Home

Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG

Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Op 9 november 2015 heeft de Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board) de "Total Loss-Absorbing Capacity (TLAC) Term Sheet" ("de TLAC-norm") gepubliceerd, die in november 2015 door de G20 werd bekrachtigd. Doel van de TLAC-norm is ervoor te zorgen dat mondiaal systeemrelevante banken, die in het regelgevingskader van de Unie als mondiaal systeemrelevante instellingen ("MSI's") worden gedefinieerd, over de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit beschikken die nodig is om er voor te zorgen dat, bij en onmiddellijk volgend op afwikkeling, die instellingen kritieke functies kunnen voortzetten zonder dat het geld van de belastingbetaler (overheidsmiddelen) of de financiële stabiliteit in gevaar komt. In haar mededeling van 24 november 2015, getiteld "Naar de voltooiing van de bankenunie", heeft de Commissie toegezegd om tegen eind 2016 met een wetgevingsvoorstel te komen waarmee de TLAC-norm binnen de internationaal overeengekomen termijn van 2019 in Unierecht kan worden omgezet.

  2. Voor de invoering van de TLAC-norm in Unierecht moet rekening worden gehouden met het bestaande instellingspecifieke minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities - "MREL"), dat van toepassing is op alle in de Unie gevestigde kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (instellingen) alsmede op iedere andere in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(4) bedoelde entiteit (entiteiten). Aangezien de TLAC-norm en het MREL hetzelfde doel nastreven, namelijk ervoor zorgen dat in de Unie gevestigde instellingen en entiteiten voldoende verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit hebben, moeten de twee vereisten complementaire elementen van een gemeenschappelijk kader zijn.

    Operationeel moet het geharmoniseerde minimumniveau van de TLAC-norm voor MSI's ("minimale TLAC-vereiste") in de wetgeving van de Unie worden ingevoerd via wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013(5), terwijl de instellingspecifieke verhoging voor MSI's en het instellingspecifieke vereiste voor niet-MSI's, dat het MREL wordt genoemd, moeten worden aangepakt door gerichte wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(6). De bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU, als gewijzigd bij deze richtlijn, betreffende de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van instellingen en entiteiten moeten op een wijze die overeenstemt met die in Verordeningen (EU) nr. 575/2013 en (EU) nr. 806/2014 en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(7) worden toegepast.

  3. Het ontbreken van geharmoniseerde regels van de Unie met betrekking tot de invoering van de TLAC-norm in de Unie leidt tot extra kosten en rechtsonzekerheid en bemoeilijkt de toepassing van het instrument van bail-in voor grensoverschrijdende instellingen en entiteiten. Het ontbreken van geharmoniseerde regels van de Unie leidt ook tot vervalsing van de mededinging op de interne markt aangezien de kosten voor instellingen en entiteiten om aan de huidige vereisten en de TLAC-norm te voldoen aanzienlijk kunnen verschillen binnen de Unie. Daarom is het noodzakelijk om deze belemmeringen voor de werking van de interne markt weg te nemen en vervalsing van de mededinging als gevolg van het ontbreken van geharmoniseerde regels van de Unie met betrekking tot de invoering van de TLAC-norm te vermijden. Bijgevolg is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de passende rechtsgrond voor deze richtlijn.

  4. Overeenkomstig de TLAC-norm moet Richtlijn 2014/59/EU zowel de afwikkelingsstrategie "Single Point of Entry" ("SPE" – één enkel toegangspunt) als de afwikkelingsstrategie "Multiple Points of Entry" ("MPE" – meerdere toegangspunten) blijven erkennen. Bij de SPE-afwikkelingsstrategie wordt slechts één entiteit van de groep, meestal de moederonderneming, afgewikkeld terwijl andere entiteiten van de groep, meestal operationele dochterondernemingen, niet in afwikkeling worden geplaatst maar hun verliezen en herkapitalisatiebehoeften overdragen naar de af te wikkelen entiteit. Bij de MPE-afwikkelingsstrategie zou meer dan één entiteit van de groep kunnen worden afgewikkeld. Een duidelijke identificatie van de af te wikkelen entiteiten, dat wil zeggen de entiteiten waarop afwikkelingsmaatregelen kunnen worden toegepast, tezamen met dochterondernemingen die tot die entiteiten behoren ("af te wikkelen groepen"), is van belang voor een doelmatige toepassing van de gewenste afwikkelingsstrategie. Die identificatie is ook relevant voor het bepalen van de mate waarin instellingen en entiteiten de regels inzake verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit moeten toepassen. Het is daarom noodzakelijk om de begrippen "af te wikkelen entiteit" en "af te wikkelen groep" te introduceren en Richtlijn 2014/59/EU te wijzigen met betrekking tot de planning van de afwikkeling van een groep, om afwikkelingsautoriteiten uitdrukkelijk te verplichten de af te wikkelen entiteiten en af te wikkelen groepen binnen een groep te identificeren en terdege rekening te houden met de gevolgen van een voorgenomen actie binnen de groep met het oog op een doeltreffende afwikkeling van de groep.

  5. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat instellingen en entiteiten voldoende verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit hebben opdat de absorptie van verliezen en de herkapitalisatie soepel en snel verlopen met minimale gevolgen voor de belastingbetaler en de financiële stabiliteit. Dat moet worden bereikt door instellingen te verplichten een instellingspecifiek MREL na te leven, als bepaald in Richtlijn 2014/59/EU.

  6. Om de noemers die de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van instellingen en entiteiten meten, in overeenstemming te brengen met die welke in de TLAC-norm zijn vastgesteld, moet het MREL worden uitgedrukt als een percentage van de totale risicoblootstelling en van de totale blootstellingsmaatstaf van de betrokken instelling of entiteit, en instellingen of entiteiten moeten tegelijkertijd voldoen aan de niveaus die uit de twee berekeningen voortkomen.

  7. Om langetermijnplanning voor de uitgifte van instrumenten te bevorderen en zekerheid te bieden met betrekking tot de nodige buffers, moeten de markten tijdig duidelijkheid krijgen over de criteria waaraan instrumenten moeten voldoen om als TLAC- of MREL-in aanmerking komende passiva te worden erkend.

  8. Met het oog op een gelijk speelveld voor instellingen en entiteiten die in de Unie zijn gevestigd, ook op mondiaal niveau, moeten de criteria waaraan bail-inbare passiva moeten voldoen om in aanmerking te komen voor het MREL, nauw worden afgestemd op die welke in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgesteld voor het minimale TLAC-vereiste, maar met toepassing van de aanvullende aanpassingen en vereisten die in deze richtlijn worden geïntroduceerd. Met name moeten bepaalde schuldinstrumenten met een verankerd derivaatelement, zoals bepaalde gestructureerde obligaties ("structured notes"), onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor het MREL voor zover ze een op een vooraf bekende vervaldag terug te betalen vaste of stijgende hoofdsom hebben terwijl slechts een extra rendement aan dat derivaatelement gekoppeld is en afhankelijk is van de prestaties van een referentieactief. Gelet op die voorwaarden zouden die schuldinstrumenten bij afwikkeling zeer verliesabsorberend en gemakkelijk bail-inbaar moeten zijn. Het feit dat het eigen vermogen waarover instellingen of entiteiten beschikken, de eigenvermogensvereisten overstijgt, mag op zich niet van invloed zijn op beslissingen betreffende de bepaling van het MREL. Bovendien moeten instellingen en entiteiten aan elk deel van hun MREL kunnen voldoen met eigen vermogen.

  9. De passiva die worden gebruikt om aan het MREL te voldoen, omvatten in beginsel alle passiva die voortvloeien uit vorderingen van gewone concurrente schuldeisers (niet-achtergestelde passiva), tenzij ze niet voldoen aan in deze richtlijn bepaalde specifieke criteria om in aanmerking te komen. Om de afwikkelbaarheid van instellingen en entiteiten te verbeteren door een doeltreffend gebruik van het instrument van bail-in, moeten afwikkelingsautoriteiten kunnen eisen dat met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL wordt voldaan, vooral als er duidelijke aanwijzingen zijn dat door een bail-in getroffen schuldeisers bij afwikkeling waarschijnlijk verliezen zullen lijden die groter zouden zijn dan de verliezen die ze in een normale insolventieprocedure zouden lijden. De afwikkelingsautoriteiten moeten beoordelen of het nodig is om instellingen en entiteiten ertoe te verplichten dat zij met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL voldoen indien de hoeveelheid passiva die van de toepassing van het instrument van bail-in zijn uitgesloten, een zekere drempel bereikt binnen een categorie passiva die voor het MREL in aanmerking komende passiva omvat. Instellingen en entiteiten moeten met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL voldoen, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat schuldeisers bij afwikkeling grotere verliezen zouden lijden dan die welke zij in een normale insolventieprocedure zouden lijden.

  10. Een door afwikkelingsautoriteiten gevraagde achterstelling van schuldinstrumenten voor het MREL mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om deels met niet-achtergestelde schuldinstrumenten aan het minimale TLAC-vereiste te voldoen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals toegestaan door de TLAC-norm. Ten aanzien van af te wikkelen entiteiten van MSI's, af te wikkelen entiteiten van af te wikkelen groepen met activa boven 100 miljard EUR (top-tier banken), en voor af te wikkelen entiteiten van bepaalde kleinere af te wikkelen groepen die in geval van falen waarschijnlijk een systeemrisico opleveren, gelet op het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel, de beperkte toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende passiva en de mate waarin gesteund wordt op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het MREL, moeten de afwikkelingsautoriteiten kunnen eisen dat aan een deel van het MREL dat gelijk is aan het niveau van verliesabsorptie en herkapitalisatie bedoeld in artikel 27, lid 7, van Verordening (EU) nr. 806/2014 als gewijzigd bij deze verordening wordt voldaan met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva, waaronder eigen vermogen dat is gebruikt om te voldoen aan het in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde gecombineerde buffervereiste.

  11. Op verzoek van een af te wikkelen entiteit moeten afwikkelingsautoriteiten het vereiste deel van het MREL dat met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva moet worden voldaan, kunnen verminderen tot een niveau dat overeenkomt met het gedeelte van de vermindering dat toegestaan is op grond van artikel 72 ter, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verband met het in die verordening bepaalde TLAC-minimumvereiste. Afwikkelingsautoriteiten moeten overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel kunnen eisen dat met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL wordt voldaan, voor zover het algemeen niveau van de nodige achtergestelde passiva in de vorm van eigen vermogen en in aanmerking komende passivabestanddelen die voortvloeien uit de verplichting van instellingen en entiteiten om te voldoen aan het TLAC-minimumvereiste, het MREL en, indien van toepassing, het gecombineerde buffervereiste overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, het niveau van verliesabsorptie en herkapitalisatie bedoeld in artikel 37, lid 10, en artikel 44, lid 5, van Richtlijn 2014/59/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, of, indien dat hoger is, de formule die in deze verordening wordt vastgelegd op basis van de prudentiële vereisten van pijler 1 en pijler 2 en het gecombineerde buffervereiste niet overschrijdt.

  12. Voor specifieke top-tier banken moeten de afwikkelingsautoriteiten, onder door de afwikkelingsautoriteit te bepalen voorwaarden, het niveau van het minimumvereiste voor achterstelling beperken tot een bepaalde drempel, mede rekening houdend met het mogelijke risico dat het bedrijfsmodel van die instellingen daardoor onevenredig wordt beïnvloed. Die beperking mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om een achterstellingsvereiste boven deze grens vast te leggen door middel van het vereiste van achterstelling uit hoofde van pijler 2, mede onder de op pijler 2 toepasselijke voorwaarden, op basis van alternatieve criteria, namelijk belemmeringen voor de afwikkelbaarheid, of de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de afwikkelingsstrategie, of het risicoprofiel van de instelling.

  13. Het MREL moet instellingen en entiteiten in staat stellen om de verwachte verliezen bij afwikkeling of op het moment van niet-levensvatbaarheid, naargelang het geval, op te vangen, en om na de uitvoering van de in het afwikkelingsplan opgenomen maatregelen of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep te herkapitaliseren. De afwikkelingsautoriteiten moeten, op basis van de door hen gekozen afwikkelingsstrategie, het opgelegde niveau van het MREL naar behoren rechtvaardigen en moet dat niveau zonder onnodige vertraging evalueren om rekening te houden met eventuele wijzigingen in het niveau van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste. Als zodanig moet het opgelegde niveau van het MREL gelijk zijn aan de som van het bedrag van de bij afwikkeling verwachte verliezen die overeenkomen met de eigenvermogensvereisten van de instelling of entiteit en het herkapitalisatiebedrag dat de instelling of entiteit in staat stelt na afwikkeling of na de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden aan haar eigenvermogensvereisten te voldoen als voorwaarde om haar activiteiten onder de gekozen afwikkelingsstrategie te mogen uitoefenen. De afwikkelingsautoriteit moet de herkapitalisatiebedragen naar boven of naar beneden bijstellen voor eventuele wijzigingen die voortvloeien uit de in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen.

  14. De afwikkelingsautoriteit moet in staat zijn het herkapitalisatiebedrag te verhogen opdat de markt voldoende vertrouwen heeft in de instelling of entiteit nadat de in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen zijn uitgevoerd. Het vereiste niveau van de marktvertrouwenbuffer moet de instelling of entiteit in staat stellen gedurende een passende termijn aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen, zodat de instelling of entiteit onder meer haar kosten in verband met de herstructurering van haar activiteiten na afwikkeling kan dekken en voldoende marktvertrouwen kan behouden. De marktvertrouwenbuffer moet worden vastgesteld onder verwijzing naar een deel van het gecombineerde buffervereiste uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU. De afwikkelingsautoriteiten moeten het niveau van de marktvertrouwenbuffer naar beneden bijstellen indien een lager niveau volstaat om voldoende marktvertrouwen te waarborgen, of moet dat niveau naar boven bijstellen indien een hoger niveau noodzakelijk is om te verzekeren dat de entiteit, na de in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen gedurende een passende periode aan de vergunningsvoorwaarden blijft voldoen, en om voldoende marktvertrouwen te behouden.

  15. Overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie(8) moeten de afwikkelingsautoriteiten de beleggersbasis van de MREL-instrumenten van een individuele instelling of entiteit onderzoeken. Indien een aanzienlijk deel van de MREL-instrumenten van een instelling wordt aangehouden door niet-professionele beleggers die mogelijkerwijs niet naar behoren werden gewezen op de relevante risico's, zou dit op zich een belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen. Daarnaast kunnen, indien een groot deel van de MREL-instrumenten van een instelling of entiteit door andere instellingen of entiteiten wordt aangehouden, de systemische gevolgen van een afschrijving of omzetting een belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen. Indien een afwikkelingsautoriteit een belemmering voor de afwikkelbaarheid, die gevolg is van de omvang en de aard van een bepaalde beleggersbasis vaststelt, moet zij een instelling of entiteit kunnen aanbevelen die belemmering aan te pakken.

  16. Om ervoor te zorgen dat niet-professionele beleggers niet buitensporig investeren in bepaalde schuldinstrumenten die in aanmerking komen voor het MREL, moeten de lidstaten erop toezien dat het minimumdenominatiebedrag van zulke instrumenten relatief hoog is of dat de investering in zulke instrumenten geen buitensporig aandeel in de portefeuille van de belegger vertegenwoordigt. Dit vereiste mag slechts van toepassing zijn op instrumenten die zijn uitgegeven na de datum van omzetting van deze richtlijn. Dit vereiste wordt onvoldoende gedekt door Richtlijn 2014/65/EU en moet derhalve kunnen worden afgedwongen op grond van Richtlijn 2014/59/EU, zonder afbreuk te doen aan de voorschriften voor beleggersbescherming waarin Richtlijn 2014/65/EU voorziet. Indien afwikkelingsautoriteiten bij de uitoefening van hun taken bewijzen van mogelijke inbreuken op Richtlijn 2014/65/EU vinden, moeten zij vertrouwelijke informatie met autoriteiten voor marktgedrag kunnen uitwisselen met het oog op de handhaving van die richtlijn. Daarnaast moeten de lidstaten ook de handel in en de verkoop van bepaalde andere instrumenten ten aanzien van bepaalde beleggers verder kunnen beperken.

  17. Om hun afwikkelbaarheid te verbeteren, moeten afwikkelingsautoriteiten MSI's een instellingspecifiek MREL kunnen opleggen naast het in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde minimale TLAC-vereiste. Dat instellingspecifieke MREL moet worden opgelegd als het minimale TLAC-vereiste niet volstaat om verliezen te absorberen en een MSI te herkapitaliseren onder de gekozen afwikkelingsstrategie.

  18. Bij het bepalen van het niveau van het MREL moeten afwikkelingsautoriteiten rekening houden met de systeemrelevantie van een instelling of entiteit en de mogelijke nadelige gevolgen van haar falen voor de financiële stabiliteit. Afwikkelingsautoriteiten moeten rekening houden met de noodzaak van een gelijk speelveld voor de MSI's en andere vergelijkbare instellingen of entiteiten met systeemrelevantie binnen de Unie. Bijgevolg mag het MREL van instellingen of entiteiten die niet als MSI's zijn aangemerkt maar waarvan de systeemrelevantie binnen de Unie vergelijkbaar is met die van MSI's niet onevenredig afwijken van het niveau en de samenstelling van het voor MSI's algemeen vastgestelde MREL.

  19. Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen instellingen of entiteiten die als af te wikkelen entiteiten zijn aangemerkt, alleen op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep aan het MREL worden onderworpen. Dit betekent dat af te wikkelen entiteiten, om aan het MREL te voldoen, moeten worden verplicht om in aanmerking komende instrumenten en bestanddelen uit te geven aan externe schuldeisers die bij de bail-in betrokken zouden worden mocht de af te wikkelen entiteit in afwikkeling gaan.

  20. Instellingen of entiteiten die geen af te wikkelen entiteiten zijn, moeten op individueel niveau aan het MREL voldoen. Aan de verliesabsorptie- en herkapitalisatiebehoeften van die instellingen of entiteiten moet over het algemeen door hun respectieve af te wikkelen entiteiten worden voldaan via de directe of indirecte verwerving door die af te wikkelen entiteiten van eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door die instellingen of entiteiten zijn uitgegeven, en door hun afschrijving of omzetting in eigendomsinstrumenten op het ogenblik dat die instellingen of entiteiten niet langer levensvatbaar zijn. Als zodanig moet het MREL dat van toepassing is op instellingen of entiteiten die geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden toegepast samen en in overeenstemming met de vereisten die op af te wikkelen entiteiten van toepassing zijn. Dat moet afwikkelingsautoriteiten in staat stellen een af te wikkelen groep af te wikkelen zonder bepaalde van haar dochterondernemingen in afwikkeling te plaatsen, waardoor potentieel marktverstorende effecten worden vermeden. De toepassing van het MREL op instellingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, moet in overeenstemming zijn met de gekozen afwikkelingsstrategie; ze mag met name de eigendomsrelatie tussen instellingen en hun af te wikkelen groep na herkapitalisatie van die instellingen niet wijzigen.

  21. Indien zowel de af te wikkelen entiteit als de moederonderneming en haar dochterondernemingen in dezelfde lidstaat zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, moet de afwikkelingsautoriteit kunnen afzien van de toepassing van het MREL dat geldt voor die dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, of hen in staat stellen aan het MREL te voldoen via door zekerheden gedekte garanties tussen de moederonderneming en haar dochterondernemingen, die kunnen worden geactiveerd wanneer is voldaan aan de tijdsvoorwaarden die overeenkomen met die welke de afschrijving of omzetting van in aanmerking komende passiva mogelijk maken. De zekerheid ter dekking van de garantie moet zeer liquide zijn en een minimaal markt- en kredietrisico hebben.

  22. In Verordening (EU) nr. 575/2013 is bepaald dat de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan ("coöperatieve netwerken") ontheffing kunnen verlenen van bepaalde solvabiliteits- en liquiditeitsvereisten, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van dergelijke coöperatieve netwerken moeten afwikkelingsautoriteiten ook ontheffing van het MREL die van toepassing is op dergelijke kredietinstellingen en het centrale orgaan onder soortgelijke voorwaarden als die van Verordening (EU) nr. 575/2013, kunnen verlenen indien kredietinstellingen en het centrale orgaan in dezelfde lidstaat gevestigd zijn. Afwikkelingsautoriteiten moeten kredietinstellingen en het centrale orgaan tevens, als een geheel kunnen behandelen bij de beoordeling van de afwikkelingsvoorwaarden, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme. Afwikkelingsautoriteiten moeten de naleving van het externe MREL door de af te wikkelen groep als geheel op verschillende manieren kunnen waarborgen, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme van elke groep, door in aanmerking komende passiva mee te tellen van entiteiten die, overeenkomstig het afwikkelingsplan, er door de afwikkelingsautoriteiten toe worden verplicht instrumenten die in aanmerking komen voor het MREL, buiten de af te wikkelen groep uit te geven.

  23. Om te zorgen voor passende niveaus van het MREL voor afwikkelingsdoeleinden moeten de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van het niveau van het MREL de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau (zijnde de afwikkelingsautoriteit van de uiteindelijke moederonderneming) en de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten van de af te wikkelen groep zijn. Geschillen tussen autoriteiten moeten onder de bevoegdheid van de Europese Bankautoriteit (EBA) vallen op grond van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(9), met inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden en beperkingen.

  24. De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten moeten inbreuken op het minimale TLAC-vereiste en op het MREL op passende wijze aanpakken en verhelpen. Aangezien de niet-naleving van die vereisten een belemmering kan vormen voor de afwikkelbaarheid van de instelling of groep, moeten de bestaande procedures om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen worden ingekort om elke niet-naleving van de vereisten doelmatig aan te pakken. Afwikkelingsautoriteiten moeten instellingen of entiteiten ook kunnen verplichten om de looptijdprofielen van in aanmerking komende instrumenten en bestanddelen te wijzigen en om plannen op te stellen en uit te voeren om het niveau van die vereisten te herstellen. Afwikkelingsautoriteiten moeten tevens bepaalde uitkeringen kunnen verbieden, indien zij van oordeel zijn dat een instelling of entiteit niet voldoet aan het gecombineerde buffervereiste van Richtlijn 2013/36/EU ingeval deze naast het MREL in aanmerking worden genomen.

  25. Om de transparante toepassing van het MREL te garanderen, moeten instellingen en entiteiten hun MREL, de niveaus van in aanmerking komende en bail-inbare passiva alsmede de samenstelling van die passiva, met inbegrip van hun looptijdprofiel en rang in een normale insolventieprocedure, aan hun bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten rapporteren en regelmatig openbaar maken. Voor instellingen of entiteiten die onderworpen zijn aan het TLAC-minimumvereiste, moet de frequentie van rapportage aan de toezichthouder en openbaarmaking van het instellingspecifieke MREL zoals bepaald in deze richtlijn, consistent zijn met die van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor het TLAC-minimumvereiste. Hoewel volledige of gedeeltelijke vrijstellingen van rapportage- en openbaarmakingsverplichtingen in bepaalde, in deze richtlijn gespecificeerde gevallen moeten worden toegestaan voor nader bepaalde instellingen of entiteiten, mogen deze vrijstellingen de afwikkelingsautoriteiten niet beperken in hun bevoegdheid om informatie op te vragen met het oog op het uitoefenen van hun taken op grond van Richtlijn 2014/59/EU zoals gewijzigd bij deze richtlijn.

  26. Het vereiste om contractuele erkenning van de gevolgen van het instrument van bail-in op te nemen in overeenkomsten of instrumenten die passiva creëren die onder het recht van derde landen vallen, moet ertoe leiden dat de procedure voor de toepassing van bail-in op die passiva in geval van afwikkeling wordt vergemakkelijkt en verbeterd. Contractuele regelingen kunnen, indien ze op de juiste wijze worden opgesteld en op grote schaal worden overgenomen, een werkbare oplossing bieden in gevallen van grensoverschrijdende afwikkeling totdat een wettelijke aanpak op grond van het Unierecht wordt ontwikkeld of prikkels worden ontwikkeld om het recht van een lidstaat voor overeenkomsten te kiezen en totdat in alle rechtsgebieden van derde landen kaders voor wettelijke erkenning worden vastgesteld om effectieve grensoverschrijdende afwikkeling mogelijk te maken. Zelfs als er kaders voor wettelijke erkenning zijn, dienen contractuele erkenningsregelingen ertoe bij te dragen schuldeisers onder contractuele regelingen die niet onder het recht van een lidstaat vallen meer bewust te maken van mogelijke afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van instellingen of entiteiten die onder het Unierecht vallen. Er kunnen echter gevallen zijn waarin het voor instellingen of entiteiten onuitvoerbaar is om die contractuele bepalingen op te nemen in overeenkomsten of instrumenten die bepaalde passiva creëren, met name passiva die niet uitgesloten zijn van het instrument van bail-in op grond van Richtlijn 2014/59/EU, gedekte deposito's of eigenvermogensinstrumenten.

    Het kan onder bepaalde omstandigheden bijvoorbeeld onuitvoerbaar worden geacht contractuele erkenningsbepalingen op te nemen in overeenkomsten die passiva creëren indien het naar het recht van het derde land voor een instelling of entiteit illegaal is om contractuele erkenningsbepalingen op te nemen in overeenkomsten of instrumenten die passiva creëren waarop het recht van dat derde land van toepassing is, indien een instelling of entiteit op individueel niveau niet bevoegd is de contractuele voorwaarden te wijzigen die zijn opgelegd door internationale protocollen of zijn gebaseerd op internationaal overeengekomen normen, of indien de passiva die onderworpen zouden zijn aan het contractuele erkenningsvereiste, afhankelijk is van een contractbreuk of voortvloeit uit garanties, tegengaranties of andere bij handelsfinanciering gebruikte instrumenten. Indien de tegenpartij echter weigert gebonden te zijn door een contractuele bepaling tot erkenning van bail-in mag dit niet als zodanig als een reden van onuitvoerbaarheid worden beschouwd. De EBA moet ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen die door de Commissie overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 moeten worden vastgesteld om de gevallen van onuitvoerbaarheid meer nauwkeurig in kaart te brengen. Bij de toepassing van die technische reguleringsnormen en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betrokken markt, dient de afwikkelingsautoriteit, ingeval zij zulks noodzakelijk acht, aan te geven voor welke categorieën passiva er redenen van onuitvoerbaarheid zouden kunnen zijn. In dat verband moet het aan een instelling of een entiteit zijn om te bepalen of het opnemen van een bepaling tot erkenning van bail-in in een overeenkomst of categorie overeenkomsten onuitvoerbaar is. Instellingen en entiteiten moeten de afwikkelingsautoriteiten regelmatig de meest recente ontwikkelingen melden, om hen op de hoogte te houden van vorderingen bij de uitvoering van de contractuele erkenningsbepalingen.

    In dit verband moeten de instellingen en entiteiten aangeven voor welke overeenkomsten of categorie overeenkomsten de opname van een bepaling tot erkenning van bail-in onuitvoerbaar is, en die beoordeling motiveren. Afwikkelingsautoriteiten moeten binnen een redelijke termijn een beoordeling verrichten van de vaststelling door een instelling of een entiteit dat het onuitvoerbaar is contractuele erkenningsbepalingen in overeenkomsten die passiva creëren op te nemen, en maatregelen nemen voor het aanpakken van alle onjuiste beoordelingen en belemmeringen voor afwikkelbaarheid als gevolg van het feit dat contractuele erkenningsbepalingen niet zijn opgenomen. Instellingen en entiteiten moeten bereid zijn om op verzoek van de afwikkelingsautoriteit hun vaststelling te verantwoorden. Daarnaast mogen verplichtingen ten aanzien waarvan de betreffende contractuele bepalingen niet zijn opgenomen, niet in aanmerking komen voor het MREL, om te voorkomen dat de afwikkelbaarheid van instellingen en entiteiten wordt aangetast.

  27. Het is nuttig en noodzakelijk om de bevoegdheid van afwikkelingsautoriteiten om gedurende een beperkte periode bepaalde contractuele verplichtingen van instellingen en entiteiten op te schorten, aan te passen. Met name moet het mogelijk zijn voor een afwikkelingsautoriteit die bevoegdheid uit te oefenen voordat een instelling of een entiteit in afwikkeling wordt geplaatst, vanaf het moment waarop wordt vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen indien er niet onmiddellijk een maatregel van de particuliere sector voorhanden is die, naar het oordeel van de afwikkelingsautoriteit, het falen van de instelling of entiteit binnen een redelijke termijn zou voorkomen, en indien de toepassing van die bevoegdheid noodzakelijk wordt geacht een verdere verslechtering van de financiële toestand van de instelling of entiteit te voorkomen. In dit verband moeten de afwikkelingsautoriteiten die bevoegdheid kunnen uitoefenen indien zij geen genoegen nemen met een voorgestelde maatregel van de particuliere sector die onmiddellijk voorhanden is. De bevoegdheid om bepaalde contractuele verplichtingen op te schorten, zou afwikkelingsautoriteiten ook in staat kunnen stellen om te bepalen of een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang is, het meest geschikte afwikkelingsinstrument te kiezen of te zorgen voor de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten. De duur van de opschorting moet worden beperkt tot maximaal twee werkdagen. De opschorting zou tot dat maximum kunnen blijven gelden nadat het besluit tot afwikkeling is genomen.

  28. Om ervoor te zorgen dat de bevoegdheid tot het opschorten van bepaalde contractuele verplichtingen op een evenredige manier wordt gebruikt, moeten de afwikkelingsautoriteiten de mogelijkheid hebben om rekening te houden met de omstandigheden van elk geval en om de reikwijdte van de opschorting te bepalen. Voorts moeten zij bepaalde betalingen - met name, maar niet uitsluitend, administratieve uitgaven van de betrokken instelling of entiteit - per geval kunnen toestaan. Het moet tevens mogelijk zijn om de bevoegdheid tot opschorting ten aanzien van in aanmerking komende deposito's toe te passen. De afwikkelingsautoriteiten moeten echter zorgvuldig nagaan of de toepassing van die bevoegdheid voor bepaalde in aanmerking komende deposito's, met name gedekte deposito's die worden aangehouden door natuurlijke personen en micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, wenselijk is, en moeten het risico beoordelen of de toepassing van een opschorting op dergelijke deposito's de werking van de financiële markten ernstig zou verstoren. Indien de bevoegdheid om bepaalde contractuele verplichtingen op te schorten, wordt uitgeoefend ten aanzien van gedekte deposito's, mogen die deposito's niet worden beschouwd als onbeschikbaar voor de toepassing van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad(10). Teneinde ervoor te zorgen dat deposanten gedurende de periode van opschorting niet in financiële moeilijkheden raken, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat zij per dag een bepaald bedrag mogen opnemen.

  29. Tijdens de periode van de opschorting moeten de afwikkelingsautoriteiten ook rekening houden, onder meer op basis van het afwikkelingsplan voor de instelling of entiteit, met de mogelijkheid dat de instelling of entiteit uiteindelijk niet in afwikkeling wordt geplaatst, maar in plaats daarvan conform het nationale recht wordt geliquideerd. In dergelijke gevallen moeten de afwikkelingsautoriteiten de regelingen treffen die zij dienstig achten om tot toereikende coördinatie met de betrokken nationale autoriteiten te komen en ervoor te zorgen dat de opschorting geen afbreuk doet aan de effectiviteit van het liquidatieproces.

  30. De bevoegdheid om betalings- of leveringsverplichtingen op te schorten mag niet gelden voor verplichtingen jegens systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen krachtens Richtlijn 98/26/EG, jegens centrale banken, jegens erkende centrale tegenpartijen (CTP's) of jegens CTP's uit derde landen die door de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (ESMA) zijn erkend. Richtlijn 98/26/EG beperkt het risico dat aan deelname aan betalings- en effectenafwikkelingssystemen is verbonden, met name door de verstoring ten gevolge van de insolventie van een deelnemer in een dergelijk systeem te beperken. Om ervoor te zorgen dat deze bescherming ook in crisissituaties naar behoren werkt en dat de exploitanten van betalings- en effectenafwikkelingssystemen en andere marktdeelnemers over de nodige zekerheid blijven beschikken, mag Richtlijn 2014/59/EU worden gewijzigd om te bepalen dat een crisispreventiemaatregel, een opschorting van de verplichting uit hoofde van artikel 33 bis of crisisbeheersingsmaatregel op zich niet als een insolventieprocedure in de zin van Richtlijn 98/26/EG mag worden beschouwd, mits de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract verder worden nagekomen. Niets in Richtlijn 2014/59/EU mag echter afbreuk doen aan de werking van een in Richtlijn 98/26/EG aangewezen systeem of aan het recht op zakelijke zekerheden dat door die richtlijn wordt gegarandeerd.

  31. Een kernelement voor doeltreffende afwikkeling is ervoor te zorgen dat, zodra instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c), of d), van Richtlijn 2014/59/EU in afwikkeling gaan, hun tegenpartijen in financiële contracten hun posities niet kunnen beëindigen enkel en alleen omdat die instellingen of entiteiten in afwikkeling zijn gegaan. Voorts moeten afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid hebben om betalings- of leveringsverplichtingen op grond van een contract met een instelling in afwikkeling op te schorten en om de rechten van tegenpartijen om financiële contracten voortijdig, versneld of anderszins te beëindigen, voor een beperkte periode te beperken. Die vereisten zijn niet rechtstreeks van toepassing op onder het recht van een derde land vallende contracten. Bij ontstentenis van een wettelijk kader voor grensoverschrijdende erkenning, moeten de lidstaten de instellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), van Richtlijn 2014/59/EU verplichten om in de betreffende financiële contracten een beding op te nemen waarin wordt erkend dat de afwikkelingsautoriteiten ten aanzien van het contract bevoegdheden tot opschorting van bepaalde betalings- of leveringsverplichtingen, tot beperking van de afdwinging van zekerheidsrechten of tot tijdelijke opschorting van beëindigingsrechten kunnen uitoefenen en gebonden zijn aan de vereisten van artikel 68 alsof het financiële contract werd beheerst door het recht van de betrokken lidstaat. In een dergelijke verplichting moet worden voorzien voor zover het contract binnen de werkingssfeer van die bepalingen valt. Derhalve geldt de verplichting tot opname van het contractueel beding in het kader van de artikelen 33 bis, 69, 70 en 71 van Richtlijn 2014/59/EU als gewijzigd door deze richtlijn, bijvoorbeeld niet voor contracten met centrale tegenpartijen of exploitanten van systemen die met het oog op de toepassing van Richtlijn 98/26/EG zijn aangewezen, aangezien de afwikkelingsautoriteiten de bij die artikelen vastgestelde bevoegdheden niet hebben met betrekking tot deze contracten, ook al vallen zij onder het recht van de betrokken lidstaat.

  32. De uitsluiting van specifieke passiva van instellingen of entiteiten van de toepassing van het instrument van bail-in of van de bevoegdheid om bepaalde betalings- of leveringsverplichtingen op te schorten, de afdwinging van zekerheidsrechten te beperken of de beëindigingsrechten zoals voorzien in Richtlijn 2014/59/EU tijdelijk op te schorten, moet ook van toepassing zijn op passiva met betrekking tot in de Unie gevestigde CTP's en op door de ESMA erkende CTP's uit derde landen.

  33. Om te verzekeren dat termen die in diverse rechtsinstrumenten worden gebruikt door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd, is het aangewezen om de bij Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(11) geïntroduceerde definities en begrippen met betrekking tot "centrale tegenpartij" of "CTP" en "deelnemer" op te nemen in Richtlijn 98/26/EG.

  34. Richtlijn 98/26/EG beperkt het risico dat is verbonden aan de deelname van instellingen en andere entiteiten aan betalings- en effectenafwikkelingssystemen, met name door de verstoring ten gevolge van de insolventie van een deelnemer in een dergelijk systeem te beperken. In overweging (7) van die richtlijn wordt verduidelijkt dat de lidstaten de bepalingen van die richtlijn mogen toepassen op hun binnenlandse instellingen die rechtstreeks deelnemen in systemen waarop het recht van een derde land van toepassing is, alsmede op zakelijke zekerheden die in verband met de deelname in dergelijke systemen worden gesteld. Gezien de mondiale omvang van en activiteiten binnen sommige systemen waarop het recht van een derde land van toepassing is en de verhoogde deelname van in de Unie gevestigde entiteiten in dergelijke systemen, dient de Commissie te evalueren hoe de lidstaten de in overweging (7) van die richtlijn voorgenomen mogelijkheid toepassen en te beoordelen of die richtlijn verder moet worden gewijzigd met betrekking tot dergelijke systemen.

  35. Teneinde de bevoegdheden ter beperking, afschrijving of omzetting van eigenvermogensbestanddelen daadwerkelijk te kunnen uitoefenen zonder afbreuk te doen aan de waarborgen voor schuldeisers waarin deze richtlijn voorziet, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen, in normale insolventieprocedures onder alle andere achtergestelde vorderingen worden gerangschikt. Instrumenten die slechts gedeeltelijk worden erkend als eigen vermogen, moeten toch voor het volledige bedrag worden behandeld als vorderingen die voortvloeien uit eigen vermogen. Een gedeeltelijke erkenning kan bijvoorbeeld het resultaat zijn van de toepassing van grandfatheringbepalingen waardoor een instrument gedeeltelijk wordt afgestoten, of van de toepassing van de afschrijvingskalender die in Verordening (EU) nr. 575/2013 is vastgelegd voor tier 2-instrumenten.

  36. Aangezien de doelstellingen van deze Richtlijn, namelijk de vaststelling van eenvormige regels inzake het herstel- en afwikkelingskader voor instellingen en entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang van het optreden beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

  37. Om de lidstaten voldoende tijd te geven voor de omzetting en toepassing van deze richtlijn in hun nationale wetgeving, moeten zij daarvoor achttien maanden vanaf de datum van inwerkingtreding krijgen. De bepalingen van deze richtlijn betreffende de openbaarmaking moeten echter met ingang van 1 januari 2024 worden toegepast, opdat instellingen en entiteiten in de hele Unie een passende termijn krijgen om op ordelijke wijze het vereiste MREL-niveau te halen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1 Wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU

Richtlijn 2014/59/EU wordt als volgt gewijzigd:

  1. In artikel 2 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

    1. punt 5 wordt vervangen door:

      "5)"dochteronderneming":
      een dochteronderneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en voor de toepassing van de artikelen 7, 12, 17, 18, 45 tot en met 45 quaterdecies, 59 tot en met 62, 91 en 92 van deze richtlijn, op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 83 ter, onder b), van dit lid, met inbegrip van, indien en waar passend kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan, het centrale orgaan zelf, en hun respectieve dochterondernemingen, rekening houdend met de manier waarop dergelijke af te wikkelen groepen voldoen aan artikel 45 sexies, lid 3, van deze richtlijn.
      5 bis)"dochteronderneming van wezenlijk belang":
      een dochteronderneming van wezenlijk belang als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 135, van Verordening (EU) nr. 575/2013;";

    2. het volgende punt wordt ingevoegd:

      "68 bis)"tier 1-kernkapitaal":
      tier 1-kernkapitaal als berekend overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013;";

    3. in punt 70 worden "in aanmerking komende passiva" vervangen door "bail-inbare passiva";

    4. punt 71 wordt vervangen door:

      "71)"bail-inbare passiva":
      de passiva en kapitaalinstrumenten die niet kunnen worden gerekend tot tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), en die niet op grond van artikel 44, lid 2, van de toepassing van het instrument van bail-in zijn uitgesloten;
      71 bis)"in aanmerking komende passiva":
      bail-inbare passiva die, voor zover van toepassing, aan de voorwaarden van artikel 45 ter of artikel 45 septies, lid 2, punt a), van deze richtlijn, voldoen, alsmede tier 2-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen;
      71 ter)"achtergestelde in aanmerking komende instrumenten":
      instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met uitzondering van artikel 72 ter, leden 3 tot en met 5, van die verordening;";

    5. de volgende punten worden ingevoegd:

      "83 bis)"af te wikkelen entiteit":
      1. een in de Unie gevestigde rechtspersoon die overeenkomstig artikel 12 door de afwikkelingsautoriteit wordt aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet; of

      2. een instelling die geen deel uitmaakt van een groep die aan geconsolideerd toezicht is onderworpen overeenkomstig de artikelen 111 en 112 van Richtlijn 2013/36/EU, en ten aanzien waarvan het overeenkomstig artikel 10 van deze richtlijn opgestelde afwikkelingsplan voorziet in afwikkelingsmaatregelen;

      83 ter)"af te wikkelen groep":
      1. een af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen, niet zijnde:

        1. de af te wikkelen entiteiten zelf;

        2. dochterondernemingen van andere af te wikkelen entiteiten; of

        3. in een derde land gevestigde entiteiten die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep, alsmede de dochterondernemingen daarvan; of

      2. kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan en het centrale orgaan zelf, indien ten minste een van deze kredietinstellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen.

      83 quater)"mondiaal systeemrelevante instelling of" "MSI":
      een mondiaal systeemrelevante instelling (MSI) als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 133, van Verordening (EU) nr. 575/2013;";

    6. het volgende punt wordt toegevoegd:

        "109)"gecombineerde buffervereiste":
        gecombineerde buffervereiste als gedefinieerd in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU.".

  2. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 6 worden de volgende alinea's toegevoegd:

      "De in de eerste alinea bedoelde evaluatie wordt verricht na het uitvoeren van de afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van de in artikel 59 bedoelde bevoegdheden.

      Bij het bepalen van de in lid 7, punten o) en p), van dit artikel bedoelde uiterste termijnen in de in de derde alinea van dit lid bedoelde omstandigheden, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de uiterste datum voor naleving van het vereiste van artikel 104 ter van Richtlijn 2013/36/EU.";

    2. in lid 7 worden de punten o) en p) vervangen door:

      1. de in de artikelen 45 sexies en 45 septies bedoelde vereisten en een uiterste datum voor het behalen van dat niveau overeenkomstig artikel 45 quaterdecies;

      2. indien een afwikkelingsautoriteit artikel 45 ter, lid 4, 5, of 7 toepast, een tijdpad voor naleving door de af te wikkelen entiteit overeenkomstig artikel 45 quaterdecies;".

  3. Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      De lidstaten zorgen ervoor dat afwikkelingsautoriteiten op groepsniveau, samen met de afwikkelingsautoriteiten van dochterondernemingen en na raadpleging van de afwikkelingsautoriteiten van significante bijkantoren voor zover dat voor het significante bijkantoor van belang is, groepsafwikkelingsplannen opstellen. Het groepsafwikkelingsplan bevat maatregelen die moeten worden genomen met betrekking tot:

      1. de EU-moederonderneming;

      2. de in de Unie gevestigde dochterondernemingen die deel uitmaken van de groep;

      3. de entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten c) en d); en

      4. onder voorbehoud van titel VI, de buiten de Unie gevestigde dochterondernemingen die deel uitmaken van de groep.

      In overeenstemming met de in de eerste alinea genoemde maatregelen, bevat het afwikkelingsplan voor elke groep de af te wikkelen entiteiten en de af te wikkelen groepen.";

    2. lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

      1. de punten a) en b) worden vervangen door:

        1. beschrijft de te nemen afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten in de scenario's als bedoeld in artikel 10, lid 3, alsmede de gevolgen van die afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de andere entiteiten van de groep als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), voor de moederonderneming en voor dochterondernemingen;

        2. beschrijft, indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, de te nemen afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van elke af te wikkelen groep en de gevolgen van die maatregelen voor zowel:

          1. andere entiteiten van de groep die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren; als

          2. andere af te wikkelen groepen;

        3. onderzoekt in welke mate de afwikkelingsinstrumenten en de afwikkelingsbevoegdheden op gecoördineerde wijze ten aanzien van in de Unie gevestigde af te wikkelen entiteiten toegepast respectievelijk uitgeoefend zouden kunnen worden, waaronder maatregelen die de overname van de groep als geheel, van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal groepsentiteiten, of van bepaalde groepsentiteiten of af te wikkelen groepen, door een derde vergemakkelijken, en brengt alle potentiële belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling in kaart;";

      2. punt e) wordt vervangen door:

        beschrijft eventuele niet in deze richtlijn vermelde aanvullende maatregelen die de desbetreffende afwikkelingsautoriteiten van plan zijn te nemen met betrekking tot de entiteiten binnen elke af te wikkelen groep;".

  4. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 4 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:

      "Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de planning van de afwikkelingsmaatregelen als bedoeld in artikel 12, lid 3, punt a bis), opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in de eerste alinea van dit lid.";

    2. in lid 6 wordt de eerste alinea vervangen door:

      "Indien de afwikkelingsautoriteiten er niet in slagen binnen vier maanden een gezamenlijk besluit te nemen, neemt elke afwikkelingsautoriteit die verantwoordelijk is voor een dochteronderneming en het niet eens is met het groepsafwikkelingsplan zelf een besluit, wijst zij, in voorkomend geval, de af te wikkelen entiteit aan en stelt zij een afwikkelingsplan op – dat zij bijhoudt – voor de af te wikkelen groep die bestaat uit entiteiten in haar rechtsgebied. Elk van de individuele besluiten van afwikkelingsautoriteiten die het oneens zijn wordt volledig gemotiveerd, bevat de redenen voor de afwijzing van het voorgestelde groepsafwikkelingsplan en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten. Elke afwikkelingsautoriteit brengt haar besluit ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.".

  5. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

      "Een groep wordt geacht afwikkelbaar te zijn indien het haalbaar en geloofwaardig is dat de afwikkelingsautoriteiten ofwel groepsentiteiten volgens een normale insolventieprocedure liquideren ofwel die groep afwikkelen door afwikkelingsinstrumenten toe te passen op, of afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen met betrekking tot, de af te wikkelen entiteiten van die groep waarbij belangrijke nadelige gevolgen voor de financiële systemen van de lidstaten waarin de groepsentiteiten of bijkantoren zijn gevestigd, of van andere lidstaten of van de Unie zoveel mogelijk worden voorkomen, waaronder bij algemenere financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, met het oog op het garanderen van de continuïteit van kritieke functies die door die groepsentiteiten worden uitgevoerd, indien deze gemakkelijk tijdig kunnen worden afgesplitst of via andere middelen.

      De afwikkelingsautoriteiten op groepsniveau stellen de EBA tijdig ervan in kennis dat een groep niet afwikkelbaar wordt geacht.";

    2. het volgende lid wordt toegevoegd:

      "4.

      Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, zorgen de lidstaten ervoor dat de in lid 1 genoemde autoriteiten de afwikkelbaarheid van elke af te wikkelen groep overeenkomstig dit artikel beoordelen.

      De in de eerste alinea van dit lid bedoelde beoordeling wordt uitgevoerd in aanvulling op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de hele groep en wordt verricht in het kader van de in artikel 13 omschreven besluitvormingsprocedure.".

  6. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    Indien een entiteit zich in een situatie bevindt waarin zij voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten als bedoeld in artikel 141 bis, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU, maar niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies van deze richtlijn bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt a) van deze richtlijn, is de afwikkelingsautoriteit van die entiteit bevoegd, overeenkomstig leden 2 en 3 van dit artikel, een entiteit te verbieden uitkeringen, voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva ("M-MDA"), berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel, te verrichten door:

    1. uitkeringen te verrichten in verband met tier 1-kernkapitaal;

    2. een verplichting aan te gaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan op het ogenblik dat de entiteit niet aan het gecombineerde buffervereiste voldeed; of

    3. betalingen te verrichten op aanvullend tier 1-instrumenten.

    Indien een entiteit zich in de in de eerste alinea bedoelde situatie bevindt, meldt zij dat onverwijld aan de afwikkelingsautoriteit.

    2.

    In de in lid 1 bedoelde situatie beoordeelt de afwikkelingsautoriteit van de entiteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, zonder onnodige vertraging of zij de in lid 1 bedoelde bevoegdheid zal uitoefenen, waarbij zij rekening houdt met alle volgende elementen:

    1. de reden, de duur en de omvang van de niet-naleving en de gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid;

    2. de wijze waarop de financiële situatie van de entiteit evolueert en de waarschijnlijkheid dat zij in de voorzienbare toekomst aan de in artikel 32, lid 1, punt a), genoemde voorwaarde voldoet;

    3. het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn zich binnen een redelijke termijn te conformeren aan de in lid 1 bedoelde vereisten;

    4. indien de entiteit niet in staat is te zorgen voor vervanging van passiva die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72 ter en 72 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, of in artikel 45 ter of artikel 45 septies, lid 2, van deze richtlijn, indien dat onvermogen van eigen aan de entiteit is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring;

    5. of de uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid het meest geschikte en evenredige middel is om de situatie van de entiteit aan te pakken, gelet op de mogelijke gevolgen ervan voor zowel de financieringsvoorwaarden als afwikkelbaarheid van de betrokken entiteit.

    Zolang de entiteit zich in de in lid 1 bedoelde situatie bevindt, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit op zijn minst iedere maand opnieuw of zij de in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitoefent.

    3.

    Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de entiteit zich negen maanden nadat de entiteit de in lid 1 bedoelde situatie heeft gemeld, nog steeds in die situatie bevindt, oefent de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, de in lid 1 bedoelde bevoegdheid uit, behalve indien de afwikkelingsautoriteit na een beoordeling vaststelt dat ten minste twee van de volgende voorwaarden vervuld zijn:

    1. de niet-naleving is toe te schrijven aan een ernstige verstoring van de werking van de financiële markten, die aanleiding geeft tot algemene spanning in verschillende segmenten van de financiële markten;

    2. de in punt a) bedoelde verstoring leidt niet alleen tot de grotere prijsvolatiliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten van de entiteit of hogere kosten voor de entiteit, maar ook tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de markten, die de entiteit belet eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten uit te geven op die markten;

    3. de in punt b) bedoelde sluiting van de markt valt niet alleen voor de betrokken entiteit, maar ook voor diverse andere entiteiten waar te nemen;

    4. de in punt a) bedoelde verstoring belet de betrokken entiteit eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten uit te geven die toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen; of

    5. uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid leidt tot negatieve spillover-effecten voor een deel van de bankensector, die de financiële stabiliteit hierdoor dreigen te ondermijnen.

    Indien de in de eerste alinea bedoelde uitzondering van toepassing is, brengt de afwikkelingsautoriteit haar besluit ter kennis van de bevoegde autoriteit en licht zij haar oordeel schriftelijk toe.

    De afwikkelingsautoriteit beoordeelt elke maand opnieuw of de in de eerste alinea genoemde uitzondering van toepassing is.

    4.

    Het "M-MDA" wordt berekend door de overeenkomstig lid 5 berekende som te vermenigvuldigen met de overeenkomstig lid 6 bepaalde factor. Het "M-MDA" wordt verminderd met ieder bedrag dat voortvloeit uit elk van de in lid 1, punt a), b) of c), bedoelde handelingen.

    5.

    De overeenkomstig lid 4 te vermenigvuldigen som bestaat uit:

    1. alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in lid 1, punt a), b) of c), van dit artikel bedoelde handelingen;

      vermeerderd met

    2. alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in lid 1, punt a), b) of c), van dit artikel bedoelde handelingen;

      en verminderd met

    3. bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in de punten a) en b) van dit lid genoemde elementen werden ingehouden.

    6.

    De in lid 4 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:

    1. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het eerste (dat wil zeggen het laagste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0;

    2. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het tweede kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,2;

    3. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het derde kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,4;

    4. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,6.

    De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het gecombineerde buffervereiste worden als volgt berekend:

    Ondergrens van kwartiel=Gecombineerde buffervereiste4×(Qn−1)Bovengrens van kwartiel=Gecombineerde buffervereiste4×Qn

    waarbij "Qn" = het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.".

  7. Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      De lidstaten dragen er zorg voor dat indien een afwikkelingsautoriteit op grond van een overeenkomstig de artikelen 15 en 16 uitgevoerde beoordeling van de afwikkelbaarheid van een entiteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit vaststelt dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van die entiteit bestaan, die afwikkelingsautoriteit die vaststelling schriftelijk ter kennis brengt van de betrokken entiteit, van de bevoegde autoriteit en van de afwikkelingsautoriteiten in de rechtsgebieden waar significante bijkantoren gevestigd zijn.";

    2. de leden 3 en 4 worden vervangen door:

      "3.

      Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van een overeenkomstig lid 1 verrichte kennisgeving stelt de entiteit aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen voor om de in de kennisgeving genoemde wezenlijke belemmeringen aan te pakken of weg te nemen.

      De entiteit stelt, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig lid 1 van dit artikel gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan voor om te verzekeren dat de entiteit voldoet aan artikel 45 sexies of 45 septies van deze richtlijn en aan het gecombineerde buffervereiste, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:

      1. de entiteit voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten als bedoeld in artikel 141 bis, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU, maar zij voldoet niet aan het gecombineerde buffervereiste wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies van deze richtlijn bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt a) van deze richtlijn; of

      2. de entiteit voldoet niet aan de in de artikel 92 bis en artikel 494 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn bedoelde vereisten.

      In het tijdpad voor de uitvoering van de in de tweede alinea voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.

      De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de bevoegde autoriteit of met de uit hoofde van de eerste en tweede alinea's voorgestelde maatregelen de desbetreffende wezenlijke belemmering daadwerkelijk wordt aangepakt of weggenomen.

      4.

      Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de maatregelen die een entiteit overeenkomstig lid 3 voorstelt, de betrokken belemmeringen niet daadwerkelijk terugbrengen of wegnemen, eist zij, hetzij rechtstreeks hetzij via de bevoegde autoriteit, van de entiteit dat zij alternatieve maatregelen neemt waarmee dat doel kan worden bereikt en brengt zij deze maatregelen schriftelijk ter kennis van de entiteit, die binnen een maand een plan voorstelt om daaraan te voldoen.

      Bij het vaststellen van alternatieve maatregelen toont de afwikkelingsautoriteit aan waarom de door de entiteit voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zouden kunnen wegnemen en waarom de voorgestelde alternatieve maatregelen voor het wegnemen van de belemmeringen evenredig zijn. De afwikkelingsautoriteit houdt rekening met de bedreiging welke van die belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uitgaat voor de financiële stabiliteit, en met de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsactiviteiten van de entiteit, haar stabiliteit en haar vermogen om een bijdrage te leveren aan de economie.";

    3. lid 5 wordt als volgt gewijzigd:

      1. in de punten a), b), d), e), g) en h) wordt het woord "instelling" vervangen door het woord "entiteit";

      2. het volgende punt wordt ingevoegd:

        eisen dat een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van deze richtlijn, een plan indient om de naleving te herstellen van de vereisten van artikel 45 sexies of 45 septies van deze richtlijn, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en, waar van toepassing, aan het gecombineerde buffervereiste en aan de vereisten, bedoeld in artikel 45 sexies of 45 septies van deze richtlijn, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013;";

      3. de punten i), j) en k) worden vervangen door:

        1. eisen dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), in aanmerking komende passiva uitgeeft om aan de vereisten van artikel 45 sexies of artikel 45 septies te voldoen;

        2. eisen dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), andere maatregelen neemt om aan de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 45 sexies of artikel 45 septies te voldoen, en er met name naar streeft opnieuw te onderhandelen over elk daarvoor in aanmerking komend passief, aanvullend-tier 1-kapitaalinstrument of tier 2-kapitaalinstrument dat zij heeft uitgegeven, om ervoor te zorgen dat een eventueel besluit van de afwikkelingsautoriteit om dat passief of kapitaalinstrument af te schrijven of om te zetten, wordt uitgevoerd krachtens het recht van het rechtsgebied dat op dat passiеf of kapitaalinstrument van toepassing;

        3. teneinde de voortdurende naleving van artikel 45 sexies of artikel 45 septies te waarborgen, eisen dat een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), het looptijdprofiel wijzigt van:

          1. de eigenvermogensinstrumenten, na de instemming van de bevoegde autoriteit te hebben verkregen, en

          2. de in aanmerking komende passiva, bedoeld in artikel 45 ter en in artikel 45 septies, lid 2, punt a);

        4. indien de entiteit een dochteronderneming van een gemengde holding is, eisen dat de gemengde holding een afzonderlijke financiële holding opzet om zeggenschap over de entiteit uit te oefenen als dat nodig is om de afwikkeling van de entiteit te faciliteren en om te voorkomen dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in titel IV nadelige gevolgen heeft voor het niet-financiële deel van de groep.";

    4. lid 7 wordt vervangen door:

      "7.

      Alvorens een in lid 4 bedoelde maatregel vast te stellen beoordeelt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit en, indien passend, de aangewezen nationale macroprudentiële autoriteit, terdege het potentiële effect van die maatregelen op de betreffende entiteit, op de interne markt voor financiële diensten en op de financiële stabiliteit in andere lidstaten en in de Unie als geheel.".

  8. In artikel 18 worden de leden 1 tot en met 7 vervangen door:

    "1.

    Na raadpleging van het toezichtscollege en de afwikkelingsautoriteiten in de rechtsgebieden waar significante bijkantoren gevestigd zijn, voor zover relevant voor het significante bijkantoor, neemt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau samen met de afwikkelingsautoriteiten van dochterondernemingen de krachtens artikel 16 vereiste beoordeling in het afwikkelingscollege in acht, en neemt zij alle redelijke maatregelen om tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassing van de overeenkomstig artikel 17, lid 4, vastgestelde maatregelen met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die in artikel 1, lid 1, bedoelde entiteiten zijn en deel uitmaken van de groep.

    2.

    De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt – in samenwerking met de consoliderende toezichthouder en de EBA overeenkomstig artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 – een verslag op en dient dit in bij de EU-moederonderneming, bij de afwikkelingsautoriteiten van dochterondernemingen, die het doorzenden aan de dochterondernemingen die onder hun bevoegdheid vallen, en bij de afwikkelingsautoriteiten van rechtsgebieden waar significante bijkantoren gevestigd zijn. Het verslag wordt opgesteld na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en bevat een analyse van de wezenlijke belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden met betrekking tot de groep en ook tot af te wikkelen groepen indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat. In het verslag wordt de impact op het bedrijfsmodel van de groep overwogen en worden de maatregelen aanbevolen die volgens de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau nodig of passend zijn om deze belemmeringen weg te nemen.

    Indien een belemmering voor de afwikkelbaarheid van de groep te wijten is aan een in artikel 17, lid 3, tweede alinea, bedoelde situatie van een entiteit van de groep, brengt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar beoordeling van die belemmering ter kennis van de EU-moederonderneming na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit en de afwikkelingsautoriteiten van haar dochterinstellingen.

    3.

    Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het verslag kan de EU-moederonderneming opmerkingen indienen en aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau alternatieve maatregelen voorstellen om de in het verslag genoemde belemmeringen weg te nemen.

    Indien de in het verslag vastgestelde belemmeringen te wijten zijn aan een situatie waarin een in artikel 17, lid 3, tweede alinea, van deze richtlijn bedoelde entiteit van de groep zich bevindt, stelt de EU-moederonderneming, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig lid 2, tweede alinea, van dit artikel gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau mogelijke maatregelen alsmede het tijdpad ter uitvoering ervan voor, teneinde te waarborgen dat de entiteit van de groep voldoet aan de vereisten als bedoeld in artikel 45 sexies of artikel 45 septies van deze richtlijn, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, waar van toepassing, het gecombineerde buffervereiste, alsmede aan de vereisten, bedoeld in artikel 45 sexies en artikel 45 septies van deze richtlijn, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.

    In het tijdpad voor de uitvoering van de in de tweede alinea voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering. Na raadpleging van de bevoegde autoriteit oordeelt de afwikkelingsautoriteit of de wezenlijke belemmering met deze maatregelen daadwerkelijk wordt aangepakt of weggenomen.

    4.

    De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt elke door de EU-moederonderneming voorgestelde maatregel mee aan de consoliderende toezichthouder, de EBA, de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de afwikkelingsautoriteiten in de rechtsgebieden waar significante bijkantoren gevestigd zijn, voor zover relevant voor het significante bijkantoor. Na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten in de rechtsgebieden waar significante bijkantoren gevestigd zijn, doen de afwikkelingsautoriteiten op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen alles wat in hun vermogen ligt om binnen het afwikkelingscollege tot een gezamenlijk besluit te komen met betrekking tot de vaststelling van de wezenlijke belemmeringen en, indien nodig, de beoordeling van de door de EU-moederonderneming voorgestelde maatregelen alsmede de door de autoriteiten geëiste maatregelen om de belemmeringen aan te pakken of weg te nemen, waarbij rekening gehouden wordt met de mogelijke gevolgen van de maatregelen in alle lidstaten waar de groep actief is.

    5.

    Het gezamenlijke besluit wordt genomen binnen vier maanden na de indiening van opmerkingen door de EU-moederonderneming. Indien de EU-moederonderneming geen opmerkingen heeft ingediend, wordt het gezamenlijke besluit genomen binnen één maand vanaf het verstrijken van de in lid 3, eerste alinea, bedoelde periode van vier maanden.

    Het gezamenlijke besluit met betrekking tot de belemmering voor de afwikkelbaarheid als gevolg van een in artikel 17, lid 3, tweede alinea, bedoelde situatie wordt genomen binnen twee weken na de indiening van opmerkingen door de EU-moederonderneming overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

    Het gezamenlijke besluit wordt gemotiveerd en opgenomen in een document dat door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau aan de EU-moederonderneming wordt verstrekt.

    De EBA kan, op verzoek van een afwikkelingsautoriteit, overeenkomstig artikel 31, tweede alinea, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten helpen bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.

    6.

    Indien binnen de in lid 5 bedoelde betrokken periode geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 17, lid 4, op groepsniveau moeten worden genomen.

    Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van andere afwikkelingsautoriteiten. Het besluit wordt door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau aan de EU-moederonderneming verstrekt.

    Indien een afwikkelingsautoriteit aan het eind van de in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode een in lid 9 van dit artikel vermelde zaak aan de EBA heeft voorgelegd overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar besluit uit, wacht zij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af en neemt zij haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt binnen één maand een besluit. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet tot een besluit komt, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau van toepassing.

    6 bis.

    Indien binnen de in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 17, lid 4, op het niveau van de af te wikkelen groep moeten worden genomen.

    Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten van dezelfde af te wikkelen groep en de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau. Het besluit wordt de af te wikkelen entiteit ter kennis gebracht door de bevoegde afwikkelingsautoriteit.

    Indien een afwikkelingsautoriteit aan het eind van de in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode een in lid 9 van dit artikel vermelde zaak aan de EBA heeft voorgelegd overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit haar besluit uit, wacht zij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af en neemt zij haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt binnen één maand een besluit. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet tot een besluit komt, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit van toepassing.

    7.

    Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit nemen de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn zelf een besluit over de passende maatregelen die de dochterondernemingen overeenkomstig artikel 17, lid 4, op individueel niveau moeten nemen.

    Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten. Het besluit wordt verstrekt aan de betrokken dochteronderneming en aan de af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep, aan de afwikkelingsautoriteit van die af te wikkelen entiteit en, indien verschillend, aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.

    Indien een afwikkelingsautoriteit aan het eind van de in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode een in lid 9 van dit artikel vermelde zaak aan de EBA heeft voorgelegd overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming haar besluit uit, wacht zij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af en neemt zij haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de in lid 5 van dit artikel bedoelde betrokken periode of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet tot een besluit komt, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming van toepassing.".

  9. In artikel 32, lid 1, wordt punt b) vervangen door:

    gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijs niet te verwachten dat ten aanzien van de instelling genomen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, met inbegrip van maatregelen door een IPS, of maatregelen van een toezichthouder, met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 59, lid 2, het falen van de instelling binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen;".

  10. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel kunnen nemen ten aanzien van een centraal orgaan en alle daarbij blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien die af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de in artikel 32, lid 1, gestelde voorwaarden.

    De lidstaten zorgen ervoor dat een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), ten aanzien waarvan de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat aan de voorwaarden van artikel 32, lid 1, punten a) en b), is voldaan, maar dat een afwikkelingsmaatregel niet in het algemeen belang overeenkomstig artikel 32, lid 1, punt c), zou zijn, op ordelijke wijze wordt geliquideerd overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht.".

  11. In artikel 33 worden de leden 2, 3 en 4 vervangen door:

    "2.

    De lidstaten zorgen ervoor dat afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel nemen ten aanzien van een in artikel 1, lid 1, punt c) of d), bedoelde entiteit indien die entiteit aan de in artikel 32, lid 1, gestelde voorwaarden voldoet.

    3.

    Indien de dochterinstellingen van een gemengde holding direct of indirect in handen zijn van een financiële tussenholding, bepaalt het afwikkelingsplan dat de financiële tussenholding als een af te wikkelen entiteit wordt aangemerkt en zorgen de lidstaten ervoor dat ten aanzien van de financiële tussenholding afwikkelingsmaatregelen gericht op de afwikkeling van de groep worden genomen. De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten ten aanzien van de gemengde holding geen op de groep gerichte afwikkelingsmaatregelen nemen.

    4.

    Onder voorbehoud van lid 3 van dit artikel en niettegenstaande het feit dat een in artikel 1, lid 1, punt c) of d), bedoelde entiteit niet aan de in artikel 32, lid 1, gestelde voorwaarden voldoet, kunnen afwikkelingsautoriteiten ten aanzien van een in artikel 1, lid 1, punt c) of d), bedoelde entiteit afwikkelingsmaatregelen nemen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de entiteit is een af te wikkelen entiteit;

    2. een of meer van de dochterondernemingen van de entiteit zijn instellingen, maar geen af te wikkelen entiteiten, die aan de in artikel 32, lid 1, gestelde voorwaarden voldoen;

    3. de activa en passiva van de in punt b) bedoelde dochterondernemingen zijn van dien aard dat het falen van die dochterondernemingen een bedreiging vormt voor de af te wikkelen groep als geheel, en afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de entiteit zijn noodzakelijk voor hetzij de afwikkeling van die dochterondernemingen die instellingen zijn, hetzij de afwikkeling van de af te wikkelen groep als geheel.".

  12. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat afwikkelingsautoriteiten, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, die tijdig antwoorden, de bevoegdheid hebben om betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde instelling of entiteit partij is, op te schorten indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. er is overeenkomstig artikel 32, lid 1, punt a), vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen;

    2. er is geen onmiddellijk beschikbare maatregel van de particuliere sector voorhanden als bedoeld in artikel 32, lid 1, punt b), die het falen van de instelling zou voorkomen;

    3. de uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting wordt noodzakelijk geacht om te voorkomen dat de financiële toestand van de instelling of entiteit verder verslechtert; en

    4. de uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting is:

      1. noodzakelijk om tot de in artikel 32, lid 1, punt c), bedoelde vaststelling te komen; of

      2. noodzakelijk om de passende afwikkelingsmaatregelen te kiezen of om de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.

    2.

    De in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid is niet van toepassing op betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van:

    1. systemen en exploitanten van systemen die overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG zijn aangewezen;

    2. CTP's waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012, en CTP's uit derde landen die door de ESMA zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van die verordening;

    3. centrale banken.

    De afwikkelingsautoriteiten bepalen de reikwijdte van de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteiten gaan met name zorgvuldig na of de uitbreiding van de opschorting naar in aanmerking komende deposito's in de zin van artikel 2, lid 1, punt 4), van Richtlijn 2014/49/EU, met name gedekte deposito's die worden aangehouden door natuurlijke personen en micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, gepast is.

    3.

    De lidstaten kunnen bepalen dat, indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende deposito's, de afwikkelingsautoriteiten ervoor zorgen dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.

    4.

    De periode van opschorting overeenkomstig lid 1 is zo kort mogelijk en niet langer dan de minimumperiode die door de afwikkelingsautoriteit noodzakelijk wordt geacht voor de in lid 1, punten c) en d), genoemde doeleinden, en duurt in ieder geval niet langer dan de tijdspanne vanaf de bekendmaking van een bericht tot opschorting uit hoofde van lid 8 tot middernacht in de lidstaat van de afwikkelingsautoriteit van de instelling of entiteit aan het eind van de werkdag die volgt op de dag van de bekendmaking.

    Na afloop van de in de eerste alinea genoemde periode van opschorting, is de opschorting niet langer van kracht.

    5.

    Bij de uitoefening van de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid houden de afwikkelingsautoriteiten rekening met de gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid kan hebben voor het ordelijke functioneren van de financiële markten en houden zij rekening met de bestaande nationale regels, alsook met de toezichts- en rechterlijke bevoegdheden, ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers en de gelijke behandeling van schuldeisers in normale insolventieprocedures. Afwikkelingsautoriteiten houden met name rekening met de mogelijke toepassing van nationale insolventieprocedures op de instelling of entiteit als gevolg van de vaststelling in artikel 32, lid 1, punt c), en treffen de regelingen die zij passend achten voor een adequate coördinatie met de nationale administratieve of rechterlijke instanties.

    6.

    Indien betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van een contract op grond van lid 1 worden opgeschort, worden de uit hoofde van dat contract voor de tegenpartijen geldende betalings- of leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.

    7.

    Een betalings- of leveringsverplichting die tijdens de periode van opschorting zou moeten worden nagekomen, moet onmiddellijk na het verstrijken van die periode worden nagekomen.

    8.

    De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d) bedoelde instelling of entiteit en de in artikel 83, lid 2, punten a) tot en met h), bedoelde autoriteiten onverwijld ervan op de hoogte brengen wanneer zij de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid uitoefenen nadat op grond van artikel 32, lid 1, punt a), is vastgesteld dat de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen, en voordat het afwikkelingsbesluit wordt genomen.

    De afwikkelingsautoriteit maakt de maatregel of het instrument door middel waarvan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel worden opgeschort en de voorwaarden voor en de periode van opschorting via de in artikel 83, lid 4, bedoelde middelen bekend of zorgt voor de bekendmaking.

    9.

    Dit artikel geldt onverminderd de bepalingen in het nationaal recht van de lidstaten waarbij bevoegdheden tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde instellingen en entiteiten worden verleend voordat uit hoofde van artikel 32, lid 1, punt a), is vastgesteld dat die instellingen of entiteiten falen of waarschijnlijk zullen falen, of tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van instellingen of entiteiten die volgens een normale insolventieprocedure moeten worden geliquideerd, en de in dit artikel bepaalde omvang en duur overschrijden. Dergelijke bevoegdheden worden overeenkomstig de in het toepasselijk nationaal recht bepaalde omvang, duur en voorwaarden uitgeoefend. De in dit artikel bepaalde voorwaarden laten de voorwaarden in verband met die bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen onverlet.

    10.

    De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), uitoefent uit hoofde van lid 1 van dit artikel, de afwikkelingsautoriteit ook gedurende die opschorting de bevoegdheid kan uitoefenen om:

    1. schuldeisers met een zekerheid van die instelling of entiteit te beperken in de tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot ongeacht welke activa van die instelling of entiteit voor dezelfde duur, in welk geval artikel 70, leden 2, 3 en 4, van toepassing is; en

    2. beëindigingsrechten op te schorten van ongeacht welke partij bij een contract met die instelling of entiteit op te schorten voor dezelfde duur, in welk geval artikel 71, leden 2 tot en met 8, van toepassing is.

    11.

    Indien een afwikkelingsautoriteit, nadat overeenkomstig artikel 32, lid 1, punt a), is vastgesteld dat een instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen heeft uitgeoefend in de in de leden 1 of 10 van dit artikel bedoelde omstandigheden, en indien vervolgens ten aanzien van die instelling of entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen, ziet de afwikkelingsautoriteit af van uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 69, lid 1, artikel 70, lid 1, of artikel 71, lid 1, ten aanzien van die instelling of entiteit.".

  13. Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in de leden 1 en 4 wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 59";

    2. lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

      1. het woord "kapitaalinstrumenten" wordt vervangen door de woorden "bail-inbare passiva";

      2. in punt d) worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva";

    3. in de leden 5, 12 en 13 wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 59".

  14. Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 2 wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva";

    2. in lid 10, punt a) worden de woorden "in aanmerking komende passiva vervangen door de woorden "bail-inbare passiva".

  15. Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

      1. punt f) wordt vervangen door:

        verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG of jegens hun deelnemers, en die uit de deelname aan een dergelijk systeem voortvloeien, of jegens CTP's waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en CTP's uit derde landen die door de ESMA zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van die verordening;";

      2. het volgende punt wordt toegevoegd:

        verplichtingen ten aanzien van instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, ongeacht de looptijd ervan, behalve indien die verplichtingen in de crediteurenrangorde volgens het betrokken nationaal recht inzake normale insolventieprocedures dat van toepassing is op de datum van omzetting van deze richtlijn, lager gerangschikt zijn dan gewone ongewone verplichtingen; in gevallen waarin die uitzondering van toepassing is, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit van de desbetreffende dochteronderneming die geen af te wikkelen entiteit is, of het bedrag van bestanddelen die voldoen aan artikel 45 septies, lid 2, voldoende is om de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie te ondersteunen.";

      3. in de vijfde alinea worden de woorden "passiva die voor toepassing van het instrument van bail-in in aanmerking komen" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva";

    2. in lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:

      "De afwikkelingsautoriteiten gaan zorgvuldig na of verplichtingen ten aanzien van instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid overeenkomstig lid 2, punt h), van dit artikel, moeten worden uitgesloten of deels worden uitgesloten uit hoofde van de punten a) tot en met d) van de eerste alinea van dit lid om een doeltreffende uitvoering van de afwikkelingsstrategie te garanderen.

      Indien een afwikkelingsautoriteit besluit een bail-inbaar passivum of een categorie van bail-inbare passiva in het kader van dit lid geheel of gedeeltelijk uit te sluiten, mag het niveau van afschrijving of omzetting dat op andere bail-inbare passiva wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, mits het niveau van afschrijving of omzetting dat op andere bail-inbare passiva wordt toegepast het in artikel 34, lid 1, onder g), vervatte beginsel naleeft.";

    3. lid 4 wordt vervangen door:

      "4.

      Indien een afwikkelingsautoriteit overeenkomstig dit artikel besluit om bepaalde bail-inbare passiva of een categorie van bail-inbare passiva geheel of gedeeltelijk uit te sluiten en de verliezen die ten laste van die passiva zouden zijn, niet volledig aan andere schuldeisers zijn doorgegeven, kan de financieringsregeling voor de afwikkeling een bijdrage aan de instelling in afwikkeling leveren om één of beide van het volgende te doen:

      1. eventuele verliezen te dekken die niet door bail-inbare passiva zijn opgevangen en ervoor te zorgen dat de nettowaarde van de activa van de instelling in afwikkeling overeenkomstig artikel 46, lid 1, punt a), wederom gelijk is aan nul;

      2. aandelen of andere eigendomsinstrumenten of kapitaalinstrumenten in de instelling in afwikkeling te verwerven, met als doel de instelling te herkapitaliseren overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder b).";

    4. in lid 5, punt a), worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva".

  16. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat een verkoper van in aanmerking komende passiva die voldoen aan alle voorwaarden, bedoeld in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van artikel 72 bis, lid 1, punt b), en artikel 72 ter, leden 3, 4, en 5, van die verordening, zulke passiva alleen aan een niet-professionele cliënt als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 11, van Richtlijn 2014/65/EU verkoopt, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de verkoper heeft een geschiktheidstest overeenkomstig artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2014/65/EU verricht;

    2. de verkoper heeft er zich op basis van de in punt a) bedoelde test van vergewist dat dergelijke in aanmerking komende passiva geschikt zijn voor die niet-professionele cliënt;

    3. de verkoper documenteert de geschiktheid overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Richtlijn 2014/65/EU.

    Niettegenstaande de eerste alinea kunnen de lidstaten bepalen dat de in de punten a), b), en c), van die alinea gestelde voorwaarden van toepassing zijn op verkopers van andere instrumenten die als eigen vermogen of bail-inbare passiva zijn aangemerkt.

    2.

    Indien aan de in lid 1 gestelde voorwaarden is voldaan en de portefeuille van financiële instrumenten van die niet-professionele cliënt op het tijdstip van aankoop niet meer dan 500 000 EUR bedraagt, zorgt de verkoper er op basis van de overeenkomstig lid 3 door de niet-professionele cliënt verstrekte informatie voor dat op het tijdstip van aankoop aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

    1. de niet-professionele cliënt belegt niet meer dan een totaalbedrag van 10 % van zijn portefeuille van financiële instrumenten in de in lid 1 bedoelde passiva;

    2. dat initiële beleggingsbedrag dat wordt belegd in een of meer passiva-instrumenten als bedoeld in lid 1, beloopt ten minste 10 000 EUR.

    3.

    De niet-professionele cliënt verstrekt de verkoper accurate informatie over zijn portefeuille van financiële instrumenten, met inbegrip van beleggingen in lid 1 bedoelde passiva.

    4.

    Voor de toepassing van de leden 2 en 3 vallen kasdeposito's en financiële instrumenten binnen de portefeuille van financiële instrumenten van de niet-professionele cliënt, maar vallen in onderpand gegeven financiële instrumenten daarbuiten.

    5.

    Onverminderd artikel 25 van Richtlijn 2014/65/EU, en in afwijking van de vereisten van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel, kunnen de lidstaten een minimumdenominatiebedrag van ten minste 50 000 EUR bepalen voor in lid 1 bedoelde passiva, rekening houdend met de marktvoorwaarden en -praktijken van die lidstaat en met bestaande maatregelen ter bescherming van de consument binnen het rechtsgebied van die lidstaat.

    6.

    Indien de waarde van de totale activa van in artikel 1, lid 1, bedoelde entiteiten die in een lidstaat zijn gevestigd en waarvoor het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste geldt, niet meer dan 50 miljard EUR bedraagt, kan die lidstaat, in afwijking van de in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel bedoelde vereisten, alleen het in lid 2, punt b), van dit artikel, bedoelde vereiste toepassen.

    7.

    De lidstaten zijn niet verplicht dit artikel toe te passen op in lid 1 bedoelde passiva die zijn uitgegeven vóór 28 december 2020.".

  17. Artikel 45 wordt vervangen door de volgende artikelen:

    1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d) bedoelde instellingen en entiteiten te allen tijde voldoen aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva indien vereist door en overeenkomstig dit artikel en de artikelen 45 bis tot en met 45 decies.

    2.

    Het in lid 1 van dit artikel bedoelde vereiste wordt overeenkomstig artikel 45 quater, lid 3, 5, of 7, voor zover van toepassing, berekend als het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva en uitgedrukt als percentage van:

    1. het totaal van de risicoposten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde betrokken entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013; en

    2. de totale risicoblootstellingsmaatstaf van de in lid 1 van dit artikel bedoelde betrokken entiteit, berekend overeenkomstig artikel 429 en artikel 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.

    1.

    Niettegenstaande artikel 45 stellen afwikkelingsautoriteiten door gedekte obligaties gefinancierde instellingen voor hypothecair krediet die volgens het nationaal recht geen deposito's mogen ontvangen, vrij van het vereiste in artikel 45, lid 1, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. die instellingen worden geliquideerd in nationale insolventieprocedures of in andere, voor die instellingen vastgestelde soorten procedures die overeenkomstig artikel 38, 40 of 42 worden uitgevoerd; en

    2. de in punt a) bedoelde procedures zorgen ervoor dat schuldeisers van deze instellingen, met inbegrip van, in voorkomend geval, houders van gedekte obligaties, verliezen lijden op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen.

    2.

    Instellingen die van het in artikel 45, lid 1, neergelegde vereiste zijn vrijgesteld, mogen geen deel uitmaken van de in artikel 45 sexies, lid 1, bedoelde consolidatie.

    1.

    Passiva worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van af te wikkelen entiteiten opgenomen als ze aan de voorwaarden van de volgende artikelen van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen:

    1. artikel 72 bis;

    2. artikel 72 ter, met uitzondering van lid 2, punt d); en

    3. artikel 72 quater.

    In afwijking van de eerste alinea van dit lid worden, wanneer in deze richtlijn wordt verwezen naar de vereisten in artikel 92 bis of artikel 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de toepassing van die artikelen als in aanmerking komende passiva beschouwd, die welke voldoen aan de omschrijving in artikel 72 duodecies van die verordening en zijn vastgesteld overeenkomstig titel I, deel twee, hoofdstuk 5 bis, van die verordening.

    2.

    Passiva die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten, zoals gestructureerde obligaties ("structured notes"), die voldoen aan de voorwaarden van lid 1, eerste alinea, met uitzondering van artikel 72 bis, lid 2, punt l), van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva opgenomen indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de hoofdsom van de passiva die voortvloeien uit het schuldinstrument is op het moment van uitgifte bekend, ligt vast of is stijgend, en wordt niet door een verankerd derivaatelement beïnvloed, en het totaalbedrag van de passiva die voortvloeien uit het schuldinstrument, met inbegrip van het verankerde derivaat, kan op dagbasis worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve en liquide vraag- en aanbodmarkt voor een gelijkwaardig instrument zonder kredietrisico, overeenkomstig de artikelen 104 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013; of

    2. het schuldinstrument bevat een beding dat bepaalt dat de waarde van de vordering in het geval van de insolventie van de uitgever en de afwikkeling van de uitgever vast ligt of stijgt, en het initieel gestorte bedrag van de passiva niet overschrijdt.

    In de eerste alinea bedoelde schuldinstrumenten, met inbegrip van hun verankerde derivaten, zijn niet onderworpen aan een verrekeningsovereenkomst en de waardering van dergelijke instrumenten is niet onderworpen aan artikel 49, lid 3.

    Van de in de eerste alinea bedoelde passiva wordt alleen het deel van het passivum dat overeenkomt met de in punt a) van die alinea bedoelde hoofdsom of het in punt b) van die alinea bedoelde vaste of stijgende bedrag opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva.

    3.

    Indien passiva door een in de Unie gevestigde en van dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit deel uitmakende dochteronderneming zijn uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die niet van dezelfde af te wikkelen groep deel uitmaakt, worden die passiva opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van die af te wikkelen entiteit, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de passiva worden uitgegeven overeenkomstig artikel 45 septies, lid 2, punt a);

    2. de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden met betrekking tot die passiva overeenkomstig artikel 59 of artikel 62 doet geen afbreuk aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;

    3. die passiva overschrijden niet het bedrag dat verkregen wordt door:

      1. de som van de passiva die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van het overeenkomstig artikel 45 septies, lid 2, punt b), uitgegeven eigen vermogen; af te trekken van

      2. het bedrag dat vereist is overeenkomstig artikel 45 septies, lid 1.

    4.

    Onverminderd het minimumvereiste in artikel 45 quater, lid 5, of artikel 45 quinquies, lid 1, punt a), zorgen de afwikkelingsautoriteiten ervoor dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, vallen, aan een deel van het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste, gelijk aan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in lid 3 van dit artikel bedoelde passiva. De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, vallen, aan een niveau dat lager ligt dan 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, maar hoger dan het bedrag dat resulteert uit de toepassing van de formule (1-(X1/X2)) x 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in lid 3 van dit artikel bedoelde passiva, mits aan alle in artikel 72 ter, lid 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden wordt voldaan, gelet op de krachtens artikel 72 ter, lid 3, van die verordening toegestane vermindering:

    • X1 = 3,5 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten; en

    • X2 = de som van 18 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en het bedrag van het gecombineerde buffervereiste.

    Indien de toepassing van de eerste alinea van dit lid voor af te wikkelen entiteiten die onder artikel 45 quater, lid 5, vallen, leidt tot een vereiste van meer dan 27 % van het totaal van de risicoposten, beperkt de afwikkelingsautoriteit, voor de betrokken af te wikkelen entiteit, het deel van het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in lid 3 van dit artikel bedoelde passiva, tot een bedrag dat gelijk is aan 27 % van het totaal van de risicoposten, indien de afwikkelingsautoriteit tot het oordeel is gekomen dat:

    1. toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling niet wordt beschouwd als een optie om die af te wikkelen entiteit af te wikkelen in het afwikkelingsplan; en

    2. indien punt a) niet van toepassing is, het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste die af te wikkelen entiteit in staat stelt te voldoen aan de in artikel 44, lid 5, of artikel 44, lid 8, bedoelde vereisten naargelang het geval.

    Bij de in de tweede alinea bedoelde beoordeling moet de afwikkelingsautoriteit ook rekening houden met het risico van onevenredige gevolgen voor het bedrijfsmodel van de betrokken af te wikkelen entiteit.

    Op af te wikkelen entiteiten die onder artikel 45 quater, lid 6, vallen, is de tweede alinea van dit lid niet van toepassing.

    5.

    Ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die geen MSI's zijn en niet onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, vallen, kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat aan een deel van het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste, tot het hoogste bedrag van ofwel 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit ofwel de in lid 7 bedoelde formule, moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in lid 3 van dit artikel bedoelde passiva, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde niet-achtergestelde passiva hebben dezelfde prioriteit in de nationale insolventiehiërarchie als bepaalde passiva die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 44, lid 2, of artikel 44, lid 3;

    2. het risico bestaat dat als gevolg van een voorgenomen toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid op niet-achtergestelde passiva die niet van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid overeenkomstig artikel 44, lid 2, of artikel 44, lid 3, zijn uitgesloten, schuldeisers van vorderingen die uit die passiva voortvloeien, grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij bij een liquidatie in een normale insolventieprocedure zouden lijden;

    3. het bedrag van het eigen vermogen en andere achtergestelde passiva mag niet hoger zijn dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat de in punt b) bedoelde schuldeisers geen grotere verliezen lijden dan die welke ze bij de liquidatie in een normale insolventieprocedure zouden hebben geleden.

    Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat, binnen een categorie van passiva die in aanmerking komende passiva omvat, het bedrag van de passiva die worden uitgesloten of redelijk waarschijnlijk worden uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 44, lid 2, of artikel 44, lid 3, hoger is dan 10 % van die categorie, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit het in de eerste alinea, punt b), van dit lid bedoelde risico.

    6.

    Voor de toepassing van de leden 4, 5 en 7 vormen uit derivaten voortvloeiende passiva een onderdeel van de totale passiva op de basis dat de salderingsrechten van tegenpartijen volledig worden erkend.

    Het eigen vermogen van een af te wikkelen entiteit dat wordt gebruikt om te voldoen aan het gecombineerde buffervereiste komt in aanmerking om te voldoen aan de in de leden 4, 5 en 7 bedoelde vereisten.

    7.

    In afwijking van lid 4 van dit artikel kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, van deze richtlijn vallen, aan het in artikel 45 sexies van deze richtlijn bedoelde vereiste moeten voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in lid 3 van dit artikel bedoelde passiva, voor zover, uit hoofde van de verplichting van de af te wikkelen entiteit om te voldoen aan de gecombineerde buffervereisten en de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 45 quater, lid 5, en artikel 45 sexies, van deze richtlijn bedoelde vereisten, de som van dat eigen vermogen, die instrumenten en passiva niet hoger is dan het hoogste bedrag van ofwel:

    1. 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit; ofwel

    2. het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de formule Ax2+Bx2+C, waarbij A, B en C de volgende bedragen zijn:

      • A = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

      • B = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU;

      • C = het bedrag dat voortvloeit uit het gecombineerde buffervereiste.

    8.

    De afwikkelingsautoriteiten kunnen de in lid 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, vallen en die aan één van de in de tweede alinea van dit lid bepaalde voorwaarden voldoen, tot een limiet van 30 % van de totale hoeveelheid van alle af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, vallen waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste bepaalt.

    De voorwaarden worden door de afwikkelingsautoriteiten in overweging genomen als volgt:

    1. in de voorgaande afwikkelbaarheidsbeoordeling zijn wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid vastgesteld en:

      1. er zijn geen corrigerende maatregelen genomen ingevolge de toepassing van de in artikel 17, lid 5, bedoelde maatregelen binnen het door de afwikkelingsautoriteit opgelegde tijdpad, of

      2. de vastgestelde wezenlijke belemmeringen kunnen niet door gebruik van de in artikel 17, lid 5, bedoelde maatregelen worden aangepakt, en het uitoefenen van de in lid 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid zou de negatieve gevolgen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid ten dele of geheel ongedaan maken;

    2. de afwikkelingsautoriteit is van oordeel dat de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de voorkeursafwikkelingsstrategie van de af te wikkelen entiteit beperkt is, rekening houdend met de omvang, de verwevenheid, de aard, de reikwijdte, het risico en de complexiteit van de activiteiten, de juridische status en de aandelenstructuur van de entiteit; of

    3. het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste weerspiegelt het feit dat de af te wikkelen entiteit die een MSI is of onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, van deze richtlijn valt, in termen van risico, bij de top 20 % instellingen hoort waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 45, lid 1, van deze richtlijn bedoelde vereiste bepaalt.

    Voor de toepassing van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde percentages rondt de afwikkelingsautoriteit het uit de berekening resulterende cijfer naar boven toe tot het dichtstbijzijnde gehele getal.

    De lidstaten mogen, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van hun nationale banksector, daaronder met name begrepen het aantal af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, vallen waarvoor de nationale afwikkelingsautoriteit het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste bepaalt, het in de eerste alinea bedoelde percentage vastleggen op een hoger niveau dan 30 %.

    9.

    Na raadpleging van de bevoegde autoriteit neemt de afwikkelingsautoriteit de in lid 5 of lid 7 bedoelde besluiten.

    Bij het nemen van die besluiten houdt de afwikkelingsautoriteit tevens rekening met:

    1. de diepte van de markt voor eigenvermogensinstrumenten en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van de af te wikkelen entiteit, de prijsstelling van die instrumenten indien voorhanden, en de tijd die nodig is om eventuele transacties te verrichten die nodig zijn om te voldoen aan het besluit;

    2. de hoeveelheid in aanmerking komende passiva-instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met een resterende looptijd van minder dan één jaar vanaf de datum van het besluit, zodat kwantitatieve aanpassingen kunnen worden aangebracht in de in de leden 5 en 7 van dit artikel bedoelde vereisten;

    3. de beschikbaarheid en de hoeveelheid van instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden van artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, anders dan artikel 72 ter, lid 2, punt d), van die verordening;

    4. de vraag of de hoeveelheid passiva die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 44, lid 2 of lid 3, en die in een normale insolventieprocedure een gelijke of lagere rang hebben dan de hoogst gerangschikte in aanmerking komende passiva, significant is in vergelijking met het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit. Indien de hoeveelheid uitgesloten passiva niet meer bedraagt dan 5 % van de hoeveelheid eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit, wordt de uitgesloten hoeveelheid als niet-significant beschouwd. Boven die limiet beoordelen de afwikkelingsautoriteiten hoe significant de uitgesloten passiva zijn;

    5. het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit, alsmede haar stabiliteit en haar vermogen om bij te dragen aan de economie; en

    6. de gevolgen van eventuele herstructureringskosten voor de herkapitalisatie van de af te wikkelen entiteit.

    1.

    Het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste wordt door de afwikkelingsautoriteit vastgesteld, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, op basis van de volgende criteria:

    1. de noodzaak om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de af te wikkelen entiteit, indien passend met inbegrip van het instrument van bail-in, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen;

    2. de noodzaak om, waar passend, voor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, over voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende passiva beschikken om te waarborgen dat, indien het instrument van bail-in respectievelijk de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op hen zou worden toegepast, de verliezen zouden kunnen worden geabsorbeerd en dat het mogelijk de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio van de betrokken entiteiten weer op het niveau te brengen dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;

    3. de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien er in het afwikkelingsplan rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bepaalde categorieën in aanmerking komende passiva van een bail-in worden uitgesloten op grond van artikel 44, lid 3, van deze richtlijn, of volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de af te wikkelen entiteit voldoende eigen vermogen en andere in aanmerking komende passiva heeft om de verliezen te absorberen en de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio weer op het niveau te brengen dat nodig is om aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor haar overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;

    4. de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de entiteit;

    5. de mate waarin het falen van de entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer via besmetting van andere instellingen of entiteiten wegens de verwevenheid van de entiteit met die andere instellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel.

    2.

    Indien in het afwikkelingsplan is bepaald dat afwikkelingsmaatregelen moeten worden genomen of dat de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 59 moeten worden uitgeoefend overeenkomstig het in artikel 10, lid 3, bedoelde relevante scenario, is het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:

    1. de verliezen die de entiteit naar verwachting zal lijden, volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");

    2. de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die instellingen of entiteiten, als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2014/65/EU of een gelijkwaardige wetgevingshandeling een vergunning is verleend verder uit te oefenen voor een toereikende periode van maximaal één jaar ("herkapitalisatie").

    Indien in het afwikkelingsplan is bepaald dat de entiteit moet worden geliquideerd volgens een normale insolventieprocedure of een andere gelijkwaardige nationale procedure, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit of het gerechtvaardigd is het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor die entiteit te beperken zodat het niet hoger ligt dan een bedrag dat volstaat om verliezen te absorberen overeenkomstig punt a) van de eerste alinea.

    Bij de beoordeling door de afwikkelingsautoriteit wordt met name de in de tweede alinea bedoelde beperking geëvalueerd wat betreft eventuele gevolgen voor de financiële stabiliteit en het risico op besmetting van het financiële stelsel.

    3.

    Voor af te wikkelen entiteiten is het in lid 2, eerste alinea, bedoelde bedrag het volgende:

    1. voor de berekening van het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt a), de som van:

      1. het bedrag van de bij afwikkeling te absorberen verliezen dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereisten van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en

      2. een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde totale kapitaalratio-vereiste en haar in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en

    2. voor de berekening van het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt b), de som van:

      1. het bedrag van de bij afwikkeling te absorberen verliezen dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en

      2. een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep.

    Voor de toepassing van punt a) van artikel 45, lid 2, wordt het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt a) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door het totaal van de risicoposten.

    Voor de toepassing van punt b) van artikel 45, lid 2, wordt het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt b) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.

    Bij het vaststellen van het vereiste op individuele basis als bedoeld in de eerste alinea, punt b), van dit lid, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten, bedoeld in artikel 37, lid 10, en artikel 44, leden 5 en 8.

    Bij het vaststellen van de in de voorgaande alinea's bedoelde herkapitalisatiebedragen,

    1. maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde afwikkelingsmaatregelen; en

    2. stelt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, het bedrag dat overeenkomt met het geldende in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie van toepassing is op de af te wikkelen entiteit.

    De afwikkelingsautoriteit heeft de mogelijkheid het in de eerste alinea, punt a), ii), bedoelde vereiste te verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat, na afwikkeling, de entiteit voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.

    Indien de zesde alinea van dit lid van toepassing is, is het in die alinea bedoelde bedrag gelijk aan het gecombineerde buffervereiste dat van toepassing moet zijn na de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, verminderd met het in punt 6), onder a), van artikel 128 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde bedrag.

    Het in de zesde alinea van dit lid bedoelde bedrag wordt naar beneden bijgesteld indien de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, besluit dat het haalbaar en geloofwaardig zou zijn dat een lager bedrag volstaat om, na uitvoering van de afwikkelingsstrategie, het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat instelling of entiteit bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) en d), zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen een beroep te doen, overeenkomstig artikel 44, leden 5 en 8 en artikel 101, lid 2. Dat bedrag wordt naar boven bijgesteld indien de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, besluit dat een hoger bedrag noodzakelijk is om voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat dat de instelling of entiteit bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) en d), zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen een beroep te doen, overeenkomstig artikel 44, leden 5 en 8, en artikel 101, lid 2.

    4.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis bedoelde vereiste van Richtlijn 2013/36/EU en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    5.

    Voor af te wikkelen entiteiten die niet onder artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en die deel uitmaken van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa meer dan 100 miljard EUR bedragen, is het niveau van het in lid 3 van dit artikel bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:

    1. 13,5 % indien berekend volgens artikel 45, lid 2, punt a); en

    2. 5 % indien berekend volgens artikel 45, lid 2, punt b).

    In afwijking van artikel 45 ter voldoen de in de eerste alinea van dit lid bedoelde af te wikkelen entiteiten aan het in de eerste alinea van dit lid bedoelde vereiste, dat gelijk is aan 13,5 % indien berekend overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt a), en 5 % indien berekend overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt b), met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in artikel 45 ter, lid 3, van deze richtlijn bedoelde passiva.

    6.

    Een afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, besluiten het in lid 5 van dit artikel vastgestelde vereiste toe te passen op een af te wikkelen entiteit die niet onder artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 valt en die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa minder dan 100 miljard EUR bedragen en die volgens de afwikkelingsautoriteit redelijk waarschijnlijk een systeemrisico oplevert in het geval van diens falen.

    Bij het nemen van een in de eerste alinea van dit lid bedoeld besluit houdt een afwikkelingsautoriteit rekening met:

    1. het overwicht van deposito's, en het ontbreken van schuldinstrumenten, in het financieringsmodel;

    2. de mate waarin de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende passiva beperkt is;

    3. mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste.

    Het ontbreken van een besluit op grond van de eerste alinea van dit lid laat een besluit uit hoofde van artikel 45 ter, lid 5, onverlet.

    7.

    Voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, is het in lid 2, eerste alinea, bedoelde bedrag het volgende:

    1. voor de berekening van het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt a), de som van:

      1. het bedrag van te absorberen verliezen dat overeenstemt met de in artikel 92, lid 1, punt c) van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereisten van de entiteit; en

      2. een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 59 van deze richtlijn of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake totale kapitaalratio en haar in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste; en

    2. voor de berekening van het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt b), de som van:

      1. het bedrag van de te absorberen verliezen dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en

      2. een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 59 van deze richtlijn of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste.

    Voor de toepassing van punt a) van artikel 45, lid 2, wordt het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt a) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door het totaal van de risicoposten.

    Voor de toepassing van artikel 45, lid 2, punt b), wordt het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt b) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.

    Bij het vaststellen van het vereiste op individuele basis als bedoeld in punt b) van de eerste alinea van dit lid houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten, bedoeld in artikel 37, lid 10, en artikel 44, leden 5 en 8.

    Bij het vaststellen van de in de voorgaande alinea's bedoelde herkapitalisatiebedragen,

    1. maakt de afwikkelingsraad gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele veranderingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen; en

    2. stelt de afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat van toepassing is op de betrokken entiteit na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 59 van deze richtlijn of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.

    De afwikkelingsautoriteit heeft de mogelijkheid p, het in de eerste alinea, punt a), onder ii), van dit lid bedoelde vereiste te verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat de entiteit, na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 59, voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.

    Indien de zesde alinea van dit lid van toepassing is, is het in die alinea bedoelde bedrag gelijk aan het gecombineerde buffervereiste als bedoeld in artikel 128, punt 6), van Richtlijn 2013/36/EU, dat van toepassing moet zijn na de uitoefening van de in artikel 59 van deze richtlijn bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep verminderd met het in punt 6, onder a) van artikel 128 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde bedrag.

    Het in de zesde alinea van dit lid bedoelde bedrag wordt naar beneden bijgesteld indien de afwikkelingsautoriteit na raadpleging van de bevoegde autoriteit besluit dat het haalbaar en geloofwaardig zou zijn dat een lager bedrag volstaat om, na het uitoefenen van de in artikel 59 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, het marktvertrouwen te waarborgen en ervoor te zorgen dat de instelling of entiteit bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen een beroep te doen, overeenkomstig artikel 44, leden 5 en 8 en artikel 101, lid 2. Dat bedrag wordt naar boven bijgesteld indien de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, besluit dat een hoger bedrag noodzakelijk is om voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar voldoende marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de instelling of entiteit bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen een beroep te doen, overeenkomstig artikel 44, leden 5 en 8, en artikel 101, lid 2.

    8.

    Indien de afwikkelingsautoriteit verwacht dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende passiva met een redelijke waarschijnlijkheid geheel of gedeeltelijk van een bail-in zullen worden uitgesloten op grond van artikel 44, lid 3, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, wordt aan het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voldaan met gebruik van eigen vermogen of andere in aanmerking komende passiva die volstaan om:

    1. het bedrag van de overeenkomstig artikel 44, lid 3, aangemerkte uitgesloten passiva te dekken;

    2. te verzekeren dat aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.

    9.

    Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van dit artikel een minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op te leggen, bevat een motivering van dat besluit, met inbegrip van een volledige beoordeling van de in de leden 2 tot en met 8 van dit artikel bedoelde elementen, en wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU.

    10.

    Voor de toepassing van de leden 3 en 7 van dit artikel worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de bevoegde autoriteit van de overgangsbepalingen die zijn neergelegd in deel tien, titel I, hoofdstukken 1, 2 en 4 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in de bepalingen van de nationale wetgeving waarbij de door die verordening aan de bevoegde autoriteiten verleende opties worden uitgeoefend.

    1.

    Het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI of een deel van een MSI is, bestaat uit het volgende:

    1. de in artikel 92 bis en artikel 494 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en

    2. eventuele aanvullende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die entiteit is vastgesteld overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

    2.

    Het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de Unie, bestaat uit:

    1. de in de artikelen 92 ter en 494 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en

    2. een eventueel aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dat door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die dochteronderneming van wezenlijk belang is vastgesteld overeenkomstig lid 3 van dit artikel en waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen en passiva die de voorwaarden van artikel 45 septies en artikel 89, lid 2, vervullen.

    3.

    De afwikkelingsautoriteit legt een in lid 1, punt b), en lid 2, punt b), bedoeld aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva uitsluitend op:

    1. indien het vereiste als bedoeld in lid 1, punt a), of lid 2, punt a), van dit artikel niet volstaat om aan de in artikel 45 quater gestelde voorwaarden te voldoen; en

    2. voor zover dit ervoor zorgt dat de voorwaarden van artikel 45 quater zijn vervuld.

    4.

    Voor de toepassing van artikel 45 nonies, lid 2, berekenen de betrokken afwikkelingsautoriteiten, indien twee of meer MSI-entiteiten die tot dezelfde MSI behoren af te wikkelen entiteiten zijn, het in lid 3 bedoelde bedrag:

    1. voor elke af te wikkelen entiteit;

    2. voor de EU-moederonderneming alsof ze de enige af te wikkelen entiteit van de MSI was.

    5.

    Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van lid 1, punt b), of lid 2, punt b, van dit artikel een aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op te leggen, bevat een motivering van dat besluit, met inbegrip van een volledige beoordeling van de in lid 3 van dit artikel bedoelde elementen, en wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU dat op de af te wikkelen groep of de dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de Unie van toepassing is.

    1.

    Af te wikkelen entiteiten voldoen op geconsolideerde basis op het niveau van de af te wikkelen groep aan de in de artikelen 45 ter tot en met 45 quinquies neergelegde vereisten.

    2.

    De afwikkelingsautoriteit bepaalt het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 45 nonies op basis van de in de artikelen 45 ter tot en met 45 quinquies neergelegde vereisten en op basis van de vraag of de in derde landen gevestigde dochterondernemingen van de groep volgens het afwikkelingsplan afzonderlijk moeten worden afgewikkeld.

    3.

    Voor overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 83 ter, onder b), aangewezen af te wikkelen groepen, besluit de betrokken afwikkelingsautoriteit, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme en de voorkeursafwikkelingsstrategie, welke entiteiten van de af te wikkelen groep aan artikel 45 quater, leden 3 en 5, en artikel 45 quinquies, lid 1, moeten voldoen om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep in haar geheel voldoet aan de leden 1 en 2 van dit artikel, en hoe dergelijke entiteiten dat dienen te doen overeenkomstig het afwikkelingsplan.

    1.

    Instellingen die dochterondernemingen van een af te wikkelen entiteit of een entiteit van een derde land zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op individuele basis aan de in artikel 45 quater neergelegde vereisten.

    Een afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, besluiten om het in dit artikel neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d) bedoelde entiteit die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.

    In afwijking van de eerste alinea van dit lid voldoen EU-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, maar die dochterondernemingen van entiteiten van derde landen zijn, op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies neergelegde vereisten.

    Voor overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 83 ter, onder b), aangewezen af te wikkelen groepen, voldoen blijvend bij een centraal orgaan aangesloten kredietinstellingen, maar die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, een centraal orgaan dat zelf geen af te wikkelen entiteit is, en af te wikkelen entiteiten die niet onder een vereiste uit hoofde van artikel 45 sexies, lid 3, vallen, op individuele basis aan artikel 45 quater, lid 7.

    Het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor een in dit lid bedoelde entiteit wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 45 nonies en 89, waar toepasselijk, en op basis van de in artikel 45 quater neergelegde vereisten.

    2.

    Aan het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten wordt voldaan met een of meer van de volgende elementen:

    1. passiva:

      1. die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep die de passiva van de onder dit artikel vallende entiteit hebben gekocht, of zijn uitgegeven aan en gekocht door een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;

      2. die voldoen aan de in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde criteria om in aanmerking te komen, met uitzondering van artikel 72 ter, lid 2, punten b), c), k), l) en m), en artikel 72 ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening;

      3. die in normale insolventieprocedures van lagere rang zijn dan passiva die niet voldoen aan de in onder i) bedoelde voorwaarde en niet in aanmerking komen voor eigenvermogensvereisten;

      4. die onderworpen zijn aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie van de af te wikkelen groep, met name door de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming niet nadelig te beïnvloeden;

      5. waarvan de verwerving van eigendom direct noch indirect financieren wordt door de entiteit waarop dit artikel van toepassing is;

      6. met betrekking waartoe in de geldende bepalingen expliciet noch impliciet vermeld wordt dat de passiva door de onder dit artikel vallende entiteit zouden worden opgevraagd, afgelost, vervroegd terugbetaald of opnieuw ingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van die entiteit, en die entiteit dit niet anderszins vermeldt;

      7. met betrekking waartoe de geldende bepalingen de houder ervan niet het recht geven de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve in het geval van de insolventie of liquidatie van de onder dit artikel vallende entiteit;

      8. waarvoor het niveau van de daarover verschuldigde rentebetalingen of dividenduitkeringen, naargelang het geval, niet wijzigt op basis van de kredietwaardigheid van de entiteit waarop dit artikel van toepassing is of van de moederonderneming daarvan;

    2. eigen vermogen, als volgt:

      1. tier 1-kernkapitaal, en

      2. ander eigen vermogen dat:

        • zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, of

        • zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming.

    3.

    De afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming die geen af te wikkelen entiteit is, kan afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:

    1. zowel de dochteronderneming als de af te wikkelen entiteit in dezelfde lidstaat is gevestigd en deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep;

    2. de af te wikkelen entiteit voldoet aan het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste;

    3. er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van passiva door de af te wikkelen entiteit aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 59, lid 3, in het bijzonder indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen;

    4. de af te wikkelen entiteit de bevoegde autoriteit ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de bevoegde autoriteit, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen belang zijn;

    5. de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de af te wikkelen entiteit wordt betrokken;

    6. de af te wikkelen entiteit meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan de aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het leidinggevend orgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan;

    4.

    De afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming die geen af te wikkelen entiteit is, kan afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:

    1. zowel de dochteronderneming als haar moederonderneming in dezelfde lidstaat is gevestigd en deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep;

    2. de moederonderneming in die lidstaat op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste;

    3. er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van passiva door de moederonderneming aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 59, lid 3, met name indien ten aanzien van de moederonderneming afwikkelingsmaatregelen worden genomen of de bevoegdheid als bedoeld in artikel 59, lid 1, wordt uitgeoefend;

    4. de moederonderneming de bevoegde autoriteit ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de bevoegde autoriteit, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen betekenis zijn;

    5. de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming wordt betrokken;

    6. de moederonderneming meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming, of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het leidinggevend orgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.

    5.

    Indien de in lid 3, punten a) en b), neergelegde voorwaarden zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming toestaan dat aan het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste geheel of gedeeltelijk wordt voldaan met een door de af te wikkelen entiteit verstrekte garantie, die aan de volgende voorwaarden voldoet:

    1. de garantie wordt verstrekt voor een bedrag dat op zijn minst gelijk is aan het bedrag van het vereiste dat ze vervangt;

    2. de garantie wordt geactiveerd ingeval de dochteronderneming niet in staat is haar schulden of andere verplichtingen te betalen op het moment dat deze opeisbaar worden of ingeval ten aanzien van de dochteronderneming een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 59, lid 3, indien dat eerder is;

    3. de garantie voor ten minste 50 % van haar bedrag wordt gedekt door middel van een financiëlezekerheidsovereenkomst als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt a), van Richtlijn 2002/47/EG;

    4. de zekerheid ter dekking van de garantie voldoet aan de vereisten van artikel 197 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en volstaat, na gepaste conservatieve "haircuts", om het met zekerheden gedekte bedrag als bedoeld in punt c), te dekken;

    5. de zekerheid ter dekking van de garantie is onbezwaard en wordt met name niet gebruikt als zekerheid om een andere garantie te dekken;

    6. de zekerheid heeft een effectieve looptijd die aan de looptijdvoorwaarde in artikel 72 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoet; en

    7. er zijn geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen voor de overdracht van de zekerheid van de af te wikkelen entiteit aan de desbetreffende dochteronderneming, ook niet indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.

    Voor de toepassing van de eerste alinea, punt g), verstrekt de af te wikkelen entiteit op verzoek van de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijk schriftelijk en met redenen omkleed juridisch advies of toont ze anderszins op een bevredigende wijze aan dat er geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen zijn voor de overdracht van de zekerheid van de af te wikkelen entiteit aan de betrokken dochteronderneming.

    6.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de methoden om te voorkomen dat voor de toepassing van dit artikel erkende instrumenten die indirect geheel of gedeeltelijk bij de af te wikkelen entiteit zijn geplaatst, de vlotte uitvoering van de afwikkelingsstrategie hinderen. Dergelijke methoden moeten met name zorgen voor de passende overdracht van verliezen naar de af te wikkelen entiteit en de passende overdracht van kapitaal van de af te wikkelen entiteit naar entiteiten die deel uitmaken van de af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, en voorzien in een mechanisme om te voorkomen dat in aanmerking komende instrumenten die voor de toepassing van dit artikel zijn erkend, dubbel worden geteld. Zij behelzen een aftrekregeling of een even solide benadering en zij waarborgen aan entiteiten die zelf niet de af te wikkelen entiteit zijn, een resultaat dat gelijkwaardig is aan dat van een volledige directe plaatsing bij de af te wikkelen entiteit van in aanmerking komende instrumenten die voor de toepassing van dit artikel zijn erkend.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    De afwikkelingsautoriteit kan een centraal orgaan of een kredietinstelling dat of die blijvend bij een centraal orgaan is aangesloten, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van artikel 45 septies indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de kredietinstelling en het centrale orgaan vallen onder het toezicht van dezelfde bevoegde autoriteit, zijn gevestigd in dezelfde lidstaat en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;

    2. de verplichtingen van het centrale orgaan en zijn blijvend aangesloten kredietinstellingen zijn hoofdelijke verplichtingen, of de verplichtingen van de blijvend aangesloten kredietinstellingen worden volledig door het centrale orgaan gegarandeerd;

    3. het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, en de solvabiliteit en liquiditeit van het centrale orgaan en van alle blijvend aangesloten kredietinstellingen worden in hun totaliteit gemonitord op basis van de geconsolideerde jaarrekening van die instellingen;

    4. in het geval van een ontheffing voor een blijvend bij een centraal orgaan aangesloten kredietinstelling, is de leiding van het centrale orgaan bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de blijvend aangesloten instelling;

    5. de betrokken af te wikkelen groep voldoet aan het in artikel 45 sexies, lid 3, bedoelde vereiste; en

    6. er is geen bestaande of voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva tussen het centrale orgaan en de blijvend aangesloten kredietinstellingen in geval van afwikkeling.

    1.

    De afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau indien deze verschilt van de eerstgenoemde, en de afwikkelingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de dochterondernemingen van een af te wikkelen groep waarop het in artikel 45 septies bedoelde vereiste op individuele basis van toepassing is, zullen alles doen wat in hun vermogen ligt om tot een gezamenlijk besluit te komen over:

    1. het bedrag van het op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep toegepaste vereiste voor elke af te wikkelen entiteit; en

    2. het bedrag van het op individuele basis toe te passen vereiste op elke entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit is.

    Het gezamenlijke besluit verzekert de naleving van de artikelen 45 sexies en 45 septies en wordt volledig gemotiveerd en wordt verstrekt aan:

    1. de af te wikkelen entiteit door haar afwikkelingsautoriteit;

    2. de entiteiten van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn, door de afwikkelingsautoriteiten van die entiteiten;

    3. de EU-moederonderneming van de groep door de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, indien die EU-moederonderneming zelf geen af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep is.

    In het op grond van dit artikel genomen gezamenlijke besluit kan worden bepaald dat, indien zulks in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie en de af te wikkelen entiteit niet voldoende instrumenten direct of indirect heeft aangekocht die aan artikel 45 septies, lid 2, beantwoorden, de dochteronderneming overeenkomstig artikel 45 septies, lid 2, gedeeltelijk aan de in artikel 45 quater, lid 7, bedoelde vereisten voldoet met instrumenten die zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep.

    2.

    Indien twee of meer MSI-entiteiten die tot dezelfde MSI behoren af te wikkelen entiteiten zijn, bespreken de in lid 1 bedoelde afwikkelingsautoriteiten en, indien passend en in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie van de MSI's, maken ze afspraken over de toepassing van artikel 72 sexies van Verordening (EU) nr. 575/2013 en een eventuele aanpassing om het verschil tussen de som van de in artikel 45 quinquies, lid 4, punt a), en artikel 12 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten en de som van de in artikel 45 quinquies, lid 4, punt b), en artikel 12 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedragen tot een minimum te beperken of te elimineren.

    Een dergelijke aanpassing kan onder voorbehoud van het volgende worden toegepast:

    1. de aanpassing kan worden toegepast met betrekking tot verschillen in de berekening van het totaal van de risicoposten tussen de betrokken lidstaten door de hoogte van het vereiste aan te passen;

    2. de aanpassing wordt niet toegepast om verschillen als gevolg van blootstellingen tussen af te wikkelen groepen te elimineren.

    De som van de in artikel 45 quinquies, lid 4, punt a), van deze richtlijn en artikel 12 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten mag niet lager zijn dan de som van de in artikel 45 quinquies, lid 4, punt b), van deze richtlijn en artikel 12 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedragen.

    3.

    Indien er niet binnen vier maanden een gezamenlijk besluit wordt genomen, wordt een besluit genomen overeenkomstig de leden 4, 5 en 6.

    4.

    Indien niet binnen vier maanden een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot een geconsolideerd vereiste voor de af te wikkelen groep als bedoeld in artikel 45 sexies, neemt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit een besluit over dat vereiste na terdege rekening te hebben gehouden met:

    1. de door de betrokken afwikkelingsautoriteiten uitgevoerde beoordeling van entiteiten van de af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn;

    2. het advies van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien verschillend van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit.

    Indien een van de betrokken afwikkelingsautoriteiten aan het eind van de periode van vier maanden de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit haar besluit uit, wacht zij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af en neemt zij haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.

    De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten a) en b) van de eerste alinea.

    De periode van vier maanden wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt haar besluit binnen één maand.

    De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

    Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt, nadat de zaak aan haar is voorgelegd, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit van toepassing.

    5.

    Indien niet binnen vier maanden een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot het in artikel 45 septies bedoelde niveau van het vereiste dat op individuele basis op een entiteit van een af te wikkelen groep moet worden toegepast, wordt het besluit genomen door de afwikkelingsautoriteit van die entiteit, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. er is terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden die de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit kenbaar heeft gemaakt; en

    2. indien een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verschilt van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, is er terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.

    Indien de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau aan het eind van de periode van vier maanden de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stellen de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis hun besluit uit, wachten zij het eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af en nemen zij hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De EBA houdt bij het nemen van zijn besluit rekening met de punten a) en b) van de eerste alinea.

    De periode van vier maanden wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt haar besluit binnen één maand.

    De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

    De afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau legt de zaak niet voor bindende bemiddeling aan de EBA voor indien het niveau dat is vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming:

    1. met betrekking tot het vereiste als bedoeld in artikel 45 sexies binnen een bandbreedte ligt van 2 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013; en

    2. voldoet aan artikel 45 quater, lid 7.

    Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt, nadat de zaak aan haar is voorgelegd, zijn de besluiten van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van toepassing.

    Het gezamenlijke besluit en alle besluiten die bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit zijn genomen, worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.

    6.

    Indien er niet binnen vier maanden een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot de hoogte van het geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep en de hoogte van de op individuele basis op de entiteiten van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste, geldt het volgende:

    1. er wordt een besluit genomen over het niveau van het op individuele basis op de dochterondernemingen van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste overeenkomstig lid 5;

    2. er wordt een besluit genomen over het niveau van geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep overeenkomstig lid 4.

    7.

    Het in lid 1 bedoelde gezamenlijke besluit en alle besluiten die de in de leden 4, 5 en 6 bedoelde afwikkelingsautoriteiten bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit hebben genomen, zijn bindend voor de betrokken afwikkelingsautoriteiten.

    Het gezamenlijke besluit en alle besluiten die bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit zijn genomen, worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.

    8.

    In afstemming met de bevoegde autoriteiten verlangen de afwikkelingsautoriteiten dat, en verifiëren ze of, de entiteiten voldoen aan het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste en nemen ze elk besluit op grond van dit artikel parallel met het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen.

    1.

    De in artikel 1, lid 1, bedoelde entiteiten waarop het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste van toepassing is, rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten over het volgende:

    1. de bedragen aan eigen vermogen dat waar toepasselijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 45 septies, lid 2, punt b), van deze richtlijn en de bedragen aan in aanmerking komende passiva en diezelfde bedragen, uitgedrukt overeenkomstig artikel 45, lid 2, van deze richtlijn, na enige toepasselijke inhoudingen overeenkomstig de artikelen 72 sexies tot en met 72 undecies van Verordening (EU) nr. 575/2013;

    2. de bedragen van andere bail-inbare passiva;

    3. voor de in de punten a) en b) bedoelde bestanddelen:

      1. hun samenstelling, waaronder hun looptijdprofiel,

      2. de rang ervan in normale insolventieprocedures, en

      3. of zij onder de wetgeving van een derde land vallen, en indien dat het geval is, welk derde land, en of zij de in artikel 55, lid 1, van deze richtlijn, artikel 52, lid 1, punten p) en q) en artikel 63, punten n) en o), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde contractuele voorwaarden bevatten.

    De verplichting om verslag uit te brengen over de in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde bedragen aan andere bail-inbare passiva is niet van toepassing op entiteiten die op de datum van de rapportage van die informatie bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva aanhouden die, minstens 150 % bedragen van het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste, als berekend overeenkomstig punt a) van de eerste alinea van dit lid.

    2.

    De in lid 1 bedoelde entiteiten rapporteren:

    1. ten minste halfjaarlijks de informatie, bedoeld in lid 1, punt a), en

    2. ten minste jaarlijks de informatie, bedoeld in lid 1, punten b) en c).

    De in lid 1 bedoelde entiteiten rapporteren echter de in lid 1 bedoelde informatie frequenter indien de bevoegde autoriteit of de afwikkelingsautoriteit daarom verzoekt.

    3.

    De in lid 1 bedoelde entiteiten maken de volgende informatie ten minste jaarlijks publiek beschikbaar:

    1. de bedragen aan eigen vermogen dat, waar toepasselijk, voldoet aan de voorwaarden van artikel 45 septies, lid 2, punt b), en in aanmerking komende passiva;

    2. de samenstelling van de in punt a) bedoelde bestanddelen, met inbegrip van hun looptijdprofiel en rang in een normale insolventieprocedure;

    3. het toepasselijke vereiste als bedoeld in artikel 45 sexies of artikel 45 septies, uitgedrukt overeenkomstig artikel 45, lid 2.

    4.

    De leden 1 en 3 van dit artikel gelden niet voor entiteiten waarvan het afwikkelingsplan bepaalt dat de entiteit moet worden geliquideerd volgens de normale insolventieprocedure.

    5.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de eenvormige rapportagemodellen, instructies en methoden voor het gebruik van de modellen, de frequentie en de rapportagedata, definities en IT-oplossingen voor de in de leden 1 en 2 bedoelde toezichtsrapportage.

    Die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen vermelden een gestandaardiseerde manier om informatie te verstrekken over de in lid 1, punt c), bedoelde rangorde van bestanddelen van toepassing in nationale insolventieprocedures in elke lidstaat.

    Voor instellingen of entiteiten bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), van deze richtlijn, die onderworpen zijn aan artikel 92 bis en 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen, in voorkomend geval, afgestemd op de technische uitvoeringsnormen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 430 van die verordening.

    De EBA dient die technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 in bij de Commissie.

    De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    6.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de eenvormige openbaarmakingsformats, de frequentie en de aanverwante instructies voor het verrichten van de krachtens lid 3 vereiste openbaarmakingen.

    Die eenvormige openbaarmakingsformats verschaffen voldoende brede en vergelijkbare informatie voor het beoordelen van de risicoprofielen van entiteiten in de zin van artikel 1, lid 1, en de mate waarin zij voldoen aan het toepasselijke vereiste, bedoeld in artikel 45 sexies of artikel 45 septies. De openbaarmakingsformats hebben in voorkomend geval de vorm van tabellen.

    Voor instellingen of entiteiten bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), van deze richtlijn, die onderworpen zijn aan artikel 92 bis en 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen, in voorkomend geval, afgestemd op de technische uitvoeringsnormen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 434 bis van die verordening.

    De EBA dient die technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 in bij de Commissie.

    De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    7.

    Indien afwikkelingsmaatregelen zijn uitgevoerd of de in artikel 59 bedoelde afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, gelden de in lid 3 bedoelde openbaarmakingsvereisten vanaf de in artikel 45 quaterdecies bedoelde datum waarop aan de vereisten van artikel 45 sexies of artikel 45 septies moet zijn voldaan.

    1.

    De afwikkelingsautoriteiten stellen de EBA in kennis van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dat voor elke entiteit overeenkomstig artikel 45 sexies of artikel 45 septies in hun rechtsgebied is vastgesteld.

    2.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van eenvormige rapportagemodellen, instructies en methoden voor het gebruik van die modellen, frequentie en data van de rapportage, definities en IT-oplossingen voor de identificatie en doorgifte van informatie door afwikkelingsautoriteiten, in overleg met de bevoegde autoriteiten, aan de EBA voor de toepassing van lid 1.

    De EBA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 in bij de Commissie.

    De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Elke schending van het in artikel 45 sexies of artikel 45 septies bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva wordt door de bevoegde autoriteiten aangepakt met behulp van ten minste één van het volgende:

    1. bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig de artikelen 17 en 18;

    2. in artikel 16 bis bedoelde bevoegdheden;

    3. in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde maatregelen;

    4. vroegtijdige-interventiemaatregelen overeenkomstig artikel 27;

    5. administratieve sancties en andere administratieve maatregelen overeenkomstig de artikelen 110 en 111.

    De betrokken autoriteiten kunnen ook beoordelen of de instelling of entiteit bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), faalt of waarschijnlijk zal falen, overeenkomstig artikel 32, artikel 32 bis of artikel 33, naar gelang het geval.

    2.

    De afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar wanneer ze hun respectieve in lid 1 bedoelde bevoegdheden uitoefenen.

    1.

    In samenwerking met de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten dient de EBA bij de Commissie jaarlijks een rapport in waarin ten minste het volgende wordt beoordeeld:

    1. hoe het overeenkomstig artikel 45 sexies of artikel 45 septies vastgestelde vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op nationaal niveau ten uitvoer is gelegd, en met name of er tussen de lidstaten verschillen in de voor vergelijkbare entiteiten vastgestelde niveaus zijn;

    2. hoe afwikkelingsautoriteiten de in artikel 45 ter, leden 4, 5 en 7, bedoelde bevoegdheid hebben uitgeoefend en of er tussen de lidstaten verschillen in de uitoefening van die bevoegdheid zijn;

    3. het geaggregeerde niveau en de samenstelling van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van instellingen en entiteiten, de bedragen van in de betreffende periode uitgegeven instrumenten, en de aanvullende bedragen die nodig zijn om aan de toepasselijke vereisten te voldoen.

    2.

    Naast het jaarlijkse verslag als bepaald in lid 1 dient de EBA elke drie jaar bij de Commissie een rapport in met een beoordeling van:

    1. het effect van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, en van eventuele voorgestelde geharmoniseerde niveaus van dat minimumvereiste, op:

      1. de financiële markten in het algemeen en de markten voor ongedekte schuld en derivaten in het bijzonder;

      2. de bedrijfsmodellen en balansstructuren van instellingen, met name het financieringsprofiel en de financieringsstrategie van instellingen, en de juridische en operationele structuur van groepen;

      3. de winstgevendheid van instellingen, met name hun financieringskosten;

      4. de migratie van risicoblootstellingen naar entiteiten die niet aan prudentieel toezicht zijn onderworpen;

      5. financiële innovatie;

      6. het overwicht van eigenvermogensinstrumenten en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten en hun aard en verhandelbaarheid.

      7. het risicogedrag van instellingen of entiteiten bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d);

      8. de mate van bezwaring van activa van instellingen of entiteiten bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d);

      9. de door instellingen of entiteiten bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), genomen maatregelen om aan het minimumvereiste te voldoen, en met name de mate waarin aan het minimumvereiste is voldaan door de afstoting van activa, de uitgifte van langlopend schuldpapier en het aantrekken van kapitaal; en

      10. het niveau van de kredietverlening door kredietinstellingen, met bijzondere aandacht voor kredietverlening aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, lokale en regionale overheden en publiekrechtelijke lichamen, en voor handelsfinanciering, met inbegrip van kredietverlening in het kader van officiële exportkredietverzekeringsregelingen;

    2. de interactie van de minimumvereisten met de in Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU neergelegde eigenvermogensvereisten, hefboomratio en liquiditeitsvereisten;

    3. het vermogen van instellingen of entiteiten bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), om zelfstandig kapitaal of financiering van markten aan te trekken teneinde aan eventuele voorgestelde geharmoniseerde minimumvereisten te voldoen;

    3.

    Het in lid 1 bedoelde rapport wordt uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar dat volgt op het laatste jaar waarop het verslag betrekking heeft, bij de Commissie ingediend. Het eerste rapport wordt uiterlijk op 30 september van het jaar na de toepassingsdatum van deze richtlijn bij de Commissie ingediend.

    Het in lid 2 bedoelde rapport heeft betrekking op drie kalenderjaren en wordt uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het laatste jaar waarop het verslag betrekking heeft, bij de Commissie ingediend. Het eerste verslag wordt uiterlijk op 31 december 2022 bij de Commissie ingediend.

    1.

    In afwijking van artikel 45, lid 1, bepalen de afwikkelingsautoriteiten geschikte overgangsperiodes voor instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), om te voldoen aan de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies, of aan vereisten die uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, lid 5 of lid 7, naargelang het geval, voortvloeien. Instellingen en entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2024 aan de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies of aan vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, lid 5 of lid 7,.

    De afwikkelingsautoriteit bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies of voor vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, lid 5 of lid 7, naargelang het geval, waaraan instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), op 1 januari 2022 moet voldoen. Die tussentijdse streefniveaus zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva naar het vereiste toe.

    De afwikkelingsautoriteit kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in lid 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na 1 januari 2024 verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:

    1. de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;

    2. het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn binnen een redelijke termijn te voldoen aan de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies, of aan een vereiste die uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, lid 5 of lid 7 voortvloeit; en

    3. de vraag of de entiteit in staat is te zorgen voor vervanging van passiva die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72 ter en 72 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 45 ter of artikel 45 septies, lid 2, van deze richtlijn en indien niet, de vraag of dat onvermogen eigen aan de entiteit is, dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring.

    2.

    Af te wikkelen entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2022 aan het minimumniveau van de in artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, bedoelde vereisten.

    3.

    De minimumniveaus van de in artikel 45 quater, leden 5 en 6, bedoelde vereisten is niet van toepassing binnen de periode van twee jaar die volgt op de datum waarop:

    1. de afwikkelingsautoriteit het instrument van bail-in heeft toegepast; of

    2. de af te wikkelen entiteit een in artikel 32, lid 1, punt b), bedoelde alternatieve maatregel van de particuliere sector heeft doorgevoerd waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalinstrumenten omgezet, of ten aanzien van die af te wikkelen entiteit overeenkomstig artikel 59 afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, teneinde de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten worden toegepast.

    4.

    De vereisten, bedoeld in artikel 45 ter, leden 4 en 7, alsmede artikel 45 quater, leden 5 en 6, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, bedoelde situatie bevindt.

    5.

    In afwijking van artikel 45, lid 1, bepalen de afwikkelingsautoriteiten een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 45 sexies of artikel 45 septies, of aan een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, lid 5 of lid 7, naargelang het geval, voor instellingen of entiteiten, bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), ten aanzien waarvan de afwikkelingsinstrumenten of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting bedoeld in artikel 59 zijn toegepast.

    6.

    Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 5 delen de afwikkelingsautoriteiten de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva mee voor elke periode van 12 maanden gedurende de overgangsperiode, teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het eind van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelijk aan het bedrag dat is vastgesteld op grond van artikel 45 ter, lid 4, lid 5 of lid 7, artikel 45 quater, lid 5 of lid 6, artikel 45 sexies of artikel 45 septies, naargelang het geval.

    7.

    Bij het bepalen van de overgangsperiodes houden de afwikkelingsautoriteiten rekening met:

    1. het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;

    2. de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende passiva;

    3. de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 45 sexies bedoelde vereiste.

    8.

    Onder voorbehoud van lid 1 belet niets de afwikkelingsautoriteiten de overgangsperiode of een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva als meegedeeld krachtens lid 6 later te herzien.".

  18. In artikel 46 worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva".

  19. In artikel 47, lid 1, punt b), onder ii), worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva".

  20. Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt punt e) vervangen door:

      indien, en alleen indien, de totale vermindering van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten, de relevante kapitaalinstrumenten en de in bail-inbare passiva overeenkomstig de punten a) tot en met d) van dit lid minder is dan de som van de in artikel 47, lid 3, punten b) en c), bedoelde bedragen, verlagen de autoriteiten ingevolge artikel 44 de hoofdsom van, of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot, de rest van de in bail-inbare passiva, daaronder begrepen de in artikel 108, lid 3, bedoelde schuldinstrumenten, volgens de rangorde van vorderingen in normale insolventieprocedures, met inbegrip van de in artikel 108 bedoelde rangorde van deposito's in combinatie met de afschrijving ingevolge dit lid, punten a) tot en met d), in de mate die noodzakelijk is om de som van de in artikel 47, lid 3, punten b) en c), bedoelde bedragen te verkrijgen.";

    2. in lid 2 worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva";

    3. het volgende lid wordt toegevoegd:

      "7.

      De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de entiteiten, bedoeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, punten a) tot en met d), alle vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen in hun nationale op normale insolventieprocedures toepasselijke recht een lagere rang hebben dan die van vorderingen die niet voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel.

      Voor de toepassing van de eerste alinea wordt voor zover een instrument slechts gedeeltelijk als een eigenvermogensbestanddeel wordt erkend, het gehele instrument behandeld als een uit een eigenvermogensbestanddeel voortvloeiende vordering met een lagere rang dan vorderingen die niet voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel.".

  21. Artikel 55 wordt vervangen door:

    1.

    De lidstaten verplichten de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde instellingen en entiteiten om een contractuele bepaling op te nemen waarin de schuldeiser of partij bij de overeenkomst of het instrument waarmee passiva tot stand komen, erkent dat die passiva aan de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden kunnen worden onderworpen, en ermee instemt gebonden te zijn aan elke verlaging van de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag, omzetting of intrekking die resulteert uit de uitoefening van deze bevoegdheden door een afwikkelingsautoriteit, mits die passiva aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:

    1. de passiva zijn niet uitgesloten op grond van artikel 44, lid 2;

    2. de passiva zijn geen deposito's als bedoeld in artikel 108, punt a);

    3. de passiva vallen onder het recht van een derde land;

    4. de passiva zijn uitgegeven of aangegaan na de datum waarop een lidstaat de bepalingen ter omzetting van deze afdeling toepast.

    De afwikkelingsautoriteiten kunnen besluiten dat de verplichting bedoeld in de eerste alinea van dit lid niet van toepassing is op instellingen of entiteiten waarvoor het vereiste op grond van artikel 45, lid 1, gelijk is aan het verliesabsorptiebedrag als gedefinieerd in artikel 45 quater, lid 2, punt a), mits passiva die voldoen aan de in de eerste alinea, punten a) tot en met d) bedoelde voorwaarden, en ten aanzien waarvan het in die alinea bedoelde contractuele beding niet is opgenomen, niet voor dit vereiste worden meegerekend.

    De eerste alinea is niet van toepassing indien de afwikkelingsautoriteit van een lidstaat vaststelt dat de in de eerste alinea bedoelde verplichtingen of instrumenten onderworpen kunnen zijn aan de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden van de afwikkelingsautoriteit van een lidstaat krachtens het recht van het derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst.

    2.

    De lidstaten zorgen ervoor dat indien een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), tot de vaststelling komt dat het juridisch of anderszins onuitvoerbaar is om een overeenkomstig lid 1 vereist beding op te nemen in de voor betrokken passiva geldende contractuele bepalingen, stelt die instelling of entiteit de afwikkelingsautoriteit daarvan in kennis, samen met de vermelding van de categorie passiva en de rechtvaardiging van die vaststelling. De instelling of entiteit verstrekt de afwikkelingsautoriteit alle informatie waarom de afwikkelingsautoriteit binnen een redelijke termijn na ontvangst van de in deze alinea bedoelde kennisgeving verzoekt, zodat de afwikkelingsautoriteit kan beoordelen welke gevolgen die kennisgeving heeft op de afwikkelbaarheid van die instelling of entiteit.

    De lidstaten zorgen ervoor dat in geval van een kennisgeving op grond van de eerste alinea van dit lid de verplichting om een overeenkomstig lid 1 vereist beding in de contractuele bepalingen op te nemen, automatisch wordt opgeschort zodra de afwikkelingsautoriteit de kennisgeving heeft ontvangen.

    Indien de afwikkelingsautoriteit concludeert dat het niet juridisch of anderszins onuitvoerbaar is om een overeenkomstig lid 1 vereist beding op te nemen in de voor een betrokken verplichting geldende contractuele bepalingen, eist zij, rekening houdend met de plicht om de afwikkelbaarheid van de instelling of entiteit te waarborgen, dat een dergelijk contractueel beding binnen een redelijke termijn na de kennisgeving overeenkomstig de eerste alinea wordt opgenomen. De afwikkelingsautoriteit mag daarnaast eisen dat de instelling of entiteit haar praktijken inzake de toepassing van de vrijstelling van de contractuele erkenning van bail-in wijzigt.

    De in de eerste alinea van dit lid bedoelde passiva omvatten geen aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2-instrumenten en schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 48), ii), indien die instrumenten ongedekte passiva zijn. Bovendien zijn de in de eerste alinea van dit lid bedoelde passiva van een hogere rang dan de in de artikel 108, lid 2, punten a), b) en c), en artikel 108, lid 3, bedoelde passiva.

    Indien de afwikkelingsautoriteit, wanneer zij overeenkomstig de artikelen 15 en 16 de afwikkelbaarheid van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), beoordeelt, of op ongeacht welk ander tijdstip vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende passiva omvat, het bedrag aan passiva zonder het in lid 1 bedoelde contractueel beding, samen met de passiva die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van bail-in overeenkomstig artikel 44, lid 2, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten overeenkomstig artikel 44, lid 3, meer bedraagt dan 10 % van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen dit bijzondere feit heeft voor de afwikkelbaarheid van die instelling of entiteit, onder meer de gevolgen voor de afwikkelbaarheid die voortvloeien uit het risico op inbreuken op de in artikel 73 geregelde waarborgen voor schuldeisers bij de uitoefening van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op in aanmerking komende passiva.

    Indien de afwikkelingsautoriteit op basis van de in de vijfde alinea van dit lid bedoelde beoordeling concludeert dat de passiva die overeenkomstig de eerste alinea niet de in de lid 1 bedoelde contractuele bepaling bevatten, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij de in artikel 17 bepaalde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.

    De passiva waarvoor de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde instelling of entiteit nalaat het overeenkomstig lid 1 van dit artikel vereiste beding in de contractuele bepalingen op te nemen of waarvoor dat vereiste overeenkomstig dit lid niet geldt, worden niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.

    3.

    De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten de in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), bedoelde instellingen en entiteiten kunnen verplichten om aan de autoriteiten een juridisch advies overleggen over de juridische afdwingbaarheid en doeltreffendheid van de in lid 1 van dit artikel bedoelde contractueel beding.

    4.

    Indien een in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde instelling of entiteit in de contractuele bepalingen met betrekking tot een relevant passivum geen contractueel beding opneemt zoals vereist overeenkomstig dit artikel, lid 1, belet dat de afwikkelingsautoriteit niet om met betrekking tot dat passivum de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid uit te oefenen.

    5.

    De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de lijst van passiva waarvoor de in lid 1 vermelde uitzondering geldt en de inhoud van het krachtens dat lid vereiste contractueel beding nader te bepalen, rekening houdend met de verschillende bedrijfsmodellen van instellingen.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 3 juli 2015 in bij de Commissie.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    6.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

    1. de voorwaarden waaronder het voor een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), juridisch of anderszins onuitvoerbaar is om het in lid 1 van dit artikel bedoelde contractueel beding op te nemen in bepaalde categorieën verplichtingen;

    2. de voorwaarden waaronder de afwikkelingsautoriteit de opname van het contractueel beding moet eisen overeenkomstig lid 2, derde alinea;

    3. de redelijke termijn voor de afwikkelingsautoriteit om overeenkomstig lid 2, derde alinea, de opname van een contractueel beding te eisen.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    7.

    De afwikkelingsautoriteit vermeldt, indien zij dat noodzakelijk acht, de categorieën passiva ten aanzien waarvan een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), tot de vaststelling kan komen dat het juridisch of anderszins onuitvoerbaar is om het in lid 1 van dit artikel bedoelde contractueel beding op te nemen op basis van de ten gevolge van de toepassing van lid 6 nader bepaalde voorwaarden.

    8.

    De EBA stelt, met het oog op de toepassing van lid 2, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op tot nadere bepaling van eenvormige formats en modellen voor de kennisgeving aan de afwikkelingsautoriteiten.

    De EBA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

    De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

  22. In titel IV wordt de titel van hoofdstuk V vervangen door:

    "Afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva".

  23. Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de titel wordt vervangen door:

    2. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      De bevoegdheid om kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten kan als volgt worden uitgeoefend:

      1. onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen; of

      2. in combinatie met een afwikkelingsmaatregel, indien aan de in artikel 32, 32 bis of 33 vermelde voorwaarden voor afwikkeling is voldaan.

      Indien relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva indirect door de af te wikkelen entiteit zijn aangekocht via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid uitgeoefend ten aanzien van die relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva samen met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, zodat de verliezen daadwerkelijk worden doorgeschoven naar, en de betrokken entiteit wordt geherkapitaliseerd door, de af te wikkelen entiteit.

      Nadat de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen is uitgeoefend, wordt de in artikel 74 bedoelde waardering uitgevoerd, en is artikel 75 van toepassing.";

    3. de volgende leden worden ingevoegd:

      "1 bis.

      De bevoegdheid om in aanmerking komende passiva, onafhankelijk van het nemen van afwikkelingsmaatregelen, af te schrijven of om te zetten kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende passiva die voldoen aan de in artikel 45 septies, lid 2, punt a), van deze richtlijn genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de resterende looptijd van passiva als bepaald in artikel 72 quater, lid 1, Verordening (EU) nr. 575/2013.

      Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, zorgen de lidstaten ervoor dat de afschrijving of omzetting wordt verricht overeenkomstig het in artikel 34, lid 1, punt g), bedoelde beginsel.

      1 ter.

      Indien een afwikkelingsmaatregel wordt genomen ten aanzien van een af te wikkelen entiteit of, in uitzonderlijke omstandigheden, in afwijking van het afwikkelingsplan, ten aanzien van een entiteit die geen af te wikkelen entiteit is, wordt het bedrag dat overeenkomstig artikel 60, lid 1, op het niveau van een dergelijke entiteit is verminderd, afgeschreven of omgezet, meegeteld voor de drempels van de artikelen 37, lid 10, en artikel 44, lid 5, punt a), of artikel 44, lid 8, punt a), die van toepassing zijn op de betrokken entiteit.";

    4. in lid 2 wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 1 bis,";

    5. in lid 3 worden de inleidende formule en punten a) en b) vervangen door:

      "3.

      De lidstaten schrijven voor dat de afwikkelingsautoriteiten onverwijld overeenkomstig artikel 60 de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid moeten uitoefenen met betrekking tot de en relevante kapitaalinstrumenten, en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 1 bis, die door een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), zijn uitgegeven, indien sprake is van een of meer van de volgende omstandigheden:

      1. vastgesteld is dat de in artikel 32, artikel 32 bis of artikel 33 bedoelde afwikkelingsvoorwaarden zijn vervuld, alvorens een afwikkelingsmaatregel te nemen; of

      2. de geëigende autoriteit stelt vast dat, tenzij die bevoegdheid met betrekking tot de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 1 bis wordt uitgeoefend, de instelling of de in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde entiteit niet langer levensvatbaar zal zijn;";

    6. in leden 4 en 10 wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaal instrumenten, of in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 1 bis".

  24. Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de titel wordt vervangen door:

    2. in lid 1 wordt het volgende punt d) toegevoegd:

      de hoofdsom van de in artikel 59, lid 1 bis, bedoelde in aanmerking komende passiva wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, of beide, voor zover dat nodig is om de in artikel 31 opgenomen afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of tot de volledige omvang van de relevante in aanmerking komende passiva, indien die lager is.";

    3. lid 2 wordt vervangen door:

      "2.

      Indien de hoofdsom van een relevant kapitaalinstrument, of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in artikel 59, lid 1 bis, wordt afgeschreven:

      1. is de verlaging van die hoofdsom permanent, behoudens een opwaardering overeenkomstig het terugbetalingsmechanisme in artikel 46, lid 3;

      2. resteert voor de houder van het relevante kapitaalinstrument, of het in aanmerking komend passivum bedoeld in artikel 59, lid 1 bis, geen verplichting uit hoofde van of in verband met het afgeschreven bedrag van het instrument, met uitzondering van elke reeds opeisbare verplichting en elke schadevergoedingsverplichting die kan ontstaan als gevolg van een beroep waarbij de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid wordt betwist;

      3. wordt aan houders van de relevante kapitaalinstrumenten of de in artikel 59, lid 1 bis, bedoelde passiva geen compensatie betaald, behalve overeenkomstig lid 3 van dit artikel.";

    4. lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

      1. de aanhef wordt vervangen door:

        "Met het oog op een omzetting van relevante kapitaalinstrumenten, en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 59, lid 1 bis, krachtens dit artikel, lid 1, punten b), c) en d), kunnen de afwikkelingsautoriteiten eisen dat instellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d), tier 1-kernkapitaalinstrumenten uitgeven aan de houders van de relevante kapitaalinstrumenten en dergelijke in aanmerking komende passiva. De relevante kapitaalinstrumenten en die passiva mogen uitsluitend worden omgezet mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:";

      2. in punt d) worden de woorden "elk relevant kapitaalinstrument" vervangen door de woorden "elk relevant kapitaalinstrument of elk in artikel 59, lid 1 bis, bedoeld in aanmerking komend passivum".

  25. Aan artikel 61, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:

    "Indien de relevante kapitaalinstrumenten of de in artikel 59, lid 1 bis, van deze richtlijn bedoelde in aanmerking komende passiva worden erkend voor het vervullen van het in artikel 45 septies, lid 1, van deze richtlijn bedoelde vereiste, is de autoriteit die verantwoordelijk is voor het doen van de in artikel 59, lid 3, van deze richtlijn bedoelde vaststelling de geëigende autoriteit van de lidstaat waar overeenkomstig titel III van Richtlijn 2013/36/EU aan de instelling of de entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van deze richtlijn, een vergunning is verleend.".

  26. Artikel 62 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      De lidstaten zorgen ervoor dat, alvorens zij een vaststelling doen als bedoeld in artikel 59, lid 3, punt b), c), d) of e), met betrekking tot een dochteronderneming die relevante kapitaalinstrumenten, of in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 59, lid 1 bis, uitgeeft met het oog op het voldoen aan het in artikel 45 septies bedoelde vereiste op individuele basis, of relevante kapitaalinstrumenten die zijn erkend met het oog op het voldoen aan de eigenvermogensvereisten op individuele of geconsolideerde basis, een geëigende autoriteit aan de volgende vereisten voldoet:

      1. indien wordt overwogen een vaststelling als bedoeld in artikel 59, lid 3, punt b), c), d) of e) te doen, geeft de geëigende autoriteit na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit binnen 24 uur na raadpleging van die afwikkelingsautoriteit kennis aan:

        1. de consoliderende toezichthouder en, indien verschillend, de geëigende autoriteit in de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd;

        2. de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten binnen dezelfde af te wikkelen groep die direct of indirect in artikel 45 septies, lid 2, bedoelde passiva hebben gekocht van de onder artikel 45 septies, lid 1, vallende entiteit;

      2. indien wordt overwogen een in artikel 59, lid 3, punt c), bedoelde vaststelling te doen, stelt de geëigende autoriteit de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor elke instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), die de relevante kapitaalinstrumenten heeft uitgegeven ten aanzien waarvan de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend indien de vaststelling in kwestie zou worden gedaan, onverwijld daarvan in kennis, alsook, indien verschillend, de geëigende autoriteiten in de lidstaten waar deze bevoegde autoriteiten en de consoliderende toezichthouder zich bevinden.";

    2. in lid 4 wordt de aanhef vervangen door:

      "Indien een kennisgeving overeenkomstig lid 1 is gedaan, beoordeelt de geëigende autoriteit, na raadpleging van de overeenkomstig punt a), i), of punt b) in kennis gestelde autoriteiten, het volgende:".

  27. In artikel 62, lid 1, punten e), f) en j), worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva".

  28. In artikel 66, lid 4, worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva".

  29. Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 3 wordt de aanhef vervangen door:

      "Mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract, daaronder begrepen de betalings- en leveringsverplichtingen, wordt voldaan en het verschaffen van zekerheden wordt voortgezet, biedt een crisispreventiemaatregel, een opschorting van de verplichting op grond van artikel 33 bis of een crisisbeheersingsmaatregel, daaronder begrepen een gebeurtenis die rechtstreeks met de toepassing van een dergelijke maatregel verband houdt, op zich niemand de mogelijkheid om:";

    2. lid 5 wordt vervangen door:

      "5.

      Een opschorting of beperking op grond van artikel 33bis, 69 of 70 wordt voor de toepassing van de leden 1 en 3 van dit artikel en artikel 71, lid 1, niet beschouwd als het niet naleven van een contractuele verplichting.".

  30. Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 4 wordt vervangen door:

      "4.

      Een opschorting op grond van lid 1 is niet van toepassing op betalings- en leveringsverplichtingen ten aanzien van:

      1. systemen en exploitanten van systemen die overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG zijn aangewezen;

      2. CTP's waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012, en CTP's uit derde landen die door de ESMA zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van die verordening;

      3. centrale banken.";

    2. aan lid 5 worden de volgende alinea's toegevoegd:

      "De afwikkelingsautoriteiten bepalen de reikwijdte van die bevoegdheid, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteiten gaan met name zorgvuldig na of de uitbreiding van de opschorting tot in aanmerking komende deposito's in de zin van artikel 2, lid 1, punt 4), van Richtlijn 2014/49/EU, met name gedekte deposito's die worden aangehouden door natuurlijke personen en kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, dienstig is.

      De lidstaten kunnen bepalen dat, indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende deposito's, de afwikkelingsautoriteiten ervoor zorgen dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.".

  31. In artikel 70 wordt lid 2 vervangen door:

    "2.

    Afwikkelingsautoriteiten oefenen de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid niet uit ten aanzien van:

    1. het zekerheidsrecht van systemen of exploitanten die voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG zijn aangewezen;

    2. centrale tegenpartijen waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012, en centrale tegenpartijen uit derde landen die door de ESMA zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012; en

    3. centrale banken, ten aanzien van activa die door de instelling in afwikkeling als margin of zekerheid zijn toegezegd of verstrekt.".

  32. In artikel 71 wordt lid 3 vervangen door:

    "3.

    Een opschorting op grond van lid 1 of lid 2 is niet van toepassing op:

    1. systemen of exploitanten van systemen die voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG als zodanig zijn aangemerkt;

    2. centrale tegenpartijen waaraan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 in de Unie een vergunning is verleend en centrale tegenpartijen uit derde landen die overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de ESMA zijn erkend; of

    3. centrale banken.".

  33. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    De lidstaten verplichten de in artikel 1, lid 1, punten b, c), en d), bedoelde instellingen en entiteiten om in ieder financieel contract dat onder het recht van een derde land valt, een contractuele bepaling op te nemen waarbij de partijen erkennen dat het financieel contract onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 33 bis, 69, 70 en 71, en erkennen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 68.

    2.

    De lidstaten kunnen ook eisen dat EU-moederondernemingen ervoor zorgen dat hun dochterondernemingen in derde landen in de in lid 1 bedoelde financiële contracten bepalingen opnemen die uitsluiten dat de uitoefening door de afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheid tot opschorting of tot beperking van rechten en verplichtingen van de EU-moederonderneming overeenkomstig lid 1, een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die contracten.

    Het vereiste in de eerste alinea kan gelden ten aanzien van dochterondernemingen in derde landen die:

    1. kredietinstellingen zijn;

    2. beleggingsondernemingen zijn (of die beleggingsondernemingen zouden zijn indien ze een hoofdkantoor in de relevante lidstaat zouden hebben); of

    3. financiële instellingen zijn.

    3.

    Lid 1 geldt voor elk financieel contract dat:

    1. een nieuwe verplichting creëert, of een bestaande verplichting wezenlijk verandert na de inwerkingtreding van de bepalingen die op nationaal niveau zijn vastgesteld ter omzetting van dit artikel;

    2. voorziet in de uitoefening van een of meer beëindigingsrechten of rechten tot tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten waarop artikel 33 bis, 68, 69, 70 of 71 van toepassing zou zijn indien het financiële contract onder de wetgeving van een lidstaat zou vallen.

    4.

    Indien een instelling of entiteit de krachtens lid 1 van dit artikel vereiste contractuele bepaling niet opneemt, belet dat de afwikkelingsautoriteit niet de in de artikelen 33 bis, 68, 69, 70 of 71 bedoelde bevoegdheden toe te passen met betrekking tot dat financiële contract.

    5.

    De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de inhoud van de krachtens lid 1 vereiste bepaling nader te bepalen, rekening houdend met de verschillende bedrijfsmodellen van instellingen en entiteiten.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

  34. Artikel 88 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

      "Onverminderd artikel 89 richten afwikkelingsautoriteiten op groepsniveau afwikkelingscolleges op om de in de artikelen 12, 13, 16, 18, 45 tot en met 45 nonies, 91 en 92 bedoelde taken uit te voeren en, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen te verzekeren.";

    2. in lid 1, punt i), tweede alinea, worden de woorden "artikel 45" vervangen door de woorden "artikelen 45 tot en met 45 nonies".

  35. Artikel 89 wordt vervangen door:

    1.

    Indien een instelling van een derde land of een moederonderneming van een derde land in de Unie gevestigde dochterondernemingen of EU-moederondernemingen heeft die in twee of meer lidstaten zijn gevestigd, of twee of meer EU-bijkantoren die door twee of meer lidstaten als significant worden beschouwd, richten de afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten waar deze entiteiten zijn gevestigd of waar die significante bijkantoren zich bevinden, een enkel Europees afwikkelingscollege op.

    2.

    Het in lid 1 van dit artikel bedoelde Europese afwikkelingscollege vervult de functies en voert de taken uit die in artikel 88 zijn vermeld met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten en, voor zover die taken relevant zijn, hun bijkantoren.

    Een van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde taken is het vaststellen van het in de artikelen 45 tot en met 45 nonies bedoelde vereiste.

    Bij het vaststellen van het in de artikelen 45 tot en met 45 nonies bedoelde vereiste houden de leden van het Europees afwikkelingscollege, in voorkomend geval, rekening met de mondiale afwikkelingsstrategie die door de autoriteiten van derde landen is goedgekeurd.

    Indien in de Unie gevestigde dochterondernemingen of een EU-moederonderneming en haar dochterinstellingen volgens de mondiale afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege het eens zijn met die strategie, voldoen in de Unie gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de EU-moederonderneming aan het vereiste van artikel 45 septies, lid 1, door de in artikel 45 septies, lid 2, punten a) en b), bedoelde instrumenten uit te geven aan hun uiteindelijke in een derde land gevestigde moederonderneming of aan de in datzelfde derde land gevestigde dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming of aan andere entiteiten overeenkomstig de voorwaarden van artikel 45 septies, lid 2, punt a), onder i), en punt b), onder ii).

    3.

    Indien slechts één EU-moederonderneming alle EU-dochterondernemingen van een instelling van een derde land of moederonderneming van een derde land bezit, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat waar de EU-moederonderneming is gevestigd.

    Indien de eerste alinea niet van toepassing is, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van een EU-moederonderneming of een EU-dochteronderneming met het hoogste totaalbedrag aan in haar balans opgenomen activa.

    4.

    De lidstaten kunnen, indien alle betrokken partijen daarmee instemmen, afzien van het vereiste om een Europees afwikkelingscollege op te richten indien een andere groep of een ander college dezelfde functies vervult en dezelfde taken uitvoert die in dit artikel zijn vermeld en voldoet aan alle in dit artikel en in artikel 90 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die welke betrekking hebben op het lidmaatschap van en de deelname aan Europese afwikkelingscolleges. In een dergelijk geval worden alle verwijzingen naar Europese afwikkelingscolleges in deze richtlijn ook beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.

    5.

    Onder voorbehoud van de leden 3 en 4 van dit artikel functioneert het Europees afwikkelingscollege voor het overige overeenkomstig artikel 88.".

  36. In deel B, punt 6), en deel C, punt 17), van de bijlage worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva".

"Artikel 16 bis Bevoegdheid tot het verbieden van bepaalde uitkeringen

1.

Indien een entiteit zich in een situatie bevindt waarin zij voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten als bedoeld in artikel 141 bis, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU, maar niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies van deze richtlijn bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt a) van deze richtlijn, is de afwikkelingsautoriteit van die entiteit bevoegd, overeenkomstig leden 2 en 3 van dit artikel, een entiteit te verbieden uitkeringen, voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva ("M-MDA"), berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel, te verrichten door:

  1. uitkeringen te verrichten in verband met tier 1-kernkapitaal;

  2. een verplichting aan te gaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan op het ogenblik dat de entiteit niet aan het gecombineerde buffervereiste voldeed; of

  3. betalingen te verrichten op aanvullend tier 1-instrumenten.

Indien een entiteit zich in de in de eerste alinea bedoelde situatie bevindt, meldt zij dat onverwijld aan de afwikkelingsautoriteit.

2.

In de in lid 1 bedoelde situatie beoordeelt de afwikkelingsautoriteit van de entiteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, zonder onnodige vertraging of zij de in lid 1 bedoelde bevoegdheid zal uitoefenen, waarbij zij rekening houdt met alle volgende elementen:

  1. de reden, de duur en de omvang van de niet-naleving en de gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid;

  2. de wijze waarop de financiële situatie van de entiteit evolueert en de waarschijnlijkheid dat zij in de voorzienbare toekomst aan de in artikel 32, lid 1, punt a), genoemde voorwaarde voldoet;

  3. het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn zich binnen een redelijke termijn te conformeren aan de in lid 1 bedoelde vereisten;

  4. indien de entiteit niet in staat is te zorgen voor vervanging van passiva die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72 ter en 72 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, of in artikel 45 ter of artikel 45 septies, lid 2, van deze richtlijn, indien dat onvermogen van eigen aan de entiteit is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring;

  5. of de uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid het meest geschikte en evenredige middel is om de situatie van de entiteit aan te pakken, gelet op de mogelijke gevolgen ervan voor zowel de financieringsvoorwaarden als afwikkelbaarheid van de betrokken entiteit.

Zolang de entiteit zich in de in lid 1 bedoelde situatie bevindt, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit op zijn minst iedere maand opnieuw of zij de in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitoefent.

3.

Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de entiteit zich negen maanden nadat de entiteit de in lid 1 bedoelde situatie heeft gemeld, nog steeds in die situatie bevindt, oefent de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, de in lid 1 bedoelde bevoegdheid uit, behalve indien de afwikkelingsautoriteit na een beoordeling vaststelt dat ten minste twee van de volgende voorwaarden vervuld zijn:

  1. de niet-naleving is toe te schrijven aan een ernstige verstoring van de werking van de financiële markten, die aanleiding geeft tot algemene spanning in verschillende segmenten van de financiële markten;

  2. de in punt a) bedoelde verstoring leidt niet alleen tot de grotere prijsvolatiliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten van de entiteit of hogere kosten voor de entiteit, maar ook tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de markten, die de entiteit belet eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten uit te geven op die markten;

  3. de in punt b) bedoelde sluiting van de markt valt niet alleen voor de betrokken entiteit, maar ook voor diverse andere entiteiten waar te nemen;

  4. de in punt a) bedoelde verstoring belet de betrokken entiteit eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten uit te geven die toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen; of

  5. uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid leidt tot negatieve spillover-effecten voor een deel van de bankensector, die de financiële stabiliteit hierdoor dreigen te ondermijnen.

Indien de in de eerste alinea bedoelde uitzondering van toepassing is, brengt de afwikkelingsautoriteit haar besluit ter kennis van de bevoegde autoriteit en licht zij haar oordeel schriftelijk toe.

De afwikkelingsautoriteit beoordeelt elke maand opnieuw of de in de eerste alinea genoemde uitzondering van toepassing is.

4.

Het "M-MDA" wordt berekend door de overeenkomstig lid 5 berekende som te vermenigvuldigen met de overeenkomstig lid 6 bepaalde factor. Het "M-MDA" wordt verminderd met ieder bedrag dat voortvloeit uit elk van de in lid 1, punt a), b) of c), bedoelde handelingen.

5.

De overeenkomstig lid 4 te vermenigvuldigen som bestaat uit:

  1. alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in lid 1, punt a), b) of c), van dit artikel bedoelde handelingen;

    vermeerderd met

  2. alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in lid 1, punt a), b) of c), van dit artikel bedoelde handelingen;

    en verminderd met

  3. bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in de punten a) en b) van dit lid genoemde elementen werden ingehouden.

6.

De in lid 4 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:

  1. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het eerste (dat wil zeggen het laagste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0;

  2. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het tweede kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,2;

  3. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het derde kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,4;

  4. indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 45 quater en artikel 45 quinquies van deze richtlijn vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,6.

De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het gecombineerde buffervereiste worden als volgt berekend:

Ondergrens van kwartiel=Gecombineerde buffervereiste4×(Qn−1)Bovengrens van kwartiel=Gecombineerde buffervereiste4×Qn

waarbij "Qn" = het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.".

"Artikel 32 bis Afwikkelingsvoorwaarden ten aanzien van een centraal orgaan en kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan

De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel kunnen nemen ten aanzien van een centraal orgaan en alle daarbij blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien die af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de in artikel 32, lid 1, gestelde voorwaarden.

Artikel 32 ter Insolventieprocedures ten aanzien van instellingen en entiteiten die niet aan een afwikkelingsmaatregel onderworpen zijn

De lidstaten zorgen ervoor dat een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), ten aanzien waarvan de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat aan de voorwaarden van artikel 32, lid 1, punten a) en b), is voldaan, maar dat een afwikkelingsmaatregel niet in het algemeen belang overeenkomstig artikel 32, lid 1, punt c), zou zijn, op ordelijke wijze wordt geliquideerd overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht.".

"Artikel 33 bis Bevoegdheid tot opschorting van bepaalde verplichtingen

"Artikel 44 bis Verkoop van achtergestelde in aanmerking komende passiva aan niet-professionele cliënten

"Artikel 45 Toepassing en berekening van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 45 bis Vrijstelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 45 ter In aanmerking komende passiva voor af te wikkelen entiteiten

Artikel 45 quater Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 45 quinquies Bepaling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor af te wikkelen entiteiten van MSI's en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU MSI's in de Unie

Artikel 45 sexies Toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op af te wikkelen entiteiten

Artikel 45 septies Toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn

Artikel 45 octies Ontheffing voor een centraal orgaan en kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan

Artikel 45 nonies Procedure voor het bepalen van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 45 decies Rapportage over het vereiste aan de toezichthouder en openbaarmaking van het vereiste

Artikel 45 undecies Rapportage aan de EBA

Artikel 45 duodecies Schendingen van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 45 terdecies Rapporten

Artikel 45 quaterdecies Overgangsregelingen en regelingen na afwikkeling

"Artikel 55 Contractuele erkenning van bail-in

"Artikel 71 bis Contractuele erkenning van bevoegdheden in verband met de opschorting van de afwikkeling

"Artikel 89 Europese afwikkelingscolleges

Artikel 2 Wijzigingen van Richtlijn 98/26/EG

"Artikel 12 bis

Artikel 3 Omzetting

Artikel 4 Inwerkingtreding

Artikel 5 Adressaten