bepalingen inzake kasstroomcontrole worden vastgesteld om effectieve en consistente niveaus van beleggersbescherming te verzekeren. Bij het boeken van beleggersgelden op kasgeldrekeningen moet de bewaarder rekening houden met de in artikel 16 van die richtlijn vervatte beginselen.

  16. Om frauduleuze kasgeldoverdrachten te voorkomen, mag geen kasgeldrekening in verband met de transacties van de icbe wordt geopend buiten medeweten van de bewaarder.

  17. Alle activa die voor een icbe in bewaring worden gehouden moeten van de eigen activa van de bewaarder worden gescheiden en dient te allen tijde als toebehorende aan die icbe te worden aangemerkt. Een dergelijk voorschrift moet beleggers een aanvullend beschermingsniveau bieden voor het geval de bewaarder zijn verplichtingen niet nakomt.

  18. Naast de bestaande bewaarnemingsverplichting voor activa die aan een icbe toebehoren, moeten activa die in bewaring kunnen worden gehouden, worden onderscheiden van die activa die niet in bewaring kunnen worden gehouden en waarvoor, in plaats daarvan, voorschriften inzake registratie- en eigendomsverificatie gelden. De groep activa die in bewaring kunnen worden gehouden, moet duidelijk worden onderscheiden, aangezien de verplichting om verloren activa terug te geven alleen voor die specifieke categorie van activa moet gelden.

  19. De activa die door de bewaarder in bewaring worden gehouden mogen niet voor eigen rekening worden hergebruikt door de bewaarder of door een derde aan wie de bewaringstaak is gedelegeerd. Bepaalde voorwaarden moeten worden gesteld voor het hergebruik van activa voor rekening van de icbe.

  20. Het is noodzakelijk de voorwaarden voor de delegatie van de bewaarnemingstaken van de bewaarder aan een derde vast te leggen. Delegatie en subdelegatie moeten objectief verantwoord zijn en onderworpen zijn aan strikte vereisten met betrekking tot de geschiktheid van de derde waaraan de gedelegeerde taak is toevertrouwd, en met betrekking tot de vereiste bekwaamheid, zorg en zorgvuldigheid die de bewaarder moet betrachten bij het selecteren, aanstellen en controleren van die derde partij. Om uniforme marktvoorwaarden en een gelijkmatig hoog niveau van beleggersbescherming tot stand te brengen, moeten deze voorwaarden worden afgestemd op die welke van toepassing zijn uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU. Er dienen bepalingen te worden vastgesteld om te garanderen dat derden aan wie bewaarnemingstaken zijn gedelegeerd over de noodzakelijke middelen beschikken om hun taken uit te voeren en dat zij de activa van de icbe gescheiden bewaren.

  21. Wanneer een centrale effectenbewaarinstelling (central securities depository — CSDCSD) als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad(9), of een CSDCSD van een derde land de in Afdeling A van de bijlage bij die verordening genoemde diensten verricht voor het exploiteren van een effectenafwikkelingssysteem, als ook, ten minste, voor de initiële vastlegging van effecten in een giraal systeem door initieel crediteren of het verstrekken en aanhouden van effectenrekeningen bovenaan de houderschapsketen, dient het verrichten van deze diensten door die CSD met betrekking tot effecten van de icbe’s die initieel door deze CSD middels initieel crediteren in een giraal systeem zijn vastgelegd, niet te worden aangemerkt als delegatie van bewaarnemingstaken. Het toevertrouwen van de bewaring van effecten van de icbe aan een CSD of aan een CSD van een derde land dient echter wel als delegatie van de bewaarnemingstaken te worden beschouwd.

  22. Een derde waaraan de bewaarneming van activa wordt gedelegeerd, moet de mogelijkheid hebben bij wijze van een gemeenschappelijke gescheiden rekening voor meerdere icbe’s een omnibusrekening aan te houden.

  23. Indien de bewaring aan een derde wordt gedelegeerd, is het eveneens noodzakelijk te waarborgen dat de derde aan specifieke vereisten inzake effectieve prudentiële regelgeving en effectief prudentieel toezicht is onderworpen. Voorts moeten, om ervoor te zorgen dat de financiële instrumenten in het bezit zijn van de derde aan wie de bewaring is gedelegeerd, periodieke externe audits worden uitgevoerd.

  24. Om voor consistent hoge niveaus van beleggersbescherming te zorgen, moeten gedragsregels en regels inzake het beheersen van belangenconflicten worden vastgesteld en in alle situaties gelden, waaronder in het geval van delegatie van bewaringstaken. Die regels moeten met name een duidelijke scheiding van taken en functies tussen de bewaarder, de icbe en de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij waarborgen.

  25. Om voor een hoog niveau van beleggersbescherming te zorgen en een passend niveau van prudentiële regelgeving en voortdurende controle te waarborgen, is het noodzakelijk een limitatieve lijst op te stellen van entiteiten die in aanmerking komen om als bewaarder op te treden. Deze entiteiten mogen enkel nationale centrale banken en kredietinstellingen zijn, en andere rechtspersonen aan wie krachtens het recht van de lidstaten vergunning is verleend om uit hoofde van deze richtlijn bewaartaken uit te voeren, en die onderworpen zijn aan prudentieel toezicht en kapitaaltoereikendheidsvereisten welke niet lager liggen dan de vereisten als berekend overeenkomstig artikel 315 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10), of artikel 317 van diezelfde verordening, afhankelijk van de gekozen benadering; deze rechtspersonen hebben in elk geval eigen middelen die niet minder bedragen dan het aanvangskapitaal dat is vermeld in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(11), en hebben hun statutaire zetel of een bijkantoor in de lidstaat van herkomst van de icbe.

  26. Het is noodzakelijk de aansprakelijkheid van de icbe-bewaarder bij verlies van een in bewaring gehouden financieel instrument te preciseren en te verduidelijken. De bewaarder moet, bij verlies van een in bewaring gehouden financieel instrument, aansprakelijk zijn om een gelijksoortig financieel instrument of het overeenkomstige bedrag aan de icbe terug te geven. Er moet in geen ontslag van aansprakelijkheid bij verlies van activa worden voorzien, behalve indien de bewaarder kan bewijzen dat het verlies het gevolg is van een „externe gebeurtenis waarover hij redelijkerwijs geen controle heeft en waarvan de gevolgen onvermijdelijk waren, ondanks alle redelijke inspanningen om ze te verhinderen”. In dat verband mag een bewaarder bijvoorbeeld geen interne situaties zoals fraude door een werknemer kunnen inroepen om zich van zijn aansprakelijkheid te ontdoen.

  27. Indien de bewaarder bewaartaken delegeert en de door een derde in bewaring gehouden financiële instrumenten verloren gaan, moet de bewaarder aansprakelijk zijn. Bij verlies van een in bewaring gehouden instrument dient een bewaarder een gelijksoortig financieel instrument of het overeenkomstige bedrag terug te geven, ook al heeft het verlies zich voorgedaan bij een derde aan wie de bewaarneming was gedelegeerd. De bewaarder dient enkel van die aansprakelijkheid te worden ontheven indien hij in staat is aan te tonen dat het verlies het gevolg was van een externe gebeurtenis waarover hij redelijkerwijs geen controle had en waarvan de gevolgen onvermijdelijk waren, ondanks alle inspanningen om die gebeurtenis te verhinderen. In dat verband mag een bewaarder bijvoorbeeld geen interne situaties zoals fraude door een werknemer kunnen inroepen om zich van zijn aansprakelijkheid te ontdoen. Geen ontheffing van aansprakelijkheid, ongeacht deze wettelijk of contractueel is, mag mogelijk zijn bij verlies van activa door een bewaarder of een derde aan wie de bewaarneming was gedelegeerd.

  28. Iedere belegger in een icbe moet, rechtstreeks of onrechtstreeks, via de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij, vorderingen kunnen instellen in verband met de aansprakelijkheid van zijn bewaarder. Verhaal op de bewaarder mag niet afhankelijk zijn van de rechtsvorm van de icbe (als rechtspersoon of op basis van een overeenkomst opgericht) of van het juridische karakter van de relatie tussen de bewaarder, de beheermaatschappij en de deelnemers. Het recht van de deelnemers om de aansprakelijkheid van de bewaarder in te roepen mag niet leiden tot de duplicatie van rechtsmiddelen of tot ongelijke behandeling van de deelnemers.

  29. Onverminderd deze richtlijn mag een bewaarder niet worden belet regelingen te treffen voor het dekken van schade en verlies veroorzaakt aan de icbe of aan de deelnemers van de icbe. Met name mogen dergelijke regelingen niet leiden tot ontslag van aansprakelijkheid van de bewaarder, niet resulteren in een overdracht of wijziging van de aansprakelijkheid van de bewaarder noch afbreuk doen aan de rechten van de beleggers, waaronder hun verhaalsrecht.

  30. Op 12 juli 2010 heeft de Commissie wijzigingen van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad(12) van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels voorgesteld om een hoog niveau van bescherming voor icbe-beleggers zeker te stellen indien een bewaarder zijn verplichtingen niet kan nakomen. Dat voorstel is aangevuld met een verduidelijking van de verplichtingen en de reikwijdte van de aansprakelijkheid van de bewaarder en de derden aan wie de in deze richtlijn bedoelde bewaarnemingtaken zijn gedelegeerd.

  31. De Commissie wordt verzocht na te gaan in welke situaties het falen van een icbe-bewaarder of een derde aan wie de bewaarneming is gedelegeerd kan leiden tot verliezen voor icbe-deelnemers die krachtens deze richtlijn niet kunnen worden gerecupereerd, verder na te gaan welke soorten maatregelen geschikt zijn om een hoog niveau van beleggersbescherming te garanderen, ongeacht de keten van tussenpersonen tussen de belegger en de door het falen getroffen effecten, en haar bevindingen voor te leggen aan het Europees Parlement en de Raad.

  32. Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat dezelfde vereisten voor bewaarders gelden ongeacht de rechtsvorm van de icbe. Consistentie van de vereisten moet de rechtszekerheid bevorderen, de beleggersbescherming vergroten en tot het scheppen van uniforme marktvoorwaarden bijdragen. De Commissie heeft geen melding ontvangen dat een beleggingsmaatschappij gebruik heeft gemaakt van de afwijking van de algemene verplichting om activa aan een bewaarder toe te vertrouwen. Bijgevolg moeten de in Richtlijn 2009/65/EG opgenomen vereisten betreffende de bewaarder van een beleggingsmaatschappij als overbodig worden beschouwd.

  33. Hoewel in deze richtlijn een minimumreeks aan bevoegdheden wordt vastgesteld waarover bevoegde autoriteiten moeten beschikken, moet de uitoefening van deze bevoegdheden plaatsvinden binnen een volledig systeem van nationaal recht dat waarborgen bevat betreffende de eerbiediging van grondrechten, met inbegrip van het recht op privacy. Met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden, waarbij het tot ernstige inbreuken op het recht op privacy en een gezinsleven, op de integriteit van de eigen woning en op het telecommunicatiegeheim zou kunnen komen, moeten de lidstaten passende en doeltreffende vrijwaringsmaatregelen treffen tegen elke vorm van misbruik, waaronder in voorkomend geval een maatregel waarbij een passende voorafgaande goedkeuring door de justitiële autoriteiten van de lidstaat in kwestie vereist is. De lidstaten moeten de bevoegde autoriteiten toestaan dergelijke ingrijpende bevoegdheden uit te oefenen voor zover dit noodzakelijk is voor een gedegen onderzoek van ernstige gevallen, en indien er geen alternatieve mogelijkheden zijn om hetzelfde resultaat te behalen.

  34. Bestaande opnamen van telefoongesprekken en overzichten van dataverkeer van icbe’s, beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen, bewaarders of andere door deze richtlijn gereglementeerde entiteiten, alsook bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer van telecommunicatie- operatoren vormen cruciaal, en soms het enige, bewijs waarmee het bestaan van overtredingen van het nationale recht tot omzetting van deze richtlijn aan het licht kan worden gebracht en bewezen en waarmee kan worden nagegaan of de icbe’s, beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen, bewaarders of andere door deze richtlijn gereglementeerde entiteiten voldoen aan de voorschriften betreffende beleggersbescherming en andere voorschriften die zijn vastgesteld in deze richtlijn en in de uitvoeringsmaatregelen die op basis daarvan zijn vastgesteld.

    Daarom moeten de bevoegde autoriteiten bestaande opnamen van telefoongesprekken, elektronische mededelingen en overzichten van dataverkeer waarover icbe’s, beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen, bewaarders of andere door deze richtlijn gereglementeerde entiteiten beschikken, kunnen opvragen. Toegang tot overzichten van data- en telefoonverkeer is noodzakelijk om overtredingen van de voorschriften van deze richtlijn of in de maatregelen ter uitvoering daarvan, aan het licht te brengen en te sanctioneren. Om een gelijk speelveld binnen de Unie te scheppen met betrekking tot de toegang tot bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer waarover een telecommunicatie-exploitant beschikt of de bestaande opnamen van telefoongesprekken en overzichten van dataverkeer waarover icbe’s, beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen, bewaarders of andere door deze richtlijn gereglementeerde entiteiten beschikken, moeten de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met het nationale recht bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer waarover een telecommunicatie-exploitant beschikt, voor zover dit is toegestaan in overeenstemming met de nationale wetgeving, en bestaande opnamen van telefoongesprekken, alsook dataverkeer waarover icbe’s, beheermaatschappijen, beleggingsondernemingen, bewaarders of andere door deze richtlijn gereglementeerde entiteiten beschikken, kunnen opvragen in gevallen waarin er een redelijk vermoeden bestaat dat dergelijke, met het voorwerp van de inspectie of het onderzoek verband houdende overzichten, relevant kunnen zijn om overtredingen van de in deze richtlijn of in de maatregelen ter uitvoering daarvan opgenomen voorschriften aan te tonen. Toegang tot overzichten van telefoon- en dataverkeer waarover een telecommunicatie-exploitant beschikt, mag niet de inhoud van telefoongesprekken betreffen.

  35. Een gedegen prudentieel kader voor de bedrijfsuitoefening in de financiële sector moet op strenge toezicht-, onderzoek- en sanctieregelingen berusten. Daartoe moeten bevoegde autoriteiten voldoende bevoegdheden bezitten en moeten zij kunnen optreden op basis van gelijke, sterke en afschrikkende sanctieregelingen voor overtredingen van deze richtlijn. In de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 inzake het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector is een evaluatie opgenomen van bestaande sanctiebevoegdheden en de praktische toepassing daarvan ter bevordering van de convergentie van de sancties binnen het gehele scala van toezichtactiviteiten. Bevoegde autoriteiten moeten gemachtigd zijn om geldelijke sancties op te leggen die voldoende hoog zijn om doeltreffend, afschrikkend en evenredig te zijn teneinde op te wegen tegen verwachte voordelen van gedragingen die de in strijd zijn met de voorschriften van deze richtlijn.

  36. Hoewel niets de lidstaten belet regels voor zowel administratieve als strafrechtelijke sancties vast te stellen voor dezelfde inbreuken, mag van de lidstaten niet worden verlangd dat zij regels voor administratieve sancties vaststellen voor overtredingen van deze richtlijn wanneer zij onder het nationale strafrecht vallen. De lidstaten dienen niet te worden verplicht overeenkomstig nationaal recht zowel administratieve als strafrechtelijke sancties op te leggen voor hetzelfde strafbare feit maar zij kunnen dat doen indien hun nationale recht zulks toelaat. Het handhaven van strafrechtelijke sancties veeleer dan administratieve sancties voor overtredingen van deze richtlijn mag de bevoegde autoriteiten evenwel niet beperken of anderszins beïnvloeden in hun vermogen om voor de toepassing van deze richtlijn met bevoegde autoriteiten in andere lidstaten samen te werken, of om tijdig toegang te hebben tot informatie of informatie uit te wisselen met deze bevoegde autoriteiten, ook nadat de desbetreffende inbreuken naar de bevoegde rechterlijke instanties zijn verwezen voor strafrechtelijke vervolging. De lidstaten moeten kunnen beslissen geen regels voor administratieve sancties vast te stellen voor overtredingen waarop hun nationale strafrecht van toepassing is. De keuze die de lidstaten hebben om strafrechtelijke sancties op te leggen veeleer dan of in aanvulling op administratieve sancties, mag niet worden gebruikt om de sanctieregeling van deze richtlijn te omzeilen.

  37. Teneinde een consistente toepassing in alle lidstaten te garanderen, dient van de lidstaten te worden verlangd dat zij er zorg voor dragen dat hun bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort van administratieve sancties of andere administratieve maatregelen en van de omvang van de administratieve geldboeten alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen.

  38. Om de afschrikkende werking op het publiek in het algemeen te versterken en het te informeren over overtredingen op regels die nadelig kunnen zijn voor de bescherming van beleggers moeten sancties, behoudens in welbepaalde omstandigheden, worden bekendgemaakt. Om naleving van het evenredigheidsbeginsel te verzekeren, moeten sancties op basis van anonimiteit worden bekendgemaakt indien bekendmaking de betrokken partijen onevenredige schade zou toebrengen.

  39. Teneinde ESMA in staat te stellen de consistentie van de toezichtresultaten verder te versterken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1095/2010, dienen alle openbaar gemaakte sancties tegelijkertijd te worden gemeld aan ESMA, die tevens een jaarverslag over alle opgelegde sancties publiceert.

  40. Aan de bevoegde autoriteiten dienen de nodige onderzoeksbevoegdheden te worden toevertrouwd, en zij dienen doeltreffende mechanismen op te zetten om de melding van mogelijke of feitelijke overtredingen aan te moedigen. De informatie over mogelijke en daadwerkelijke overtredingen moet ook bijdragen tot de doeltreffende uitvoering van de taken van ESMA overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1095/2010. Daarom moet ESMA ook communicatiekanalen voor de melding van die mogelijke en daadwerkelijke overtredingen opzetten. De informatie over mogelijke en daadwerkelijke overtredingen die aan ESMA wordt verstrekt, mag alleen worden gebruikt voor de uitvoering van de taken van ESMA overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1095/2010.

  41. Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest, zoals verankerd in het VWEU.

  42. Om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze richtlijn worden bereikt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen. Met name moet de Commissie bevoegd zijn gedelegeerde handelingen vast te stellen ter precisering van de gegevens die moeten worden opgenomen in de standaardovereenkomst tussen de bewaarder en de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij, de voorwaarden voor de uitvoering van bewaartaken, inclusief het soort financiële instrumenten dat onder de bewaartaken van de bewaarder moet vallen, de voorwaarden waaronder de bewaarder zijn bewaartaken mag uitoefenen ten aanzien van financiële instrumenten die bij een centrale bewaarder zijn geregistreerd en de voorwaarden waaronder de bewaarder nominatief uitgegeven financiële instrumenten die bij een uitgevende instelling of administrateur geregistreerd zijn, moet bewaren, de due diligence-verplichtingen van bewaarders, de verplichting tot gescheiden bewaring, de voorwaarden waaronder en omstandigheden waarin in bewaring gehouden financiële instrumenten als verloren moeten worden beschouwd, hetgeen verstaan moet worden onder een externe gebeurtenis waarover de bewaarder redelijkerwijs geen controle heeft en waarvan de gevolgen onvermijdelijk waren, ondanks alle redelijke inspanningen om ze te verhinderen. Het door die gedelegeerde handelingen geboden niveau van beleggersbescherming moet ten minste even hoog zijn als het niveau dat wordt geboden door uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU vastgestelde gedelegeerde handelingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.

  43. In het kader van haar algemene toetsing van de werking van Richtlijn 2009/65/EG evalueert de Commissie, rekening houdend met Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(13), de grenswaarden voor risico’s van de tegenpartij die van toepassing zijn op derivatentransacties, rekening houdend met de noodzaak om een passende categorisering voor die grenswaarden vast te stellen, zodat derivaten met vergelijkbare risicokenmerken op dezelfde manier worden behandeld.

  44. Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(14) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

  45. Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het vertrouwen van beleggers in icbe’s vergroten door het verscherpen van de vereisten betreffende de taken en de aansprakelijkheid van bewaarders, het beloningsbeleid van beheermaatschappijen en beleggingsmaatschappijen en het invoeren van gemeenschappelijke normen voor de sancties die op de voornaamste overtredingen van deze richtlijn van toepassing zijn, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden bereikt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

  46. De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werd geraadpleegd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(15) en heeft op 23 november 2012 een advies(16) uitgebracht.

  47. Richtlijn 2009/65/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2009/65/EG wordt als volgt gewijzigd:

  1. In artikel 2, lid 1, worden de volgende punten ingevoegd:

    „s) „leidinggevend orgaan” :
    het orgaan van een beheermaatschappij, beleggingsmaatschappij of bewaarder met de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid, welke de toezicht- en bestuursfuncties omvat, of, indien beide functies gescheiden zijn, alleen de bestuursfunctie. Wanneer een beheermaatschappij, beleggingsmaatschappij of bewaarder overeenkomstig nationaal recht beschikt over verschillende organen met specifieke taken, zijn de in deze richtlijn opgenomen voorschriften betreffende het leidinggevend orgaan of het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie eveneens of in plaats daarvan van toepassing op de leden van andere organen van de beheermaatschappij, beleggingsmaatschappij of bewaarder die op grond van het toepasselijke nationale recht respectievelijk bevoegd zijn;
    t) „financieel instrument” :
    financieel instrument als genoemd in bijlage I, deel C, bij Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(*).

  2. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    1.

    De lidstaten verplichten beheermaatschappijen een beloningsbeleid en beloningspraktijken vast te stellen en toe te passen die in overeenstemming zijn met en bijdragen aan een gezond en doeltreffend risicobeheer en die niet aanmoedigen tot het nemen van risico’s die niet te verenigen zijn met het risicoprofiel, het reglement of de statuten van de icbe’s die zij beheren, noch de beheermaatschappij beletten haar plicht na te leven om in het belang van de icbe’s te handelen.

    2.

    Het beloningsbeleid en de beloningspraktijken hebben ook betrekking op de vaste en variabele componenten van salarissen en uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen.

    3.

    Het beloningsbeleid en de beloningspraktijken zijn van toepassing op die categorieën van medewerkers, met inbegrip van de hogere leidinggevende, risiconemende en controlefuncties en elke werknemer wiens totale beloning binnen dezelfde beloningsschaal valt als die van hogere leidinggevende medewerkers en risiconemende medewerkers van wie de beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de beheermaatschappij of van de door hen beheerde icbe’s materieel beïnvloeden.

    4.

    ESMA geeft overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 aan de bevoegde autoriteiten of aan financiële-marktdeelnemers richtsnoeren betreffende de in lid 3 van dit artikel bedoelde personen en de toepassing van de in artikel 14 ter bedoelde beginselen. In deze richtsnoeren wordt ook rekening gehouden met de beginselen voor een gezond beloningsbeleid die zijn vastgesteld in Aanbeveling 2009/384/EG van de Commissie(*), alsmede met de omvang van de beheermaatschappijen en de door hen beheerde icbe’s, hun interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden. Bij de ontwikkeling van de richtsnoeren werkt ESMA nauw samen met de Europese Toezichtautoriteit (Europese Bankautoriteit) (European Banking Authority — EBA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(**), om voor consistentie te zorgen met de vereisten die voor andere sectoren van financiële diensten, met name kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, zijn ontwikkeld.

    1.

    Bij de vaststelling en toepassing van het beloningsbeleid als bedoeld in artikel 14 bis nemen beheermaatschappijen de volgende beginselen in acht op een wijze en in de mate die aansluit bij hun omvang en interne organisatie en de aard, de reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten:

    1. het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij aan een gezond en effectief risicobeheer en het moedigt niet aan tot het nemen van risico’s die niet te verenigen zijn met het risicoprofiel, het reglement of de statuten van de icbe’s in het beheer van de beheermaatschappij;

    2. het beloningsbeleid strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de belangen van de beheermaatschappij en de icbe die zij beheert en van de beleggers in deze icbe’s, en behelst ook maatregelen die belangenconflicten moeten vermijden;

    3. het leidinggevend orgaan van de beheermaatschappij stelt, als onderdeel van zijn toezichttaak, het beloningsbeleid vast, evalueert ten minste jaarlijks de algemene beginselen ervan, en is verantwoordelijk voor en ziet toe op de toepassing ervan. De in dit punt bedoelde taken worden uitsluitend uitgevoerd door leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken beheermaatschappij geen leidinggevende taken verrichten en die deskundig zijn op het gebied van risicobeheer en beloning;

    4. de toepassing van het beloningsbeleid wordt ten minste eenmaal per jaar onderworpen aan een centrale en onafhankelijke interne beoordeling om deze te toetsen aan de naleving van het beleid en de procedures voor de beloning die het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie heeft gehanteerd;

    5. medewerkers die betrokken zijn bij controlefuncties worden vergoed overeenkomstig de verwezenlijking van de met hun functies samenhangende doelstellingen, ongeacht de prestaties op het gebied van de door hen gecontroleerde bedrijfsactiviteiten;

    6. indien er een beloningscommissie bestaat, houdt deze rechtstreeks toezicht op de beloning van hogere leidinggevende personeelsleden die risico- en compliancefuncties uitoefenen;

    7. indien de beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, het betrokken bedrijfsonderdeel of de betrokken icbe en hun risico’s, en van de resultaten van de beheermaatschappij als geheel bij de beoordeling van de persoonlijke prestaties, waarbij zowel financiële als niet-financiële criteria in acht worden genomen;

    8. prestaties worden beoordeeld in een meerjarenkader dat aangepast is aan de duur van de deelneming die wordt aanbevolen aan de beleggers in de icbe’s die door de beheermaatschappij worden beheerd, teneinde te garanderen dat het beoordelingsproces is gebaseerd op de langeretermijnprestaties van de icbe en haar beleggingsrisico’s, en dat de effectieve betaling van prestatiegerelateerde beloningscomponenten is gespreid over dezelfde periode;

    9. gegarandeerde variabele beloning draagt een uitzonderlijk karakter, vindt enkel bij indienstneming van nieuwe personeelsleden plaats en blijft tot het eerste jaar van de indiensttreding beperkt;

    10. vaste en variabele componenten van de totale beloning zijn evenwichtig verdeeld; het aandeel van de vaste component in het totale beloningspakket is groot genoeg voor het voeren van een volledig flexibel beleid inzake variabele beloningscomponenten, dat ook de mogelijkheid biedt geen variabele beloningscomponent uit te betalen;

    11. ontslagvergoedingen hangen samen met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zijn zodanig vormgegeven dat falen niet wordt beloond;

    12. de beoordeling van prestaties, als basis voor variabele beloningscomponenten of pools van variabele beloningscomponenten, omvat een breed correctiemechanisme om rekening te kunnen houden met alle relevante soorten actuele en toekomstige risico’s;

    13. afhankelijk van de rechtsvorm van de icbe en van het reglement of de statuten ervan, bestaat een substantieel deel, zijnde ten minste 50 % van elke variabele beloning, uit rechten van deelneming in de betrokken icbe, equivalente eigendomsbelangen of op aandelen gebaseerde instrumenten of vergelijkbare niet-liquide instrumenten met even doeltreffende prikkels als elk in dit punt genoemd instrument, tenzij het beheer van de icbe minder dan 50 % uitmaakt van de totale portefeuille die door de beheermaatschappij wordt beheerd, in welk geval het minimum van 50 % niet geldt.

      Voor de in dit punt bedoelde instrumenten geldt een passend aanhoudbeleid om de prikkels te laten aansluiten op de belangen van de beheermaatschappij en de icbe’s die zij beheert en de beleggers in die icbe’s. De lidstaten of hun bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen stellen aan de soorten en de opzet van die instrumenten of, indien van toepassing, bepaalde instrumenten verbieden. Dit punt is van toepassing op het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan uitkering wordt uitgesteld overeenkomstig punt n) en op het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan uitkering niet wordt uitgesteld;

    14. een aanzienlijk deel, zijnde ten minste 40 % van het variabele beloningsbestanddeel, wordt pas uitgekeerd na een periode die aangepast is aan de duur van de deelneming die aan de beleggers in de betrokken icbe wordt aanbevolen, en is correct op de aard van de risico’s van de betrokken icbe afgestemd.

      De in dit punt bedoelde periode bedraagt minstens drie jaar; beloning volgens een spreidingsregeling wordt niet sneller verworven dan een betaling naar rato; indien de variabele beloningscomponent een bijzonder hoog bedrag is, wordt daarvan minstens 60 % met uitstel uitgekeerd;

    15. de variabele beloning, inclusief het uitgestelde gedeelte, wordt alleen uitgekeerd of definitief verworven wanneer dit met de financiële toestand van de beheermaatschappij in haar geheel te verenigen is en door de prestaties van de bedrijfseenheid, de icbe en het betrokken individu te rechtvaardigen is.

      De totale variabele beloning wordt over het geheel genomen aanzienlijk verlaagd als er sprake is van mindere of negatieve financiële prestaties van de beheermaatschappij of de betrokken icbe, zowel rekening houdend met de huidige beloning als met de vermindering van de uitbetalingen van eerder verdiende bedragen, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen;

    16. het pensioenbeleid strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de beheermaatschappij en de icbe’s die zij beheert.

      Indien de werknemer de dienst van de beheermaatschappij vóór pensionering verlaat, moeten de uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen gedurende een termijn van vijf jaar door de beheermaatschappij worden aangehouden in de vorm van instrumenten als bedoeld in punt m). Wanneer een werknemer zijn pensionering bereikt, worden discretionaire pensioenuitkeringen aan de werknemer betaald in de vorm van de in punt m) bedoelde instrumenten, onder voorbehoud van een uitstelperiode van vijf jaar;

    17. het personeel moet zich ertoe verbinden geen gebruik te maken van persoonlijke hedgingstrategieën of aan beloning en aansprakelijkheid gekoppelde verzekeringen om de risicobeheerseffecten die in hun beloningsregelingen zijn ingebed, te ondermijnen;

    18. variabele beloningen worden niet uitgekeerd door middel van vehikels of methoden die het ontwijken van de in deze richtlijn opgenomen voorschriften faciliteren.

    2.

    Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 kan ESMA bij de bevoegde autoriteiten informatie over het in artikel 14 bis van deze richtlijn bedoelde beloningsbeleid en beloningspraktijken opvragen.

    ESMA, handelend in nauwe samenwerking met de EBA, neemt in haar richtsnoeren inzake het beloningsbeleid bepalingen op over de wijze waarop verschillende sectorale beloningsbeginselen, zoals die als bepaald in Richtlijn 2011/61/EU van de Raad(***) en in Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(****), moeten worden toegepast indien werknemers of andere personeelscategorieën diensten verrichten waarvoor verschillende sectorale beloningsbeginselen gelden.

    3.

    De in lid 1 vervatte beginselen zijn van toepassing op alle soorten door de beheermaatschappij uitgekeerde voordelen, op alle rechtstreeks door de icbe uitgekeerde bedragen, met inbegrip van prestatievergoedingen, en op alle overdrachten van rechten van deelneming of aandelen in de icbe, ten gunste van de categorieën van medewerkers, inclusief hogere leidinggevende en risiconemende medewerkers en medewerkers met controlefuncties en elke werknemer wiens totale beloning binnen dezelfde beloningsschaal als die van hogere leidinggevenden en risiconemers valt, wier beroepswerkzaamheden hun risicoprofiel en dat van de door hen beheerde icbe’s materieel beïnvloeden.

    4.

    Beheermaatschappijen die significant zijn qua omvang, of qua omvang van de door hen beheerde icbe’s, hun interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden, stellen een beloningscommissie in. De beloningscommissie is zodanig samengesteld dat zij een deskundig en onafhankelijk oordeel kan geven over beloningsbeleid en -cultuur en over de prikkels die worden gecreëerd voor het beheren van risico’s.

    De beloningscommissie die in voorkomend geval overeenkomstig de in artikel 14 bis, lid 4, bedoelde richtsnoeren van ESMA is opgezet, is verantwoordelijk voor het voorbereiden van beslissingen over beloning, ook van beslissingen die gevolgen hebben voor het risico en het risicobeheer van de beheermaatschappij of de betrokken icbe en die het leidinggevend orgaan bij de uitoefening van zijn toezichttaak moet nemen. De beloningscommissie wordt voorgezeten door een lid van het leidinggevend orgaan dat in de betrokken beheermaatschappij geen uitvoerende taken verricht. De leden van de beloningscommissie zijn leden van het leidinggevend orgaan, die in de betrokken beheermaatschappij geen uitvoerende functie bekleden.

    Indien de nationale wetgeving in werknemersvertegenwoordiging in het leidinggevend orgaan voorziet, maken een of meer vertegenwoordigers van werknemers deel uit van de beloningscommissie. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt de beloningscommissie rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de instelling, alsook met het algemeen belang.

  3. In artikel 20, lid 1, wordt punt a), wordt vervangen door:

    1. de in artikel 22, lid 2, bedoelde schriftelijke overeenkomst met de bewaarder;”.

  4. Artikel 22 wordt vervangen door:

    1.

    Een beleggingsmaatschappij, en de beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, zorgen ervoor dat één bewaarder wordt benoemd overeenkomstig dit hoofdstuk.

    2.

    De benoeming van de bewaarder wordt schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst.

    In die overeenkomst wordt onder meer de uitwisseling van informatie geregeld die noodzakelijk wordt geacht om de bewaarder in staat te stellen zijn taken met betrekking tot de icbe waarvoor hij als bewaarder is benoemd, uit te voeren, zoals bepaald in deze richtlijn, en andere toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

    3.

    De bewaarder:

    1. zorgt ervoor dat de verkoop, de uitgifte, de inkoop, de terugbetaling en de intrekking van rechten van deelneming in de icbe geschieden in overeenstemming met het toepasselijk nationaal recht en met het fondsreglement of de statuten;

    2. zorgt ervoor dat de waarde van de rechten van deelneming van de icbe wordt berekend overeenkomstig het toepasselijke nationale recht en het fondsreglement of de statuten;

    3. voert de aanwijzingen van de beheermaatschappij of een beleggingsmaatschappij uit, tenzij deze in strijd zijn met het toepasselijke nationale recht of met het fondsreglement of de statuten;

    4. zorgt ervoor dat bij transacties met betrekking tot de activa van de icbe de tegenwaarde binnen de gebruikelijke termijnen wordt overgemaakt aan de icbe;

    5. zorgt ervoor dat de waarde van de rechten van deelneming van de icbe wordt berekend overeenkomstig het toepasselijke nationale recht en het reglement of de statuten.

    4.

    De bewaarder zorgt ervoor dat de kasstromen van de icbe naar behoren gecontroleerd worden, en zorgt er in het bijzonder voor dat alle betalingen door of namens beleggers bij de inschrijving op rechten van deelneming van de icbe ontvangen zijn, en dat alle kasgeld van de icbe is geboekt op kasgeldrekeningen die:

    1. zijn geopend op naam van de icbe, op naam van de beheermaatschappij die namens de icbe optreedt, of op naam van de bewaarder die namens de icbe optreedt;

    2. zijn geopend bij een entiteit als bedoeld in artikel 18, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2006/73/EG van de Commissie(*), en

    3. worden aangehouden overeenkomstig de in artikel 16 van Richtlijn 2006/73/EG opgenomen beginselen.

    Indien de kasgeldrekeningen geopend zijn op naam van de bewaarder die voor rekening van de icbe optreedt, mag geen contanten van de in punt b) van de eerste alinea bedoelde entiteit en geen eigen contanten van de bewaarder op die rekeningen geboekt worden.

    5.

    De activa van de icbe worden als volgt bij een bewaarder in bewaring gegeven:

    1. voor financiële instrumenten die in bewaring mogen worden gehouden:

      1. houdt de bewaarder alle financiële instrumenten in bewaring die mogen worden geregistreerd op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder, alsmede alle financiële instrumenten die fysiek aan de bewaarder kunnen worden geleverd;

      2. zorgt de bewaarder ervoor dat alle financiële instrumenten die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, in de boeken van de bewaarder worden geregistreerd op aparte rekeningen, in overeenstemming met de in artikel 16 van Richtlijn 2006/73/EG vervatte beginselen; deze aparte rekeningen zijn geopend op naam van de icbe of op naam van de beheermaatschappij die voor rekening van de icbe optreedt, zodat te allen tijde duidelijk kan worden vastgesteld dat zij in overeenstemming met het toepasselijke recht aan de icbe toebehoren;

    2. voor andere activa:

      1. gaat de bewaarder na of de icbe of de beheermaatschappij die voor rekening van de icbe optreedt, de eigenaar is van die activa door op basis van informatie of documenten die door de icbe of de beheermaatschappij verstrekt zijn en, in voorkomend geval, van voorhanden extern bewijsmateriaal, te controleren of de icbe of voor rekening van de icbe optredende beheermaatschappij de eigendom heeft;

      2. houdt de bewaarder een register bij van de activa waarvoor duidelijk is dat de icbe of de beheermaatschappij die optreedt voor rekening van de icbe deze in eigendom heeft en houdt hij dat register up-to-date.

    6.

    De bewaarder verstrekt de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij regelmatig een uitgebreid overzicht van alle activa van de icbe.

    7.

    De activa die door de bewaarder in bewaring worden gehouden worden niet voor eigen rekening hergebruikt door de bewaarder of door een derde aan wie de bewaringstaak is gedelegeerd. Hergebruik omvat elke transactie van in bewaring gehouden activa, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, overdragen, als zekerheid verstrekken, verkopen en uitlenen.

    De door de bewaarder in bewaring gehouden activa mogen worden hergebruikt enkel wanneer:

    1. het hergebruik voor rekening van de icbe gebeurt;

    2. de bewaarder de instructies van de beheermaatschappij voor rekening van de icbe uitvoert;

    3. het hergebruik ten goede komt aan de icbe en in het belang is van de deelnemers, en

    4. de transactie wordt gedekt door een liquide zekerheid van hoge kwaliteit die door de icbe wordt ontvangen op grond van een regeling voor titeloverdracht.

    De marktwaarde van de zekerheid bedraagt te allen tijde ten minste de marktwaarde van de hergebruikte activa vermeerderd met een toeslag.

    8.

    Lidstaten zorgen ervoor dat bij insolventie van de bewaarder en/of van een derde die in de Unie is gelegen en aan wie de bewaring van de activa van de icbe is gedelegeerd, de in bewaring gehouden activa van een icbe niet beschikbaar zijn voor uitkering onder of realisatie ten voordele van crediteuren van die bewaarder en/of van die derde.

  5. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    De bewaarder delegeert geen van zijn in artikel 22, leden 3 en 4, genoemde taken aan derden.

    2.

    De bewaarder mag de in artikel 22, lid 5, genoemde taken uitsluitend aan een derde delegeren indien:

    1. de taken niet worden gedelegeerd met de bedoeling de in deze richtlijn vervatte vereisten;

    2. de bewaarder kan aantonen dat er een objectieve reden bestaat voor de delegatie;

    3. de bewaarder met de nodige bekwaamheid, zorg en zorgvuldigheid te werk is gegaan bij de selectie en de aanstelling van een derde aan wie hij voornemens is een deel van zijn taken te delegeren, en hij blijft met de nodige bekwaamheid, zorg en zorgvuldigheid te werk gaan bij de periodieke evaluatie en de doorlopende controle van een derde aan wie hij een deel van zijn taken heeft gedelegeerd en van de regelingen die de derde treft in verband met de aan hem gedelegeerde taken.

    3.

    De in artikel 22, lid 5, genoemde taken mogen door de bewaarder enkel aan een derde worden gedelegeerd indien die derde partij tijdens de uitvoering van de aan hem gedelegeerde taken te allen tijde:

    1. beschikt over de structuren en deskundigheid die adequaat zijn voor en evenredig zijn met de aard en de complexiteit van de aan hem toevertrouwde activa van de icbe of van de icbe-beheerder die voor rekening van de icbe optreedt;

    2. wat betreft de in artikel 22, lid 5, punt a), genoemde bewaartaken onderworpen is aan/

      1. effectieve prudentiële regelgeving, inclusief minimumkapitaalvereisten, en toezicht in het betrokken rechtsgebied;

      2. een periodieke externe audit om er zeker van te zijn dat de financiële instrumenten in zijn bezit zijn;

    3. de activa van de cliënten van de bewaarder op zodanige wijze van zijn eigen activa en van de activa van de bewaarder scheidt dat te allen tijde duidelijk kan worden vastgesteld dat deze activa toebehoren aan cliënten van een bepaalde bewaarder;

    4. alle noodzakelijke stappen onderneemt om er voor te zorgen dat bij insolventie van de derde door de derde in bewaring gehouden activa van een icbe niet beschikbaar zijn voor uitkering onder of realisatie ten voordele van crediteuren van de derde, en

    5. voldoet aan de in artikel 22, leden 2, 5 en 7, en in artikel 25 vastgelegde algemene verplichtingen en verboden.

    Niettegenstaande punt b) i) van de eerste alinea mag de bewaarder, indien het recht van een derde land vereist dat bepaalde financiële instrumenten in bewaring worden genomen door een lokale entiteit en geen lokale entiteiten aan de in dat punt vermelde eisen inzake bewaringsdelegatie voldoen, zijn taken aan een dergelijke lokale entiteit slechts delegeren in de mate waarin dit vereist is uit hoofde van het recht van dat derde land en alleen zolang er geen lokale entiteiten aan de eisen inzake delegatie voldoen, en alleen onder de volgende voorwaarden:

    1. de beleggers in de icbe in kwestie zijn voorafgaand aan hun belegging naar behoren ingelicht over het feit dat een dergelijke delegatie verplicht is uit hoofde van het recht van het derde land, over de omstandigheden die de delegatie rechtvaardigen en over de aan die delegatie verbonden risico’s;

    2. de beleggingsmaatschappij, of de beheermaatschappij voor rekening van de icbe, heeft de bewaarder opgedragen de bewaring van die financiële instrumenten aan die lokale entiteit te delegeren.

    De derde mag deze taken op zijn beurt, onder dezelfde voorwaarden, subdelegeren. In dat geval is artikel 24, lid 2, van overeenkomstige toepassing op de relevante partijen.

    4.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt de verrichting van diensten zoals bedoeld in Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad(*) door effectenafwikkelingssystemen als aangewezen voor de toepassing van die richtlijn of de verrichting van gelijkaardige diensten door effectenafwikkelingssystemen uit derde landen niet als delegatie van bewaartaken beschouwd.

  6. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de leden 2 tot en met 4 worden vervangen door:

      „2.

      De bewaarder is ofwel:

      1. een nationale centrale bank;

      2. een kredietinstelling waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU vergunning is verleend, of

      3. een andere rechtspersoon aan wie door de bevoegde autoriteit uit hoofde van het recht van de lidstaat vergunning is verleend om uit hoofde van deze richtlijn bewaartaken uit te oefenen, die is onderworpen aan minimumkapitaalvereisten die niet lager liggen dan de vereisten als berekend overeenkomstig artikel 315 of, afhankelijk van de gekozen benadering, artikel 317 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(*), en die beschikt over een eigen vermogen van niet minder dan het aanvangskapitaal vermeld in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU.

      Een rechtspersoon als bedoeld in de eerste alinea, onder c), wordt onderworpen aan prudentiële regelgeving en aan doorlopend toezicht, en dient te voldoen aan de volgende minimumvereisten:

      1. hij beschikt over de infrastructuur die nodig is om financiële instrumenten in bewaring te nemen die kunnen worden geregistreerd op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder;

      2. hij stelt adequaat beleid en adequate procedures vast om te garanderen dat de entiteit, inclusief zijn bestuurders en werknemers, de verplichtingen van deze richtlijn nakomen;

      3. hij beschikt over een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie, adequate interne controlemechanismen, effectieve risicobeoordelingsprocedures en effectieve controle- en beveiligingsvoorzieningen voor informatieverwerkingssystemen;

      4. hij hanteert en handhaaft doeltreffende organisatorische en administratieve regelingen, met als doel alle redelijke maatregelen te kunnen nemen om belangenconflicten te voorkomen;

      5. hij zorgt ervoor dat gegevens over alle door haar verrichte diensten en transacties worden bijgehouden die voldoende zijn om de bevoegde autoriteit in staat te stellen haar toezichttaken en de in deze richtlijn voorziene handhavingsacties uit te voeren;

      6. hij onderneemt redelijke stappen om te zorgen voor continuïteit en regelmaat bij het uitoefenen van zijn bewaartaken door gebruik te maken van passende en evenredige systemen, middelen en procedures, mede om zijn bewaartaken uit te oefenen;

      7. alle leden van zijn leidinggevend orgaan en van zijn hogere leidinggevend personeel zijn te allen tijde voldoende betrouwbaar en beschikken over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring;

      8. het leidinggevend orgaan beschikt in zijn geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring om inzicht te hebben in de bedrijfsactiviteiten van de bewaarder, met inbegrip van de voornaamste risico’s waaraan deze is blootgesteld;

      9. elk lid van het leidinggevend orgaan en van het hoger leidinggevend personeel handelt eerlijk en integer;

      3.

      De lidstaten bepalen welke van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde soorten instellingen als bewaarder mogen worden gekozen.

      4.

      Beleggingsmaatschappijen of beheermaatschappijen die optreden voor rekening van de icbe die zij beheren en die vóór 18 maart 2016 als bewaarder een instelling hebben aangesteld die niet aan de van de in lid 2 opgenomen vereisten voldoet, stellen een bewaarder aan die vóór 18 maart 2018.

    2. leden 5 en 6 worden geschrapt.

  7. Artikel 24 wordt vervangen door:

    1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat de bewaarder jegens de icbe en de deelnemers van de icbe aansprakelijk is voor het verlies door de bewaarder of een derde aan wie de bewaarneming van overeenkomstig artikel 22, lid 5, punt a), in bewaring genomen financiële instrumenten is gedelegeerd.

    In het geval van verlies van een in bewaring genomen financieel instrument zorgen de lidstaten ervoor dat de bewaarder onverwijld een financieel instrument van hetzelfde type of het overeenkomstige bedrag teruggeeft aan de icbe of de beheermaatschappij die voor rekening van de icbe optreedt. De bewaarder is niet aansprakelijk indien hij kan aantonen dat het verlies het gevolg is van een externe gebeurtenis waarover hij redelijkerwijs geen controle heeft en waarvan de gevolgen onvermijdelijk waren, ondanks alle inspanningen om ze te verhinderen.

    De lidstaten zorgen ervoor dat de bewaarder jegens de icbe en de beleggers in de icbe eveneens aansprakelijk is voor alle andere verliezen die zij ondervinden doordat de bewaarder zijn verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn met opzet of door nalatigheid niet naar behoren nakomt.

    2.

    De in lid 22 bis bedoelde delegatie laat de aansprakelijkheid van de in lid 1 bedoelde bewaarder onverlet.

    3.

    De in lid 1 bedoelde aansprakelijkheid van de bewaarder mag niet bij overeenkomst worden uitgesloten of beperkt.

    4.

    Elke overeenkomst die in strijd is met lid 3, is nietig.

    5.

    Deelnemers van de icbe kunnen de aansprakelijkheid van de bewaarder direct dan wel indirect via de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij inroepen, op voorwaarde dat een en ander niet leidt tot duplicatie van rechtsmiddelen of tot ongelijke behandeling van de deelnemers.”.

  8. Artikel 25 wordt vervangen door:

    1.

    De taken van beheermaatschappij en bewaarder mogen niet door dezelfde maatschappij worden vervuld. De taken van beleggingsmaatschappij en bewaarder mogen niet door dezelfde maatschappij worden vervuld.

    2.

    Bij de vervulling van hun respectieve taken handelen de beheermaatschappij en de bewaarder eerlijk, billijk, professioneel, onafhankelijk en louter in het belang van de icbe en de beleggers in de icbe. Bij de vervulling van hun respectieve taken handelen de beleggingsmaatschappij en de bewaarder eerlijk, billijk, professioneel, onafhankelijk en louter in het belang van de beleggers in de icbe.

    Een bewaarder verricht met betrekking tot de icbe of de beheermaatschappij die voor rekening van de icbe optreedt, geen activiteiten die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten tussen de icbe, de beleggers in de icbe, de beheermaatschappij en hemzelf, tenzij de bewaarder de verrichting van zijn bewaartaken functioneel en hiërarchisch gescheiden heeft van zijn andere, mogelijkerwijs conflicterende taken, en de potentiële belangenconflicten naar behoren zijn geïdentificeerd, beheerd, gecontroleerd en meegedeeld aan de beleggers in de icbe.”.

  9. Artikel 26 wordt vervangen door:

    1.

    De wet of het fondsreglement van het beleggingsfonds bepaalt onder welke voorwaarden de beheermaatschappij en de bewaarder worden vervangen en welke regels ter bescherming van de deelnemers bij deze vervanging gelden.

    2.

    De wet of de statuten van de beleggingsmaatschappij bepalen onder welke voorwaarden de beheermaatschappij en de bewaarder worden vervangen en welke regels ter bescherming van de deelnemers bij deze vervanging gelden.”.

  10. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    De bewaarder stelt zijn bevoegde autoriteiten op verzoek alle informatie ter beschikking die hij bij de uitvoering van zijn taken heeft verkregen en die zijn bevoegde autoriteiten of de bevoegde autoriteiten van de icbe of van de beheermaatschappij nodig kunnen hebben.

    Indien de bevoegde autoriteiten van de icbe of van de beheermaatschappij van de icbe andere zijn dan die van de bewaarder, delen de bevoegde autoriteiten van de bewaarder de ontvangen informatie onverwijld met de bevoegde autoriteiten van de icbe en van de beheermaatschappij.

    De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 112 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

    1. de gegevens die moeten worden opgenomen in de schriftelijke overeenkomst bedoeld in artikel 22, lid 2;

    2. de voorwaarden voor het verrichten van de bewaartaken overeenkomstig artikel 22, leden 3, 4 en 5, met inbegrip van:

      1. de soorten financiële instrumenten die onder het toepassingsgebied van de bewaartaken van de bewaarder vallen, overeenkomstig artikel 22, lid 5, punt a);

      2. de voorwaarden waaronder de bewaarder zijn bewaartaken mag uitoefenen voor financiële instrumenten die bij een centrale bewaarder geregistreerd zijn;

      3. de voorwaarden waaronder de bewaarder nominatief uitgegeven financiële instrumenten die bij een uitgevende instelling of administrateur geregistreerd zijn, conform artikel 22, lid 5, punt b), zal bewaren;

    3. de due diligence-verplichtingen van bewaarders op grond van artikel 22 bis, lid 2, punt c) ii);

    4. de verplichting tot gescheiden bewaring krachtens artikel 22 bis, lid 3, punt c);

    5. de krachtens artikel 22 bis, lid 3, punt d), door de derde te ondernemen stappen;

    6. de voorwaarden waaronder en omstandigheden waarin in bewaring genomen financiële instrumenten als verloren worden beschouwd voor de toepassing van artikel 24;

    7. wat moet worden verstaan onder een externe gebeurtenis waarover redelijkerwijs geen controle mogelijk was en waarvan de gevolgen ondanks alle inspanningen om haar te verhinderen onvermijdelijk waren, overeenkomstig artikel 24, lid 1;

    8. de voorwaarden voor het vervullen van het in artikel 25, lid 2, bedoelde onafhankelijkheidsvereiste.”.

  11. In artikel 30 wordt de eerste alinea vervangen door:

    „De artikelen 13 tot en met 14 ter zijn van overeenkomstige toepassing op beleggingsmaatschappijen die geen beheermaatschappij hebben aangewezen die krachtens deze richtlijn over een vergunning beschikt.”.

  12. Afdeling 3 van hoofdstuk V wordt geschrapt.

  13. Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

      „Het prospectus bevat hetzij:

      1. de nadere gegevens van het actuele beloningsbeleid, met ten minste een beschrijving van de wijze van berekening van de beloning en de uitkeringen, de identiteit van de personen die verantwoordelijk zijn voor het toekennen van de beloning en de uitkeringen, met inbegrip van de samenstelling van de beloningscommissie, indien een dergelijke beloningscommissie is ingesteld; hetzij

      2. een samenvatting van het beloningsbeleid en een mededeling met de inhoud dat de nadere gegevens van het actuele beloningsbeleid, met ten minste een beschrijving van de wijze van berekening van de beloning en de uitkeringen, de identiteit van de personen die verantwoordelijk zijn voor het toekennen van de beloning en de uitkeringen, met inbegrip van de samenstelling van de beloningscommissie, indien een dergelijke beloningscommissie is ingesteld, beschikbaar zijn via een website met vermelding van het adres van die website en dat daarvan op verzoek gratis een afschrift op papier ter beschikking wordt gesteld.”;

    2. in lid 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:

      „Het jaarverslag bevat tevens:

      1. het totale bedrag van de beloning gedurende het boekjaar, onderverdeeld in de vaste en variabele beloning die de beheermaatschappij, respectievelijk de beleggingsmaatschappij aan haar personeel betaalt, het aantal begunstigden en, in voorkomend geval, elk rechtstreeks door de icbe betaald bedrag, met inbegrip van elke prestatiebeloning;

      2. het geaggregeerde bedrag van de beloning, uitgesplitst naar categorieën van werknemers of andere medewerkers als bedoeld in artikel 14 bis, lid 3;

      3. een beschrijving van de wijze waarop de beloning en de uitkeringen zijn berekend;

      4. de resultaten van de in artikel 14 ter, lid 1, punten c) en d), bedoelde evaluaties, met inbegrip van onregelmatigheden die zich eventueel hebben voorgedaan;

      5. materiële wijzigingen in het vastgestelde beloningsbeleid.”.

  14. Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 3 wordt punt a) vervangen door:

      1. de identificatie van de icbe en van de bevoegde autoriteit van de icbe;”;

    2. in lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:

      „De essentiële beleggersinformatie bevat daarnaast een samenvatting van het beloningsbeleid en een mededeling met de inhoud dat de nadere gegevens van het actuele beloningsbeleid, met ten minste een beschrijving van de wijze van berekening van de beloning en de uitkeringen, de identiteit van de personen die verantwoordelijk zijn voor het toekennen van de beloning en de uitkeringen, met inbegrip van de samenstelling van de beloningscommissie, indien een zodanige beloningscommissie is ingesteld, beschikbaar zijn via een website (met vermelding van het adres van die website) en dat daarvan op verzoek gratis een afschrift op papier ter beschikking wordt gesteld.”.

  15. In artikel 98, lid 2, wordt punt d) vervangen door:

    1. het volgende te vragen:

      1. voor zover dat bij het nationale recht is toegestaan, bestaande overzichten van dataverkeer die in het bezit zijn van een telecommunicatie-exploitant, indien er een redelijk vermoeden van een inbreuk bestaat en indien dergelijke overzichten van belang kunnen zijn voor een onderzoek naar overtredingen van deze richtlijn;

      2. bestaande opnamen van telefoongesprekken, elektronische mededelingen of andere overzichten van dataverkeer waarover icbe’s, beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen, bewaarders of andere door deze richtlijn gereglementeerde entiteiten beschikken;”.

  16. Artikel 99 wordt vervangen door:

    1.

    Onverminderd de in artikel 98 bedoelde toezichtbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten en het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen de lidstaten voorschriften vast inzake administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die aan bedrijven en personen kunnen worden opgelegd, met betrekking tot overtredingen van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, en nemen zij alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd.

    Indien de lidstaten besluiten geen regels voor administratieve sancties vast te stellen voor overtredingen waarop nationaal strafrecht van toepassing is, delen zij de Commissie de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen mede.

    Administratieve sancties en andere administratieve maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

    Uiterlijk op 18 maart 2016 stellen de lidstaten de Commissie en ESMA in kennis van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van dit artikel, met inbegrip van eventuele toepasselijke strafrechtelijke bepalingen. De lidstaten stellen de Commissie en ESMA zonder onnodig uitstel in kennis van alle eventuele latere wijzigingen van die regels.

    2.

    Wanneer de lidstaten er overeenkomstig lid 1 voor hebben gekozen strafrechtelijke sancties vast te stellen voor overtredingen van de in dat lid bedoelde bepalingen, zorgen zij ervoor dat er passende maatregelen voorhanden zijn waardoor de bevoegde autoriteiten over alle noodzakelijke bevoegdheden beschikken om met de gerechtelijke autoriteiten in hun jurisdictie contacten te onderhouden om specifieke informatie te ontvangen aangaande strafrechtelijke onderzoeken naar of ingeleide procedures wegens mogelijke overtredingen van deze richtlijn, en die informatie te verstrekken aan andere bevoegde autoriteiten en ESMA, teneinde te voldoen aan hun verplichting om onderling en met ESMA samen te werken voor de toepassing van deze richtlijn.

    De bevoegde autoriteiten kunnen ook met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten samenwerken met het oog op het vergemakkelijken van de inning van geldboetes.

    3.

    In het kader van haar algehele evaluatie van de werking van deze richtlijn toetst de Commissie uiterlijk op 18 september 2017 de toepassing van de administratieve en strafrechtelijke sancties, en met name de behoefte aan verdere harmonisatie van de administratieve sancties die zijn ingesteld voor overtredingen van de in deze richtlijn vervatte voorschriften.

    4.

    Een bevoegde autoriteit kan uitsluitend in de hieronder vermelde buitengewone omstandigheden weigeren in te gaan op een verzoek om informatie of een verzoek om met een onderzoek mee te werken, te weten indien:

    1. de verstrekking van de desbetreffende informatie de veiligheid van de aangezochte lidstaat, en in het bijzonder de bestrijding van terrorisme en andere vormen van ernstige criminaliteit, negatief zou kunnen beïnvloeden;

    2. het naleven van het verzoek een eigen onderzoek- of handhavingsactiviteiten of, indien van toepassing, een strafrechtelijk onderzoek negatief zou kunnen beïnvloeden;

    3. voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat, of

    4. voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen in de aangezochte lidstaat reeds een definitieve uitspraak is gedaan.

    5.

    De lidstaten zorgen ervoor dat daar waar icbe’s, beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen of bewaarders aan verplichtingen zijn onderworpen, bij een overtreding van nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, overeenkomstig het nationale recht administratieve sancties of andere administratieve maatregelen kunnen worden opgelegd aan de leden van het leidinggevend orgaan en aan andere natuurlijke personen die krachtens het nationale recht voor de overtreding verantwoordelijk zijn.

    6.

    Overeenkomstig het nationale recht zorgen de lidstaten ervoor dat in alle in lid 1 bedoelde gevallen ten minste de volgende administratieve sancties en andere administratieve maatregelen kunnen worden toegepast:

    1. een publieke verklaring waarin de voor de overtreding verantwoordelijke persoon en de aard van de overtreding worden vermeld;

    2. een bevel waarin wordt geëist dat de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

    3. in geval van een icbe of een beheermaatschappij, schorsing of intrekking van de vergunning van de icbe of van de beheermaatschappij;

    4. een tijdelijk, of bij herhaalde ernstige overtredingen, een permanent verbod, gericht tot een lid van het leidinggevend orgaan van de beheermaatschappij of van de beleggingsmaatschappij, of gericht tot elk andere natuurlijke persoon die verantwoordelijk wordt gehouden, om bestuursfuncties in die of in andere gelijksoortige maatschappijen uit te oefenen;

    5. in het geval van een rechtspersoon, maximale bestuursrechtelijke geldboetes van ten minste 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die de euro niet als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale munteenheid op 17 september 2014, of ten belope van 10 % van de jaaromzet van die rechtspersoon volgens de meest recente jaarrekening die door het leidinggevend orgaan is goedgekeurd; indien de rechtspersoon een moederonderneming is of een dochteronderneming van de moederonderneming die overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(*) geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de betrokken totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet of het soort inkomsten dat daarmee overeenstemt overeenkomstig het desbetreffende recht van de Unie op het gebied van boekhouding, volgens de laatst beschikbare geconsolideerde jaarrekeningen als goedgekeurd door het leidinggevend orgaan van de uiteindelijke moederonderneming;

    6. in het geval van een natuurlijke persoon, maximale bestuursrechtelijke geldboetes van ten minste 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die de euro niet als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale munteenheid op 17 september 2014, of

    7. in plaats van punt e) en punt f) maximale bestuursrechtelijke geldboetes van ten minste twee keer het bedrag van de aan de inbreuk ontleende voordeel indien dat worden bepaald, zelfs indien dat bedrag de in punten e) en f) genoemde maximumbedragen overschrijdt.

    7.

    De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten krachtens nationaal recht de bevoegdheid geven om soorten sancties op te leggen naast de in lid 6 genoemde soorten of geldboetes op te leggen die de in lid 6, punten e), f) en g), bedoelde bedragen overschrijden.

  17. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    De lidstaten zorgen ervoor dat in hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn in sancties wordt voorzien, in het bijzonder wanneer:

    1. de werkzaamheden van icbe’s worden uitgeoefend zonder dat een vergunning is verkregen, in strijd met artikel 5;

    2. het bedrijf van een beheermaatschappij wordt uitgeoefend zonder dat een voorafgaande vergunning is verkregen, in strijd met artikel 6;

    3. het bedrijf van een beleggingsmaatschappij wordt uitgeoefend zonder dat een voorafgaande vergunning is verkregen, in strijd met artikel 27;

    4. in strijd met artikel 11, lid 1, rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een beheermaatschappij wordt verworven, dan wel rechtstreeks of middellijk een dergelijke gekwalificeerde deelneming verder wordt vergroot, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal 20 %, 30 % of 50 % bereikt of overschrijdt, dan wel de beheermaatschappij er een dochteronderneming van wordt („voorgenomen verwerving”), zonder de bevoegde autoriteiten van de beheermaatschappij ten aanzien waarvan een verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming wordt beoogd, daarvan schriftelijk kennis te hebben gegeven;

    5. in strijd met artikel 11, lid 1, rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een beheermaatschappij wordt afgestoten of verminderd, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal tot minder dan 20 %, 30 % of 50 % daalt, dan wel de beheermaatschappij niet langer een dochteronderneming is, zonder de bevoegde autoriteiten daarvan schriftelijk kennis te hebben gegeven;

    6. in strijd met artikel 7, lid 5, punt b), een instelling een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

    7. in strijd met artikel 29, lid 4, punt b), een instelling een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

    8. in strijd met artikel 11, lid 1, van deze richtlijn een beheermaatschappij verzuimt om, zodra zij kennis heeft van verwervingen of overdrachten van deelnemingen in haar kapitaal, waardoor deelnemingen stijgen boven of dalen onder één van de drempels als bedoeld in artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU, de bevoegde autoriteiten van deze verwervingen of overdrachten in kennis te stellen;

    9. in strijd met artikel 11, lid 1, een beheermaatschappij verzuimt ten minste eenmaal per jaar de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van de namen van aandeelhouders en leden die gekwalificeerde deelnemingen bezitten en de omvang van die deelnemingen;

    10. een beheermaatschappij verzuimt te voldoen aan de procedures en regelingen die overeenkomstig de nationale bepalingen ter omzetting van artikel 12, lid 1, punt a), zijn opgelegd;

    11. een beheermaatschappij verzuimt te voldoen aan structurele en organisatorische vereisten die overeenkomstig de nationale bepalingen ter omzetting van artikel 12, lid 1, onder b), zijn opgelegd;

    12. een beheermaatschappij verzuimt te voldoen aan de procedures en regelingen die overeenkomstig de nationale bepalingen ter omzetting van artikel 31 zijn opgelegd;

    13. een beheermaatschappij of een beleggingsmaatschappij verzuimt te voldoen aan vereisten in verband met delegatie van haar taken aan derden die overeenkomstig de nationale bepalingen ter omzetting van de artikelen 13 en 30 zijn opgelegd;

    14. een beheermaatschappij of een beleggingsmaatschappij verzuimt te voldoen aan de gedragsregels die overeenkomstig de nationale bepalingen ter omzetting van de artikelen 14 en 30 zijn opgelegd;

    15. een bewaarder verzuimt zijn taken uit te voeren overeenkomstig de nationale bepalingen ter omzetting van artikel 22, leden 3 tot en met 7;

    16. een beleggingsmaatschappij, of een beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, herhaaldelijk verzuimt te voldoen aan verplichtingen betreffende het beleggingsbeleid van icbe’s overeenkomstig nationale bepalingen ter omzetting van hoofdstuk VII;

    17. een beheermaatschappij of een beleggingsmaatschappij verzuimt gebruik te maken van een risicobeheerproces of een proces voor nauwkeurige en onafhankelijke beoordeling van de waarde van otc-derivaten die zijn opgenomen in nationale bepalingen ter omzetting van artikel 51, lid 1;

    18. een beleggingsmaatschappij of een beheermaatschappij voor elk van de door haar beheerde beleggingsfondsen herhaaldelijk verzuimt te voldoen aan verplichtingen betreffende aan beleggers te verstrekken informatie die worden opgelegd overeenkomstig nationale bepalingen ter omzetting van de artikelen 68 tot en met 82;

    19. een beheermaatschappij of een beleggingsmaatschappij die rechten van deelneming van icbe’s die zij beheert in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de icbe, verhandelt, verzuimt te voldoen aan het kennisgevingsvereiste als opgenomen in artikel 93, lid 1.

    1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten ieder niet voor hoger beroep vatbaar besluit waarbij een administratieve sanctie of maatregel wegens overtreding van de ter omzetting van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen wordt opgelegd, zonder vertraging nadat de persoon aan wie de sanctie of maatregel werd opgelegd van dat besluit in kennis is gesteld, op hun officiële website bekendmaken. De bekendmaking bevat ten minste informatie over het type en de aard van de overtreding en de identiteit van de verantwoordelijke personen. Deze verplichting is niet van toepassing op besluiten waarmee onderzoeksmaatregelen worden opgelegd.

    Indien de bekendmaking van de identiteit van de rechtspersonen of van de persoonsgegevens van de natuurlijke personen echter na een per geval uitgevoerde beoordeling van de evenredigheid van die bekendmaking door de bevoegde autoriteit onevenredig wordt geacht, of indien bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend onderzoek in gevaar brengt, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten:

    1. de bekendmaking van het besluit waarbij de sanctie of maatregel wordt opgelegd uitstellen totdat de redenen voor niet-bekendmaking vervallen;

    2. het besluit om de sanctie of maatregel op te leggen op basis van anonimiteit en in overeenstemming met het nationale recht bekendmaken, indien de betrokken persoonsgegevens daardoor doeltreffend worden beschermd, of

    3. het besluit om een sanctie of maatregel op te leggen in het geheel niet bekendmaken indien de onder a) en b) vastgestelde opties als ontoereikend worden beschouwd om te waarborgen:

      1. dat de stabiliteit van de financiële markten niet in gevaar wordt gebracht;

      2. dat de bekendmaking van dergelijke besluiten evenredig is wanneer de maatregelen als weinig ingrijpend worden beschouwd.

    In het geval van een besluit tot bekendmaking van een sanctie of maatregel op basis van anonimiteit kan de bekendmaking van de betrokken gegevens voor een redelijke periode worden uitgesteld indien verwacht wordt dat de redenen voor bekendmaking op basis van anonimiteit in die periode zullen vervallen.

    2.

    De bevoegde autoriteiten brengen ESMA op de hoogte van alle administratieve sancties die overeenkomstig lid 1, tweede alinea, punt c), zijn opgelegd maar niet bekend zijn gemaakt, met inbegrip van een eventueel ingesteld beroep en de uitkomst van dit beroep. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de informatie en de definitieve uitspraak in verband met een opgelegde strafrechtelijke sanctie ontvangen en doen toekomen aan ESMA. ESMA houdt, uitsluitend ten behoeve van uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale database van de aan haar meegedeelde sancties bij. Die database is uitsluitend voor bevoegde autoriteiten toegankelijk en wordt bijgewerkt op basis van de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie.

    3.

    Indien tegen het besluit om een sanctie of maatregel op te leggen een beroep is ingesteld voor de desbetreffende gerechtelijke autoriteit of andere instantie, maken de bevoegde autoriteiten dergelijke informatie onmiddellijk bekend op hun officiële website evenals eventuele nadere informatie over de afloop van dat beroep. Bovendien wordt een beslissing tot nietigverklaring van een eerder besluit tot oplegging van een sanctie of maatregel eveneens bekendgemaakt.

    4.

    De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat alle informatie die overeenkomstig dit artikel wordt bekendgemaakt, gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de bekendmaking op hun officiële website blijft staan. Persoonsgegevens die zijn opgenomen in de bekendmakingen worden slechts vermeld op de officiële website van de bevoegde autoriteit gedurende de periode waarvoor dat noodzakelijk is in overeenstemming met de toepasselijke regels voor gegevensbescherming.

    1.

    De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten bij de vaststelling van de aard van bestuursrechtelijke sancties of maatregelen en van de omvang van bestuursrechtelijke geldboeten ervoor zorgen dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en dat zij daarbij alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, zoals, in voorkomend geval:

    1. de ernst en de duur van de overtreding;

    2. de mate van verantwoordelijkheid van de voor de overtreding verantwoordelijke persoon;

    3. de financiële draagkracht van de voor de overtreding verantwoordelijk persoon, zoals deze bijvoorbeeld blijkt uit zijn totale omzet in het geval van een rechtspersoon of het jaarinkomen in geval van een natuurlijk persoon;

    4. de omvang van de winsten of vermeden verliezen die zijn behaald door de voor overtreding verantwoordelijke persoon, de aan andere personen berokkende schade en, indien toepasselijk, de schade die is toegebracht aan de werking van de markten of aan de economie in bredere zin, voor zover deze kunnen worden bepaald;

    5. de mate waarin de voor de overtreding verantwoordelijke persoon met de bevoegde autoriteit meewerkt;

    6. eerdere overtredingen door de verantwoordelijke persoon;

    7. maatregelen die na de overtreding door de voor de overtreding verantwoordelijke persoon zijn genomen om herhaling ervan te voorkomen.

    2.

    Bij de uitoefening van hun sanctiebevoegdheden krachtens artikel 99 werken de bevoegde autoriteiten nauw samen om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende en onderzoeksbevoegdheden en de administratieve sancties de beoogde resultaten in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn opleveren. Zij coördineren tevens hun acties om mogelijke doublures en overlappingen te voorkomen bij de toepassing van toezichthoudende en onderzoeksbevoegdheden en administratieve sancties en maatregelen op grensoverschrijdende gevallen, overeenkomstig artikel 101.

    1.

    De lidstaten zetten doeltreffende en betrouwbare mechanismen op om de melding aan de bevoegde autoriteiten van potentiële of daadwerkelijke overtredingen van nationale bepalingen ter omzetting van deze richtlijn aan te moedigen, waaronder het instellen van beveiligde communicatiekanalen voor melding van dergelijke overtredingen.

    2.

    De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste:

    1. specifieke procedures voor het in ontvangst nemen en behandelen van meldingen van overtredingen;

    2. passende bescherming voor werknemers van beleggingsmaatschappijen, beheermaatschappijen en bewaarders die binnen die entiteiten gepleegde overtredingen melden, tegen ten minste vergelding, discriminatie of andere soorten onbillijke behandeling;

    3. bescherming van persoonsgegevens, in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(*), van zowel de persoon die de overtredingen meldt als de natuurlijke persoon die de vermeende verantwoordelijke is voor een overtreding;

    4. duidelijke regels om te garanderen dat de identiteit van de persoon die een overtreding meldt, in alle gevallen vertrouwelijk blijft, tenzij bekendmaking volgens het nationale recht vereist wordt in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende gerechtelijke procedure.

    3.

    ESMA stelt een of meer beveiligde communicatiekanalen in voor meldingen van overtredingen van de nationale bepalingen ter omzetting van deze richtlijn. ESMA zorgt ervoor dat die communicatiekanalen voldoen aan het bepaalde in lid 2, punten a) tot en met d).

    4.

    De lidstaten zorgen ervoor dat meldingen door werknemers van beleggingsmaatschappijen, beheermaatschappijen en bewaarders bedoeld in de lid 1 en lid 3, niet als een overtreding van ongeacht welke op grond van een overeenkomst of een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie worden beschouwd en voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid in verband met deze meldingen leiden.

    5.

    De lidstaten eisen dat beleggingsmaatschappijen, beheermaatschappijen en bewaarders over passende procedures beschikken opdat hun werknemers in staat zijn overtredingen intern via een specifiek, onafhankelijk en zelfstandig kanaal te melden.

    1.

    De bevoegde autoriteiten verstrekken ESMA jaarlijks geaggregeerde informatie over alle sancties en andere maatregelen die overeenkomstig artikel 99 zijn opgelegd. ESMA publiceert deze informatie in een jaarverslag.

    2.

    Wanneer de bevoegde autoriteit administratieve sancties of maatregelen openbaar heeft gemaakt, meldt zij deze administratieve sancties of maatregelen tegelijkertijd bij ESMA. Wanneer een openbaar gemaakte sanctie of maatregel op een beheermaatschappij of beleggingsmaatschappij betrekking heeft, neemt ESMA een verwijzing naar de openbaar gemaakte sanctie of maatregel op in de lijst van beheermaatschappijen die zij op grond van artikel 6, lid 1, publiceert.

    3.

    ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ter bepaling van de procedures en formulieren voor de verstrekking van informatie als bedoeld in dit artikel.

    ESMA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 september 2015 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

  18. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    De lidstaten passen Richtlijn 95/46/EG toe op de verwerking van persoonsgegevens in de lidstaten uit hoofde van deze richtlijn.

    2.

    Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(*) is van toepassing op de krachtens deze richtlijn door ESMA uitgevoerde verwerking van persoonsgegevens.

  19. In artikel 12, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 23, lid 6, artikel 33, lid 6, artikel 43, lid 5, artikel 51, lid 4, artikel 60, lid 6, artikel 61, lid 3, artikel 62, lid 4, artikel 64, lid 4, artikel 75, lid 4, artikel 78, lid 7, artikel 81, lid 2, artikel 95, lid 1 en artikel 111, worden de woorden „overeenkomstig artikel 112, leden 2, 3 en 4, en onder de voorwaarden van de artikelen 112 bis en 112 ter” vervangen door de woorden „overeenkomstig artikel 112 bis”.

  20. In artikel 50 bis worden de woorden „overeenkomstig artikel 112 bis en onder de voorwaarden in de artikelen 112 ter en 112 quater” vervangen door de woorden „overeenkomstig artikel 112 bis”.

  21. In de derde alinea van artikel 52, lid 4, wordt de verwijzing naar „artikel 112, lid 1,” vervangen door een verwijzing naar „artikel 112”.

  22. Artikel 112 wordt vervangen door:

    De Commissie wordt bijgestaan door het bij Europees Comité voor het effectenbedrijf dat is ingesteld bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie(*).

  23. Artikel 112 bis wordt vervangen door:

    1.

    De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

    2.

    De in de artikelen 12, 14, 43, 60, 61, 62, 64, 75, 78, 81, 95 en 111 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vier jaar met ingang van 4 januari 2011.

    De in artikel 26 ter bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vier jaar met ingang van 17 september 2014.

    De in artikel 50 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vier jaar met ingang van 21 juli 2011.

    De in artikel 51 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vier jaar met ingang van 20 juni 2013.

    De Commissie stelt uiterlijk zes maanden voor het einde van de termijnen van vier jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad daartegen zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

    3.

    Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 12, 14, 26 ter, 43, 50 bis, 51, 60, 61, 62, 64, 75, 78, 81, 95 en 111 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

    4.

    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

    5.

    Een overeenkomstig de artikelen 12, 14, 26 ter, 43, 50 bis, 51, 60, 61, 62, 64, 75, 78, 81, 95 en 111 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.”.

  24. Artikel 112 ter wordt geschrapt.

  25. In schema A van bijlage I wordt punt 2 als volgt gewijzigd:

    Gegevens betreffende de bewaarder:

    1. de identiteit van de bewaarder van de icbe en een omschrijving van zijn taken, alsmede van belangenconflicten die kunnen ontstaan;

    2. een beschrijving van alle door de bewaarder gedelegeerde bewaartaken, de lijst van de gedelegeerden en subgedelegeerden en eventuele belangenconflicten die uit dergelijke delegaties kunnen voortvloeien;

    3. een verklaring met de inhoud dat actuele informatie met betrekking tot de punten 2.1 en 2.2 op verzoek aan beleggers ter beschikking zal worden gesteld.”.

„Artikel 14 bis

1.

De lidstaten verplichten beheermaatschappijen een beloningsbeleid en beloningspraktijken vast te stellen en toe te passen die in overeenstemming zijn met en bijdragen aan een gezond en doeltreffend risicobeheer en die niet aanmoedigen tot het nemen van risico’s die niet te verenigen zijn met het risicoprofiel, het reglement of de statuten van de icbe’s die zij beheren, noch de beheermaatschappij beletten haar plicht na te leven om in het belang van de icbe’s te handelen.

2.

Het beloningsbeleid en de beloningspraktijken hebben ook betrekking op de vaste en variabele componenten van salarissen en uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen.

3.

Het beloningsbeleid en de beloningspraktijken zijn van toepassing op die categorieën van medewerkers, met inbegrip van de hogere leidinggevende, risiconemende en controlefuncties en elke werknemer wiens totale beloning binnen dezelfde beloningsschaal valt als die van hogere leidinggevende medewerkers en risiconemende medewerkers van wie de beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de beheermaatschappij of van de door hen beheerde icbe’s materieel beïnvloeden.

4.

ESMA geeft overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 aan de bevoegde autoriteiten of aan financiële-marktdeelnemers richtsnoeren betreffende de in lid 3 van dit artikel bedoelde personen en de toepassing van de in artikel 14 ter bedoelde beginselen. In deze richtsnoeren wordt ook rekening gehouden met de beginselen voor een gezond beloningsbeleid die zijn vastgesteld in Aanbeveling 2009/384/EG van de Commissie(*), alsmede met de omvang van de beheermaatschappijen en de door hen beheerde icbe’s, hun interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden. Bij de ontwikkeling van de richtsnoeren werkt ESMA nauw samen met de Europese Toezichtautoriteit (Europese Bankautoriteit) (European Banking Authority — EBA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(**), om voor consistentie te zorgen met de vereisten die voor andere sectoren van financiële diensten, met name kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, zijn ontwikkeld.

Artikel 14 ter

1.

Bij de vaststelling en toepassing van het beloningsbeleid als bedoeld in artikel 14 bis nemen beheermaatschappijen de volgende beginselen in acht op een wijze en in de mate die aansluit bij hun omvang en interne organisatie en de aard, de reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten:

  1. het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij aan een gezond en effectief risicobeheer en het moedigt niet aan tot het nemen van risico’s die niet te verenigen zijn met het risicoprofiel, het reglement of de statuten van de icbe’s in het beheer van de beheermaatschappij;

  2. het beloningsbeleid strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de belangen van de beheermaatschappij en de icbe die zij beheert en van de beleggers in deze icbe’s, en behelst ook maatregelen die belangenconflicten moeten vermijden;

  3. het leidinggevend orgaan van de beheermaatschappij stelt, als onderdeel van zijn toezichttaak, het beloningsbeleid vast, evalueert ten minste jaarlijks de algemene beginselen ervan, en is verantwoordelijk voor en ziet toe op de toepassing ervan. De in dit punt bedoelde taken worden uitsluitend uitgevoerd door leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken beheermaatschappij geen leidinggevende taken verrichten en die deskundig zijn op het gebied van risicobeheer en beloning;

  4. de toepassing van het beloningsbeleid wordt ten minste eenmaal per jaar onderworpen aan een centrale en onafhankelijke interne beoordeling om deze te toetsen aan de naleving van het beleid en de procedures voor de beloning die het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie heeft gehanteerd;

  5. medewerkers die betrokken zijn bij controlefuncties worden vergoed overeenkomstig de verwezenlijking van de met hun functies samenhangende doelstellingen, ongeacht de prestaties op het gebied van de door hen gecontroleerde bedrijfsactiviteiten;

  6. indien er een beloningscommissie bestaat, houdt deze rechtstreeks toezicht op de beloning van hogere leidinggevende personeelsleden die risico- en compliancefuncties uitoefenen;

  7. indien de beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, het betrokken bedrijfsonderdeel of de betrokken icbe en hun risico’s, en van de resultaten van de beheermaatschappij als geheel bij de beoordeling van de persoonlijke prestaties, waarbij zowel financiële als niet-financiële criteria in acht worden genomen;

  8. prestaties worden beoordeeld in een meerjarenkader dat aangepast is aan de duur van de deelneming die wordt aanbevolen aan de beleggers in de icbe’s die door de beheermaatschappij worden beheerd, teneinde te garanderen dat het beoordelingsproces is gebaseerd op de langeretermijnprestaties van de icbe en haar beleggingsrisico’s, en dat de effectieve betaling van prestatiegerelateerde beloningscomponenten is gespreid over dezelfde periode;

  9. gegarandeerde variabele beloning draagt een uitzonderlijk karakter, vindt enkel bij indienstneming van nieuwe personeelsleden plaats en blijft tot het eerste jaar van de indiensttreding beperkt;

  10. vaste en variabele componenten van de totale beloning zijn evenwichtig verdeeld; het aandeel van de vaste component in het totale beloningspakket is groot genoeg voor het voeren van een volledig flexibel beleid inzake variabele beloningscomponenten, dat ook de mogelijkheid biedt geen variabele beloningscomponent uit te betalen;

  11. ontslagvergoedingen hangen samen met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zijn zodanig vormgegeven dat falen niet wordt beloond;

  12. de beoordeling van prestaties, als basis voor variabele beloningscomponenten of pools van variabele beloningscomponenten, omvat een breed correctiemechanisme om rekening te kunnen houden met alle relevante soorten actuele en toekomstige risico’s;

  13. afhankelijk van de rechtsvorm van de icbe en van het reglement of de statuten ervan, bestaat een substantieel deel, zijnde ten minste 50 % van elke variabele beloning, uit rechten van deelneming in de betrokken icbe, equivalente eigendomsbelangen of op aandelen gebaseerde instrumenten of vergelijkbare niet-liquide instrumenten met even doeltreffende prikkels als elk in dit punt genoemd instrument, tenzij het beheer van de icbe minder dan 50 % uitmaakt van de totale portefeuille die door de beheermaatschappij wordt beheerd, in welk geval het minimum van 50 % niet geldt.

    Voor de in dit punt bedoelde instrumenten geldt een passend aanhoudbeleid om de prikkels te laten aansluiten op de belangen van de beheermaatschappij en de icbe’s die zij beheert en de beleggers in die icbe’s. De lidstaten of hun bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen stellen aan de soorten en de opzet van die instrumenten of, indien van toepassing, bepaalde instrumenten verbieden. Dit punt is van toepassing op het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan uitkering wordt uitgesteld overeenkomstig punt n) en op het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan uitkering niet wordt uitgesteld;

  14. een aanzienlijk deel, zijnde ten minste 40 % van het variabele beloningsbestanddeel, wordt pas uitgekeerd na een periode die aangepast is aan de duur van de deelneming die aan de beleggers in de betrokken icbe wordt aanbevolen, en is correct op de aard van de risico’s van de betrokken icbe afgestemd.

    De in dit punt bedoelde periode bedraagt minstens drie jaar; beloning volgens een spreidingsregeling wordt niet sneller verworven dan een betaling naar rato; indien de variabele beloningscomponent een bijzonder hoog bedrag is, wordt daarvan minstens 60 % met uitstel uitgekeerd;

  15. de variabele beloning, inclusief het uitgestelde gedeelte, wordt alleen uitgekeerd of definitief verworven wanneer dit met de financiële toestand van de beheermaatschappij in haar geheel te verenigen is en door de prestaties van de bedrijfseenheid, de icbe en het betrokken individu te rechtvaardigen is.

    De totale variabele beloning wordt over het geheel genomen aanzienlijk verlaagd als er sprake is van mindere of negatieve financiële prestaties van de beheermaatschappij of de betrokken icbe, zowel rekening houdend met de huidige beloning als met de vermindering van de uitbetalingen van eerder verdiende bedragen, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen;

  16. het pensioenbeleid strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de beheermaatschappij en de icbe’s die zij beheert.

    Indien de werknemer de dienst van de beheermaatschappij vóór pensionering verlaat, moeten de uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen gedurende een termijn van vijf jaar door de beheermaatschappij worden aangehouden in de vorm van instrumenten als bedoeld in punt m). Wanneer een werknemer zijn pensionering bereikt, worden discretionaire pensioenuitkeringen aan de werknemer betaald in de vorm van de in punt m) bedoelde instrumenten, onder voorbehoud van een uitstelperiode van vijf jaar;

  17. het personeel moet zich ertoe verbinden geen gebruik te maken van persoonlijke hedgingstrategieën of aan beloning en aansprakelijkheid gekoppelde verzekeringen om de risicobeheerseffecten die in hun beloningsregelingen zijn ingebed, te ondermijnen;

  18. variabele beloningen worden niet uitgekeerd door middel van vehikels of methoden die het ontwijken van de in deze richtlijn opgenomen voorschriften faciliteren.

2.

Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 kan ESMA bij de bevoegde autoriteiten informatie over het in artikel 14 bis van deze richtlijn bedoelde beloningsbeleid en beloningspraktijken opvragen.

ESMA, handelend in nauwe samenwerking met de EBA, neemt in haar richtsnoeren inzake het beloningsbeleid bepalingen op over de wijze waarop verschillende sectorale beloningsbeginselen, zoals die als bepaald in Richtlijn 2011/61/EU van de Raad(***) en in Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(****), moeten worden toegepast indien werknemers of andere personeelscategorieën diensten verrichten waarvoor verschillende sectorale beloningsbeginselen gelden.

3.

De in lid 1 vervatte beginselen zijn van toepassing op alle soorten door de beheermaatschappij uitgekeerde voordelen, op alle rechtstreeks door de icbe uitgekeerde bedragen, met inbegrip van prestatievergoedingen, en op alle overdrachten van rechten van deelneming of aandelen in de icbe, ten gunste van de categorieën van medewerkers, inclusief hogere leidinggevende en risiconemende medewerkers en medewerkers met controlefuncties en elke werknemer wiens totale beloning binnen dezelfde beloningsschaal als die van hogere leidinggevenden en risiconemers valt, wier beroepswerkzaamheden hun risicoprofiel en dat van de door hen beheerde icbe’s materieel beïnvloeden.

4.

Beheermaatschappijen die significant zijn qua omvang, of qua omvang van de door hen beheerde icbe’s, hun interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden, stellen een beloningscommissie in. De beloningscommissie is zodanig samengesteld dat zij een deskundig en onafhankelijk oordeel kan geven over beloningsbeleid en -cultuur en over de prikkels die worden gecreëerd voor het beheren van risico’s.

De beloningscommissie die in voorkomend geval overeenkomstig de in artikel 14 bis, lid 4, bedoelde richtsnoeren van ESMA is opgezet, is verantwoordelijk voor het voorbereiden van beslissingen over beloning, ook van beslissingen die gevolgen hebben voor het risico en het risicobeheer van de beheermaatschappij of de betrokken icbe en die het leidinggevend orgaan bij de uitoefening van zijn toezichttaak moet nemen. De beloningscommissie wordt voorgezeten door een lid van het leidinggevend orgaan dat in de betrokken beheermaatschappij geen uitvoerende taken verricht. De leden van de beloningscommissie zijn leden van het leidinggevend orgaan, die in de betrokken beheermaatschappij geen uitvoerende functie bekleden.

Indien de nationale wetgeving in werknemersvertegenwoordiging in het leidinggevend orgaan voorziet, maken een of meer vertegenwoordigers van werknemers deel uit van de beloningscommissie. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt de beloningscommissie rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de instelling, alsook met het algemeen belang.

„Artikel 22

1.

Een beleggingsmaatschappij, en de beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, zorgen ervoor dat één bewaarder wordt benoemd overeenkomstig dit hoofdstuk.

2.

De benoeming van de bewaarder wordt schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst.

In die overeenkomst wordt onder meer de uitwisseling van informatie geregeld die noodzakelijk wordt geacht om de bewaarder in staat te stellen zijn taken met betrekking tot de icbe waarvoor hij als bewaarder is benoemd, uit te voeren, zoals bepaald in deze richtlijn, en andere toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

3.

De bewaarder:

  1. zorgt ervoor dat de verkoop, de uitgifte, de inkoop, de terugbetaling en de intrekking van rechten van deelneming in de icbe geschieden in overeenstemming met het toepasselijk nationaal recht en met het fondsreglement of de statuten;

  2. zorgt ervoor dat de waarde van de rechten van deelneming van de icbe wordt berekend overeenkomstig het toepasselijke nationale recht en het fondsreglement of de statuten;

  3. voert de aanwijzingen van de beheermaatschappij of een beleggingsmaatschappij uit, tenzij deze in strijd zijn met het toepasselijke nationale recht of met het fondsreglement of de statuten;

  4. zorgt ervoor dat bij transacties met betrekking tot de activa van de icbe de tegenwaarde binnen de gebruikelijke termijnen wordt overgemaakt aan de icbe;

  5. zorgt ervoor dat de waarde van de rechten van deelneming van de icbe wordt berekend overeenkomstig het toepasselijke nationale recht en het reglement of de statuten.

4.

De bewaarder zorgt ervoor dat de kasstromen van de icbe naar behoren gecontroleerd worden, en zorgt er in het bijzonder voor dat alle betalingen door of namens beleggers bij de inschrijving op rechten van deelneming van de icbe ontvangen zijn, en dat alle kasgeld van de icbe is geboekt op kasgeldrekeningen die:

  1. zijn geopend op naam van de icbe, op naam van de beheermaatschappij die namens de icbe optreedt, of op naam van de bewaarder die namens de icbe optreedt;

  2. zijn geopend bij een entiteit als bedoeld in artikel 18, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2006/73/EG van de Commissie(*), en

  3. worden aangehouden overeenkomstig de in artikel 16 van Richtlijn 2006/73/EG opgenomen beginselen.

Indien de kasgeldrekeningen geopend zijn op naam van de bewaarder die voor rekening van de icbe optreedt, mag geen contanten van de in punt b) van de eerste alinea bedoelde entiteit en geen eigen contanten van de bewaarder op die rekeningen geboekt worden.

5.

De activa van de icbe worden als volgt bij een bewaarder in bewaring gegeven:

  1. voor financiële instrumenten die in bewaring mogen worden gehouden:

    1. houdt de bewaarder alle financiële instrumenten in bewaring die mogen worden geregistreerd op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder, alsmede alle financiële instrumenten die fysiek aan de bewaarder kunnen worden geleverd;

    2. zorgt de bewaarder ervoor dat alle financiële instrumenten die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, in de boeken van de bewaarder worden geregistreerd op aparte rekeningen, in overeenstemming met de in artikel 16 van Richtlijn 2006/73/EG vervatte beginselen; deze aparte rekeningen zijn geopend op naam van de icbe of op naam van de beheermaatschappij die voor rekening van de icbe optreedt, zodat te allen tijde duidelijk kan worden vastgesteld dat zij in overeenstemming met het toepasselijke recht aan de icbe toebehoren;

  2. voor andere activa:

    1. gaat de bewaarder na of de icbe of de beheermaatschappij die voor rekening van de icbe optreedt, de eigenaar is van die activa door op basis van informatie of documenten die door de icbe of de beheermaatschappij verstrekt zijn en, in voorkomend geval, van voorhanden extern bewijsmateriaal, te controleren of de icbe of voor rekening van de icbe optredende beheermaatschappij de eigendom heeft;

    2. houdt de bewaarder een register bij van de activa waarvoor duidelijk is dat de icbe of de beheermaatschappij die optreedt voor rekening van de icbe deze in eigendom heeft en houdt hij dat register up-to-date.

6.

De bewaarder verstrekt de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij regelmatig een uitgebreid overzicht van alle activa van de icbe.

7.

De activa die door de bewaarder in bewaring worden gehouden worden niet voor eigen rekening hergebruikt door de bewaarder of door een derde aan wie de bewaringstaak is gedelegeerd. Hergebruik omvat elke transactie van in bewaring gehouden activa, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, overdragen, als zekerheid verstrekken, verkopen en uitlenen.

De door de bewaarder in bewaring gehouden activa mogen worden hergebruikt enkel wanneer:

  1. het hergebruik voor rekening van de icbe gebeurt;

  2. de bewaarder de instructies van de beheermaatschappij voor rekening van de icbe uitvoert;

  3. het hergebruik ten goede komt aan de icbe en in het belang is van de deelnemers, en

  4. de transactie wordt gedekt door een liquide zekerheid van hoge kwaliteit die door de icbe wordt ontvangen op grond van een regeling voor titeloverdracht.

De marktwaarde van de zekerheid bedraagt te allen tijde ten minste de marktwaarde van de hergebruikte activa vermeerderd met een toeslag.

8.

Lidstaten zorgen ervoor dat bij insolventie van de bewaarder en/of van een derde die in de Unie is gelegen en aan wie de bewaring van de activa van de icbe is gedelegeerd, de in bewaring gehouden activa van een icbe niet beschikbaar zijn voor uitkering onder of realisatie ten voordele van crediteuren van die bewaarder en/of van die derde.

„Artikel 22 bis

„Artikel 24

„Artikel 25

„Artikel 26

„Artikel 26 bis

Artikel 26 ter

„Artikel 99

„Artikel 99 bis

Artikel 99 ter

Artikel 99 quater

Artikel 99 quinquies

Artikel 99 sexies

„Artikel 104 bis

„Artikel 112

„Artikel 112 bis

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4