Home

Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17)

Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid artikel 127, lid 6, en artikel 132,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 34,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen(1), inzonderheid artikel 4, lid 3, artikel 6 en artikel 33, lid 2,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank over de praktische regelingen in verband met de uitoefening van democratische verantwoordingsplicht en toezicht op de uitoefening van de taken die in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme aan de Europese Centrale Bank zijn opgedragen(2),

Gezien de openbare raadpleging en analyse die is uitgevoerd op basis van artikel 4, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1024/2013,

Gezien het voorstel van de Raad van toezicht en het overleg met de nationale bevoegde autoriteiten,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Verordening (EU) nr. 1024/2013 (hierna de „GTM-verordening”) stelt het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM) vast dat is samengesteld uit de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale bevoegde autoriteiten (NBA’s) van deelnemende lidstaten.

  2. In het kader van artikel 6 van de GTM-verordening is de ECB exclusief bevoegd de uit hoofde van artikel 4 daarvan aan haar opgedragen microprudentiële taken uit te oefenen met betrekking tot kredietinstellingen die in de deelnemende lidstaten gevestigd zijn. De ECB is verantwoordelijk voor het doeltreffend en consistent functioneren van het GTM en voor het uitoefenen van toezicht op het functioneren van het systeem op basis van de in artikel 6 van de GTM-verordening uiteengezette verantwoordelijkheden en procedures.

  3. In voorkomende gevallen en onverminderd de verantwoordelijkheid en de verantwoordingsplicht van de ECB met betrekking tot de taken die door de GTM-verordening aan haar zijn opgedragen, zijn de NBA’s verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand aan de ECB, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in de GTM-verordening en in deze verordening, bij de voorbereiding en de uitvoering van alle handelingen met betrekking tot de in artikel 4 van de GTM-verordening bedoelde taken ten aanzien van alle kredietinstellingen, met inbegrip van bijstand bij verificatiewerkzaamheden. Hiertoe dienen de NBA’s bij de uitvoering van de in artikel 4 van de GTM-verordening vermelde taken de door de ECB gegeven aanwijzingen op te volgen.

  4. De ECB, de NBA’s en de nationaal aangewezen autoriteiten (NAA’s) voeren de in artikel 5 van de GTM-verordening genoemde macroprudentiële taken uit en volgen de in de GTM-verordening, in de onderhavige verordening en in relevant Unierecht voorgeschreven coördinatieprocedures, zonder afbreuk te doen aan de rol van het Eurosysteem en van het Europees Comité voor systeemrisico’s.

  5. Binnen het GTM worden de respectievelijke toezichthoudende verantwoordelijkheden van de ECB en de NBA’s toegewezen op basis van de significantie van de entiteiten die onder het bereik van het GTM vallen. Deze verordening regelt in het bijzonder de specifieke methodologie voor de beoordeling van deze significantie, zoals vereist op basis van artikel 6, lid 7, van de GTM-verordening. De ECB heeft rechtstreekse toezichtbevoegdheid ten aanzien van in deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings evenals in deelnemende lidstaten gevestigde bijkantoren van in niet-deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen die belangrijk zijn. De NBA’s zijn verantwoordelijk voor het rechtstreekse toezicht op entiteiten die minder belangrijk zijn, onverminderd de bevoegdheid van de ECB om in specifieke gevallen te besluiten rechtstreeks toezicht uit te oefenen op dergelijke entiteiten indien dit noodzakelijk is voor de consistente toepassing van de toezichtnormen.

  6. Rekening houdend met recente ontwikkelingen op het gebied van Unieregelgeving ten aanzien van sancties en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het principe van scheiding tussen een onderzoek en de besluitvormingsfase, zal de ECB een onafhankelijke onderzoekseenheid oprichten die autonoom onderzoek zal verrichten naar schendingen van toezichtregels en -besluiten.

  7. Artikel 6, lid 7, van de GTM-verordening stelt dat de ECB, in samenwerking met de NBA’s en op basis van een voorstel van de Raad van toezicht, een kader dient vast te stellen en openbaar te maken met betrekking tot het organiseren van de praktische regelingen voor samenwerking tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM.

  8. Krachtens artikel 33, lid 2, van de GTM-verordening dient de ECB door middel van verordeningen en besluiten de gedetailleerde operationele regelingen voor de uitvoering van de aan haar bij die verordening opgedragen taken bekend te maken. De onderhavige verordening bevat de bepalingen waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 33, lid 2, betreffende de samenwerking tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM.

  9. Dientengevolge worden in deze verordening de in de GTM-verordening vastgelegde samenwerkingsprocedures tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM verder uitgewerkt en gespecificeerd, alsook, waar toepasselijk, de samenwerkingsprocedures met de nationale aangewezen autoriteiten, waardoor aldus de effectieve en consistente werking van het GTM wordt verzekerd.

  10. De ECB hecht veel waarde aan de alomvattende beoordeling van kredietinstellingen, inclusief de balansbeoordeling die zij moet verrichten, alvorens zij haar taken op zich neemt. Dit strekt zich uit tot alle lidstaten die toetreden tot het eurogebied en derhalve toetreden tot het GTM na de datum van aanvang van het toezicht krachtens artikel 33, lid 2, van de GTM-verordening.

  11. Het is essentieel voor de goede werking van het GTM dat de ECB en de NBA’s volledig samenwerken en dat zij alle informatie uitwisselen die van invloed kan zijn op hun respectievelijke taken, meer in het bijzonder alle informatie waarover de NBA’s beschikken met betrekking tot procedures die de veiligheid en de degelijkheid van een onder toezicht staande entiteit kunnen beïnvloeden of die interageren met de toezichtprocedures ten aanzien van dergelijke entiteiten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I ALGEMENE BEPALINGEN

1.

Deze verordening stelt regels vast met betrekking tot alle volgende zaken:

  1. het kader zoals vermeld in artikel 6, lid 7, van de GTM-verordening, namelijk een kader waarbinnen de praktische regelingen worden georganiseerd voor het implementeren van artikel 6 van de GTM-verordening inzake samenwerking binnen het GTM, met inbegrip van:

    1. de specifieke methodologie voor de beoordeling en toetsing of een onder toezicht staande entiteit aangemerkt moet worden als belangrijk of minder belangrijk op basis van de in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening vastgelegde criteria, alsmede op basis van de uit deze beoordeling resulterende regelingen;

    2. de definitie van procedures, inclusief termijnen, ook met betrekking tot de mogelijkheid voor NBA’s om ontwerpbesluiten voor te bereiden ter voorlegging aan de ECB, met betrekking tot de relatie tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot het toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten.

    3. de definitie van procedures, inclusief termijnen, met betrekking tot de relatie tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot het toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten. In het bijzonder verplichten deze procedures de NBA’s, afhankelijk van de in deze verordening gedefinieerde gevallen, om:

      • de ECB in kennis te stellen van iedere materiële toezichtprocedure;

      • op verzoek van de ECB, specifieke aspecten van de procedure nader te beoordelen;

      • de van materieel belang zijnde ontwerpbesluiten inzake toezicht naar de ECB te zenden, waaromtrent de ECB haar mening kan geven;

  2. samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM met betrekking tot de procedures betreffende belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, inclusief gezamenlijke procedures met betrekking tot vergunningen die toegang bieden tot de werkzaamheden van een kredietinstelling, intrekking van dergelijke vergunningen en de beoordeling van aankopen en verkopen van gekwalificeerde deelnemingen;

  3. de procedures voor samenwerking tussen de ECB, de NBA’s en de NAA’s met betrekking tot macroprudentiële taken en instrumenten in de zin van artikel 5 van de GTM-verordening;

  4. de procedures voor het uitoefenen van nauwe samenwerking in de zin van artikel 7 van de GTM-verordening en die van toepassing zijn tussen de ECB, de NBA’s en de NAA’s;

  5. de procedures inzake samenwerking tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot de artikelen 10 tot en met 13 van de GTM-verordening, inclusief ten aanzien van bepaalde aspecten van toezichtrapportage;

  6. de procedures voor de vaststelling van toezichtbesluiten gericht tot onder toezicht staande entiteiten en andere personen;

  7. de taaltechnische afspraken tussen de ECB en de NBA’s en verder tussen de ECB en onder toezicht staande entiteiten en andere personen;

  8. de procedures die van toepassing zijn op de sanctiebevoegdheden van de ECB en de NBA’s binnen het GTM met betrekking tot de door de GTM-verordening aan de ECB toegewezen taken;

  9. overgangsbepalingen.

2.

De onderhavige verordening is niet van invloed op toezichthoudende taken die niet zijn opgedragen aan de ECB door de GTM-verordening en die derhalve voorbehouden blijven aan de nationale autoriteiten.

3.

De onderhavige verordening dient in het bijzonder gelezen te worden in samenhang met Besluit ECB/2004/2(3) en het reglement van orde van de Raad van toezicht van de Europese Centrale Bank(4), in het bijzonder met betrekking tot besluitvorming binnen het GTM, inclusief de procedure die van toepassing is tussen de Raad van toezicht en de Raad van bestuur inzake het geen-bezwaar van de Raad van bestuur zoals vermeld in artikel 26, lid 8, van de GTM-verordening en andere relevante rechtshandelingen van de ECB, waaronder Besluit ECB/2014/16(5).

In deze verordening gelden, tenzij anders bepaald, de definities die zijn vastgelegd in de GTM-verordening en daarnaast de volgende definities:

    1.„vergunning”:
    een vergunning zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 42, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en van de Raad(6);
    2.„bijkantoor”:
    een bijkantoor zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    3.„gezamenlijke procedures”:
    de in deel V vermelde procedures met betrekking tot een vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling, intrekking van een vergunning die toegang biedt tot dergelijke activiteiten en besluiten met betrekking tot gekwalificeerde deelnemingen;
    4.„eurogebiedlidstaat”:
    een lidstaat die de euro als munt heeft;
    5.„groep”:
    een groep ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, of ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een relatie in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(7), inclusief subgroepen daarvan;
    6.„gezamenlijk toezichthoudend team”:
    een team van toezichthouders dat belast is met het toezicht op een belangrijke onder toezicht staande entiteit of een belangrijke onder toezicht staande groep;
    7.„minder belangrijke onder toezicht staande entiteit”:
    betekent zowel a) een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, als b) een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een niet-eurogebiedlidstaat die een deelnemende lidstaat is;
    8.„een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat”:
    een onder toezicht staande entiteit die is gevestigd in een eurogebiedlidstaat en die niet de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande entiteit in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening;
    9.„nationale bevoegde autoriteit” (NBA):
    een nationale bevoegde autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2 van de GTM-verordening. Deze definitie doet geen afbreuk aan nationaalrechtelijke bepalingen waarbij bepaalde toezichttaken zijn toegewezen aan een nationale centrale bank (NCB) die niet is aangemerkt als een NBA. In dat geval zal de NCB deze taken uitoefenen binnen het door nationaal recht en deze verordening gevormde kader. In dit kader is een verwijzing naar een NBA in deze verordening in voorkomende gevallen van toepassing op de NCB met betrekking tot de daaraan toegewezen taken op basis van nationaal recht;
    10.„NBA in nauwe samenwerking”:
    een NBA die is aangewezen door een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking krachtens Richtlijn 2013/36/EG van het Europees Parlement en de Raad(8);
    11.„nationale aangewezen autoriteit” (NAA):
    een nationale aangewezen autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van de GTM-verordening;
    12.„NAA in nauwe samenwerking”:
    een niet-eurogebied-NAA die is aangewezen door een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking ten behoeve van de aan artikel 5 van de GTM-verordening gerelateerde taken;
    13.„niet-eurogebiedlidstaat”:
    een lidstaat die niet de euro als munt heeft;
    14.„moederonderneming”:
    een moederonderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 15, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    15.„deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking”:
    een niet-eurogebiedlidstaat die een nauwe samenwerking is aangegaan met de ECB op basis van artikel 7 van de GTM-verordening;
    16.„belangrijke onder toezicht staande entiteit”:
    betekent zowel a) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, als b) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat;
    17.„belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat”:
    een onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat die de status heeft van belangrijke onder toezicht staande entiteit krachtens een ECB-besluit dat is gebaseerd op artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;
    18.„een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat”:
    een onder toezicht staande entiteit die is gevestigd in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat die de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande entiteit krachtens een ECB-besluit dat is gebaseerd op artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;
    19.„dochteronderneming”:
    een dochteronderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    20.„onder toezicht staande entiteit”:

    is één van de volgende entiteiten: a) een kredietinstelling die is gevestigd in een deelnemende lidstaat; b) een financiële holding die is gevestigd in een deelnemende lidstaat; c) een gemengde financiële holding die is gevestigd in een deelnemende lidstaat, mits deze voldoet aan de voorwaarden van punt 21, onder b); d) een bijkantoor dat in een deelnemende lidstaat is gevestigd door een in een niet-deelnemende lidstaat gevestigde kredietinstelling.

    Een centrale tegenpartij (CTP), zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(9), die wordt aangemerkt als een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 2013/36/EU, wordt beschouwd als een onder toezicht staande entiteit in overeenstemming met de GTM-verordening, deze verordening en relevante Unieregelgeving, zonder afbreuk te doen aan het toezicht op CTP’s door de betreffende NBA’s zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 648/2012;

    21.„onder toezicht staande groep”:

    verwijst naar één van de volgende:

    1. een groep waarvan de moederonderneming een kredietinstelling of financiële holding is die haar hoofdkantoor heeft in een deelnemende lidstaat;

    2. een groep waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding is die haar hoofdkantoor heeft in een deelnemende lidstaat, mits de coördinator van het financiële conglomeraat, in de zin van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(10), een autoriteit is die bevoegd is met betrekking tot toezicht op kredietinstellingen en tevens de coördinator is in zijn functie van toezichthouder op kredietinstellingen;

    3. onder toezicht staande entiteiten die ieder hun hoofdkantoor hebben in dezelfde deelnemende lidstaat, mits zij permanent aangesloten zijn bij een centraal lichaam dat toezicht over hen uitoefent krachtens de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 10 van Richtlijn (EU) nr. 575/2013 en dat is gevestigd in dezelfde deelnemende lidstaat;

    22.„belangrijke onder toezicht staande groep”:
    betekent een onder toezicht staande groep die de status heeft van belangrijke onder toezicht staande groep krachtens een ECB-besluit op basis van artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;
    23.„minder belangrijke onder toezicht staande groep”:
    betekent een onder toezicht staande groep die niet de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande groep in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening;
    24.„ECB-toezichtprocedure”:
    alle ECB-activiteiten die zijn gericht op het voorbereiden van de afgifte van een ECB-toezichtbesluit, inclusief de gezamenlijke procedures en het opleggen van administratieve geldelijke sancties. Alle ECB-toezichtprocedures worden beheerst door deel III. Deel III is ook van toepassing op het opleggen van administratieve geldelijke sancties, tenzij anders bepaald door deel X;
    25.„NBA-toezichtprocedure”:
    iedere NBA-activiteit die is gericht op het voorbereiden van de afgifte van een NBA-toezichtbesluit dat is gericht tot één of meer onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen of één of meer andere personen, inclusief het opleggen van administratieve sancties;
    26.„ECB-toezichtbesluit”:
    een rechtshandeling die door de ECB wordt vastgesteld in het kader van de uitoefening van de door de GTM-verordening aan haar opgedragen taken en bevoegdheden, die in de vorm is van een ECB-besluit, gericht is tot één of meer onder toezicht staande entiteiten of groepen of één of meer andere personen en die geen algemeen toepasselijke rechtshandeling is;
    27.„derde land”:
    een land dat noch een lidstaat is, noch een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;
    28.„werkdag”:
    een dag niet-zijnde een zaterdag, zondag of een officiële ECB-feestdag, zulks overeenkomstig de voor de ECB toepasselijke kalender(11)

Artikel 1 Onderwerp en doel

1.

Deze verordening stelt regels vast met betrekking tot alle volgende zaken:

  1. het kader zoals vermeld in artikel 6, lid 7, van de GTM-verordening, namelijk een kader waarbinnen de praktische regelingen worden georganiseerd voor het implementeren van artikel 6 van de GTM-verordening inzake samenwerking binnen het GTM, met inbegrip van:

    1. de specifieke methodologie voor de beoordeling en toetsing of een onder toezicht staande entiteit aangemerkt moet worden als belangrijk of minder belangrijk op basis van de in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening vastgelegde criteria, alsmede op basis van de uit deze beoordeling resulterende regelingen;

    2. de definitie van procedures, inclusief termijnen, ook met betrekking tot de mogelijkheid voor NBA’s om ontwerpbesluiten voor te bereiden ter voorlegging aan de ECB, met betrekking tot de relatie tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot het toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten.

    3. de definitie van procedures, inclusief termijnen, met betrekking tot de relatie tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot het toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten. In het bijzonder verplichten deze procedures de NBA’s, afhankelijk van de in deze verordening gedefinieerde gevallen, om:

      • de ECB in kennis te stellen van iedere materiële toezichtprocedure;

      • op verzoek van de ECB, specifieke aspecten van de procedure nader te beoordelen;

      • de van materieel belang zijnde ontwerpbesluiten inzake toezicht naar de ECB te zenden, waaromtrent de ECB haar mening kan geven;

  2. samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM met betrekking tot de procedures betreffende belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, inclusief gezamenlijke procedures met betrekking tot vergunningen die toegang bieden tot de werkzaamheden van een kredietinstelling, intrekking van dergelijke vergunningen en de beoordeling van aankopen en verkopen van gekwalificeerde deelnemingen;

  3. de procedures voor samenwerking tussen de ECB, de NBA’s en de NAA’s met betrekking tot macroprudentiële taken en instrumenten in de zin van artikel 5 van de GTM-verordening;

  4. de procedures voor het uitoefenen van nauwe samenwerking in de zin van artikel 7 van de GTM-verordening en die van toepassing zijn tussen de ECB, de NBA’s en de NAA’s;

  5. de procedures inzake samenwerking tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot de artikelen 10 tot en met 13 van de GTM-verordening, inclusief ten aanzien van bepaalde aspecten van toezichtrapportage;

  6. de procedures voor de vaststelling van toezichtbesluiten gericht tot onder toezicht staande entiteiten en andere personen;

  7. de taaltechnische afspraken tussen de ECB en de NBA’s en verder tussen de ECB en onder toezicht staande entiteiten en andere personen;

  8. de procedures die van toepassing zijn op de sanctiebevoegdheden van de ECB en de NBA’s binnen het GTM met betrekking tot de door de GTM-verordening aan de ECB toegewezen taken;

  9. overgangsbepalingen.

2.

De onderhavige verordening is niet van invloed op toezichthoudende taken die niet zijn opgedragen aan de ECB door de GTM-verordening en die derhalve voorbehouden blijven aan de nationale autoriteiten.

3.

De onderhavige verordening dient in het bijzonder gelezen te worden in samenhang met Besluit ECB/2004/2(3) en het reglement van orde van de Raad van toezicht van de Europese Centrale Bank(4), in het bijzonder met betrekking tot besluitvorming binnen het GTM, inclusief de procedure die van toepassing is tussen de Raad van toezicht en de Raad van bestuur inzake het geen-bezwaar van de Raad van bestuur zoals vermeld in artikel 26, lid 8, van de GTM-verordening en andere relevante rechtshandelingen van de ECB, waaronder Besluit ECB/2014/16(5).

Artikel 2 Definities

In deze verordening gelden, tenzij anders bepaald, de definities die zijn vastgelegd in de GTM-verordening en daarnaast de volgende definities:

    1.„vergunning”:
    een vergunning zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 42, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en van de Raad(6);
    2.„bijkantoor”:
    een bijkantoor zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    3.„gezamenlijke procedures”:
    de in deel V vermelde procedures met betrekking tot een vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling, intrekking van een vergunning die toegang biedt tot dergelijke activiteiten en besluiten met betrekking tot gekwalificeerde deelnemingen;
    4.„eurogebiedlidstaat”:
    een lidstaat die de euro als munt heeft;
    5.„groep”:
    een groep ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, of ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een relatie in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(7), inclusief subgroepen daarvan;
    6.„gezamenlijk toezichthoudend team”:
    een team van toezichthouders dat belast is met het toezicht op een belangrijke onder toezicht staande entiteit of een belangrijke onder toezicht staande groep;
    7.„minder belangrijke onder toezicht staande entiteit”:
    betekent zowel a) een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, als b) een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een niet-eurogebiedlidstaat die een deelnemende lidstaat is;
    8.„een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat”:
    een onder toezicht staande entiteit die is gevestigd in een eurogebiedlidstaat en die niet de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande entiteit in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening;
    9.„nationale bevoegde autoriteit” (NBA):
    een nationale bevoegde autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2 van de GTM-verordening. Deze definitie doet geen afbreuk aan nationaalrechtelijke bepalingen waarbij bepaalde toezichttaken zijn toegewezen aan een nationale centrale bank (NCB) die niet is aangemerkt als een NBA. In dat geval zal de NCB deze taken uitoefenen binnen het door nationaal recht en deze verordening gevormde kader. In dit kader is een verwijzing naar een NBA in deze verordening in voorkomende gevallen van toepassing op de NCB met betrekking tot de daaraan toegewezen taken op basis van nationaal recht;
    10.„NBA in nauwe samenwerking”:
    een NBA die is aangewezen door een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking krachtens Richtlijn 2013/36/EG van het Europees Parlement en de Raad(8);
    11.„nationale aangewezen autoriteit” (NAA):
    een nationale aangewezen autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van de GTM-verordening;
    12.„NAA in nauwe samenwerking”:
    een niet-eurogebied-NAA die is aangewezen door een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking ten behoeve van de aan artikel 5 van de GTM-verordening gerelateerde taken;
    13.„niet-eurogebiedlidstaat”:
    een lidstaat die niet de euro als munt heeft;
    14.„moederonderneming”:
    een moederonderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 15, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    15.„deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking”:
    een niet-eurogebiedlidstaat die een nauwe samenwerking is aangegaan met de ECB op basis van artikel 7 van de GTM-verordening;
    16.„belangrijke onder toezicht staande entiteit”:
    betekent zowel a) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, als b) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat;
    17.„belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat”:
    een onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat die de status heeft van belangrijke onder toezicht staande entiteit krachtens een ECB-besluit dat is gebaseerd op artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;
    18.„een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat”:
    een onder toezicht staande entiteit die is gevestigd in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat die de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande entiteit krachtens een ECB-besluit dat is gebaseerd op artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;
    19.„dochteronderneming”:
    een dochteronderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    20.„onder toezicht staande entiteit”:

    is één van de volgende entiteiten: a) een kredietinstelling die is gevestigd in een deelnemende lidstaat; b) een financiële holding die is gevestigd in een deelnemende lidstaat; c) een gemengde financiële holding die is gevestigd in een deelnemende lidstaat, mits deze voldoet aan de voorwaarden van punt 21, onder b); d) een bijkantoor dat in een deelnemende lidstaat is gevestigd door een in een niet-deelnemende lidstaat gevestigde kredietinstelling.

    Een centrale tegenpartij (CTP), zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(9), die wordt aangemerkt als een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 2013/36/EU, wordt beschouwd als een onder toezicht staande entiteit in overeenstemming met de GTM-verordening, deze verordening en relevante Unieregelgeving, zonder afbreuk te doen aan het toezicht op CTP’s door de betreffende NBA’s zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 648/2012;

    21.„onder toezicht staande groep”:

    verwijst naar één van de volgende:

    1. een groep waarvan de moederonderneming een kredietinstelling of financiële holding is die haar hoofdkantoor heeft in een deelnemende lidstaat;

    2. een groep waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding is die haar hoofdkantoor heeft in een deelnemende lidstaat, mits de coördinator van het financiële conglomeraat, in de zin van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(10), een autoriteit is die bevoegd is met betrekking tot toezicht op kredietinstellingen en tevens de coördinator is in zijn functie van toezichthouder op kredietinstellingen;

    3. onder toezicht staande entiteiten die ieder hun hoofdkantoor hebben in dezelfde deelnemende lidstaat, mits zij permanent aangesloten zijn bij een centraal lichaam dat toezicht over hen uitoefent krachtens de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 10 van Richtlijn (EU) nr. 575/2013 en dat is gevestigd in dezelfde deelnemende lidstaat;

    22.„belangrijke onder toezicht staande groep”:
    betekent een onder toezicht staande groep die de status heeft van belangrijke onder toezicht staande groep krachtens een ECB-besluit op basis van artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;
    23.„minder belangrijke onder toezicht staande groep”:
    betekent een onder toezicht staande groep die niet de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande groep in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening;
    24.„ECB-toezichtprocedure”:
    alle ECB-activiteiten die zijn gericht op het voorbereiden van de afgifte van een ECB-toezichtbesluit, inclusief de gezamenlijke procedures en het opleggen van administratieve geldelijke sancties. Alle ECB-toezichtprocedures worden beheerst door deel III. Deel III is ook van toepassing op het opleggen van administratieve geldelijke sancties, tenzij anders bepaald door deel X;
    25.„NBA-toezichtprocedure”:
    iedere NBA-activiteit die is gericht op het voorbereiden van de afgifte van een NBA-toezichtbesluit dat is gericht tot één of meer onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen of één of meer andere personen, inclusief het opleggen van administratieve sancties;
    26.„ECB-toezichtbesluit”:
    een rechtshandeling die door de ECB wordt vastgesteld in het kader van de uitoefening van de door de GTM-verordening aan haar opgedragen taken en bevoegdheden, die in de vorm is van een ECB-besluit, gericht is tot één of meer onder toezicht staande entiteiten of groepen of één of meer andere personen en die geen algemeen toepasselijke rechtshandeling is;
    27.„derde land”:
    een land dat noch een lidstaat is, noch een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;
    28.„werkdag”:
    een dag niet-zijnde een zaterdag, zondag of een officiële ECB-feestdag, zulks overeenkomstig de voor de ECB toepasselijke kalender(11)

DEEL II ORGANISATIE VAN HET GTM

1.

Er wordt een gezamenlijk toezichthoudend team opgericht voor het toezicht op iedere belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep in deelnemende lidstaten. Ieder gezamenlijk toezichthoudend team wordt samengesteld uit personeelsleden van de ECB en van de NBA’s, die worden benoemd in overeenstemming met artikel 4 en waarvan het werk wordt gecoördineerd door een daartoe aangewezen ECB-personeelslid (hierna de „GTT-coördinator”) en één of meer NBA-subcoördinatoren, zoals nader vastgelegd in artikel 6.

2.

Onverminderd de andere bepalingen van deze verordening zullen de taken van een gezamenlijk toezichthoudend team onder meer, maar niet uitsluitend, de volgende zaken inhouden:

  1. Het uitvoeren van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder (supervisory review and evaluation process, of SREP) zoals vermeld in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot de belangrijke onder toezicht staande entiteit of de belangrijke onder toezicht staande groep waar het team toezicht op uitoefent;

  2. Het deelnemen aan de voorbereiding, met inachtneming van het SREP, van een aan de Raad van toezicht voor te leggen programma voor onderzoek door de toezichthouder, inclusief een plan voor inspectie ter plaatse zoals vastgelegd in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU inzake een dergelijke belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep;

  3. Het implementeren van het door de ECB goedgekeurde programma voor onderzoek door de toezichthouder alsmede van alle ECB-toezichtbesluiten met betrekking tot de belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep waar het team toezicht op uitoefent;

  4. Het coördineren met het team voor inspectie ter plaatse zoals genoemd in deel XI inzake de implementatie van het plan voor inspectie ter plaatse;

  5. Het onderhouden van contact met NBA’s waar nodig.

1.

De ECB is belast met de oprichting en samenstelling van gezamenlijk toezichthoudende teams. De benoeming van personeelsleden van de NBA’s in gezamenlijk toezichthoudende teams vindt plaats door de respectievelijke NBA’s in overeenstemming met lid 2.

2.

In overeenstemming met de beginselen zoals voorgeschreven in artikel 6, lid 8, van de GTM-verordening en zonder afbreuk te doen aan artikel 31 daarvan, zullen de NBA’s één of meer van hun personeelsleden benoemen als lid of leden van een gezamenlijk toezichthoudend team. Een NBA-personeelslid kan benoemd worden als lid van meer dan één gezamenlijk toezichthoudend team.

3.

Niettegenstaande lid 2 kan de ECB van de NBA’s verlangen dat zij de door hen gedane benoemingen wijzigen indien dit nodig is ten behoeve van de samenstelling van een gezamenlijk toezichthoudend team.

4.

Indien er in een deelnemende lidstaat meer dan één NBA toezichthoudende taken uitoefent, of indien het nationale recht van een deelnemende lidstaat voorschrijft dat specifieke toezichthoudende taken voorbehouden zijn aan een NCB terwijl de NCB geen NBA is, zullen de betreffende autoriteiten hun deelname aan de gezamenlijk toezichthoudend teams coördineren.

5.

De ECB en de NBA’s overleggen en maken afspraken met elkaar over het gebruik van NBA-middelen met betrekking tot de gezamenlijk toezichthoudende teams.

1.

NCB’s van deelnemende lidstaten die zijn betrokken bij het prudentieel toezicht op een belangrijke onder toezicht staande entiteit of een belangrijke onder toezicht staande groep op basis van hun nationale recht, maar die geen NBA’s zijn, mogen ook één of meerdere van hun personeelsleden benoemen in een gezamenlijk toezichthoudend team.

2.

De ECB wordt op de hoogte gebracht van dergelijke benoemingen en artikel 4 is van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien personeelsleden van NCB’s van deelnemende lidstaten worden benoemd in een gezamenlijk toezichthoudend team, dienen verwijzingen naar NBA’s met betrekking tot gezamenlijk toezichthoudend teams geïnterpreteerd te worden als een verwijzing naar die NCB’s.

1.

De GTT-coördinator, die wordt geassisteerd door de in lid 2 gedefinieerde NBA-subcoördinatoren, zorgt voor de coördinatie van het werk binnen het gezamenlijk toezichthoudend team. In dit kader zullen de leden van het gezamenlijk toezichthoudend team de instructies van de GTT-coördinator opvolgen met betrekking tot hun taken in het team. Dit mag geen inbreuk maken op hun taken en verplichtingen bij hun respectievelijke NBA’s.

2.

Iedere NBA die meer dan één personeelslid benoemt in het gezamenlijk toezichthoudend team, zal één van hen aanwijzen als subcoördinator (hierna: een „NBA-subcoördinator”). NBA-subcoördinatoren assisteren de GTT-coördinator bij de organisatie en coördinatie van de taken binnen het gezamenlijk toezichthoudend team, met name met betrekking tot de personeelsleden die door dezelfde NBA zijn benoemd als de betreffende NBA-subcoördinator. De NBA-subcoördinator kan instructies geven aan de door dezelfde NBA benoemde leden van het gezamenlijk toezichthoudend team, op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met de instructies van de GTT-coördinator.

Onverminderd artikel 31, lid 1, van de GTM-verordening geldt dat indien de ECB met betrekking tot het toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten bepaalt dat het passend is om personeelsleden van één of meer andere NBA’s te benoemen in het toezichthoudend team van een NBA, de ECB van laatstgenoemde kan verlangen dat deze personeelsleden van dergelijke andere NBA’s erbij betrekt.

1.

De ECB oefent toezicht uit op geconsolideerde basis uit zoals vermeld in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die op geconsolideerde basis belangrijk zijn, indien de moederonderneming ofwel een moederonderneming is in een deelnemende lidstaat of een EU-moederinstelling is die is gevestigd in een deelnemende lidstaat.

2.

De betrokken NBA voert de taak van toezichthouder op geconsolideerde basis uit met betrekking tot kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die op geconsolideerde basis minder belangrijk zijn.

1.

Indien de ECB de consoliderende toezichthouder is, is zij voorzitter van het college dat is opgericht krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU. De NBA’s van de deelnemende lidstaten waar de moederonderneming, dochterondernemingen en belangrijke bijkantoren in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU, indien aanwezig, zijn gevestigd, hebben het recht als waarnemers deel uit te maken van het college.

2.

Indien geen college is ingesteld in overeenstemming met artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU en een belangrijke onder toezicht staande entiteit bijkantoren heeft in niet-deelnemende lidstaten die als belangrijk worden beschouwd in overeenstemming met artikel 51, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, zal de ECB met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst een college van toezichthouders instellen.

Indien de consoliderende toezichthouder niet in een deelnemende lidstaat gevestigd is, nemen de ECB en de NBA’s deel aan het college van toezichthouders met inachtneming van de volgende regels en het relevante Unierecht:

  1. indien alle onder toezicht staande entiteiten in deelnemende lidstaten belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn, neemt de ECB deel aan het college van toezichthouders als lid, terwijl de NBA’s gerechtigd zijn aan hetzelfde college deel te nemen als waarnemers;

  2. indien alle onder toezicht staande entiteiten in deelnemende lidstaten minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn, nemen de NBA’s deel aan het college van toezichthouders als lid;

  3. indien de onder toezicht staande entiteiten in deelnemende lidstaten zowel bestaan uit minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten als uit belangrijke onder toezicht staande entiteiten, nemen de ECB en de NBA’s deel aan het college van toezichthouders als leden. De NBA’s van de deelnemende lidstaten waar de belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn gevestigd, zijn gerechtigd deel te nemen aan het college van toezichthouders als waarnemers.

1.

Een belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor wil vestigen op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat, geeft kennis van haar intentie aan de NBA van de deelnemende lidstaat waar de belangrijke onder toezicht staande entiteit haar hoofdkantoor heeft. Er wordt informatie verstrekt in overeenstemming met de in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vermelde vereisten. De NBA brengt de ECB onverwijld op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving.

2.

Een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat wil vestigen, geeft kennis van haar intentie aan haar NBA, met inachtneming van de in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vermelde vereisten.

3.

Indien geen andersluidend besluit is genomen door de ECB binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving, mag het in lid 1 vermelde bijkantoor worden gevestigd en aanvangen met haar activiteiten. De ECB stuurt deze informatie door naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor gevestigd zal worden.

4.

Indien geen andersluidend besluit is genomen door de NBA van de lidstaat van herkomst binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving, mag het in lid 2 genoemde bijkantoor worden gevestigd en aanvangen met haar activiteiten. De NBA stuurt deze informatie door naar de ECB en naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor gevestigd zal worden.

5.

Indien er een wijziging optreedt met betrekking tot enige krachtens lid 1 of 2 doorgestuurde informatie, brengt de onder toezicht staande entiteit de NBA die de initiële informatie ontving schriftelijk in kennis van een dergelijke wijziging, ten minste één maand voor de implementatie van de wijziging. Deze NBA informeert de NBA van de lidstaat waar het bijkantoor wordt gevestigd.

1.

Een belangrijke onder toezicht staande entiteit die haar recht tot het vrij verrichten van diensten wil uitoefenen door haar werkzaamheden voor het eerst op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat uit te voeren, stelt de NBA van de deelnemende lidstaat waar de belangrijke onder toezicht staande entiteit haar hoofdkantoor heeft in kennis van haar intentie. Er wordt informatie verstrekt in overeenstemming met de vereisten van artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU. De NBA brengt de ECB direct op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving. De NBA stuurt de kennisgeving ook door naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar de diensten zullen worden verricht.

2.

Een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit die haar recht tot het vrij verrichten van diensten wil uitoefenen door haar werkzaamheden voor het eerst op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat uit te voeren, stelt haar NBA hiervan in kennis in overeenstemming met de vereisten van artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU. Deze kennisgeving wordt doorgestuurd naar de ECB en naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar de diensten zullen worden verricht.

1.

Indien de bevoegde autoriteit van een niet-deelnemende lidstaat de in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vermelde informatie volgens de in artikel 35, lid 3, van deze richtlijn vermelde procedure doorstuurt naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor gevestigd zal worden, zal deze NBA de ECB onverwijld op de hoogte stellen van de ontvangst van deze kennisgeving.

2.

Binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving van de bevoegde autoriteit van een niet-deelnemende lidstaat, zal de ECB, in geval van een significant bijkantoor in de zin van artikel 6 van de GTM-verordening en deel IV van deze verordening, of de betreffende NBA in geval van een minder significant bijkantoor in de zin van de in artikel 6 van de GTM-verordening en in deel IV van deze verordening vermelde criteria, zich gereedmaken voor het toezichthouderschap op het bijkantoor op basis van de artikelen 40 tot en met 46 van Richtlijn 2013/36/EU, en, indien noodzakelijk, de voorwaarden aangeven waaronder, om redenen van algemeen belang, het bijkantoor zijn werkzaamheden mag uitoefenen in de ontvangende lidstaat.

3.

De NBA’s informeren de ECB omtrent de voorwaarden waaronder op grond van nationaal recht en om redenen van algemeen belang werkzaamheden uitgeoefend kunnen worden door een bijkantoor in hun lidstaat.

4.

Wijzigingen van enige informatie die door de kredietinstelling die een bijkantoor wenst te vestigen is verschaft krachtens artikel 35, lid 2, onder b), c) of d), van Richtlijn 2013/36/EU, worden gemeld aan de in lid 1 vermelde NBA.

1.

Krachtens artikel 4, lid 2, van de GTM-verordening, oefent de ECB de bevoegdheden uit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst waar een bijkantoor significant is in de zin van artikel 6, lid 4, daarvan.

2.

Indien een bijkantoor minder significant is in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening, oefent de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd de bevoegdheden uit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.

Indien de bevoegde autoriteit van een niet-deelnemende lidstaat een kennisgeving in de zin van artikel 39, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU doet, is de NBA van de deelnemende lidstaat waar het recht van het vrij verrichten van diensten zal worden uitgeoefend de adressaat van de kennisgeving. De NBA brengt de ECB onverwijld op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving.

1.

In overeenstemming met artikel 4, lid 2, en binnen de reikwijdte van artikel 4, lid 1, van de GTM-verordening, oefent de ECB de taken uit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst met betrekking tot kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten die het recht van vrij verrichten van diensten uitoefenen in deelnemende lidstaten.

2.

Indien het recht van vrij verrichten van diensten in het belang is van het algemeen nut met inachtneming van bepaalde nationaalrechtelijke voorwaarden van deelnemende lidstaten, informeren de NBA’s de ECB omtrent deze voorwaarden.

1.

Een belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor wenst op te richten of het recht wil uitoefenen tot het vrij verrichten van diensten op het grondgebied van een niet-deelnemende lidstaat geeft kennis van haar intentie aan de betreffende NBA in overeenstemming met geldend Unierecht. De NBA brengt de ECB direct op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving. De ECB oefent de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst uit.

2.

Een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor wenst op te richten of het recht wil uitoefenen tot het vrij verrichten van diensten op het grondgebied van een niet-deelnemende lidstaat geeft kennis van deze intentie aan de betreffende NBA in overeenstemming met de geldende Unierechtelijke bepalingen. De betreffende NBA oefent de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst uit.

1.

De ECB neemt de taak op zich van coördinator van een financieel conglomeraat in overeenstemming met de criteria die zijn uiteengezet in relevant Unierecht met betrekking tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit.

2.

De NBA neemt de taak op zich van coördinator van een financieel conglomeraat in overeenstemming met de criteria die zijn uiteengezet in relevant Unierecht met betrekking tot een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit.

TITEL 1 STRUCTUREN VOOR HET TOEZICHT OP BELANGRIJKE EN MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

HOOFDSTUK 1 Toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Artikel 3 Gezamenlijk toezichthoudende teams
Artikel 4 Oprichting en samenstelling van gezamenlijk toezichthoudende teams
Artikel 5 Betrokkenheid van personeelsleden van NCB’s van deelnemende lidstaten
Artikel 6 GTT-coördinator en subcoördinatoren

HOOFDSTUK 2 Toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Artikel 7 Betrokkenheid van personeelsleden van andere NBA’s in een toezichthoudend team van een NBA

TITEL 2 TOEZICHT OP GECONSOLIDEERDE BASIS EN DEELNAME VAN DE ECB EN NBA’S AAN COLLEGES VAN TOEZICHTHOUDERS

Artikel 8 Toezicht op geconsolideerde basis

Artikel 9 De ECB als voorzitter van een college van toezichthouders

Artikel 10 De ECB en de NBA’s als leden van een college van toezichthouders

TITEL 3 PROCEDURES INZAKE HET RECHT TOT VESTIGING EN HET RECHT TOT HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

HOOFDSTUK 1 Procedures inzake het recht tot vestiging en het recht tot het vrij verrichten van diensten binnen het GTM

Artikel 11 Recht van vestiging van kredietinstellingen binnen het GTM
Artikel 12 Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten door kredietinstellingen binnen het GTM

HOOFDSTUK 2 Procedures voor het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten binnen het GTM door kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten

Artikel 13 Kennisgeving van het uitoefenen van het recht van vestiging binnen het GTM door kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten
Artikel 14 Bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst met betrekking tot bijkantoren
Artikel 15 Kennisgeving omtrent het uitoefenen van het recht van het vrij verrichten van diensten binnen het GTM door kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten
Artikel 16 Bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst met betrekking tot het vrij verrichten van diensten

HOOFDSTUK 3 Procedures voor het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten met betrekking tot niet-deelnemende lidstaten

Artikel 17 Procedures voor het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten met betrekking tot niet-deelnemende lidstaten

TITEL 4 AANVULLEND TOEZICHT OP FINANCIËLE CONGLOMERATEN

Artikel 18 Coördinator

DEEL III ALGEMENE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE WERKING VAN HET GTM

TITEL 1 BEGINSELEN EN VERPLICHTINGEN

Artikel 19 Overzicht

Artikel 20 Verplichting tot samenwerking te goeder trouw

Artikel 21 Algemene verplichting tot het uitwisselen van informatie

Artikel 22 Het recht van de ECB om de NBA’s of NAA’s te instrueren omtrent de gebruikmaking van hun bevoegdheden en het nemen van maatregelen indien de ECB een toezichthoudende taak heeft, maar geen daaraan gerelateerde bevoegdheid

Artikel 23 Talenregeling tussen de ECB en de NBA’s

Artikel 24 Talenregeling tussen de ECB en rechtspersonen of natuurlijke personen, inclusief onder toezicht staande entiteiten

TITEL 2 ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE BEHOORLIJKE PROCEDURE VOOR HET VASTSTELLEN VAN ECB-TOEZICHTBESLUITEN

HOOFDSTUK 1 ECB-toezichtprocedures

Artikel 25 Algemene beginselen
Artikel 26 Partijen
Artikel 27 Vertegenwoordiging van een partij
Artikel 28 Algemene verplichtingen van de ECB en de partijen bij een ECB-toezichtprocedure
Artikel 29 Bewijsvoering in ECB-toezichtprocedures
Artikel 30 Getuigen en deskundigen in ECB-toezichtprocedures
Artikel 31 Het recht om te worden gehoord
Artikel 32 Toegang tot dossiers in een ECB-toezichtprocedure

HOOFDSTUK 2 ECB-toezichtbesluiten

Artikel 33 Motivering van ECB-toezichtbesluiten
Artikel 34 Schorsende werking
Artikel 35 Kennisgeving van ECB-toezichtbesluiten

TITEL 3 MELDING VAN SCHENDINGEN

Artikel 36 Melding van schendingen

Artikel 37 Adequate bescherming van schendingsmeldingen

Artikel 38 Procedures voor de behandeling van meldingen

DEEL IV INDELING VAN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN ALS BELANGRIJK OF MINDER BELANGRIJK

TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE INDELING ALS BELANGRIJK OF MINDER BELANGRIJK

Artikel 39 Het op individuele basis als belangrijk indelen van onder toezicht staande entiteiten

Artikel 40 Indeling als belangrijk van onder toezicht staande entiteiten die onderdeel zijn van een groep

Artikel 41 Speciale bepalingen met betrekking tot bijkantoren van in niet-deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen

Artikel 42 Speciale bepalingen met betrekking tot dochterondernemingen van in niet-deelnemende lidstaten of derde landen gevestigde kredietinstellingen

TITEL 2 PROCEDURE VOOR INDELING VAN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN ALS BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

HOOFDSTUK 1 Indeling als belangrijk van een onder toezicht staande entiteit

Artikel 43 Toetsing van de status van een onder toezicht staande entiteit
Artikel 44 Toe te passen procedure bij de bepaling van de significantie van een onder toezicht staande entiteit

HOOFDSTUK 2 Aanvang en einde van rechtstreeks toezicht door de ECB

Artikel 45 Aanvang van rechtstreeks toezicht door de ECB
Artikel 46 Einde van rechtstreeks toezicht door de ECB
Artikel 47 Redenen voor beëindiging van rechtstreeks toezicht door de ECB
Artikel 48 Aanhangige procedures

HOOFDSTUK 3 Lijst van onder toezicht staande entiteiten

Artikel 49 Publicatie

TITEL 3 VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN OMVANG

Artikel 50 Vaststelling van significantie op basis van omvang

Artikel 51 Basis voor vaststelling of een onder toezicht staande entiteit al dan niet belangrijk is op basis of omvang

Artikel 52 Basis voor vaststelling van significantie op basis van omvang onder specifieke of uitzonderlijke omstandigheden

Artikel 53 Groepen van geconsolideerde ondernemingen

Artikel 54 Consolidatiemethode

Artikel 55 Methode voor berekening van totale activa

TITEL 4 VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN HET BELANG VOOR DE ECONOMIE VAN DE UNIE OF EEN DEELNEMENDE LIDSTAAT

Artikel 56 Drempel met betrekking tot nationaal economisch belang

Artikel 57 Criteria voor vaststelling van significantie op basis van belang voor de economie van de Unie of een deelnemende lidstaat

Artikel 58 Vaststelling van significantie op basis van belang voor de economie van een deelnemende lidstaat op verzoek van een NBA

TITEL 5 VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN HET BELANG VAN GRENSOVERSCHRIJDENDE ACTIVITEITEN

Artikel 59 Criteria voor vaststelling van significantie op basis van het belang van grensoverschrijdende activiteiten van een onder toezicht staande groep

Artikel 60 Grensoverschrijdende activa en passiva

TITEL 6 VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN EEN VERZOEK TOT OF DE ONTVANGST VAN OPENBARE FINANCIËLE BIJSTAND VAN HET ESM

Artikel 61 Verzoek tot of ontvangst van openbare financiële bijstand van het ESM

Artikel 62 Verplichting van NBA’s tot het informeren van de ECB omtrent een mogelijk verzoek tot of ontvangst van openbare financiële bijstand door een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit

Artikel 63 Aanvang en einde van rechtstreeks toezicht

Artikel 64 Reikwijdte

TITEL 7 VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN HET FEIT DAT DE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEIT ÉÉN VAN DE DRIE MEEST BELANGRIJKE KREDIETINSTELLINGEN IN EEN DEELNEMENDE LIDSTAAT IS

Artikel 65 Criteria voor de bepaling van de drie meest belangrijke kredietinstellingen in een deelnemende lidstaat

Artikel 66 Toetsingsprocedure

TITEL 8 ECB-BESLUIT TOT UITOEFENING VAN RECHTSTREEKS TOEZICHT OP MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN OP BASIS VAN ARTIKEL 6, LID 5, ONDER B), VAN DE GTM-VERORDENING

Artikel 67 Criteria voor een ECB-besluit op basis van artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening

Artikel 68 Procedure ter voorbereiding van een ECB-besluit krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening op verzoek van een NBA

Artikel 69 Procedure ter voorbereiding van ECB-besluiten krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening op initiatief van de ECB

TITEL 9 BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN DIE DE INDELING VAN EEN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEIT ALS MINDER BELANGRIJK RECHTVAARDIGEN, HOEWEL DE ENTITEIT VOLDOET AAN DE CRITERIA OM ALS BELANGRIJK INGEDEELD TE WORDEN

Artikel 70 Bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een belangrijke onder toezicht staande entiteit als minder belangrijk wordt ingedeeld

Artikel 71 Beoordeling van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden

Artikel 72 Toetsing

DEEL V GEZAMENLIJKE PROCEDURES

TITEL 1 SAMENWERKING INZAKE EEN AANVRAAG VOOR EEN VERGUNNING DIE TOEGANG BIEDT TOT DE WERKZAAMHEDEN VAN EEN KREDIETINSTELLING

Artikel 73 Kennisgeving aan de ECB omtrent een aanvraag voor een vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling

Artikel 74 De beoordeling van aanvragen door de NBA

Artikel 75 De afwijzing van een aanvraag door de NBA

Artikel 76 NBA-ontwerpbesluit inzake de vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling

Artikel 77 De beoordeling door de ECB van aanvragen en het horen van aanvragers

Artikel 78 ECB-besluiten met betrekking tot aanvragen

Artikel 79 Procedure voor het vervallen van de vergunning

TITEL 2 SAMENWERKING MET BETREKKING TOT DE INTREKKING VAN EEN VERGUNNING

Artikel 80 Het voorstel van een NBA tot intrekking van een vergunning

Artikel 81 De beoordeling door de ECB van een ontwerpintrekkingsbesluit

Artikel 82 De beoordeling op eigen initiatief van de ECB en het raadplegen van NBA’s

Artikel 83 Het ECB-besluit tot intrekking van een vergunning

Artikel 84 Procedure in geval van mogelijke, door de nationale autoriteiten te treffen afwikkelingsmaatregelen

TITEL 3 SAMENWERKING MET BETREKKING TOT VERWERVING VAN GEKWALIFICEERDE DEELNEMINGEN

Artikel 85 Kennisgeving aan de NBA’s inzake de verwerving van een gekwalificeerde deelneming

Artikel 86 Beoordeling van potentiële verwervingen

Artikel 87 ECB-besluit inzake verwerving

TITEL 4 KENNISGEVING VAN BESLUITEN IN GEZAMENLIJKE PROCEDURES

Artikel 88 Procedures inzake kennisgeving van besluiten

DEEL VI PROCEDURES INZAKE HET TOEZICHT OP BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

TITEL 1 TOEZICHT OP BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN EN ASSISTENTIE DOOR NBA’S

Artikel 89 Toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Artikel 90 Rol van de NBA’s bij het assisteren van de ECB

Artikel 91 Door de NBA’s ter beoordeling door de ECB voor te bereiden ontwerpbesluiten

Artikel 92 Uitwisseling van informatie

TITEL 2 HET VOLDOEN AAN PASSENDE VEREISTEN MET BETREKKING TOT PERSONEN DIE VERANTWOORDELIJK ZIJN VOOR HET BEHEREN VAN KREDIETINSTELLINGEN

Artikel 93 Beoordeling van de geschiktheid van leden van de bestuursorganen van belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Artikel 94 Voortdurende beoordeling van geschiktheid van bestuurders

TITEL 3 ANDERE, DOOR BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN TOE TE PASSEN PROCEDURES

Artikel 95 Verzoeken, kennisgevingen of aanvragen van belangrijke onder toezicht staande entiteiten

DEEL VII PROCEDURES INZAKE HET TOEZICHT OP MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

TITEL 1 KENNISGEVING AAN DE ECB DOOR DE NBA’S INZAKE BELANGRIJKE NBA-TOEZICHTPROCEDURES EN BELANGRIJKE ONTWERPTOEZICHTBESLUITEN

Artikel 96 Verslechtering van de financiële situatie van een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit

Artikel 97 Kennisgeving aan de ECB door de NBA’s inzake belangrijke NBA-toezichtprocedures

Artikel 98 Melding door NBA’s aan de ECB van belangrijke ontwerptoezichtbesluiten

TITEL 2 EX-POST RAPPORTAGE DOOR DE NBA’S AAN DE ECB INZAKE MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

Artikel 99 Algemene rapportageverplichting van NBA’s aan de ECB

Artikel 100 Frequentie en reikwijdte van de door de NBA’s aan de ECB te overleggen rapporten

DEEL VIII SAMENWERKING TUSSEN DE ECB, NBA’s EN NAA’s MET BETREKKING TOT MACRO-PRUDENTIELE TAKEN EN INSTRUMENTEN

TITEL 1 DEFINITIE VAN MACROPRUDENTIËLE INSTRUMENTEN

Artikel 101 Algemene bepalingen

Artikel 102 Toepassing van macroprudentiële instrumenten door de ECB

TITEL 2 PROCEDURELE BEPALINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN MACROPRUDENTIËLE INSTRUMENTEN

Artikel 103 Lijst van NBA’s en NAA’s die verantwoordelijk zijn voor macroprudentiële instrumenten

Artikel 104 Uitwisseling van informatie en samenwerking met betrekking tot het gebruik van macroprudentiële instrumenten door een NBA of een NAA

Artikel 105 Uitwisseling van informatie en samenwerking met betrekking tot het gebruik van macroprudentiële instrumenten door de ECB

DEEL IX PROCEDURES VOOR NAUWE SAMENWERKING

TITEL 1 ALGEMENE BEGINSELEN EN GEBRUIKELIJKE BEPALINGEN

Artikel 106 Procedure voor het aangaan van een nauwe samenwerking

Artikel 107 Toe te passen beginselen indien een nauwe samenwerking is aangegaan

Artikel 108 Wettelijke toezichtinstrumenten inzake nauwe samenwerking

TITEL 2 NAUWE SAMENWERKING IN VERHOUDING TOT DEEL III, IV, V, VIII, X EN XI

Artikel 109 Talenregeling onder het regime van nauwe samenwerking

Artikel 110 Beoordeling van significantie van kredietinstellingen onder het regime van nauwe samenwerking

Artikel 111 Gezamenlijke procedures onder het regime van nauwe samenwerking

Artikel 112 Macroprudentiële instrumenten onder het regime van nauwe samenwerking

Artikel 113 Administratieve sancties onder het regime van nauwe samenwerking

Artikel 114 Onderzoeksbevoegdheden krachtens artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening onder het regime van nauwe samenwerking

TITEL 3 NAUWE SAMENWERKING MET BETREKKING TOT BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

Artikel 115 Toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten in een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking

Artikel 116 Besluiten met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen

TITEL 4 NAUWE SAMENWERKING MET BETREKKING TOT MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN EN MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE GROEPEN

Artikel 117 Toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen

TITEL 5 PROCEDURE IN GEVAL VAN NIET-INSTEMMING VAN EEN DEELNEMENDE LIDSTAAT IN NAUWE SAMENWERKING

Artikel 118 Procedure in geval van niet-instemming met het ontwerpbesluit van de Raad van toezicht op grond van artikel 7, lid 8, van de GTM-verordening

Artikel 119 Procedure in geval van niet-instemming met een bezwaar van de Raad van bestuur tegen een ontwerpbesluit van de Raad van toezicht op grond van artikel 7, lid 7, van de GTM-verordening

DEEL X ADMINISTRATIEVE SANCTIES

TITEL 1 DEFINITIES EN VERHOUDING TOT VERORDENING (EG) NR. 2532/98 VAN DE RAADVerordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4).

Artikel 120 Definitie van administratieve sancties

Artikel 121 Verhouding tot Verordening (EG) nr. 2532/98

Artikel 122 ECB-bevoegdheden tot oplegging van administratieve sancties op basis van artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening

TITEL 2 PROCEDURELE REGELS MET BETREKKING TOT DE OPLEGGING VAN ADMINISTRATIEVE SANCTIES, NIET-ZIJNDE DWANGSOMMEN, AAN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN IN EUROGEBIEDLIDSTATEN

Artikel 123 Oprichting van een onafhankelijke onderzoekseenheid

Artikel 124 Verwijzing van vermeende schendingen naar de onderzoekseenheid

Artikel 125 Bevoegdheden van de onderzoekseenheid

Artikel 126 Procedurele rechten

Artikel 127 Onderzoek van het dossier door de Raad van toezicht

Artikel 128 Definitie van totale jaaromzet met betrekking tot de vaststelling van de bovengrens voor administratieve geldelijke sancties

TITEL 3 DWANGSOMMEN

Artikel 129 Procedurele regels die van toepassing zijn op dwangsommen

TITEL 4 TERMIJNEN

Artikel 130 Vervaltermijnen inzake de oplegging van administratieve sancties

Artikel 131 Verjaringstermijnen voor de tenuitvoerlegging van administratieve sancties

TITEL 5 PUBLICATIE VAN BESLUITEN EN UITWISSELING VAN INFORMATIE

Artikel 132 Publicatie van besluiten met betrekking tot administratieve sancties

Artikel 133 Informeren van de EBA

TITEL 6 SAMENWERKING TUSSEN DE ECB EN NBA’S IN EUROGEBIEDLIDSTATEN OP GROND VAN ARTIKEL 18, LID 5, VAN DE GTM-VERORDENING

Artikel 134 Belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Artikel 135 Rapportage inzake minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten

TITEL 7 STRAFBARE FEITEN

Artikel 136 Bewijs van feiten die mogelijk een strafbaar feit inhouden

TITEL 8 OPBRENGSTEN UIT SANCTIES

Artikel 137 Opbrengsten uit sancties

DEEL XI Toegang tot informatie, rapportages, onderzoeken en inspectie ter plaatse

TITEL 1 ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 138 Samenwerking tussen de ECB en NBA’s met betrekking tot de bevoegdheden die zijn vermeld in artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening

TITEL 2 SAMENWERKING MET BETREKKING TOT VERZOEKEN OM INFORMATIE

Artikel 139 Ad-hocverzoeken om informatie krachtens artikel 10 van de GTM-verordening

TITEL 3 RAPPORTAGE

Artikel 140 Taken in verband met toezichtrapportage aan bevoegde autoriteiten

Artikel 141 Verzoeken om informatie op gezette tijden krachtens artikel 10 van de GTM-verordening

TITEL 4 SAMENWERKING MET BETREKKING TOT ALGEMENE ONDERZOEKEN

Artikel 142 Entameren van algemeen onderzoek op basis van artikel 11 van de GTM-verordening

TITEL 5 INSPECTIES TER PLAATSE

Artikel 143 ECB-besluit tot uitvoering van een inspectie ter plaatse krachtens artikel 12 van de GTM-verordening

Artikel 144 Oprichting en samenstelling van teams voor inspectie ter plaatse

Artikel 145 Procedure en kennisgeving van een inspectie ter plaatse

Artikel 146 Uitvoering van de inspectie ter plaatse

DEEL XII OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 147 Aanvang van rechtstreeks toezicht door de ECB wanneer de ECB voor het eerst haar taken op zich neemt

Artikel 148 Vaststelling van het formaat van het rapport inzake de toezichthistorie en het risicoprofiel dat door NBA’s aan de ECB wordt verschaft

Artikel 149 Continuïteit van bestaande procedures

Artikel 150 Door de NBA’s genomen toezichtbesluiten

Artikel 151 Lidstaten die de euro als munt zullen hebben

Artikel 152 Continuïteit van bestaande regelingen

Artikel 153 Slotbepalingen