Home

Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. In de nasleep van de financiële crisis die zich in 2007-2008 afspeelde, heeft de Unie, om de veerkracht van haar financiële instellingen te versterken, een ingrijpende hervorming van het regelgevingskader voor financiële diensten doorgevoerd. Die hervorming was grotendeels gebaseerd op de internationale normen die in 2010 in het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) zijn overeengekomen, bekend als het Bazel III-kader. Als een van de vele maatregelen bevatte dit hervormingspakket de vaststelling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(5), waarmee de prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (instellingen) zijn aangescherpt.

  2. Hoewel deze hervorming het financiële bestel stabieler heeft gemaakt en beter heeft gewapend tegen diverse soorten mogelijke toekomstige schokken en crises, heeft zij niet alle vastgestelde problemen opgelost. Een belangrijke reden daarvoor was het feit dat internationale normerende instellingen zoals het BCBS en de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) hun werkzaamheden rond internationaal overeengekomen oplossingen voor het aanpakken van die problemen, op dat moment nog niet hadden voltooid. Nu die werkzaamheden inzake belangrijke aanvullende hervormingen zijn afgerond, moeten de resterende problemen worden aangepakt.

  3. In haar mededeling van 24 november 2015 getiteld: "Naar de voltooiing van de bankenunie", onderkende de Commissie dat de risico's verder moeten afgebouwd en beloofde zij met een wetgevingsvoorstel te komen dat op internationaal overeengekomen normen voortbouwt. Ook de Raad, in zijn conclusies van 17 juni 2016, en het Europees Parlement, in zijn resolutie van 10 maart 2016 over de bankenunie - jaarverslag 2015(6), onderkenden dat verdere concrete wetgevende stappen moeten worden gezet wat betreft het afbouwen van risico's in de financiële sector.

  4. Risicoverminderende maatregelen moeten niet alleen de veerkracht van het Europese bankenstelsel en het vertrouwen van de markten erin verder versterken, maar ook de grondslag leggen voor verdere vooruitgang bij de voltooiing van de bankenunie. Die maatregelen moeten ook worden bezien tegen de achtergrond van ruimere uitdagingen waar de Unie-economie voor staat, met name de noodzaak om groei en banen te stimuleren in tijden van onzekere economische vooruitzichten. In die context zijn diverse belangrijke beleidsinitiatieven genomen, zoals het investeringsplan voor Europa en de kapitaalmarktenunie, teneinde de economie van de Unie te versterken. Daarom is een vlotte wisselwerking nodig tussen alle risicoverminderende maatregelen en die beleidsinitiatieven, alsmede de ruimere recente hervormingen in de financiële sector.

  5. De bepalingen van deze verordening moeten gelijkwaardig zijn met internationaal overeengekomen normen en moeten waarborgen dat Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 gelijkwaardig blijven met het Bazel III-kader. De gerichte aanpassingen om rekening te houden met specifieke Uniekenmerken en ruimere beleidsoverwegingen moeten beperkt blijven in omvang of in tijd, zodat de algehele soliditeit van het prudentiële kader niet in het gedrang komt.

  6. Bestaande risicoverminderende maatregelen en, met name, rapportage- en openbaarmakingsvereisten moeten ook worden verbeterd zodat ze evenrediger kunnen worden toegepast en geen aanleiding geven tot buitensporige regeldruk, inzonderheid voor kleinere en minder complexe instellingen.

  7. Met het oog op gerichte vereenvoudigingen van de vereisten conform het evenredigheidsbeginsel is een precieze definitie nodig van kleine en niet-complexe instellingen. Een eenvormige absolute drempel alleen houdt geen rekening met de bijzondere kenmerken van de nationale bankenmarkten. De lidstaten moeten daarom gebruik kunnen maken van hun discretionaire bevoegdheid om de drempel in overeenstemming te brengen met nationale omstandigheden en in voorkomend geval naar beneden bij te stellen. Aangezien de omvang van een instelling alleen niet doorslaggevend is voor het risicoprofiel ervan, moet er door middel van aanvullende kwalitatieve criteria voor worden gezorgd dat een instelling pas als kleine en niet-complexe instelling wordt aangemerkt en gebruik kan maken van meer evenredige regels indien zij aan alle toepasselijke criteria voldoet.

  8. Hefboomratio's dragen bij tot het behoud van financiële stabiliteit doordat ze als achtervangmechanisme voor risicogebaseerde kapitaalvereisten functioneren en doordat ze de opbouw van buitensporige hefboomwerking tijdens een economische opleving inperken. Het BCBS heeft de internationale norm inzake de hefboomratio herzien om bepaalde aspecten van de vorm van die ratio te specificeren. Verordening (EU) nr. 575/2013 moet op de herziene norm worden afgestemd zodat internationaal een gelijk speelveld heerst voor binnen de Unie gevestigde instellingen die buiten de Unie actief zijn, en de hefboomratio een effectieve aanvulling blijft op risicogebaseerde eigenvermogensvereisten. Daarom moet een hefboomratiovereiste worden geïntroduceerd als aanvulling op het bestaande stelsel voor rapportage en openbaarmaking van de hefboomratio.

  9. Om de kredietverstrekking door instellingen aan bedrijven en particuliere huishoudens niet nodeloos te belemmeren en om ongewenste negatieve effecten op de marktliquiditeit te voorkomen, moet het hefboomratiovereiste worden vastgesteld op een niveau waar het als een geloofwaardig achtervangmechanisme voor het risico op buitensporige hefboomwerking functioneert, zonder de economische groei af te remmen.

  10. De bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(7) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (EBA), concludeerde in haar verslag aan de Commissie van 3 augustus 2016 over het hefboomratiovereiste dat een op 3 % geijkte hefboomratio voor tier 1-kapitaal voor iedere soort kredietinstelling een geloofwaardig achtervangmechanisme zou zijn. Over een hefboomratiovereiste van 3 % werd ook overeenstemming bereikt op internationaal niveau in het BCBS. Daarom moet het hefboomratiovereiste op 3 % worden geijkt.

  11. Een hefboomratiovereiste van 3 % zou bepaalde bedrijfsmodellen en branches evenwel meer belemmeren dan andere. De openbare kredietverstrekking via publieke ontwikkelingsbanken en exportkredieten met overheidssteun zou hieronder met name disproportioneel lijden. Voor die soorten blootstellingen moet de hefboomratio derhalve worden aangepast. Bijgevolg moeten voor het helpen verifiëren van het publieke mandaat van die kredietinstellingen duidelijke criteria worden vastgesteld die betrekking hebben op aspecten zoals vestiging, soort activiteiten, doelstelling, waarborgregelingen door overheidsorganen en beperkingen van de depositoactiviteiten. Onder welke vorm en op welke wijze die kredietinstellingen worden opgezet, moet evenwel aan de centrale, regionale of lokale overheid van de lidstaat worden overgelaten; zo kunnen die overheden een nieuwe kredietinstelling oprichten of een reeds bestaande entiteit verwerven of overnemen, onder meer via concessies en in het kader van afwikkelingsprocedures.

  12. Een hefboomratio mag instellingen ook niet verhinderen centrale clearingdiensten te verstrekken voor cliënten. Daarom moeten de initiële marges op centraal geclearde derivatentransacties die instellingen van hun cliënten ontvangen en aan centrale tegenpartijen (CTP's) doorgeven, van de maatstaf van totale blootstelling worden uitgesloten.

  13. In uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat bepaalde blootstellingen aan centrale banken worden uitgesloten van de hefboomratio, en met het oog op een vlottere uitvoering van het monetaire beleid, moeten de bevoegde autoriteiten die blootstellingen tijdelijk kunnen uitsluiten van de maatstaf van totale blootstelling. Daartoe moeten zij publiekelijk, na overleg met de betrokken centrale bank, verklaren dat die uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. Het hefboomratiovereiste moet evenredig worden herijkt om het effect van de uitsluiting te compenseren. Door deze herijking worden risico's voor de financiële stabiliteit met negatieve gevolgen voor de betrokken banksectoren uitgesloten en blijft de door de hefboomratio geboden veerkracht gehandhaafd.

  14. Voor instellingen die overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU en de in december 2017 gepubliceerde normen van het BCBS inzake een hefboomratiobuffer voor mondiaal systeemrelevante banken (MSB's) als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) zijn aangemerkt, moet een hefboomratiobuffervereiste worden ingevoerd. De hefboomratiobuffer werd door het BCBS geijkt met als specifiek doel de naar verhouding grotere risico's voor de financiële stabiliteit die uitgaan van MSB's te limiteren en moet in dit stadium derhalve alleen op MSI's worden toegepast. Er moet echter nog verder onderzoek worden verricht om na te gaan of het dienstig zou zijn het hefboomratiobuffervereiste toe te passen op andere systeemrelevante instellingen ("ASI's") in de zin van Richtlijn 2013/36/EU en, als dat het geval is, op welke manier de ijking moet worden aangepast aan de specifieke kenmerken van deze instellingen.

  15. Op 9 november 2015 heeft de FSB de nadere kenmerken van de totale verliesabsorptiecapaciteit ("total loss-absorbing capacity" - TLAC) (hierna genoemd "de TLAC-norm") bekendgemaakt, die op de G20-top van november 2015 in Turkije zijn goedgekeurd. Volgens de TLAC-norm moeten MSB's een voldoende groot volume sterk verliesabsorberende (bail-inbare) passiva aanhouden, om bij een afwikkeling te kunnen zorgen voor een soepele en snelle verliesabsorptie en herkapitalisatie. De TLAC-norm moet in Unierecht worden omgezet.

  16. Bij de omzetting van de TLAC-norm in Unierecht moet rekening worden gehouden met het in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(8) beschreven instellingsspecifieke minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL). Aangezien met de TLAC -norm en de MREL dezelfde doelstelling wordt nagestreefd – ervoor zorgen dat instellingen voldoende verliesabsorptiecapaciteit hebben – moeten de twee vereisten complementaire onderdelen van een gemeenschappelijk raamwerk zijn. Concreet moet het geharmoniseerde minimumniveau van de TLAC-norm worden ingevoerd in Verordening (EU) nr. 575/2013 via een nieuw vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, terwijl de instellingsspecifieke opslagfactor voor MSI's en het instellingsspecifieke vereiste inzake niet-MSI's moeten worden ingevoerd via gerichte wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(9). De bepalingen waarmee de TLAC-norm in Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt ingevoerd, moeten worden gelezen in samenhang met de bepalingen die worden opgenomen in Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014, en met Richtlijn 2013/36/EU.

  17. Conform de TLAC-norm, die alleen betrekking heeft op MSB's, moet het bij deze verordening ingevoerde minimumvereiste voor een toereikend bedrag aan eigen vermogen en sterk verliesabsorberende passiva alleen gelden voor MSI's. De in deze verordening opgenomen regels voor in aanmerking komende passiva moeten evenwel gelden voor alle instellingen, in overeenstemming met de complementaire aanpassingen en vereisten in Richtlijn 2014/59/EU.

  18. Net zoals bij de TLAC-norm het geval is, moet het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelden voor af te wikkelen entiteiten die zelf MSI's zijn of deel uitmaken van een als MSI aangemerkte groep. Afhankelijk van de vraag of dit soort af te wikkelen entiteiten zelfstandige instellingen zonder dochterondernemingen zijn, dan wel moederondernemingen, moet het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelden op individuele basis of op geconsolideerde basis.

  19. Richtlijn 2014/59/EU biedt de mogelijkheid om afwikkelingsinstrumenten niet alleen voor instellingen te gebruiken, maar ook voor financiële holdings en gemengde financiële holdings. Financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings moeten dus net als moederinstellingen over voldoende verliesabsorptiecapaciteit beschikken.

  20. Opdat het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva effect sorteert, is het van essentieel belang dat de instrumenten die worden aangehouden om aan dat vereiste te voldoen, een hoge verliesabsorptiecapaciteit hebben. Passiva die van het in Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bail-in-instrument zijn uitgesloten, hebben niet die capaciteit, en dat is evenmin het geval bij andere passiva die in beginsel misschien wel bail-inbaar zijn, maar problemen kunnen doen rijzen wanneer zij in de praktijk deel van een bail-in uitmaken. Die passiva mogen derhalve niet worden geacht in aanmerking te komen voor het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. Daartegenover staat dat kapitaalinstrumenten, evenals achtergestelde verplichtingen, een hoge verliesabsorptiecapaciteit hebben. Ook het verliesabsorptiepotentieel van passiva met dezelfde rang als bepaalde uitgesloten passiva moet, in lijn met de TLAC-norm, tot op zekere hoogte worden erkend.

  21. Om te voorkomen dat passiva voor de toepassing van het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dubbel worden geteld, moeten voor de aftrek van aangehouden in aanmerking komende passivabestanddelen regels worden ingevoerd die een afspiegeling zijn van de overeenkomstige aftrekbenadering die in Verordening (EU) nr. 575/2013 al voor kapitaalinstrumenten is ontwikkeld. Volgens die benadering moeten aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten eerst worden afgetrokken van in aanmerking komende passiva en, voor zover er onvoldoende passiva zijn, vervolgens van tier 2-kapitaalinstrumenten.

  22. De TLAC-norm bevat een aantal criteria om passiva in aanmerking te nemen die strenger zijn dan de bestaande criteria om kapitaalinstrumenten in aanmerking te nemen. Met het oog op coherentie moeten de criteria om kapitaalinstrumenten in aanmerking te nemen, vanaf 1 januari 2022 dienovereenkomstig worden aangepast wat betreft het niet in aanmerking nemen van via special purpose entities uitgegeven instrumenten.

  23. Voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten moet er een duidelijke en transparante goedkeuringsprocedure komen die ertoe kan bijdragen dat deze instrumenten een hoge kwaliteit behouden. Daarom moeten bevoegde autoriteiten de taak krijgen deze instrumenten goed te keuren voordat instellingen ze als tier 1-kernkapitaal mogen aanmerken. Bevoegde autoriteiten hoeven evenwel geen voorafgaande goedkeuring verlangen voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven op basis van reeds door de bevoegde autoriteit goedgekeurde juridische documentatie en die vallen onder wezenlijk dezelfde bepalingen als die welke gelden voor kapitaalinstrumenten waarvoor de instelling voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft verkregen om ze als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken. In dat geval moeten instellingen, in plaats van een voorafgaande goedkeuring te vragen, hun bevoegde autoriteiten in kennis kunnen stellen van hun voornemen om dergelijke instrumenten uit te geven. Dat moet geruime tijd voor de indeling van de instrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten gebeuren zodat de bevoegde autoriteiten de tijd hebben om deze instrumenten indien nodig te evalueren. Gelet op de taak van de EBA om de convergentie tussen toezichtspraktijken te bevorderen en de kwaliteit van eigenvermogensinstrumenten te verbeteren, moeten de bevoegde autoriteiten de EBA raadplegen alvorens nieuwe vormen van tier 1-kernkapitaalinstrumenten goed te keuren.

  24. Kapitaalinstrumenten komen slechts in aanmerking als aanvullend tier 1- of tier 2-instrumenten voor zover zij aan de toepasselijke toelaatbaarheidscriteria voldoen. Die kapitaalinstrumenten kunnen eigen vermogen of verplichtingen omvatten, waaronder achtergestelde leningen die aan die criteria voldoen.

  25. Kapitaalinstrumenten of delen van kapitaalinstrumenten mogen alleen als eigenvermogensinstrumenten worden aangemerkt voor zover zij zijn volgestort. Zolang delen van een instrument niet zijn volgestort, mogen zij niet als eigenvermogensinstrumenten worden aangemerkt.

  26. Eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva mogen niet vallen onder verrekenings- of salderingsovereenkomsten die in geval van afwikkeling de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten. Dit mag niet betekenen dat in de voor de passiva geldende contractuele bepalingen een clausule moet worden opgenomen waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat het instrument niet onder verrekenings- of salderingsrechten valt.

  27. Nu de bankensector zich in een steeds digitalere omgeving ontwikkelt, wordt software een belangrijker soort activa. Prudent gewaardeerde softwareactiva waarvan de waarde niet wezenlijk wordt beïnvloed door de afwikkeling, insolventie of liquidatie van een instelling, mogen niet worden onderworpen aan de aftrek van immateriële activa van tier 1-kernkapitaalbestanddelen. Deze verduidelijking is belangrijk, omdat software een breed concept is dat betrekking heeft op veel soorten activa die niet allemaal hun waarde behouden in een "gone concern"-situatie. In dit verband moet rekening worden gehouden met verschillen in de waardering en afschrijving van softwareactiva en de gerealiseerde verkopen van die activa. Voorts moet rekening worden gehouden met internationale ontwikkelingen en verschillen in de manier waarop software-investeringen in de regelgeving worden behandeld, met verschillende prudentiële regels die van toepassing zijn op instellingen en verzekeringsondernemingen, alsmede met de diversiteit van de financiële sector in de Unie, meer bepaald met niet-gereglementeerde entiteiten zoals financiële technologiebedrijven.

  28. Om cliff-edge-effecten te voorkomen, moet met betrekking tot bepaalde toelaatbaarheidscriteria grandfathering worden toegepast op bestaande instrumenten. Voor passiva die zijn uitgegeven vóór 27 juni 2019, moet een ontheffing van bepaalde toelaatbaarheidscriteria voor eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva worden verleend. Die grandfathering moet gelden voor passiva die, waar toepasselijk, meetellen voor het achtergestelde deel van de TLAC en het achtergestelde deel van de MREL krachtens Richtlijn 2014/59/EU, alsook voor passiva die, waar toepasselijk, meetellen voor het niet-achtergestelde deel van de TLAC en het niet-achtergestelde deel van de MREL krachtens Richtlijn 2014/59/EU. Voor eigenvermogensinstrumenten moet de grandfathering op 28 juni 2025 verstrijken.

  29. In aanmerking komende passiva-instrumenten, ook die met nog een resterende looptijd van minder dan één jaar, mogen slechts worden afgelost indien de afwikkelingsautoriteit daarvoor vooraf haar toestemming heeft gegeven. Die voorafgaande toestemming kan ook een algemene voorafgaande toestemming zijn; in dat geval moet de aflossing plaatsvinden binnen de beperkte termijn en voor een vooraf bepaald bedrag waarin de algemene voorafgaande toestemming voorziet.

  30. Sinds de vaststelling van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de internationale norm inzake de prudentiële behandeling van blootstellingen van instellingen aan centrale tegenpartijen (CTP's) gewijzigd om de behandeling van blootstellingen van instellingen aan gekwalificeerde CTP's (GCTP's) te verbeteren. Opvallende punten bij de herziening van die norm zijn onder meer het gebruik van één methode voor het bepalen van het eigenvermogensvereiste voor blootstellingen als gevolg van bijdragen aan een wanbetalingsfonds, een uitdrukkelijk plafond voor de op blootstellingen aan GCTP's toegepaste totale eigenvermogensvereisten, en een meer risicogevoelige benadering om de waarde van derivaten uit te drukken bij het berekenen van de hypothetische middelen van een GCTP. Tegelijkertijd bleef de behandeling van blootstellingen aan niet-gekwalificeerde CTP's ongewijzigd. Aangezien met de herziene internationale normen een behandeling is ingevoerd die binnen een context van centrale clearing beter geschikt is, moet het Unierecht worden gewijzigd zodat die normen daarin worden opgenomen.

  31. Opdat instellingen hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb's) adequaat beheren, moeten de regels voor de behandeling van die blootstellingen risicogevoelig zijn en transparantie ten aanzien van de onderliggende blootstellingen van icb's bevorderen. Het BCBS heeft daarom zijn goedkeuring gehecht aan een herziene norm die een duidelijke hiërarchie vastlegt van benaderingen om voor die blootstellingen risicogewogen posten te berekenen. Die hiërarchie weerspiegelt de transparantiegraad van de onderliggende blootstellingen. Verordening (EU) nr. 575/2013 moet op die internationaal overeengekomen regels worden afgestemd.

  32. Voor een instelling die zich verplicht tot een minimumwaarde in het uiteindelijke belang van retailcliënten voor een belegging in een recht van deelneming of aandeel in een icb, onder meer in het kader van een door de overheid gesteunde particuliere pensioenregeling, is geen betaling vereist door de instelling of onderneming die onder dezelfde prudentiële consolidatie valt, tenzij de waarde van de aandelen of de rechten van deelneming van de cliënt in de icb op een of meer in het contract bepaalde tijdstippen het gewaarborgde bedrag onderschrijdt. In de praktijk is het derhalve weinig waarschijnlijk dat de verplichting moet worden vervuld. Indien de minimumwaardeverplichting van een instelling beperkt is tot een percentage van het bedrag dat een cliënt oorspronkelijk had belegd in aandelen of rechten van deelneming in een icb (minimumwaardeverplichting voor een vast bedrag) of tot een bedrag dat afhankelijk is van de prestatie van financiële indicatoren of marktindices tot een bepaald tijdstip, vormt elk actueel positief verschil tussen de waarde van de aandelen of rechten van deelneming van de cliënt en de actuele waarde van het gewaarborgde bedrag op een bepaalde datum een buffer die het risico op uitbetaling van het gewaarborgde bedrag door de instelling beperkt. Om al die redenen is een lagere omrekeningsfactor gerechtvaardigd.

  33. Voor de berekening van de blootstellingswaarde van derivatentransacties volgens het kader voor tegenpartijkredietrisico biedt Verordening (EU) nr. 575/2013 instellingen momenteel de keuze tussen drie verschillende standaardbenaderingen: de standaardmethode (SM), de op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode (WtMWM) en de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OBM).

  34. Die standaardbenaderingen houden echter onvoldoende rekening met het risicobeperkend effect van zekerheden bij de blootstellingen. De ijkingen ervan zijn achterhaald en de tijdens de financiële crisis waargenomen grote volatiliteit komt er niet in tot uiting. Ook de voordelen van verrekening worden er onvoldoende in weerspiegeld. Om die tekortkomingen te verhelpen heeft het BCBS besloten de SM en de WtMWM te vervangen door een nieuwe standaardbenadering voor het berekenen van de blootstelling van derivatenblootstellingen, de zogenoemde standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico (SB-TKR). Aangezien met de herziene internationale normen een nieuwe standaardbenadering is ingevoerd die binnen een context van centrale clearing beter geschikt is, moet het Unierecht worden gewijzigd zodat die normen daarin worden opgenomen.

  35. De SB-TKR is risicogevoeliger dan de SM en de WtMWM, en zou dus moeten resulteren in eigenvermogensvereisten die de aan derivatentransacties van instellingen verbonden risico's beter weergeven. Tegelijk is het mogelijk dat het voor sommige instellingen die momenteel de WtMWM gebruiken, te complex en lastig blijkt de SB-TKR toe te passen. Voor instellingen die voldoen aan vooraf bepaalde toelaatbaarheidscriteria en voor instellingen die deel uitmaken van een groep die op geconsolideerde basis aan die criteria voldoet, moet een vereenvoudigde versie van de SB-TKR (de "vereenvoudigde SB-TKR") worden ingevoerd. Die vereenvoudigde versie zal minder risicogevoelig zijn dan de SB-TKR, en moet dus correct worden geijkt, zodat de blootstellingswaarde van derivatentransacties daarmee niet wordt onderschat.

  36. Voor instellingen met beperkte derivatenblootstellingen die momenteel de WtMWM of de OBM gebruiken, kan zowel de SB-TKR als de vereenvoudigde SB-TKR te complex zijn om toe te passen. Daarom moet de OBM als alternatieve benadering worden voorbehouden voor instellingen die voldoen aan vooraf bepaalde toelaatbaarheidscriteria en voor instellingen die deel uitmaken van een groep die op geconsolideerde basis aan deze criteria voldoet, maar worden herzien om de belangrijkste tekortkomingen ervan aan te pakken.

  37. Om een instelling bij haar keuze van toegestane benaderingen te begeleiden, moeten heldere criteria worden ingevoerd. Die criteria moeten uitgaan van de omvang van de derivatenactiviteiten van een instelling, die aangeeft welke mate van complexiteit een instelling moet aankunnen voor het berekenen van de blootstellingswaarde.

  38. Tijdens de financiële crisis waren de verliezen op de handelsportefeuille voor sommige in de Unie gevestigde instellingen substantieel. Een aantal van hen bleken niet over voldoende kapitaal te beschikken om die verliezen te ondervangen en moesten daarom om buitengewone financiële steun van de overheid vragen. Die vaststellingen hebben het BCBS ertoe gebracht een aantal tekortkomingen weg te werken in de prudentiële behandeling van handelsportefeuilleposities, namelijk de eigenvermogensvereisten voor marktrisico.

  39. In 2009 is de eerste reeks hervormingen op internationaal niveau afgerond en in Unierecht omgezet bij Richtlijn 2010/76/EU van het Europees Parlement en de Raad(10). De hervorming van 2009 bood echter geen oplossing voor de structurele tekortkomingen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisiconormen. Het gebrek aan een duidelijke afbakening tussen de handelsportefeuille en de bankportefeuille bood kansen voor reguleringsarbitrage, en omdat de eigenvermogensvereisten voor marktrisico niet risicogevoelig waren, kon het volledige scala risico's waaraan instellingen waren blootgesteld, niet worden gevat.

  40. Het BCBS gaf de aanzet voor de grondige herziening van de handelsportefeuille (GHHP) om oplossingen te vinden voor de structurele tekortkomingen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisiconormen. Die werkzaamheden leidden in januari 2016 tot een herzien marktrisicokader. De Group of Central Bank Governors and Heads of Supervision besloot in december 2017 tot verlenging van de omzettingstermijn voor het herziene marktrisicokader, zodat instellingen meer tijd krijgen voor het ontwikkelen van de nodige systeeminfrastructuur, maar ook zodat het BCBS zich kan buigen over bepaalde specifieke kwesties in verband met het kader. Het betreft onder meer een evaluatie van de ijkingen voor de standaard- en de internemodellenbenadering ter wille van de consistentie met de oorspronkelijke verwachtingen van het BCBS. Na afloop van deze evaluatie en voordat een effectbeoordeling wordt verricht om het effect van alle resulterende herzieningen van het GHHP-kader op instellingen in de Unie te beoordelen, moeten alle instellingen in de Unie die onder het GHHP-kader zouden vallen, beginnen met de rapportage van de berekeningen volgens de herziene standaardbenadering. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een handeling vast te stellen om de berekeningen inzake rapportagevereisten volledig in werking te doen treden conform de internationale ontwikkelingen. De Commissie moet die gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2019 vaststellen. Instellingen moeten uiterlijk één jaar na de vaststelling van die gedelegeerde handeling beginnen met de rapportage van die berekening. Daarnaast moeten instellingen die toestemming krijgen om voor de rapportage de herziene internemodellenbenadering van het GHHP-kader te gebruiken, drie jaar na de volledige inwerkingtreding ervan ook de berekening volgens de internemodellenbenadering rapporteren.

  41. De invoering van rapportagevereisten voor de GHHP-benaderingen moet worden gezien als de eerste stap naar de volledige implementatie van het GHHP-kader in de Unie. Rekening houdend met de definitieve, door het BCBS doorgevoerde herzieningen van het GHHP-kader, de resultaten van het effect van deze herzieningen op instellingen in de Unie en de in deze verordening reeds beschreven GHHP-benaderingen voor rapportagevereisten, moet de Commissie uiterlijk op 30 juni 2020, waar toepasselijk, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel indienen over de manier waarop het GHHP-kader in de Unie moet worden geïmplementeerd om de eigenvermogensvereisten voor marktrisico vast te stellen.

  42. Voor instellingen met beperkte handelsportefeuilleactiviteiten moet er een evenredige behandeling voor marktrisico gelden, zodat meer instellingen met beperkte handelsportefeuilleactiviteiten gebruik kunnen maken van het kredietrisicokader voor bankportefeuilleposities zoals beschreven in een herziene versie van de afwijking voor kleine handelsportefeuilleactiviteiten. Het evenredigheidsbeginsel moet ook in aanmerking worden genomen wanneer de Commissie herevalueert hoe instellingen met een middelgrote handelsportefeuilleactiviteiten de eigenvermogensvereisten voor marktrisico moeten berekenen. De ijking van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor instellingen met middelgrote handelsportefeuilleactiviteiten moet met name worden geëvalueerd in het licht van de ontwikkelingen op internationaal niveau. Ondertussen moeten instellingen met middelgrote handelsportefeuilleactiviteiten net als instellingen met geringe handelsportefeuilleactiviteiten worden vrijgesteld van de rapportagevereisten in het kader van de GHHP.

  43. Het kader voor grote blootstellingen moet worden versterkt om het vermogen van instellingen om verliezen te absorberen te verbeteren en internationale normen beter na te leven. Daartoe moet kapitaal van een hogere kwaliteit worden gebruikt als kapitaalbasis voor de berekening van de limiet voor grote blootstellingen en moeten blootstellingen aan kredietderivaten worden berekend volgens de SB-TKR. Ter beperking van de systeemrisico's ten gevolge van de verwevenheid tussen grote instellingen en de gevolgen die de wanbetaling van tegenpartijen van MSI's voor de financiële stabiliteit kan hebben, moet de limiet voor de eventuele blootstellingen van MSI's aan andere MSI's voorts worden verlaagd.

  44. De liquiditeitsdekkingsratio (LCR) zorgt ervoor dat instellingen op korte termijn zware druk kunnen weerstaan, maar waarborgt niet dat die instellingen op langere termijn een stabiele financieringsstructuur zullen hebben. Aldus is gebleken dat op Unieniveau een gedetailleerd, bindend stabielefinancieringsvereiste moet worden ontwikkeld waaraan te allen tijde moet worden voldaan, om zo buitensporige looptijdmismatches tussen activa en passiva en een te grote afhankelijkheid van kortlopende wholesalefinanciering te voorkomen.

  45. Conform de stabiele-financieringsnorm van het BCBS moeten daarom regels worden vastgesteld die het stabielefinancieringsvereiste bepalen als een verhouding tussen het bedrag aan beschikbare stabiele financiering van een instelling en het bedrag van haar vereiste stabiele financiering over een periode van één jaar. Dit bindende vereiste moet het vereiste inzake de nettostabielefinancieringsratio (NSFR) worden genoemd. Het aan stabiele financiering beschikbare bedrag moet worden berekend door de passiva en het eigen vermogen van de instelling te vermenigvuldigen met passende factoren die weergeven hoe betrouwbaar ze zijn over de horizon van één jaar van de NSFR. Het aan stabiele financiering vereiste bedrag moet worden berekend door de activa en de blootstellingen buiten de balanstelling van de instelling te vermenigvuldigen met passende factoren die de liquiditeitskenmerken en de resterende looptijden over de horizon van één jaar van de NSFR weergeven.

  46. De NSFR moet worden uitgedrukt als een percentage en worden vastgesteld op ten minste 100 %, hetgeen aangeeft dat een instelling voldoende stabiele financiering aanhoudt om over een periode van één jaar zowel onder normale als onder stressomstandigheden aan haar financieringsbehoeften te voldoen. Mocht de NSFR van een instelling onder het 100 %-niveau zakken, dan moet zij voldoen aan de in Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde specifieke vereisten om haar NSFR tijdig terug op het minimumniveau te brengen. De toepassing van toezichtsmaatregelen indien niet aan het NSFR-vereiste wordt voldaan, mag geen automatisch karakter hebben. De bevoegde autoriteiten moeten de redenen voor niet-naleving van het NSFR-vereiste beoordelen voordat ze eventueel toezichtsmaatregelen bepalen.

  47. Conform de aanbevelingen van de EBA in haar verslag van 15 december 2015 over stabielefinancieringsvereisten krachtens artikel 510 van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten de regels voor het berekenen van de NSFR nauwkeurig worden afgestemd op de BCBS-normen, inclusief ontwikkelingen in die normen met betrekking tot de behandeling van derivatentransacties. De noodzaak rekening te houden met een aantal specifieke Europese kenmerken om te voorkomen dat het NSFR-vereiste een hinderpaal is voor de financiering van de Europese reële economie, rechtvaardigt evenwel dat voor het bepalen van de Europese NSFR de door het BCBS ontwikkelde NSFR op een aantal punten wordt aangepast. Die aanpassingen als gevolg van de Europese context worden aanbevolen door de EBA en houden in hoofdzaak verband met specifieke behandelingen voor pass-throughmodellen in het algemeen en de uitgifte van gedekte obligaties in het bijzonder; handelsfinancieringsactiviteiten; gecentraliseerde gereglementeerde spaargelden; volledig gedekte woonkredieten, kredietcoöperaties; CTP's en centrale effectenbewaarinstellingen (CSD's) die geen aanzienlijke looptijdtransformatie verrichten. Die voorgestelde specifieke behandelingen zijn grotendeels een afspiegeling van de voorkeursbehandeling die deze activiteiten in de Europese LCR krijgen in vergelijking met de door het BCBS ontwikkelde LCR. Omdat de NSFR een aanvulling is op de LCR, moeten die beide ratio's coherent zijn in hun definitie en ijking. Dit geldt met name voor de factoren voor de vereiste stabiele financiering die worden toegepast op liquide LCR-activa van hoge kwaliteit voor het berekenen van de NSFR; die factoren moeten een afspiegeling zijn van de definities en reductiefactoren van de Europese LCR, ongeacht de conformiteit ervan met de voor de LCR-berekening vastgestelde algemene en operationele vereisten die voor de horizon van één jaar van de NSFR-berekening niet passend zijn.

  48. Afgezien van de specifiek Europese kenmerken kan de behandeling van derivatentransacties in de door het BCBS ontwikkelde NSFR belangrijke gevolgen hebben voor derivatenactiviteiten van instellingen en bijgevolg voor Europese financiële markten en de toegang tot bepaalde activiteiten voor eindgebruikers. De invoering van de door het BCBS ontwikkelde NSFR zou onnodige en disproportionele gevolgen kunnen hebben voor derivatentransacties en bepaalde daarmee verband houdende transacties, zoals clearingactiviteiten, zonder dat daaraan uitgebreide kwantitatieve effectenstudies en openbare raadplegingen zijn gewijd. Het additionele vereiste om voor brutoderivatenverplichtingen tussen 5 en 20 % stabiele financiering aan te houden, wordt vrij algemeen gezien als een ruwe maatstaf om bijkomende financieringsrisico's in verband met de potentiële toename van derivatenverplichtingen over een periode van één jaar te vatten, en wordt momenteel door het BCBS geëvalueerd. Dit vereiste, ingevoerd op een niveau van 5 % conform de door het BCBS aan de jurisdicties overgelaten discretionaire bevoegdheid om de voor brutoderivatenverplichtingen geldende factor voor de vereiste stabiele financiering te verlagen, zou vervolgens kunnen worden aangepast om rekening te houden met ontwikkelingen op BCBS-niveau en om te voorkomen dat zich mogelijke ongewenste effecten voordoen, zoals het belemmeren van de goede werking van de Europese financiële markten en de verstrekking van risicoafdekkingsinstrumenten aan instellingen en eindgebruikers, waaronder bedrijven, met het oog op de financiering ervan als een doelstelling van de kapitaalmarktenunie.

  49. De asymmetrische behandeling door het BCBS voor kortlopende financiering, zoals retrocessietransacties (niet erkend als stabiele financiering) en kortlopende kredietverlening zoals omgekeerde retrocessietransacties (enige stabiele financiering vereist – 10 % indien gedekt met zekerheden in de vorm van liquide activa van hoge kwaliteit (LAHK) van niveau 1 als omschreven in de LCR en 15 % voor andere transacties) met financiële cliënten moet uitgebreide kortlopende financieringsbanden tussen financiële cliënten ontmoedigen, omdat dergelijke banden een bron van onderlinge verwevenheid zijn en het moeilijker maken om een bepaalde instelling af te wikkelen zonder dat bij een faillissement de rest van het financiële bestel wordt besmet. De asymmetrie is evenwel conservatief geijkt en kan een invloed hebben op de liquiditeit van doorgaans als zekerheden bij kortlopende transacties gebruikte effecten, met name overheidsobligaties, omdat instellingen het volume van hun activiteiten op repomarkten waarschijnlijk zullen terugschroeven. Omdat repomarkten het beheer van de noodzakelijke voorraad gemakkelijker maken, kan de asymmetrie ook market-makingactiviteiten ondermijnen, en zodoende in strijd zijn met de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie. Opdat instellingen voldoende tijd hebben om zich geleidelijk aan deze conservatieve ijking aan te passen, is een overgangsperiode nodig waarin de factoren voor de vereiste stabiele financiering tijdelijk zouden worden verlaagd. Met hoeveel de factoren voor de vereiste stabiele financiering worden verlaagd, moet afhangen van de soorten transacties en van het soort zekerheden dat bij deze transacties wordt gebruikt.

  50. Naast de tijdelijke herijking van de BCBS-factor voor de vereiste stabiele financiering voor door overheidsobligaties gedekte kortlopende omgekeerde retrocessietransacties met financiële cliënten, bleek een aantal andere aanpassingen noodzakelijk opdat de invoering van het NSFR-vereiste de liquiditeit van markten voor overheidsobligaties niet belemmert. De BCBS-factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 % die geldt voor LAHK van niveau 1 (zoals overheidsobligaties) impliceert dat instellingen langlopende ongedekte financiering ten belope van dat percentage beschikbaar moeten houden, ongeacht hoelang ze dit soort overheidsobligaties verwachten aan te houden. Dit zou instellingen er nog meer toe kunnen aanzetten om contanten bij centrale banken te deponeren in plaats van als primary dealers op te treden en liquiditeit te verschaffen op markten voor overheidsobligaties. Bovendien spoort dit niet met de LCR, die deze activa zelfs in tijden van ernstige liquiditeitsstress (0 % reductiefactor) als volledig liquide beschouwt. De factor voor de vereiste stabiele financiering voor LAHK van niveau 1 als omschreven in de Europese LCR, met uitsluiting van gedekte obligaties van bijzonder hoge kwaliteit, moet derhalve worden verlaagd van 5 % naar 0 %.

  51. Voorts moeten alle als variatiemarges bij derivatencontracten ontvangen LAHK van niveau 1 als omschreven in de Europese LCR, met uitsluiting van gedekte obligaties van bijzonder hoge kwaliteit, derivatenactiva compenseren, terwijl de door de BCBS ontwikkelde NSFR ter compensatie van derivatenactiva alleen contanten accepteert die voldoen aan de voorwaarden van het hefboomkader. Deze ruimere opname van als variatiemarge ontvangen activa zal bijdragen tot de liquiditeit van markten voor overheidsobligaties, zal voorkomen dat eindgebruikers die hoge bedragen aan overheidsobligaties maar weinig contanten aanhouden (zoals pensioenfondsen), worden benadeeld en zal voorkomen dat de vraag naar contanten op repomarkten verder onder druk komt te staan.

  52. Instellingen moeten op zowel individuele als geconsolideerde basis onder het NSFR-vereiste vallen, tenzij de bevoegde autoriteiten op individuele basis ontheffing verlenen van het NSFR-vereiste. Indien op individueel niveau geen ontheffing van het NSFR-vereiste is verleend, moeten voor transacties tussen twee tot dezelfde groep of tot hetzelfde institutionele protectiestelsel behorende instellingen in beginsel symmetrische factoren voor beschikbare en vereiste stabiele financiering worden gebruikt om een verlies aan financiering op de interne markt te vermijden en om het effectieve liquiditeitsbeheer in Europese groepen waar liquiditeit centraal wordt beheerd, niet te belemmeren. Dit soort preferentiële symmetrische behandelingen mag alleen worden toegestaan voor intragroepstransacties waarbij alle nodige waarborgen aanwezig zijn, op basis van aanvullende criteria voor grensoverschrijdende transacties, en alleen na de voorafgaande goedkeuring van de betrokken bevoegde autoriteiten, aangezien niet mag worden aangenomen dat instellingen die problemen ondervinden bij het voldoen aan hun betalingsverplichtingen, steeds financieringssteun zullen krijgen van andere tot dezelfde groep of tot hetzelfde institutionele protectiestelsel behorende ondernemingen.

  53. Kleine en niet-complexe instellingen moeten de mogelijkheid krijgen een vereenvoudigde versie van het NSFR-vereiste toe te passen. In het kader van een dergelijke vereenvoudigde, minder granulaire versie van de NSFR moet een beperkt aantal gegevenspunten worden verzameld waardoor de berekening voor deze instellingen conform het evenredigheidsbeginsel minder complex zou worden, en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat deze instellingen een toereikende stabielefinancieringsfactor handhaven dankzij een ijking die minstens even conservatief moet zijn als die van het volwaardige NSFR-vereiste. De bevoegde autoriteiten moeten evenwel van kleine en niet-complexe instellingen kunnen verlangen dat zij het volwaardige NSFR-vereiste toepassen in plaats van de vereenvoudigde versie.

  54. Bij de consolidatie van dochterondernemingen in derde landen moet terdege rekening worden gehouden met de in die landen geldende stabielefinancieringsvereisten. Dienovereenkomstig mogen de consolidatieregels in de Unie dochterondernemingen in derde landen geen gunstigere behandeling wat betreft beschikbare en vereiste stabiele financiering geven dan de behandeling waarin het nationale recht van die derde landen voorziet.

  55. Instellingen moeten worden verplicht om aan hun bevoegde autoriteiten in de rapportagevaluta de bindende gedetailleerde NSFR voor alle posten en afzonderlijk voor in elke belangrijke valuta luidende posten te rapporteren, om een passende monitoring van mogelijke valutamismatches te waarborgen. Het NSFR-vereiste mag voor instellingen niet leiden tot dubbele rapportagevereisten of tot rapportagevereisten die niet stroken met de vigerende regels, en instellingen moeten voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van nieuwe rapportagevereisten.

  56. Aangezien de markt voorzien van zinvolle en vergelijkbare informatie over gemeenschappelijke kernrisicomaatstaven van instellingen een fundamentele pijler van een gezond bankwezen vormt, is het van essentieel belang de informatieasymmetrie zoveel mogelijk te beperken en de vergelijkbaarheid van risicoprofielen van kredietinstellingen binnen en tussen jurisdicties te bevorderen. Het BCBS heeft in januari 2015 de herziene openbaarmakingsnormen van de derde pijler bekendgemaakt met het oog op meer vergelijkbare, kwalitatieve en coherente verplichte openbaarmakingen door instellingen aan de markt. Daarom moeten de bestaande openbaarmakingsvereisten worden aangepast om die nieuwe internationale normen te implementeren.

  57. De respondenten op de enquête van de Commissie met betrekking tot het EU-regelgevingskader voor financiële diensten beschouwden de geldende openbaarmakingsvereisten als onevenredig en lastig voor kleinere instellingen. Afgezien van de preciezere afstemming van openbaarmakingen op internationale normen, moeten van kleine en niet-complexe instellingen minder frequente en minder gedetailleerde openbaarmakingen worden verlangd dan van grotere instellingen, zodat de regeldruk waaraan ze onderworpen zijn, afneemt.

  58. De openbaarmakingen over beloningen moeten hier en daar worden verduidelijkt. De in deze verordening vastgestelde openbaarmakingsvereisten voor beloningen moeten verenigbaar zijn met de doelstellingen van de beloningsregels, hetgeen inhoudt dat ten behoeve van categorieën medewerkers wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, een beloningsbeleid en een beloningspraktijk worden bepaald en gehandhaafd die in overeenstemming zijn met een doeltreffend risicobeheer. Voorts moet van instellingen die een afwijking genieten van bepaalde regels inzake beloningen, worden verlangd dat ze informatie over dit soort afwijking openbaar maken.

  59. Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) vormen één van de pijlers van de economie van de Unie door de fundamentele rol die zij spelen bij het creëren van economische groei en het scheppen van banen. Aangezien aan kmo's een lager systeemrisico is verbonden dan aan grotere ondernemingen, moeten de kapitaalvereisten voor kmo's lager zijn dan die voor grote ondernemingen, om een optimale bancaire financiering van kmo's te garanderen. Momenteel geldt voor kmo-blootstellingen tot 1,5 miljoen EUR een reductie van 23,81 % van de risicogewogen post. Aangezien die drempel van 1,5 miljoen EUR voor een kmo-blootstelling geen indicatie is voor een verandering van de risicograad van een kmo, moet de vermindering van kapitaalvereisten worden uitgebreid tot kmo-blootstellingen tot 2,5 miljoen EUR en moet voor het deel van een kmo-blootstelling boven 2,5 miljoen EUR een vermindering van kapitaalvereisten van 15 % gelden.

  60. Investeringen in infrastructuur zijn van essentieel belang om het Europese concurrentievermogen te versterken en het scheppen van banen te stimuleren. Het herstel en de toekomstige groei van de Unie-economie is grotendeels afhankelijk van de beschikbaarheid van kapitaal voor strategische investeringen van Europees belang in infrastructuur, met name in breedband- en energienetwerken, alsmede in vervoersinfrastructuur, daaronder begrepen infrastructuur voor elektromobiliteit (met name in industriële centra); in opleiding, onderzoek en innovatie; en in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Het investeringsplan voor Europa zet in op het stimuleren van aanvullende financiering voor levensvatbare infrastructuurprojecten, onder meer door het aantrekken van aanvullende financiering uit particuliere bronnen. Voor een aantal kandidaat-investeerders is de belangrijkste drempel het gepercipieerde gebrek aan levensvatbare projecten en het beperkte vermogen om risico's goed te kunnen inschatten, gezien het inherent complexe karakter van dat soort projecten.

  61. Om particuliere en openbare investeringen in infrastructuurprojecten aan te moedigen, is het van essentieel belang een regelgevingsklimaat tot stand te brengen dat hoogwaardige infrastructuurprojecten bevordert en risico's voor investeerders vermindert. Met name moeten eigenvermogensvereisten voor blootstellingen aan infrastructuurprojecten worden verlaagd, op voorwaarde dat ze voldoen aan een reeks criteria waarmee het risicoprofiel ervan kan worden verlaagd en de voorspelbaarheid van kasstromen kan worden vergroot. De Commissie moet deze bepaling over hoogwaardige infrastructuurprojecten evalueren om een beoordeling te maken van de gevolgen ervan voor het volume infrastructuurinvesteringen door instellingen en de kwaliteit van investeringen in het licht van de EU-doelstellingen om over te schakelen naar een koolstofarme, klimaatveerkrachtige en circulaire economie; alsook een beoordeling van de toereikendheid ervan uit prudentieel oogpunt. Ook moet de Commissie nagaan of het toepassingsgebied van die bepalingen moet worden uitgebreid tot infrastructuurinvesteringen door ondernemingen.

  62. Zoals wordt aanbevolen door de EBA, de bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(11) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (de Europese Autoriteit voor effecten en markten) (ESMA) en de ECB, moeten CTP's vanwege hun verschillend bedrijfsmodel worden vrijgesteld van het vereiste inzake de hefboomratio aangezien zij verplicht zijn een bankvergunning aan te vragen louter om toegang te krijgen tot kortlopende faciliteiten van de centrale bank en om hun rol te vervullen als essentiële instrumenten voor de verwezenlijking van belangrijke politieke en reguleringsdoelstellingen in de financiële sector.

  63. Voorts moeten blootstellingen van CSD's met een vergunning als kredietinstelling en blootstellingen van overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad(12) aangewezen kredietinstellingen, zoals kassaldi als gevolg van het verstrekken van kasrekeningen aan, en het aanvaarden van deposito's van, deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem en houders van effectenrekeningen, worden uitgesloten van de maatstaf van totale blootstelling aangezien zij geen risico van buitensporige hefboomwerking vormen omdat deze kassaldi uitsluitend worden gebruikt voor het afwikkelen van transacties in effectenafwikkelingssystemen.

  64. Aangezien de in Richtlijn 2013/36/EU bedoelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen een kapitaalstreefcijfer vormen dat de verwachtingen van de toezichthouders weerspiegelt, mogen deze niet onderworpen zijn aan een verplichte openbaarmaking, noch aan een verbod op openbaarmaking door de bevoegde autoriteiten op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 of van die richtlijn.

  65. Teneinde te zorgen voor een passende definitie van bepaalde specifieke technische bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en rekening te houden met eventuele normatieve ontwikkelingen op internationaal niveau, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de lijst van producten of diensten waarvan de activa en passiva als onderling afhankelijk kunnen worden beschouwd, ten aanzien van het wijzigen van de lijst van multilaterale ontwikkelingsbanken, ten aanzien van het wijzigen van de rapportagevereisten inzake marktrisico, en ten aanzien van het specificeren van aanvullende liquiditeitsvereisten. Voordat die handelingen worden vastgesteld, is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(13). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

  66. Technische normen moeten ervoor zorgen dat de in Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten consistent worden geharmoniseerd. De EBA, als orgaan met zeer hoge deskundigheid ter zake, moet de opdracht krijgen ontwerpen van technische reguleringsnormen, vrij van politieke keuzes op te stellen, die vervolgens aan de Commissie worden voorgelegd. De op te stellen technische reguleringsnormen moeten betrekking hebben op prudentiële consolidatie, eigen vermogen, TLAC, de behandeling van blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed, aandelenbeleggingen in fondsen, de berekeningen van verliezen bij wanbetaling volgens de internemodellenbenadering voor kredietrisico, marktrisico, grote blootstellingen en liquiditeit. De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend deze technische reguleringsnormen vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De Commissie en de EBA moeten ervoor zorgen dat die normen en vereisten door alle betrokken instellingen kunnen worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van die instellingen en hun activiteiten.

  67. Opdat openbaarmakingen onderling vergelijkbaar zouden zijn, moet de EBA de opdracht krijgen ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op te stellen tot vaststelling van gestandaardiseerde openbaarmakingstemplates met betrekking tot alle substantiële openbaarmakingsvereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013. Bij het opstellen van deze normen moet de EBA rekening houden met de omvang en de complexiteit van instellingen, alsmede met de aard en risicograad van hun activiteiten. De EBA moet verslag uitbrengen over de vraag hoe het Uniepakket voor rapportage aan toezichthouders evenrediger kan worden gemaakt wat betreft de reikwijdte, gedetailleerdheid of frequentie, en ten minste concrete aanbevelingen doen over de manier waarop de gemiddelde nalevingskosten voor kleine instellingen met idealiter 20 % of meer, maar ten minste 10 % kunnen worden verlaagd door de vereisten op passende wijze te vereenvoudigen. De EBA moet de opdracht krijgen tot het opstellen van ontwerpen van uitvoeringsnormen die bij dat verslag moeten worden gevoegd. De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend die technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

  68. Ter facilitering van de naleving door instellingen van de in deze verordening en in Richtlijn 36/2013/EU vervatte regels, alsmede van de technische reguleringsnormen, technische uitvoeringsnormen, richtsnoeren en templates die zijn vastgesteld ter uitvoering van die regels, moet de EBA een IT-toepassing ontwikkelen die instellingen door de naargelang hun omvang en bedrijfsmodel toepasselijke bepalingen, normen, richtsnoeren en templates loodst.

  69. Naast het verslag over mogelijke kostenbeperkingen moet de EBA, uiterlijk op 28 juni 2020, in samenwerking met alle betrokken autoriteiten, te weten de autoriteiten die bevoegd zijn voor prudentieel toezicht en afwikkelings- en depositogarantiestelsels, en in het bijzonder het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), een haalbaarheidsverslag opstellen over de ontwikkeling van een consistent en geïntegreerd systeem voor het verzamelen van statistische gegevens, afwikkelingsgegevens en prudentiële gegevens. Op basis van de voorgaande werkzaamheden van het ESCB inzake geïntegreerde gegevensverzameling moet dat verslag een kosten-batenanalyse bevatten over de totstandbrenging van een centraal gegevensverzamelingspunt voor een geïntegreerd systeem voor de rapportering van statistische en reguleringsgegevens voor alle in de Unie gevestigde instellingen. Dit systeem dient onder meer gebruik te maken van consistente definities en normen voor de te verzamelen gegevens, en een betrouwbare en permanente uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten te waarborgen, waarbij wordt gezorgd voor strikte vertrouwelijkheid van de verzamelde gegevens, deugdelijke authenticatie en deugdelijk beheer van de rechten inzake toegang tot het systeem, alsmede voor cyberbeveiliging. Met een dergelijke centralisering en harmonisering van de Europese rapporteringsstructuren moet worden voorkomen dat soortgelijke of identieke gegevens meermaals door verschillende autoriteiten worden opgevraagd en kunnen aldus de administratieve en financiële kosten voor de bevoegde autoriteiten en de instellingen aanzienlijk worden beperkt. De Commissie dient, in voorkomend geval en rekening houdend met het haalbaarheidsverslag van de EBA, een wetgevingsvoorstel in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad.

  70. De betrokken bevoegde of aangewezen autoriteiten moeten trachten af te zien van elke vorm van overlappend of onverenigbaar gebruik van de in Verordening (EU) nr. 575/2013/EU en Richtlijn 2013/36/EU vervatte macroprudentiële bevoegdheden. Met name moeten de betrokken bevoegde of aangewezen autoriteiten terdege nagaan of de maatregelen die zij krachtens artikel 124, 164 of 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 nemen, overlappen of onverenigbaar zijn met andere bestaande of komende maatregelen krachtens artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

  71. Gezien de in deze verordening neergelegde wijzigingen in de behandeling van blootstellingen van GCTP's, meer bepaald de behandeling van bijdragen van instellingen aan wanbetalingsfondsen van GCTP's, moeten de bij Verordening (EU) nr. 575/2013 in Verordening (EU) nr. 648/2012(14) ingevoerde toepasselijke bepalingen waarin is bepaald hoe het hypothetische kapitaal van CTP's wordt berekend dat vervolgens door instellingen voor het berekenen van hun eigenvermogensvereisten wordt gebruikt, derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  72. Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken en het verfijnen van reeds bestaande Uniewetgevingshandelingen om te komen tot eenvormige prudentiële vereisten die van toepassing zijn op instellingen in de hele Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

  73. Om het ordelijk afstoten van deelnemingen in verzekeringsholdings die niet aan aanvullend toezicht zijn onderworpen, mogelijk te maken, moet er een gewijzigde versie van de overgangsbepalingen in verband met de vrijstelling van aftrek van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van toepassing worden, met retroactieve werking vanaf 1 januari 2019.

  74. Verordening (EU) nr. 575/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

  1. De artikelen 1 en 2 worden vervangen door:

    In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings waarop overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU toezicht wordt uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden:

    1. eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico, marktrisico, operationeel risico, afwikkelingsrisico en hefboomfinanciering;

    2. vereisten ter beperking van grote blootstellingen;

    3. liquiditeitsvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico;

    4. rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c);

    5. openbaarmakingsvereisten.

    In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die af te wikkelen entiteiten die mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) zijn of onderdeel zijn van MSI's en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-MSI's, in acht moeten nemen.

    Deze verordening is niet van toepassing op de in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op de instellingen.

    1.

    Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2013/36/EU en in deze verordening zijn bepaald.

    2.

    Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de afwikkelingsautoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(*) en in deze verordening zijn bepaald.

    3.

    Teneinde de naleving van de vereisten betreffende eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te waarborgen, werken de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten samen.

    4.

    Teneinde de naleving in het kader van hun respectieve bevoegdheden te waarborgen, zorgen de bij artikel 42 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(**) ingestelde Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de Europese Centrale Bank, wat betreft aangelegenheden die verband houden met de haar bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad(***) toevertrouwde taken, voor de regelmatige en betrouwbare uitwisseling van relevante informatie.

  2. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

      1. punt 7 wordt vervangen door:

        "(7) "instelling voor collectieve belegging" of "icb" :
        een icbe als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(*), of een alternatieve beleggingsinstelling (abi) als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(**);

      2. punt 20 wordt vervangen door:

        "(20) "financiële holding" :
        een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is; de dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen indien ten minste één van de dochterondernemingen een instelling is en indien meer dan 50 % van het eigen vermogen, de geconsolideerde activa, de inkomsten, het personeel van de financiële instelling of een andere indicator die door de bevoegde autoriteit als relevant wordt beschouwd, verbonden is met dochterondernemingen die instellingen of financiële instellingen zijn.";

      3. punt 26 wordt vervangen door:

        "(26) "financiële instelling" :
        een onderneming die geen instelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde werkzaamheden, met inbegrip van een financiële holding, een gemengde financiële holding, een betalingsinstelling in de zin van artikel 4, punt 4, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad(*) en een vermogensbeheerder, maar met uitsluiting van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings als respectievelijk gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt f) en punt g), van Richtlijn 2009/138/EG;

      4. punt 28 wordt vervangen door:

        "(28) "moederinstelling in een lidstaat" :
        een instelling in een lidstaat die een instelling, een financiële instelling of een nevendiensten verrichtende onderneming als dochteronderneming heeft, of die een deelneming heeft in een instelling, financiële instelling of een nevendiensten verrichtende onderneming en zelf geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;";

      5. de volgende punten worden ingevoegd:

        "(29 bis) "moederbeleggingsonderneming in een lidstaat" :
        een moederinstelling in een lidstaat die een beleggingsonderneming is;
        (29 ter) "EU-moederbeleggingsonderneming" :
        een EU-moederinstelling die een beleggingsonderneming is;
        (29 quater) "moederkredietinstelling in een lidstaat" :
        een moederinstelling in een lidstaat die een kredietinstelling is;
        (29 quinquies) "EU-moederkredietinstelling" :
        een EU-moederinstelling die een kredietinstelling is;";

      6. aan punt 39 wordt de volgende alinea toegevoegd:

        "Twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die wegens hun directe blootstelling aan dezelfde CTP in het kader van clearingactiviteiten aan de in punt a) of b) vervatte omschrijvingen beantwoorden, worden niet als een groep verbonden cliënten beschouwd;";

      7. punt 41 wordt vervangen door:

        "(41) "consoliderend toezichthouder" :
        een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;";

      8. in punt 71, wordt in subpunt b) het inleidende zinsdeel vervangen door:

        voor de toepassing van artikel 97, de som van:";

      9. in punt 72 wordt subpunt a) vervangen door:

        ze is een gereglementeerde markt of een markt van een derde land die geacht wordt gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt overeenkomstig de in artikel 25, lid 4, punt a), van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(*) beschreven procedure;

      10. punt 86 wordt vervangen door:

        "(86) "handelsportefeuille" :
        alle posities in financiële instrumenten en grondstoffen die door een instelling worden ingenomen, hetzij met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van posities die worden ingenomen met de intentie om te handelen overeenkomstig artikel 104;";

      11. punt 91 wordt vervangen door:

        "(91) "CTP-transactieblootstelling" :
        een actuele blootstelling, met inbegrip van een door het clearinglid te ontvangen maar nog niet ontvangen variatiemarge, en een potentiële toekomstige, uit in artikel 301, lid 1, punten a), b) en c), bedoelde overeenkomsten en transacties voortvloeiende blootstelling van een clearinglid of een cliënt aan een CTP, alsmede de initiële marge;";

      12. punt 96 wordt vervangen door:

        "(96) "interne afdekking" :
        een positie die de risicocomponenten tussen een positie in de handelsportefeuille en een positie of reeks posities in de niet-handelsportefeuille, of tussen twee tradingafdelingen in wezenlijke mate compenseert;";

      13. in punt 127 wordt subpunt a) vervangen door:

        de instellingen vallen onder hetzelfde, in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel of zijn blijvend in een netwerk aangesloten bij een centraal orgaan;";

      14. punt 128 wordt vervangen door:

        "(128) "uitkeerbare bestanddelen" :
        de som van de winsten aan het eind van het laatste boekjaar, vermeerderd met overgedragen winsten en voor dat doel beschikbare reserves vóór uitkeringen aan houders van eigenvermogensinstrumenten, verminderd met overgedragen verliezen, winsten die op grond van het Unie- of nationale recht of de statuten van de instelling niet uitkeerbaar zijn en sommen die overeenkomstig het nationale recht of de statuten van de instelling in niet-uitkeerbare reserves zijn geplaatst, telkens met betrekking tot de specifieke categorie van eigenvermogensinstrumenten waarop het Unie- of nationale recht, de statuten van de instellingen of statuten betrekking hebben; dergelijke winsten, verliezen en reserves worden bepaald aan de hand van de individuele jaarrekeningen van de instelling en niet aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen;";

      15. de volgende punten worden toegevoegd:

        "(130) "afwikkelingsautoriteit" :
        een afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/59/EU;
        (131) "af te wikkelen entiteit" :
        een af te wikkelen entiteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 83 bis, van Richtlijn 2014/59/EU;
        (132) "af te wikkelen groep" :
        een af te wikkelen groep in de zin van artikel 2, lid 1, punt 83 ter, van Richtlijn 2014/59/EU;
        (133) "mondiaal systeemrelevante instelling" of "MSI" :
        een instelling die overeenkomstig artikel 131, leden 1 en 2, van Richtlijn 2013/36/EU als dusdanig is aangemerkt;
        (134) "niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling" of "niet-EU-MSI" :
        mondiaal systeemrelevante bankgroep of bank (MSB's) die geen MSI is en opgenomen is in de regelmatig geactualiseerde lijst met MSB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit;
        (135) "dochteronderneming van wezenlijk belang" :

        een dochteronderneming die op individuele of geconsolideerde basis aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

        1. de dochteronderneming houdt meer dan 5 % van de geconsolideerde risicogewogen activa van haar oorspronkelijke moederonderneming aan;

        2. de dochteronderneming genereert meer dan 5 % van de totale bedrijfsopbrengsten van haar oorspronkelijke moederonderneming;

        3. de in artikel 429, lid 4, van deze verordening bedoelde maatstaf van totale blootstelling van de dochteronderneming bedraagt meer dan 5 % van de maatstaf van geconsolideerde totale blootstelling van haar oorspronkelijke moederonderneming;

        indien artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is, tellen voor het bepalen van de dochteronderneming van wezenlijk belang de twee intermediaire EU-moederondernemingen als één enkele dochteronderneming op basis van hun geconsolideerde situatie;

        (136) "MSI-entiteit" :
        een entiteit met rechtspersoonlijkheid die een MSI of onderdeel van een MSI of een niet-EU-MSI is;
        (137) "bail-in-instrument" :
        een instrument van bail-in in de zin van artikel 2, lid 1, punt 57, van Richtlijn 2014/59/EU;
        (138) "groep" :
        een groep van ondernemingen waarvan er ten minste één een instelling is en die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, of uit ondernemingen die in een verhouding tot elkaar staan als beschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(*);
        (139) "effectenfinancieringstransactie" :
        een retrocessietransactie, een transactie met betrekking tot verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, of een margeleningstransactie;
        (140) "initiële marge" of "IM" :
        zekerheden die geen variatiemarges zijn, ontvangen van of gestort bij een entiteit ter dekking van de actuele en potentiële toekomstige blootstelling van een transactie of een portefeuille transacties voor de tijd die nodig is om die transacties te liquideren of de marktrisico ervan opnieuw af te dekken, na wanbetaling van de tegenpartij bij de transactie of portefeuille van transacties;
        (141) "marktrisico" :
        het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in marktprijzen, onder meer in wisselkoersen of grondstoffenprijzen;
        (142) "wisselkoersrisico" :
        het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in wisselkoersen;
        (143) "grondstoffenrisico" :
        het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in grondstoffenprijzen;
        (144) "tradingafdeling" :
        een welomschreven groep handelaren die door de instelling is opgezet om gezamenlijk een portefeuille van posities in de handelsportefeuille te beheren volgens een welomschreven en coherente bedrijfsstrategie en die functioneert onder dezelfde risicobeheersstructuur;
        (145) "kleine en niet-complexe instelling" :

        een instelling die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

        1. zij is geen grote instelling;

        2. de totale waarde van haar activa op individuele basis of, waar toepasselijk, op geconsolideerde basis overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, is gemiddeld gelijk aan of lager dan de drempel van 5 miljard EUR over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan de lopende periode voor de jaarlijkse rapportage. De lidstaten kunnen die drempel verlagen;

        3. voor haar gelden geen, dan wel vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de herstel- en afwikkelingsplanning overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU;

        4. haar handelsportefeuilleactiviteiten worden overeenkomstig artikel 94, lid 1, ingedeeld als gering;

        5. de totale waarde van de door haar met de intentie om te handelen aangehouden derivatenposities bedraagt maximaal 2 % van de totale activa binnen en buiten de balanstelling en de totale waarde van al haar derivatenposities bedraagt maximaal 5 %, beide berekend overeenkomstig artikel 273 bis, lid 3;

        6. meer dan 75 % van de geconsolideerde totale activa en passiva van de instelling, in beide gevallen met uitsluiting van de intragroepblootstellingen, houdt verband met activiteiten met tegenpartijen die in de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn;

        7. de instelling maakt geen gebruik van interne modellen om te voldoen aan de prudentiële vereisten krachtens deze verordening, behalve in het geval van dochterondernemingen die op groepsniveau goedgekeurde interne modellen gebruiken, mits de groep onderworpen is aan de openbaarmakingsvereisten van artikel 433 bis of artikel 433 quater op geconsolideerde basis;

        8. de instelling heeft bij de bevoegde autoriteit geen bezwaar gemaakt tegen de indeling als kleine en niet-complexe instelling;

        9. de bevoegde autoriteit heeft niet besloten dat de instelling op grond van een analyse van de omvang, de verwevenheid, de complexiteit of het risicoprofiel ervan niet moet worden aangemerkt als kleine en niet-complexe instelling;

        (146) "grote instelling" :

        een instelling die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

        1. zij is een MSI;

        2. zij is aangewezen als andere systeemrelevante instelling ("ASI") overeenkomstig artikel 131, leden 1 en 3, van Richtlijn 2013/36/EU;

        3. zij is in de lidstaat waar zij is gevestigd één van de drie grootste instellingen gerekend naar de totale waarde van de activa;

        4. de totale waarde van haar activa op individuele basis of, waar toepasselijk, op basis van haar geconsolideerde situatie overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, is gelijk aan of groter dan 30 miljard EUR;

        (147) "grote dochteronderneming" :
        een dochteronderneming die kan worden aangemerkt als een grote instelling;
        (148) "niet-beursgenoteerde instelling" :
        een instelling die geen effecten heeft uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU;
        (149) "financieel verslag" :
        voor de toepassing van deel acht, een financieel verslag in de zin van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad(**).

    2. het volgende lid wordt toegevoegd:

      "4.

      De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin nader wordt bepaald onder welke omstandigheden aan de in punt 39 van lid 1 vervatte voorwaarden is voldaan.

      De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

      Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

  3. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      Instellingen voldoen op individuele basis aan de verplichtingen die zijn neergelegd in de delen twee, drie, vier, zeven, zeven bis en acht van deze verordening en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening.";

    2. het volgende lid wordt ingevoegd:

      "1 bis.

      In afwijking van lid 1 van dit artikel voldoen uitsluitend als af te wikkelen entiteiten aangemerkte instellingen die ook MSI's of deel van een MSI zijn en geen dochterondernemingen hebben, op individuele basis aan het in artikel 92 bis bepaalde vereiste.

      Dochterondernemingen van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI voldoen op individuele basis aan artikel 92 ter mits zij:

      1. geen af te wikkelen entiteiten zijn;

      2. geen dochterondernemingen hebben;

      3. geen dochterondernemingen zijn van een EU-moederinstelling.";

    3. de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:

      "3.

      Van een instelling die een moederonderneming of een dochteronderneming is en van een instelling die op grond van artikel 18 in de consolidatie wordt betrokken, wordt niet vereist dat zij op individuele basis aan de in deel acht bepaalde verplichtingen voldoet.

      In afwijking van de eerste alinea van dit lid voldoen de in lid 1 bis van dit artikel bedoelde instellingen op individuele basis aan artikel 437 bis en artikel 447, punt h).

      4.

      Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een vergunning hebben om de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2014/65/EU opgesomde beleggingsdiensten en -activiteiten te verrichten, voldoen op individuele basis aan de in deel zes en in artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening neergelegde verplichtingen.

      De volgende instellingen hoeven niet te voldoen aan artikel 413, lid 1, en aan de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake liquiditeit van deel zeven bis van deze verordening:

      1. instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

      2. instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 16 en artikel 54, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad(*), mits zij geen significante looptijdtransformatie verrichten; en

      3. en instellingen die overeenkomstig artikel 54, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 909/2014 zijn aangewezen, mits:

        1. hun activiteiten beperkt zijn tot het aanbieden van bancaire diensten als genoemd in afdeling C, punten a) tot en met e), van de bijlage bij die verordening en tot centrale effectenbewaarinstellingen waaraan overeenkomstig artikel 16 van die verordening een vergunning is verleend; en

        2. zij geen significante looptijdtransformatie verrichten.

      In afwachting van het verslag van de Commissie overeenkomstig artikel 508, lid 3, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen van de naleving van de in de deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), bepaalde verplichtingen vrijstellen, waarbij zij rekening houden met de aard, de omvang en de complexiteit van hun activiteiten.

      5.

      Van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95, lid 1, en artikel 96, lid 1, van deze verordening, instellingen waarop door bevoegde autoriteiten de bij artikel 7, lid 1 of lid 3, van deze verordening bepaalde afwijking is toegepast en instellingen waaraan ook een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012, wordt niet vereist dat zij op individuele basis voldoen aan de in deel zeven van deze verordening neergelegde verplichtingen en aan de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake hefboomratio's van deel zeven bis van deze verordening.";

  4. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt punt b) vervangen door:

      de moederinstelling houdt op geconsolideerde basis - of de dochteronderneming op gesubconsolideerde basis - voortdurend toezicht op de liquiditeitsposities van alle instellingen binnen de groep of subgroep die onder de ontheffing vallen, monitort houdt te allen tijde toezicht op de financieringsposities van alle instellingen binnen de groep of subgroep die ontheven zijn van het in deel zes, titel IV, beschreven vereiste inzake de nettostabielefinancieringsratio (NSFR), en staat garant voor een toereikend niveau van liquiditeit en, indien ontheffing wordt verleend van de in deel zes, titel IV, beschreven NSFR, van stabiele financiering van al deze instellingen;";

    2. in lid 3 worden de punten b) en c) vervangen door:

      1. de verdeling van bedragen, locatie en eigendom van de liquide activa die binnen die ene liquiditeitssubgroep moeten worden aangehouden, indien ontheffing wordt verleend van het vereiste inzake de liquiditeitsdekkingsratio (LCR) dat is neergelegd in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, en de verdeling van bedragen en locatie van de beschikbare stabiele financiering binnen die ene liquiditeitssubgroep, indien ontheffing wordt verleend van het in deel zes, titel IV, bepaalde NSFR-vereiste;

      2. de bepaling van de minimumbedragen aan liquide activa die moeten worden aangehouden door de instellingen waaraan ontheffing is verleend van de toepassing van het LCR-vereiste dat is neergelegd in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling en de bepaling van de minimumbedragen aan beschikbare stabiele financiering die moeten worden aangehouden door de instellingen waaraan ontheffing van het in deel zes, titel IV, van deze verordening bepaalde NSFR-vereiste is verleend;";

    3. het volgende lid wordt toegevoegd:

      "6.

      Indien een bevoegde autoriteit overeenkomstig dit artikel geheel of gedeeltelijk aan een instelling ontheffing van de toepassing van deel zes verleent, kan zij aan die instelling ook ontheffing van de toepassing van de verband houdende rapportagevereisten inzake liquiditeit uit hoofde van artikel 430, lid 1, punt d), verlenen.".

  5. In artikel 10, lid 1, wordt de inleidende formule vervangen door:

    "1.

    De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomstig het nationale recht geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van de vereisten van de delen twee tot en met acht van deze verordening en hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 op een of meer kredietinstellingen die in dezelfde lidstaat gevestigd zijn en die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan dat toezicht op hen uitoefent en dat in dezelfde lidstaat gevestigd is, mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:".

  6. Artikelen 11 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de leden 1 en 2 worden vervangen door:

      "1.

      Moederinstellingen in een lidstaat voldoen, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18, aan de in de delen twee, drie, vier, zeven en zeven bis neergelegde verplichtingen op basis van hun geconsolideerde situatie, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d). De moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, zetten een deugdelijke organisatiestructuur op en stellen passende mechanismen voor interne controle in om ervoor te zorgen dat de voor de consolidatie vereiste gegevens naar behoren worden verwerkt en doorgeleid. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, processen en mechanismen hanteren die deugdelijke consolidatie garanderen.

      2.

      Opdat de vereisten van deze verordening op geconsolideerde basis worden toegepast, worden met de termen "instelling", "moederinstelling in een lidstaat", "EU-moederinstelling" en "moederonderneming", naargelang het geval, tevens bedoeld:

      1. financiële holdings of gemengde financiële holdings die overeenkomstig artikel 21 bis van Richtlijn 2013/36/EU zijn goedgekeurd;

      2. aangewezen instellingen die onder zeggenschap staan van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding, indien die moederholdings niet zijn onderworpen aan goedkeuring uit hoofde van artikel 21 bis, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU;

      3. financiële holdings, gemengde financiële holdings of instellingen die overeenkomstig artikel 21 bis, lid 6, punt d), van Richtlijn 2013/36/EU zijn aangewezen.

      De geconsolideerde situatie van een onderneming als bedoeld in de eerste alinea, onder b), van dit lid is de geconsolideerde situatie van de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding die niet is onderworpen aan goedkeuring uit hoofde van artikel 21 bis, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU. De geconsolideerde situatie van een onderneming als bedoeld in de eerste alinea, onder c), van dit lid is de geconsolideerde situatie van haar financiële moederholding of gemengde financiële moederholding.";

    2. lid 3 wordt geschrapt;

    3. het volgende lid wordt ingevoegd:

      "3 bis.

      In afwijking van lid 1 van dit artikel voldoen alleen als af te wikkelen entiteiten aangemerkte moederinstellingen die ook MSI's of deel van een MSI of deel van een niet-EU-MSI zijn, op geconsolideerde basis aan artikel 92 bis van deze verordening, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18 van deze verordening.

      Alleen EU-moederondernemingen die een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI zijn en geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op geconsolideerde basis aan artikel 92 ter van deze verordening, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18 van deze verordening. Indien artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is, voldoen de twee intermediaire EU-moederondernemingen die gezamenlijk als één dochteronderneming van wezenlijk belang zijn aangemerkt elk afzonderlijk op basis van hun geconsolideerde situatie aan artikel 92 ter van deze verordening.";

    4. de leden 4 en 5 worden vervangen door:

      "4.

      EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening indien de groep uit één of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het verstrekken van de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten. In afwachting van het in artikel 508, lid 2, van deze verordening genoemde verslag van de Commissie en op voorwaarde dat de groep uitsluitend beleggingsondernemingen omvat, kunnen de bevoegde autoriteiten de EU-moederinstellingen van de naleving van deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening op geconsolideerde basis vrijstellen, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming.

      Wanneer er uit hoofde van artikel 8, leden 1 tot en met 5, ontheffing is verleend, voldoen de instellingen en, in voorkomend geval, de financiële holdings of gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een liquiditeitssubgroep, op geconsolideerde basis of op de gesubconsolideerde basis van de liquiditeitssubgroep aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d).

      5.

      Wanneer artikel 10 van deze verordening van toepassing is, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan de vereisten van de delen twee tot en met acht van deze verordening en hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 op basis van de geconsolideerde situatie van het geheel dat door het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen wordt gevormd.

      6.

      Naast de vereisten vastgelegd in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, en onverminderd andere bepalingen van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zulks voor toezichtsdoeleinden vanwege de specifieke kenmerken van het risico of van de kapitaalstructuur van een instelling gerechtvaardigd is, of wanneer lidstaten nationale wetgeving vaststellen op grond waarvan activiteiten binnen een bankgroep structureel moeten worden gescheiden, van een instelling verlangen dat zij op gesubconsolideerde basis voldoet aan de verplichtingen van de delen twee, tot en met acht van deze verordening en van titel VII van Richtlijn 2013/36/EU.

      De toepassing van de in de eerste alinea vervatte benadering mag geen afbreuk doen aan het effectieve toezicht op geconsolideerde basis en mag evenmin onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch de werking van de interne markt belemmeren.".

  7. Artikel 12 wordt geschrapt.

  8. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    Wanneer ten minste twee tot dezelfde MSI behorende MSI-entiteiten af te wikkelen entiteiten zijn, berekent de EU-moederinstelling van die MSI het bedrag van het in artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. Die berekening wordt verricht op basis van de geconsolideerde situatie van de EU-moederinstelling alsof het de enige af te wikkelen entiteit van de MSI betrof.

    Wanneer het overeenkomstig de eerste alinea van dit artikel berekende bedrag lager is dan de som van de in artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van alle tot die MSI behorende af te wikkelen entiteiten, handelen de afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig artikel 45 quinquies, lid 3, en artikel 45 nonies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU.

    Wanneer het overeenkomstig de eerste alinea van dit artikel berekende bedrag hoger is dan de som van de in artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van alle tot die MSI behorende af te wikkelen entiteiten, kunnen de afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig artikel 45 quinquies, lid 3, en artikel 45 nonies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU handelen.".

  9. De artikelen 13 en 14 worden vervangen door:

    1.

    EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel acht.

    Grote dochterondernemingen van EU-moederinstellingen maken de in de artikelen 437, 438, 440, 442, 450, 451, 451 bis en 453 genoemde informatie openbaar op individuele basis of, wanneer van toepassing, overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, op gesubconsolideerde basis.

    2.

    Als af te wikkelen entiteiten aangemerkte instellingen die MSI's of deel van een MSI zijn, voldoen op basis van de geconsolideerde situatie van hun af te wikkelen groep aan artikel 437 bis en artikel 447, punt h).

    3.

    De eerste alinea van lid 1 is niet van toepassing op EU-moederinstellingen, financiële EU-moederholdings, gemengde financiële EU-moederholdings of af te wikkelen entiteiten voor zover zij worden betrokken bij gelijkwaardige openbaarmakingen die door een in een derde land gevestigde moederonderneming op geconsolideerde basis worden verstrekt.

    De tweede alinea van lid 1 is van toepassing op dochterondernemingen van in een derde land gevestigde moederondernemingen indien die dochterondernemingen als grote dochterondernemingen worden aangemerkt.

    4.

    Wanneer artikel 10 van toepassing is, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan deel acht op basis van de geconsolideerde situatie van het centrale orgaan. Artikel 18, lid 1, is van toepassing op het centrale orgaan en de aangesloten instellingen worden behandeld als de dochterondernemingen van het centrale orgaan.

    1.

    Moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, wordt voorgeschreven te voldoen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de in artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 neergelegde verplichtingen, zodat hun bij deze bepalingen voorgeschreven regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, procedures en mechanismen hanteren die de inachtneming van deze bepalingen garanderen.

    2.

    Instellingen passen overeenkomstig artikel 270 bis van deze verordening een extra risicogewicht toe wanneer zij artikel 92 van deze verordening op een geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toepassen indien de vereisten van artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 niet worden nageleefd op het niveau van een in een derde land gevestigde entiteit die overeenkomstig artikel 18 van deze verordening bij de consolidatie betrokken is, en de niet-naleving een wezenlijke invloed heeft op het algehele risicoprofiel van de groep.".

  10. In artikel 15, lid 1, wordt de inleidende formule vervangen door:

    "1.

    De consoliderend toezichthouder kan, op ad-hocbasis, op geconsolideerde basis ontheffing van de toepassing van deel drie, de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis van deze verordening, en van titel VII, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2013/36/EU, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening verlenen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:".

  11. Artikel 16 wordt vervangen door:

    Indien alle entiteiten in een groep van beleggingsondernemingen, inclusief de moederentiteit, beleggingsondernemingen zijn die zijn vrijgesteld van het overeenkomstig artikel 6, lid 5, toepassen van de vereisten van deel zeven op individuele basis, kan de moederbeleggingsonderneming ervoor kiezen de vereisten van deel zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake hefboomratio's van deel zeven bis op geconsolideerde basis toe te passen.".

  12. Artikel 18 wordt vervangen door:

    1.

    Instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die aan de in afdeling 1 van dit hoofdstuk genoemde vereisten op basis van hun geconsolideerde situatie moeten voldoen, voeren een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn. De leden 3 tot en met 6 en lid 9 van dit artikel zijn niet van toepassing indien deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van toepassing zijn op de geconsolideerde situatie van een instelling, financiële holding of gemengde financiële holding of op de gesubconsolideerde situatie van een liquiditeitssubgroep zoals beschreven in de artikelen 8 en 10.

    Voor de toepassing van artikel 11, lid 3 bis, voeren instellingen die op geconsolideerde basis moeten voldoen aan de in artikel 92 bis of artikel 92 ter genoemde vereisten, een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn in de betrokken af te wikkelen groepen.

    2.

    Nevendiensten verrichtende ondernemingen worden bij de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in dit artikel zijn omschreven.

    3.

    Indien ondernemingen die in verhouding staan zoals beschreven in artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.

    4.

    De consoliderend toezichthouder verlangt de proportionele consolidatie naargelang van het aandeel in het kapitaal van deelnemingen in instellingen en financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet betrokken ondernemingen worden geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van hun aandeel in het kapitaal.

    5.

    In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 4 bepalen bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Ze kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen bij het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

    6.

    De bevoegde autoriteiten bepalen in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:

    1. een instelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer instellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en

    2. twee of meer instellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit op grond van een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn.

    De bevoegde autoriteiten kunnen in het bijzonder het gebruik van de in artikel 22, leden 7, 8 en 9, van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde methode toestaan of voorschrijven. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

    7.

    Indien een instelling een dochteronderneming heeft die geen instelling, financiële instelling of nevendiensten verrichtende onderneming is, of een deelneming in een dergelijke onderneming heeft, past zij op die dochteronderneming of die deelneming de vermogensmutatiemethode toe. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

    In afwijking van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan of verplichten om op zulke dochterondernemingen of deelnemingen een andere methode toe te passen, met inbegrip van de door het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving voorgeschreven methode, op voorwaarde dat:

    1. de instelling de vermogensmutatiemethode nog niet gebruikt op 28 december 2020;

    2. het te belastend zou zijn de vermogensmutatiemethode toe te passen of de vermogensmutatiemethode de risico's van de in de eerste alinea bedoelde onderneming voor de instelling onvoldoende weergeeft; en

    3. de toegepaste methode niet resulteert in de volledige of proportionele consolidatie van die onderneming.

    8.

    De bevoegde autoriteiten kunnen de volledige of proportionele consolidatie verlangen van een dochteronderneming of een onderneming waarin een instelling een deelneming heeft, mits die dochteronderneming of onderneming geen instelling, financiële instelling of een nevendiensten verrichtende onderneming is en mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

    1. de onderneming is geen verzekeringsonderneming, verzekeringsonderneming uit een derde land, herverzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming uit een derde land, verzekeringsholding of een van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG uitgesloten onderneming overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn;

    2. er bestaat een significant risico dat de instelling besluit financiële steun te verlenen aan die onderneming in stressomstandigheden, in afwezigheid van, of in aanvulling op enige contractuele verplichtingen om dergelijke steun te verlenen.

    9.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder consolidatie in de in de leden 3 tot en met 6 en 8 bedoelde gevallen wordt uitgevoerd.

    De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2020 voor aan de Commissie.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

  13. Artikel 22 wordt vervangen door:

    1.

    Instellingen die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie, vier en zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe indien die instellingen in een derde land een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming hebben of een deelneming in dit soort onderneming hebben.

    2.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel mogen instellingen die een dochteronderneming zijn, besluiten de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie, vier en zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis niet op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe te passen indien de totale activa en posten buiten de balanstelling van hun dochterondernemingen en deelnemingen in derde landen minder dan 10 % bedragen van het totale bedrag van de actiefposten en de posten buiten de balanstelling van de instelling die een dochteronderneming is.".

  14. De titel van deel twee wordt vervangen door:

    "EIGEN VERMOGEN EN IN AANMERKING KOMENDE PASSIVA".

  15. In artikel 26 wordt lid 3 vervangen door:

    "3.

    De bevoegde autoriteiten gaan na of uitgiften van kapitaalinstrumenten voldoen aan de criteria van artikel 28 of, naargelang het geval, van artikel 29. Uitgiften van kapitaalinstrumenten worden door de instellingen slechts als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt nadat daarvoor toestemming is gegeven door de bevoegde autoriteiten.

    In afwijking van de eerste alinea kunnen instellingen opeenvolgende uitgiften van een vorm van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarvoor zij die toestemming reeds hebben gekregen, als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aanmerken mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de voor die opeenvolgende uitgiften geldende bepalingen zijn wezenlijk dezelfde als de bepalingen die gelden voor de uitgiften waarvoor de instellingen reeds toestemming hebben verkregen;

    2. de instellingen hebben de bevoegde autoriteiten voldoende tijd vóór de indeling ervan als tier 1-kernkapitaalinstrumenten in kennis gesteld van die opeenvolgende uitgiften.

    De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA voordat zij toestemming verlenen voor nieuwe vormen van als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken kapitaalinstrumenten. De bevoegde autoriteiten houden terdege rekening met het advies van de EBA en delen, indien zij besluiten van het advies af te wijken, de EBA binnen drie maanden na de datum van ontvangst van het advies van de EBA schriftelijk mee waarom zij van het betrokken advies zijn afgeweken. Deze alinea is niet van toepassing op de in artikel 31 bedoelde kapitaalinstrumenten.

    Op basis van de door bevoegde autoriteiten verstrekte informatie wordt door de EBA een lijst opgesteld, geactualiseerd en gepubliceerd van alle vormen van kapitaalinstrumenten in elke lidstaat die als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt. Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan de EBA alle met tier 1-kernkapitaalinstrumenten verband houdende informatie verzamelen die zij nodig acht om zich van de vervulling van de in artikel 28 of, waar toepasselijk, artikel 29 van deze verordening beschreven criteria te vergewissen, en om de in deze alinea bedoelde lijst bij te houden en te actualiseren.

    Na de in artikel 80 beschreven toetsingsprocedure en indien voldoende is aangetoond dat de betrokken kapitaalinstrumenten niet of niet meer voldoen aan de in artikel 28 of, waar toepasselijk, artikel 29 beschreven criteria, kan de EBA besluiten die instrumenten niet aan de in de vierde alinea bedoelde lijst toe te voegen of deze van die lijst te schrappen, naargelang het geval. De EBA brengt met dat doel een verklaring uit waarin het standpunt ter zake van de bevoegde autoriteit ook wordt vermeld. Deze alinea is niet van toepassing op de in artikel 31 bedoelde kapitaalinstrumenten.".

  16. Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

      1. punt b) wordt vervangen door:

        de instrumenten zijn volgestort en de verwerving van de eigendom van die instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;";

      2. de volgende alinea wordt toegevoegd:

        "Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als tier 1-kernkapitaalinstrument worden aangemerkt.";

    2. in lid 3 worden de volgende alinea's toegevoegd:

      "Aan de in lid 1, eerste alinea, punt h), onder v), beschreven voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan niettegenstaande een dochteronderneming onderworpen is aan een met haar moederonderneming aangegane overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten volgens welke de dochteronderneming verplicht is om na de opstelling van haar jaarlijkse financiële overzichten haar jaarresultaat over te dragen aan de moederonderneming, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

      1. de moederonderneming bezit 90 % of meer van de stemrechten en van het kapitaal van de dochteronderneming;

      2. de moederonderneming en de dochteronderneming zijn in dezelfde lidstaat gevestigd;

      3. de overeenkomst werd vanuit rechtmatige fiscale overwegingen gesloten;

      4. bij het opstellen van het jaarlijks financieel overzicht beschikt de dochteronderneming over een beoordelingsmarge om het bedrag van de uitkeringen neerwaarts bij te stellen door haar winsten geheel of gedeeltelijk toe te wijzen aan haar eigen reserves of middelen voor algemeen bankrisico, voordat betalingen aan haar moederonderneming worden gedaan;

      5. de moederonderneming is krachtens de overeenkomst verplicht alle verliezen van de dochteronderneming volledig te compenseren;

      6. de overeenkomst bevat een opzegtermijn volgens welke de overeenkomst pas aan het einde van een boekjaar kan worden beëindigd en die beëindiging niet vroeger dan het begin van het volgende boekjaar van kracht wordt, en die de verplichting voor de moederonderneming om alle verliezen van de dochteronderneming van het lopende boekjaar volledig te compenseren onverlet laat.

      Indien een instelling een overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten is aangegaan, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij de bevoegde autoriteit een exemplaar van de overeenkomst. Ook stelt de instelling de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van wijzigingen in de overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten en van de beëindiging ervan. Een instelling gaat maximaal één overeenkomst tot de overdracht van de bedrijfsresultaten aan.".

  17. In artikel 33, lid 1, wordt punt c) vervangen door:

    tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen op derivatenverplichtingen van de instelling die voortvloeien uit wijzigingen in het eigen kredietrisico van de instelling.".

  18. Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

      1. punt b) wordt vervangen door:

        de immateriële activa, met uitzondering van de prudent gewaardeerde softwareactiva waarvan de waarde geen negatieve gevolgen ondervindt van een afwikkeling, insolventie of liquidatie van de instelling;";

      2. het volgende punt wordt toegevoegd:

        voor een minimumwaardeverplichting als bedoeld in artikel 132 quater, lid 2, het bedrag waarmee de huidige marktwaarde van de rechten van deelneming of aandelen in een icb die aan de basis liggen van de minimumwaardeverplichting inferieur is aan de huidige waarde van de minimumwaardeverplichting en waarvoor de instelling niet reeds een vermindering van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen heeft opgenomen.";

    2. het volgende lid wordt toegevoegd:

      "4.

      De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de toepassing van de in lid 1, punt b), bedoelde aftrekkingen, onder meer met betrekking tot de vraag of er sprake is van negatieve gevolgen voor de waarde die geen aanleiding geven tot prudentiële bezwaren.

      De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

      Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

  19. Aan artikel 37 wordt het volgende punt toegevoegd:

    het af te trekken bedrag wordt verminderd met het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van de immateriële activa van dochterondernemingen die kunnen worden toegerekend aan andere personen dan de ondernemingen die onder de consolidatie op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2 vallen.".

  20. In artikel 39, lid 2, eerste alinea, wordt de inleidende zinsnede vervangen door:

    "Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten, zijn beperkt tot uitgestelde belastingvorderingen die vóór 23 november 2016 zijn gecreëerd en die voortvloeien uit tijdelijke verschillen, indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:".

  21. In artikel 45, punt a), wordt subpunt i) vervangen door:

    de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;".

  22. Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

    1. aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

      "Dit lid is niet van toepassing op het berekenen van het eigen vermogen ten behoeve van de vereisten beschreven in de artikelen 92 bis en 92 ter, die worden berekend volgens het in artikel 72 sexies, lid 4, beschreven aftrekkader.";

    2. lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

      1. in punt a), subpunt iv), wordt de laatste zin vervangen door:

        "De geconsolideerde balans of de uitgebreide geaggregeerde berekening wordt met de frequentie bepaald in de in artikel 430, lid 7, bedoelde technische uitvoeringsnormen, ter kennis van de bevoegde autoriteiten gebracht.";

      2. in punt a), subpunt v), wordt de eerste zin vervangen door:

        de onder een institutioneel protectiestelsel vallende instellingen voldoen tezamen op geconsolideerde basis of op uitgebreide geaggregeerde basis aan de vereisten van artikel 92 en rapporteren overeenkomstig artikel 430 over de naleving van die vereisten.".

  23. In artikel 52 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

    1. punt a) wordt vervangen door:

      de instrumenten worden direct uitgegeven door een instelling en volgestort;";

    2. in punt b) wordt de inleidende zinsnede vervangen door:

      de instrumenten zijn geen eigendom van een van de volgende entiteiten:";

    3. punt c) wordt vervangen door:

      de verwerving van de eigendom van de instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;";

    4. punt h) wordt vervangen door:

      indien de instrumenten één of meer opties tot vervroegde aflossing waaronder callopties bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;";

    5. punt j) wordt vervangen door:

      de voor de instrumenten geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten door de instelling zouden worden opgevraagd, afgelost of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;";

    6. punt p) wordt vervangen door:

      indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

      indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;";

    7. de volgende punten worden toegevoegd:

      1. indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, mogen de instrumenten slechts worden uitgegeven op grond van, of anderszins onderworpen zijn aan, de wetgeving van een derde land indien de uitoefening van de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden krachtens die wetgeving doeltreffend en afdwingbaar is op grond van wettelijke bepalingen of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen die voorzien in afwikkeling of andere afschrijvings- of omzettingsacties;

      2. de instrumenten zijn niet onderworpen aan salderings- of verrekeningsovereenkomsten die de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten.";

    8. de volgende alinea wordt toegevoegd:

      "Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als een aanvullend-tier 1-instrument worden aangemerkt.".

  24. Aan artikel 54, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

    indien aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten door een in een derde land gevestigde dochteronderneming zijn uitgegeven, wordt het in punt a) bedoelde triggerpercentage van 5.125 % of hoger berekend volgens het nationale recht van dat derde land of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen, mits de bevoegde autoriteit zich er na raadpleging van de EBA van heeft vergewist dat deze bepalingen minstens evenwaardig zijn aan de in dit artikel beschreven vereisten.".

  25. In artikel 59, punt a), wordt subpunt i) vervangen door:

    de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;".

  26. In artikel 62 wordt punt a) vervangen door:

    kapitaalinstrumenten, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 63, en in de mate als bepaald in artikel 64;".

  27. Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de inleidende zinsnede wordt vervangen door:

      "Kapitaalinstrumenten worden als tier 2-instrumenten aangemerkt indien onderstaande voorwaarden zijn vervuld:";

    2. punt a) wordt vervangen door:

      de instrumenten worden direct uitgegeven door een instelling en volgestort;";

    3. in punt b) wordt de inleidende zinsnede vervangen door:

      de instrumenten zijn geen eigendom van een van de volgende entiteiten:";

    4. de punten c) en d) worden vervangen door:

      1. de verwerving van de eigendom van de instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

      2. de vordering op de hoofdsom van de instrumenten overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten is volledig achtergesteld bij de vorderingen van alle in aanmerking komende passiva-instrumenten;";

    5. in punt e) wordt de inleidende zinsnede vervangen door:

      de instrumenten zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:"

    6. de punten f) tot en met n) worden vervangen door:

      1. de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige regeling die de rangorde van de vordering uit hoofde van de instrumenten verhoogt;

      2. de instrumenten hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar;

      3. de voor de instrumenten geldende bepalingen bevatten geen prikkel voor het aflossen of terugbetalen, naargelang het geval, van de hoofdsom ervan door de instelling vóór hun vervaldatum;

      4. indien de instrumenten één of meer opties tot vervroegde terugbetaling, waaronder callopties, bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;

      5. de instrumenten kunnen uitsluitend vervroegd worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht indien de voorwaarden van artikel 77 vervuld zijn, en ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte, tenzij de voorwaarden van artikel 78, lid 4, vervuld zijn;

      6. de voor de instrumenten geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten door de instelling vervroegd zouden worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;

      7. de voor de instrumenten geldende bepalingen verlenen de houder ervan niet het recht de voor de toekomst geplande betaling van de interest of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling;

      8. het niveau van de interest- of dividenduitkeringen, naargelang het geval, die uit hoofde van de instrumenten verschuldigd zijn, zal niet worden gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de instelling of haar moederonderneming;

      9. indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

        indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;";

    7. de volgende punten worden toegevoegd:

      1. indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, mogen de instrumenten slechts worden uitgegeven op grond van, of anderszins onderworpen zijn aan, de wetgeving van een derde land indien de uitoefening van de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden krachtens die wetgeving doeltreffend en afdwingbaar is op grond van wettelijke bepalingen of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen die voorzien in afwikkeling of andere afschrijvings- of omzettingsacties;

      2. de instrumenten zijn niet onderworpen aan salderings- of verrekeningsovereenkomsten die de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten.";

    8. de volgende alinea wordt toegevoegd:

      "Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als een tier-2-instrument worden aangemerkt.".

  28. Artikel 64 wordt vervangen door:

    1.

    Het volledige bedrag aan tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van meer dan vijf jaar wordt als tier 2-bestanddelen aangemerkt.

    2.

    De mate waarin tier 2-instrumenten gedurende de laatste vijf jaar van de looptijd van de instrumenten als tier 2-bestanddelen worden aangemerkt, wordt berekend door het resultaat van de in punt a) bedoelde berekening te vermenigvuldigen met het in punt b) bedoelde cijfer:

    1. de boekwaarde van de instrumenten op de eerste dag van de laatste vijf jaar van hun contractuele looptijd, gedeeld door het aantal dagen in die periode;

    2. het aantal resterende dagen van de contractuele looptijd van de instrumenten.".

  29. Aan artikel 66 wordt het volgende punt toegevoegd:

    het op grond van artikel 72 sexies van de in aanmerking komende passivabestanddelen af te trekken bedrag aan bestanddelen dat de in aanmerking komende passivabestanddelen van de instelling overtreft.".

  30. In artikel 69, punt a), wordt subpunt i) vervangen door:

    de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;".

  31. Na artikel 72 wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:

    1.

    In aanmerking komende passivabestanddelen bestaan uit het volgende, tenzij ze onder één van de in lid 2 van dit artikel vastgestelde categorieën uitgesloten verplichtingen vallen, en voor zover gespecificeerd in artikel 72 quater:

    1. in aanmerking komende passiva-instrumenten indien de in artikel 72 ter beschreven voorwaarden zijn vervuld, voor zover ze niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt;

    2. tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar, voor zover deze niet als tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt overeenkomstig artikel 64.

    2.

    De volgende verplichtingen worden uitgesloten van de in aanmerking komende passivabestanddelen:

    1. gedekte deposito's;

    2. zichtdeposito's en kortlopende deposito's met een oorspronkelijke looptijd van minder dan één jaar;

    3. het gedeelte van in aanmerking komende deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen dat het in artikel 6 van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad(*) bedoelde dekkingsniveau overschrijdt;

    4. deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen die in aanmerking komende deposito's zouden zijn indien ze niet waren verricht in zich buiten de Unie bevindende bijkantoren van in de Unie gevestigde instellingen;

    5. door zekerheden gedekte verplichtingen, met inbegrip van gedekte obligaties en verplichtingen in de vorm van financiële instrumenten voor hedgingdoeleinden die integraal deel uitmaken van de dekkingspool van onderliggende activa en overeenkomstig nationaal recht op gelijke wijze als gedekte obligaties worden gedekt, op voorwaarde dat alle zekergestelde activa in verband met een dekkingspool van gedekte obligaties onaangeroerd en gescheiden blijven en over voldoende financiering blijven beschikken, met uitsluiting van die delen van door zekerheden of anderszins gedekte verplichtingen die de waarde van de activa, het pand, het pandrecht of de zakelijke zekerheid waarmee ze zijn gedekt, overschrijden;

    6. elke verplichting die ontstaat door het aanhouden van activa of geld van cliënten, met inbegrip van namens instellingen voor collectieve belegging aangehouden activa of geld van cliënten, op voorwaarde dat de cliënten in kwestie bescherming genieten uit hoofde van de toepasselijke insolventiewetgeving;

    7. elke verplichting die ontstaat doordat er een fiduciaire relatie tussen de af te wikkelen entiteit of een van haar dochterondernemingen (als vertrouwenspersoon) en een andere persoon (als begunstigde) bestaat, op voorwaarde dat de begunstigde in kwestie bescherming geniet uit hoofde van de toepasselijke insolventie- of civielrechtelijke wetgeving;

    8. verplichtingen jegens instellingen, met uitzondering van verplichtingen jegens tot dezelfde groep behorende entiteiten, met een oorspronkelijke looptijd van minder dan zeven dagen;

    9. verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens:

      1. systemen of exploitanten van systemen die als zodanig zijn aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad(**);

      2. deelnemers aan een overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG als zodanig aangemerkt systeem, en die ontstaan uit de deelname aan een dergelijk systeem; of

      3. CTP's uit derde landen die zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

    10. verplichtingen jegens:

      1. werknemers, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele beloningscomponent, en met uitzondering van de variabele beloningscomponent van medewerkers die wezenlijke risico's nemen als bedoeld in artikel 92, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU;

      2. commerciële of handelscrediteuren, wanneer de verplichting voortvloeit uit de levering aan de instelling of moederonderneming van goederen of diensten die van kritiek belang zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten van de instelling of de moederonderneming, zoals IT-diensten, nutsvoorzieningen en de huur, de exploitatie en het onderhoud van bedrijfsruimten;

      3. belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, op voorwaarde dat het, volgens het toepasselijke recht, preferente verplichtingen betreft;

      4. depositogarantiestelsels, wanneer de verplichting voortvloeit uit bijdragen die uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU verschuldigd zijn;

    11. uit derivaten voortvloeiende verplichtingen;

    12. uit schuldinstrumenten voortvloeiende verplichtingen met ingebouwde derivaten.

    Voor de toepassing van punt l) van de eerste alinea worden schuldinstrumenten met opties tot vervroegde terugbetaling die naar eigen inzicht door de uitgevende instelling of de houder kunnen worden uitgeoefend, en schuldinstrumenten met variabele rente afgeleid van een algemeen gebruikte referentierente zoals Euribor of Libor, niet louter op basis van deze kenmerken beschouwd als schuldinstrumenten met ingebouwde derivaten.

    1.

    Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt, mits ze voldoen aan de voorwaarden, beschreven in dit artikel en slechts in de mate als bepaald in dit artikel.

    2.

    Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de verplichtingen zijn direct uitgegeven of aangetrokken, naargelang het geval, door een instelling en volgestort;

    2. de verplichtingen zijn niet het eigendom van een van de volgende entiteiten:

      1. de instelling of een in dezelfde af te wikkelen groep opgenomen entiteit;

      2. een onderneming waarin de instelling al dan niet middellijk een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;

    3. de verwerving van de eigendom van de verplichtingen wordt niet direct of indirect door de af te wikkelen entiteit gefinancierd;

    4. de vordering op de hoofdsom van de verplichtingen overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten is volledig achtergesteld bij de vorderingen die uit de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen voortvloeien; dit achterstellingsvereiste wordt in de volgende situaties geacht te zijn vervuld:

      1. in de voor de verplichtingen geldende contractuele bepalingen is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen;

      2. in de toepasselijke wetgeving is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in van artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij vorderingen die voortvloeien uit de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen;

      3. de instrumenten zijn uitgegeven door een af te wikkelen entiteit die op haar balans geen van de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen heeft met eenzelfde rang als of een lagere rang dan de in aanmerking komende passiva-instrumenten;

    5. de verplichtingen zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie of enige andere regeling die de rang van de vordering verbetert en die door een van de volgende entiteiten is verstrekt:

      1. de instelling of haar dochterondernemingen;

      2. de moederonderneming van de instelling of haar dochterondernemingen;

      3. een onderneming die nauwe banden heeft met de onder i) en ii) bedoelde entiteiten;

    6. de verplichtingen zijn niet onderworpen aan salderings- of verrekeningsovereenkomsten die bij afwikkelingsoperaties de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten;

    7. de voor de verplichtingen geldende bepalingen bevatten geen prikkel voor het opvragen, aflossen of wederinkopen van de hoofdsom ervan vóór hun vervaldatum of de vervroegde terugbetaling door de instelling, naargelang het geval, behalve in de in artikel 72 quater, lid 3, bedoelde gevallen;

    8. de verplichtingen kunnen niet vóór de vervaldatum door de houders van de instrumenten worden afgelost, behalve in de in artikel 72 quater, lid 2, bedoelde gevallen;

    9. met inachtneming van artikel 72 quater, leden 3 en 4, indien de verplichtingen één of meer opties tot vervroegde terugbetaling, waaronder callopties, bevatten, kunnen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend, behalve in de in artikel 72 quater, lid 2, bedoelde gevallen;

    10. de verplichtingen mogen alleen vervroegd worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht indien de in de artikelen 77 en 78 bis beschreven voorwaarden zijn vervuld;

    11. de voor de verplichtingen geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de verplichtingen door de af te wikkelen entiteit vervroegd zouden worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;

    12. door de voor de verplichtingen geldende bepalingen krijgt de houder ervan niet het recht verleend de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de af te wikkelen entiteit;

    13. het niveau van de interest- of dividenduitkeringen, naargelang het geval, die uit hoofde van de verplichtingen verschuldigd zijn, wordt niet gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de af te wikkelen entiteit of haar moederonderneming;

    14. voor instrumenten die zijn uitgegeven na 28 juni 2021 vermelden de toepasselijke contractuele documentatie en, in voorkomend geval, het prospectus met betrekking tot de uitgifte expliciet de mogelijke uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 48 van Richtlijn 2014/59/EU.

    Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kunnen alleen de volgestorte delen van verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt.

    Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea van dit artikel wordt, wanneer sommige van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen, onder meer doordat zij worden aangehouden door een crediteur met nauwe banden met de debiteur, doordat de crediteur een aandeelhouder is of is geweest, zich in een zeggenschaps- of groepsverhouding bevindt, lid is van het leidinggevende orgaan of een band heeft met een van die personen, de achterstelling niet beoordeeld aan de hand van de uit deze uitgesloten verplichtingen voortvloeiende vorderingen.

    3.

    Naast de in lid 2 van dit artikel bedoelde verplichtingen kan de afwikkelingsautoriteit toestaan dat verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt tot een totaalbedrag dat niet meer bedraagt dan 3,5 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4, mits:

    1. aan alle in lid 2 beschreven voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt d), is voldaan;

    2. de verplichtingen dezelfde rang hebben als de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de derde alinea van lid 2 van dit artikel; en

    3. de afwikkelingsautoriteit in het licht van de in artikel 34, lid 1, punt g), en artikel 75 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde beginselen heeft geoordeeld dat de opname van die verplichtingen in de in aanmerking komende passiva geen wezenlijk risico op een succesvolle rechtsvordering of op geldige vorderingen tot schadeloosstelling inhoudt.

    4.

    De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat andere verplichtingen dan de in lid 2 bedoelde verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt, op voorwaarde dat:

    1. de instelling geen verplichtingen als bedoeld in lid 3 opneemt in de in aanmerking komende passivabestanddelen;

    2. aan alle in lid 2 beschreven voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt d), is voldaan;

    3. de verplichtingen dezelfde rang hebben als of een hogere rang hebben dan de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de derde alinea van lid 2 van dit artikel;

    4. het bedrag van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen dat bij insolventie dezelfde rang als of een lagere rang dan die verplichtingen heeft, op de balans van de instelling niet meer beloopt dan 5 % van het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling;

    5. de afwikkelingsautoriteit in het licht van de in artikel 34, lid 1, punt g), en artikel 75 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde beginselen heeft geoordeeld dat de opname van die verplichtingen in de in aanmerking komende passiva geen wezenlijk risico op een succesvolle rechtsvordering of op geldige vorderingen tot schadeloosstelling inhoudt.

    5.

    De afwikkelingsautoriteit mag een instelling uitsluitend toestaan verplichtingen als bedoeld in hetzij lid 3, hetzij lid 4, als in aanmerking komende passivabestanddelen op te nemen.

    6.

    De afwikkelingsautoriteit raadpleegt de bevoegde autoriteit wanneer zij onderzoekt of de voorwaarden van dit artikel zijn vervuld.

    7.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

    1. de toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van in aanmerking komende passiva-instrumenten;

    2. de vorm en aard van de prikkels tot aflossing, voor de toepassing van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt g), van dit artikel, en artikel 72 quater, lid 3.

    Die ontwerpen van technische reguleringsnormen worden volledig afgestemd op de in artikel 28, lid 5, punt a), en artikel 52, lid 2, punt a), bedoelde gedelegeerde handeling.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar worden volledig aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

    In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van minder dan één jaar worden niet aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

    2.

    Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument een aflossingsoptie voor de houder bevat die kan worden uitgeoefend vóór de oorspronkelijke vervaldatum van het instrument, de vervaldatum van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de houder de aflossingsoptie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.

    3.

    Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument een prikkel voor de uitgevende instelling bevat om het instrument vóór zijn oorspronkelijke vervaldatum op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, de vervaldatum van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de uitgevende instelling die optie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.

    4.

    Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument opties voor vroegtijdige aflossing bevat die de uitgevende instelling naar eigen inzicht vóór de oorspronkelijke vervaldatum kan uitoefenen, maar de voor het instrument geldende bepalingen geen prikkels bevatten voor het opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van het instrument vóór de vervaldatum ervan en geen aflossings- of terugbetalingsoptie bevatten die naar eigen inzicht van de houders kan worden uitgeoefend, de vervaldatum van het instrument bepaald als de oorspronkelijke vervaldatum.

    Wanneer in het geval van een in aanmerking komend passiva-instrument niet langer aan de in artikel 72 ter beschreven voorwaarden is voldaan, worden de verplichtingen met onmiddellijke ingang niet langer als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt.

    De in artikel 72 ter, lid 2, bedoelde verplichtingen mogen verder als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden meegeteld zolang ze krachtens artikel 72 ter, lid 3 of lid 4, kunnen worden aangemerkt als in aanmerking komende passiva-instrumenten.

    1.

    Instellingen die onder artikel 92 bis vallen, trekken het volgende af van in aanmerking komende passivabestanddelen:

    1. direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten, met inbegrip van eigen passiva welke die instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;

    2. direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarmee de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van de af te wikkelen entiteit kunstmatig te verhogen;

    3. het overeenkomstig artikel 72 decies bepaalde toepasselijke bedrag aan direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft;

    4. direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft, met uitsluiting van de voor vijf werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities.

    2.

    Voor de toepassing van deze afdeling worden alle instrumenten met dezelfde rang als in aanmerking komende passiva-instrumenten behandeld als in aanmerking komende passiva-instrumenten, met uitzondering van instrumenten met dezelfde rang als instrumenten die op grond van artikel 72 ter, leden 3 en 4, erkend zijn als in aanmerking komende passiva.

    3.

    Voor de toepassing van deze afdeling mogen instellingen het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden, als volgt berekenen:

    h = ∑ (Hi × li Li )

    waarbij:

    h het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden;
    i de index die de uitgevende instelling aangeeft;
    Hi het totale bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten van de uitgevende instelling i wordt aangehouden;
    li het bedrag aan verplichtingen dat in de in aanmerking komende passivabestanddelen is opgenomen door de uitgevende instelling i binnen de in artikel 72 ter, lid 3, bepaalde beperkingen volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling; en
    Li het totale bedrag aan uitstaande verplichtingen van de uitgevende instelling i als bedoeld in artikel 72 ter, lid 3, volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling.
    4.

    Wanneer een EU-moederinstelling of een moederinstelling in een lidstaat die onder artikel 92 bis valt, direct, indirect of synthetisch eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten aanhoudt van één of meer dochterondernemingen die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren als die moederinstelling, kan de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling, na terdege rekening te hebben gehouden met het advies van de afwikkelingsautoriteiten van betrokken dochterondernemingen, de moederinstelling toestaan om die aangehouden instrumenten af te trekken door een door de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling bepaald lager bedrag af te trekken. Dat aangepaste bedrag is ten minste gelijk aan het bedrag (m), berekend als volgt:

    • mi = max{0; OPi + LPi – max{0; β · [Oi + Li – ri · aRWAi]}}

      waarbij:

      i de index die de dochteronderneming aangeeft;
      OPi het bedrag aan door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden eigenvermogensinstrumenten;
      LPi het bedrag aan de door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden in aanmerking komende passivabestanddelen;
      β percentage van door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederonderneming aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passivabestanddelen;
      Oi het bedrag aan eigen vermogen van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;
      Li het bedrag aan in aanmerking komende passiva van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;
      ri de ratio die van toepassing is op dochteronderneming i op het niveau van haar af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening en artikel 45 quinquies van Richtlijn 2014/59/EU; en
      aRWAi het totaal van de risicoposten van de MSI-entiteit i, berekend overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4, rekening houdend met de aanpassingen van artikel 12 bis.

    Indien de moederinstelling het aangepaste bedrag overeenkomstig de eerste alinea mag aftrekken, wordt het verschil tussen het in de eerste alinea bedoelde bedrag aan aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten en dat aangepaste bedrag door de dochteronderneming afgetrokken.

    Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punt a), berekenen instellingen de door hen aangehouden instrumenten op basis van de bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

    1. instellingen mogen het bedrag van de door hen aangehouden instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

      1. de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

      2. ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

    2. instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten te berekenen;

    3. instellingen mogen bruto lange posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die uit het aanhouden van indexeffecten voortvloeien, verrekenen met korte posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in onderliggende indices, ook indien die korte posities tegenpartijrisico inhouden, op voorwaarde dat aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

      1. de lange en korte posities zijn in dezelfde onderliggende indices;

      2. ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden.

    Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punten b), c) en d), trekken instellingen de bruto lange posities af, met inachtneming van de in de artikelen 72 nonies en 72 decies neergelegde uitzonderingen.

    Instellingen die geen gebruik maken van de in artikel 72 undecies beschreven uitzondering, verrichten de in artikel 72 sexies, lid 1, punten c) en d), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

    1. zij mogen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

      1. de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;

      2. ofwel worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

    2. zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de doorkijkbenadering te hanteren voor de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte in aanmerking komende passiva-instrumenten.

    1.

    Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punt c), berekenen instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in punt a) van dit lid bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de uit de in punt b) van dit lid bedoelde berekening afgeleide factor:

    1. het totaalbedrag waarmee direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling overschrijdt, berekend na toepassing van het volgende:

      1. de artikelen 32 tot en met 35;

      2. artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), onder ii) tot en met v), en punt l) met uitsluiting van het voor uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, af te trekken bedrag;

      3. de artikelen 44 en 45;

    2. het bedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de af te wikkelen entiteit geen aanzienlijke deelneming heeft.

    2.

    Instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, punt a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de factor overeenkomstig lid 1, punt b).

    3.

    Het op grond van lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over elk van de door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van een MSI-entiteit. Instellingen bepalen het op grond van lid 1 af te trekken bedrag van elk in aanmerking komend passiva-instrument door het in dit lid, punt a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, punt b), gespecificeerde gedeelte:

    1. het op grond van lid 1 af te trekken bedrag aan aangehouden instrumenten;

    2. het gedeelte van het totaalbedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft dat wordt vertegenwoordigd door elk door de instelling aangehouden in aanmerking komend passiva-instrument.

    4.

    Het bedrag aan in artikel 72 sexies, lid 1, punt c), bedoelde aangehouden instrumenten dat gelijk is aan of lager ligt dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van punt a), onder i), ii) en iii), van lid 1 van dit artikel wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel drie, titel IV, vastgestelde vereisten, naargelang het geval.

    5.

    Instellingen bepalen het op grond van lid 4 af te trekken bedrag van elk in aanmerking komend passiva-instrument door het bedrag aan aangehouden instrumenten dat op grond van lid 4 naar risico moet worden gewogen, te vermenigvuldigen met het uit de in lid 3, punt b), bedoelde berekening resulterende gedeelte.

    1.

    Instellingen mogen besluiten om een aangegeven deel van de door hen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten, dat in totaal en gemeten op basis van bruto lange posities gelijk is aan of minder dan 5 % van tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de artikelen 32 tot en met 36 niet af te trekken, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de aangehouden instrumenten worden in de handelsportefeuille aangehouden;

    2. de in aanmerking komende passiva-instrumenten worden voor maximaal 30 werkdagen aangehouden.

    2.

    Voor de bedragen van de bestanddelen die op grond van lid 1 niet worden afgetrokken, gelden de eigenvermogensvereisten voor bestanddelen in de handelsportefeuille.

    3.

    Wanneer in het geval van aangehouden bestanddelen die overeenkomstig lid 1 niet worden afgetrokken, niet langer aan de in dat lid beschreven voorwaarden is voldaan, worden de aangehouden bestanddelen afgetrokken overeenkomstig artikel 72 octies, zonder toepassing van de in de artikelen 72 nonies en 72 decies neergelegde uitzonderingen.

    De in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de in aanmerking komende passivabestanddelen van de instelling na de in artikel 72 sexies bedoelde aftrekkingen.

    Het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de som van haar eigen vermogen en haar in aanmerking komende passiva.

  32. In deel twee, titel I, wordt de titel van hoofdstuk 6 vervangen door:

    " Algemene vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva ".

  33. Artikel 73 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de titel wordt vervangen door:

      "Uitkeringen op instrumenten";

    2. de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:

      "1.

      Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het volledig ter beoordeling van een instelling staat om te besluiten uitkeringen in een andere vorm uit te betalen dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten, kunnen alleen als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt indien de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen.

      2.

      De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 1 bedoelde voorafgaande toestemming uitsluitend indien naar hun oordeel aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

      1. het vermogen van de instelling om uitkeringen uit hoofde van het instrument te staken, zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

      2. het vermogen van het kapitaalinstrument of van de verplichting om verliezen te absorberen zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

      3. de kwaliteit van het kapitaalinstrument of de verplichting zou in geen enkel ander opzicht worden beperkt door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan.

      De bevoegde autoriteit raadpleegt de afwikkelingsautoriteit betreffende de naleving door een instelling van die voorwaarden voordat zij de in lid 1 bedoelde voorafgaande toestemming verleent.

      3.

      Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het een andere rechtspersoon dan de uitgevende instelling ter beoordeling staat om te besluiten of te verlangen dat de uitkeringen op die instrumenten of passiva in een andere vorm dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten worden gedaan, kunnen niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt.

      4.

      Instellingen mogen zich voor het vaststellen van het niveau van de uitkeringen op aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten onder meer op een brede marktindex baseren.";

    3. lid 6 wordt vervangen door:

      "6.

      Instellingen melden de brede marktindices waarop hun kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten berusten, en maken deze openbaar.".

  34. In artikel 75 wordt de inleidende zinsnede vervangen door:

    "Aan de in artikel 45, punt a), artikel 59, punt a), artikel 69, punt a), en artikel 72 nonies, punt a), bedoelde looptijdvereisten voor korte posities wordt geacht te zijn voldaan voor aangehouden posities indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:".

  35. In artikel 76 worden de leden 1, 2 en 3 vervangen door:

    "1.

    Voor de toepassing van artikel 42, punt a), artikel 45, punt a), artikel 57, punt a), artikel 59, punt a), artikel 67, punt a), artikel 69, punt a), en artikel 72 nonies, punt a), mogen instellingen het bedrag van een lange positie in een kapitaalinstrument verlagen met het gedeelte van een index dat is samengesteld uit dezelfde onderliggende blootstelling die wordt afgedekt, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. ofwel worden zowel de afgedekte lange positie als de korte positie in een index die wordt gebruikt om die lange positie af te dekken, in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

    2. de in punt a) bedoelde posities worden tegen reële waarde aangehouden op de balans van de instelling;

    3. de in punt a) bedoelde korte positie wordt in het kader van de internecontroleprocedures van de instelling als een effectieve afdekking aangemerkt;

    4. de bevoegde autoriteiten toetsen de in punt c) bedoelde internecontroleprocedures ten minste eenmaal per jaar op adequaatheid en vergewissen zich ervan dat die procedures nog steeds naar behoren functioneren.

    2.

    Indien de bevoegde autoriteit haar voorafgaande toestemming heeft verleend, mag een instelling uitgaan van een voorzichtige raming van haar onderliggende blootstelling met betrekking tot in indices opgenomen instrumenten in plaats van haar blootstelling aan één of meer van de in de volgende punten bedoelde bestanddelen te berekenen:

    1. in indices opgenomen eigen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten;

    2. in indices opgenomen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector;

    3. in indices opgenomen in aanmerking komende passiva-instrumenten van instellingen.

    3.

    De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 2 bedoelde voorafgaande toestemming uitsluitend indien de instelling ten genoegen van die bevoegde autoriteiten heeft aangetoond dat het monitoren van haar onderliggende blootstelling aan de bestanddelen, bedoeld in één of meer van de punten van lid 2, naargelang het geval, voor de instelling in operationeel opzicht belastend zou zijn.".

  36. Artikel 77 wordt vervangen door:

    1.

    Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit nodig, wil zij een van de volgende handelingen doen:

    1. de door de instelling uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderen, aflossen of wederinkopen op een wijze die krachtens het toepasselijke nationale recht is toegestaan;

    2. de agiorekeningen met betrekking tot eigenvermogensinstrumenten verminderen, verdelen of herindelen als een ander eigenvermogensbestanddeel;

    3. aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen.

    2.

    Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit nodig, wil zij niet onder lid 1 vallende in aanmerking komende passiva-instrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen.".

  37. Artikel 78 wordt vervangen door:

    1.

    De bevoegde autoriteit verleent een instelling toestemming voor het verminderen, opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, of voor het verminderen, verdelen of herindelen van daaraan gerelateerde agiorekeningen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als een van de in artikel 77, lid 1, bedoelde handelingen vervangt de instelling de in artikel 77, lid 1, bedoelde instrumenten of de daaraan gerelateerde agiorekeningen door eigenvermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;

    2. de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling na de in artikel 77, lid 1, van deze verordening bedoelde handeling de in deze verordening, in Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten zouden overschrijden met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht.

    Indien een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te functioneren met eigen vermogen boven de in deze verordening en in Richtlijn 2013/13/EU vereiste bedragen, kan de bevoegde autoriteit die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om ongeacht welke handeling als bedoeld in artikel 77, lid 1, van deze verordening te verrichten, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid beschreven voorwaarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de bevoegde autoriteit wordt bepaald. In het geval van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bedraagt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 3 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 10 % van het bedrag waarmee het tier 1-kernkapitaal het totaal van de in deze verordening, in de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde tier 1-kernkapitaalvereisten overschrijdt met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht. In het geval van aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten overschrijdt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 10 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 3 % van het totale bedrag van uitstaande aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang het geval.

    De bevoegde autoriteiten trekken de algemene voorafgaande toestemming in wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.

    2.

    Wanneer de bevoegde autoriteiten de duurzaamheid beoordelen van de vervangingsinstrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling als bedoeld in lid 1, punt a), houden zij rekening met de mate waarin die vervangende kapitaalinstrumenten kostbaarder voor de instelling zouden zijn dan de kapitaalinstrumenten of agiorekeningen die zij zouden vervangen.

    3.

    Indien een instelling een in artikel 77, lid 1, punt a), bedoelde handeling verricht en het toepasselijke nationale recht verbiedt om het aflossen van de in artikel 27 bedoelde tier 1-kernkapitaalinstrumenten te weigeren, kan de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van de in lid 1 van dit artikel beschreven voorwaarden, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de instelling verlangt dat deze de aflossing van die instrumenten op een passende basis beperkt.

    4.

    De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen toestaan om aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of daaraan gerelateerde agiorekeningen op te vragen, af te lossen of weder in te kopen gedurende vijf jaar na de datum van uitgifte ervan wanneer aan de voorwaarden van lid 1 en aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de indeling van die instrumenten volgens de regelgeving ondergaat een wijziging, ten gevolge waarvan ze waarschijnlijk zouden worden uitgesloten van het eigen vermogen of worden heringedeeld als eigen vermogen van lagere kwaliteit, en de beide onderstaande voorwaarden zijn vervuld:

      1. de bevoegde autoriteit acht dit soort wijziging voldoende zeker;

      2. de instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de herindeling van die instrumenten volgens de regelgeving redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte ervan;

    2. de toepasselijke fiscale behandeling van die instrumenten ondergaat een wijziging waarvan de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat zij wezenlijk is en redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte van die instrumenten;

    3. op de instrumenten en daaraan gerelateerde agiorekeningen zijn grandfatheringbepalingen krachtens artikel 494 ter van toepassing;

    4. vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als de in artikel 77, lid 1, bedoelde handeling vervangt de instelling de in artikel 77, lid 1, bedoelde instrumenten of daaraan gerelateerde agiorekeningen door eigen vermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling, en de bevoegde autoriteit heeft toestemming gegeven voor die maatregel op basis van de vaststelling dat deze uit prudentieel oogpunt gunstig zou zijn en gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden;

    5. de aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten worden wederingekocht ten behoeve van het onderhouden van een markt.

    5.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:

    1. de betekenis van "houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling";

    2. de in lid 3 bedoelde passende bases voor de beperking van aflossing;

    3. de procedures, met inbegrip van de limieten en procedures voor voorafgaande toestemming door de bevoegde autoriteiten voor het uitvoeren van een in artikel 77, lid 1, vermelde handeling, en de gegevensvereisten voor een verzoek van een instelling om toestemming van de bevoegde autoriteit om een daarin vermelde handeling uit te voeren, daaronder begrepen de bij aflossing van aan leden van coöperaties uitgegeven aandelen toe te passen procedure, en de termijn voor de behandeling van een dergelijk verzoek.

    De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

  38. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    De afwikkelingsautoriteit verleent een instelling toestemming voor het opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van in aanmerking komende passiva-instrumenten indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als een van de in artikel 77, lid 2, bedoelde handelingen vervangt de instelling de in aanmerking komende passiva-instrumenten door eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;

    2. de instelling heeft ten genoegen van de afwikkelingsautoriteit aangetoond dat het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling na de in artikel 77, lid 2, van deze verordening bedoelde handeling de in deze verordening en de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva zou overschrijden met een marge die de afwikkelingsautoriteit, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, noodzakelijk acht;

    3. de instelling heeft ten genoegen van de afwikkelingsautoriteit aangetoond dat de gedeeltelijke of volledige vervanging van de in aanmerking komende passiva door eigenvermogensinstrumenten nodig is om te voldoen aan de in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde eigenvermogensvereisten voor het behouden van de vergunning.

    Wanneer een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te opereren met eigen vermogen en in aanmerking komende passiva boven het bedrag van de in deze verordening, in de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten, kan de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om in aanmerking komende passiva-instrumenten op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid beschreven voorwaarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de afwikkelingsautoriteit wordt bepaald. Afwikkelingsautoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van algemene voorafgaande toestemmingen die ze verlenen.

    De afwikkelingsautoriteit trekt de algemene voorafgaande toestemming in wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.

    2.

    Wanneer de afwikkelingsautoriteiten de duurzaamheid beoordelen van de vervangingsinstrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling als bedoeld in lid 1, punt a), houden zij rekening met de mate waarin die vervangende kapitaalinstrumenten of vervangende in aanmerking komende passiva kostbaarder voor de instelling zouden zijn dan die welke zij zouden vervangen.

    3.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:

    1. de samenwerkingsprocedure tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit;

    2. de procedure, inclusief de termijnen en informatievereisten, voor het verlenen van de toestemming overeenkomstig de eerste alinea van lid 1;

    3. de procedure, inclusief de termijnen en informatievereisten, voor het verlenen van de algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig de tweede alinea van lid 1;

    4. de betekenis van "duurzaam voor de inkomstencapaciteit van de instelling".

    Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea van dit lid worden de ontwerpen van technische reguleringsnormen volledig afgestemd op de in artikel 78 bedoelde gedelegeerde handeling.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.".

  39. Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de titel wordt vervangen door:

    2. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      Indien een instelling houder is van kapitaalinstrumenten of passiva die als eigenvermogensinstrumenten in een entiteit uit de financiële sector of als in aanmerking komende passiva-instrumenten in een instelling kunnen worden aangemerkt, en de bevoegde autoriteit van oordeel is dat het aanhouden van die instrumenten dient voor een financiëlebijstandsoperatie om die entiteit of instelling te saneren en de levensvatbaarheid ervan te herstellen, kan de bevoegde autoriteit tijdelijk ontheffing verlenen van de bepalingen inzake aftrek die anders op die instrumenten van toepassing zouden zijn.".

  40. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    Bij het beoordelen of de in deel twee vastgestelde vereisten worden nageleefd, houden instellingen rekening met de wezenlijke kenmerken van instrumenten, en niet alleen met de rechtsvorm ervan. Bij het beoordelen van de wezenlijke kenmerken van een instrument wordt rekening gehouden met alle regelingen in verband met de instrumenten, zelfs als die niet uitdrukkelijk worden vermeld in de voorwaarden van de instrumenten zelf, teneinde te bepalen of de gecombineerde economische gevolgen van zulke regelingen stroken met de doelstelling van de betrokken bepalingen.".

  41. Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de titel wordt vervangen door:

    2. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      De EBA monitort de kwaliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen in de hele Unie worden uitgegeven, en stelt de Commissie onmiddellijk in kennis wanneer er significante aanwijzingen zijn dat die instrumenten niet voldoen aan de in deze verordening uiteengezette criteria om in aanmerking te komen.

      De bevoegde autoriteiten doen de EBA, onverwijld en op haar verzoek, alle informatie toekomen die de EBA met betrekking tot nieuw uitgegeven kapitaalinstrumenten of nieuwe soorten verplichtingen relevant acht, teneinde de EBA in staat te stellen de kwaliteit te monitoren van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen waar ook in de Unie worden uitgegeven.";

    3. in lid 3 wordt de inleidende zinsnede vervangen door:

      "3.

      De EBA verstrekt de Commissie technisch advies betreffende alle belangrijke wijzigingen die volgens haar in de definitie van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva moeten worden aangebracht naar aanleiding van een van de volgende gevallen:".

  42. In artikel 81 wordt lid 1 vervangen door:

    "1.

    Minderheidsbelangen omvatten de som van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

      1. een instelling;

      2. een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU;

      3. een financiële tussenholding in een derde land die is onderworpen aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en indien de Commissie, overeenkomstig artikel 107, lid 4, heeft besloten dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;

    2. de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;

    3. de tier 1-kernkapitaalbestanddelen, bedoeld in de inleidende zin van dit lid, zijn eigendom van andere personen dan de op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.".

  43. Artikel 82 wordt vervangen door:

    Het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en het in aanmerking komend eigen vermogen omvatten het minderheidsbelang, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang het geval, en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agiorekeningen van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

      1. een instelling;

      2. een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU;

      3. een financiële tussenholding in een derde land die is onderworpen aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en indien de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 4, heeft besloten dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;

    2. de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;

    3. die instrumenten zijn eigendom van andere personen dan de op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.".

  44. In artikel 83, lid 1, wordt de inleidende zinsnede vervangen door:

    "1.

    Aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die door een special purpose-entity worden uitgegeven en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden tot en met 31 december 2021 uitsluitend in het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- of tier 2-kapitaal of in aanmerking komend eigen vermogen, naargelang het geval, opgenomen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:".

  45. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    Passiva die zijn uitgegeven door een in de Unie gevestigde dochteronderneming die is verbonden aan dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit, komen in aanmerking om te worden opgenomen in de geconsolideerde in aanmerking komende passiva-instrumenten van een onder artikel 92 bis vallende instelling, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. zij zijn uitgegeven overeenkomstig artikel 45 septies, lid 3, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU;

    2. zij zijn gekocht door een bestaande aandeelhouder die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoort, voor zover de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 van Richtlijn 2014/59/EU zonder gevolgen blijft voor de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;

    3. zij bedragen niet meer dan het bedrag dat wordt verkregen door het in punt i) bedoelde bedrag af te trekken van het in punt ii) bedoelde bedrag:

      1. de som van de passiva die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van overeenkomstig artikel 45 septies, lid 3, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU uitgegeven eigenvermogensinstrumenten;

      2. het overeenkomstig artikel 45 septies, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU vereiste bedrag.".

  46. Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:

      een hefboomratio van 3 %;";

    2. het volgende lid wordt ingevoegd:

      "1 bis.

      In aanvulling op het in lid 1, punt d), van dit artikel neergelegde vereiste houdt een MSI een hefboomratiobuffer aan die gelijk is aan de in artikel 429, lid 4, van deze verordening bedoelde maatstaf van totale blootstelling van de MSI vermenigvuldigd met 50 % van het MSI-bufferpercentage van toepassing op de MSI overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU.

      Een MSI voldoet bij uitsluiting met tier 1-kapitaal aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer. Tier 1-kapitaal dat wordt gebruikt om aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer te voldoen, wordt niet gebruikt om te voldoen aan de op hefboomwerking gebaseerde vereisten die zijn vastgesteld in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU, tenzij daarin nadrukkelijk anderszins is bepaald.

      Voor een MSI die niet aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer voldoet, geldt het vereiste inzake kapitaalinstandhouding overeenkomstig artikel 141 ter van Richtlijn 2013/36/EU.

      Voor een MSI die niet tegelijkertijd aan het vereiste inzake de hefboomratio en het gecombineerd buffervereiste, zoals gedefinieerd in artikel 128, punt 6), van Richtlijn 2013/36/EU, voldoet, geldt het hoogste van de vereisten inzake kapitaalinstandhouding overeenkomstig de artikelen 141 en 141 ter van die richtlijn.";

    3. lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

      1. punten b) en c) worden vervangen door:

        1. de eigenvermogensvereisten voor de handelsportefeuilleactiviteiten van een instelling, voor het volgende:

          1. marktrisico's als bepaald overeenkomstig titel IV van dit deel, met uitzondering van de benaderingen beschreven in hoofdstukken 1 bis en 1 ter van die titel;

          2. grote blootstellingen die de in de artikelen 395 tot en met 401 bepaalde limieten overschrijden, voor zover een instelling die limieten mag overschrijden, als bepaald overeenkomstig deel vier.

        2. de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's, bepaald in titel IV van dit deel, met uitzondering van de benaderingen beschreven in hoofdstukken 1 bis en 1 ter van die titel, voor alle bedrijfsactiviteiten die die onderhevig zijn aan wisselkoers- of grondstoffenrisico's;";

      2. het volgende punt wordt ingevoegd:

        de eigenvermogensvereisten, berekend overeenkomstig titel V van dit deel, met uitzondering van artikel 379 voor afwikkelingsrisico.".

  47. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    1.

    Met inachtneming van de artikelen 93 en 94 en de in lid 2 van dit artikel vervatte uitzonderingen voldoen instellingen die als af te wikkelen entiteiten zijn geïdentificeerd en die een MSI of deel van een MSI zijn, te allen tijde aan de volgende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

    1. een risicogebaseerde ratio van 18 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4;

    2. een niet-risicogebaseerde ratio van 6,75 %, die het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf van totale blootstelling.

    2.

    De in lid 1 vastgestelde vereisten gelden niet in de volgende gevallen:

    1. binnen drie jaar na de datum waarop de instelling of de groep waarvan de instelling deel uitmaakt, als MSI is aangemerkt;

    2. binnen twee jaar na de datum waarop de afwikkelingsautoriteit het bail-in-instrument overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU heeft toegepast;

    3. binnen twee jaar na de datum waarop de af te wikkelen entiteit een in artikel 32, lid 1, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde alternatieve maatregel van de particuliere sector heeft opgezet waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalbestanddelen omgezet, om de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat er afwikkelingsinstrumenten worden aangewend.

    3.

    Wanneer het totaal, resulterend uit de toepassing van het in lid 1, punt a), van dit lid vastgestelde vereiste op elke af te wikkelen entiteit van dezelfde MSI, het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva als berekend overeenkomstig artikel 12 bis van deze verordening overschrijdt, kan de afwikkelingsautoriteit van de EU-moederinstelling, na raadpleging van de andere betrokken afwikkelingsautoriteiten, overeenkomstig artikel 45 quinquies, lid 4, of artikel 45 nonies, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU handelen.

    1.

    Instellingen die dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU MSI's zijn en die geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen te allen tijde aan de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelijk aan 90 % van de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die in artikel 92 bis zijn vastgesteld.

    2.

    Aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten worden ten behoeve van de naleving van lid 1 slechts in aanmerking genomen indien die instrumenten eigendom zijn van de uiteindelijke moederonderneming van de niet-EU-MSI en indien zij direct of indirect zijn uitgegeven via andere entiteiten binnen dezelfde groep, mits al die entiteiten in hetzelfde derde land zijn gevestigd als die uiteindelijke moederonderneming dan wel in een lidstaat.

    3.

    Een in aanmerking komend passiva-instrument wordt ten behoeve van de naleving van lid 1 slechts in aanmerking genomen indien het voldoet aan elk van de volgende aanvullende voorwaarden:

    1. bij normale insolventieprocedures in de zin van artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU is de uit de verplichting voortvloeiende vordering achtergesteld bij vorderingen die voortvloeien uit verplichtingen die niet voldoen aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel en niet als eigen vermogen kunnen worden aangemerkt;

    2. het valt onder de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 van Richtlijn 2014/59/EU.".

  48. Artikel 94 wordt vervangen door:

    1.

    In afwijking van artikel 92, lid 3, punt b), mogen instellingen het eigenvermogensvereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten berekenen overeenkomstig lid 2 van dit artikel, op voorwaarde dat de omvang van de handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling van de instelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing aan de hand van de gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner dan beide volgende drempelwaarden:

    1. 5 % van de totale activa van de instelling;

    2. 50 miljoen EUR.

    2.

    Wanneer aan beide in lid 1, punten a) en b), beschreven voorwaarden is voldaan, mogen instellingen het eigenvermogensvereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten als volgt berekenen:

    1. voor de in bijlage II, punt 1, vermelde contracten, contracten met betrekking tot aandelen als vermeld in punt 3 van die bijlage en kredietderivaten mogen instellingen die posities vrijstellen van het in artikel 92, lid 3, punt b), bedoelde eigenvermogensvereiste;

    2. voor andere dan de in dit lid, punt a), bedoelde posities in de handelsportefeuille mogen instellingen het in artikel 92, lid 3, punt b), bedoelde eigenvermogensvereiste vervangen door het overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt a), berekende vereiste.

    3.

    Voor de toepassing van lid 1 berekenen instellingen de omvang van hun handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling aan de hand van de gegevens op de laatste dag van elke maand met inachtneming van de volgende vereisten:

    1. alle aan de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 104 toegewezen posities worden meegenomen in de berekening, met uitzondering van het volgende:

      1. deviezen- en grondstoffenposities;

      2. posities in kredietderivaten die als interne afdekking tegen blootstellingen aan kredietrisico's of tegenpartijrisico's in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen en de kredietderivatentransacties die het marktrisico van die interne afdekkingen als bedoeld in artikel 106, lid 3, perfect ondervangen;

    2. alle posities die in de berekening overeenkomstig punt a) worden meegenomen, worden tegen hun marktwaarde op die datum gewaardeerd; indien de marktwaarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar is, nemen instellingen voor de positie een reële waarde op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor die positie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;

    3. de absolute waarde van lange posities wordt samengeteld met de absolute waarde van korte posities.

    4.

    Indien aan beide voorwaarden van, lid 1, punten a) en b), van dit artikel is voldaan, zijn artikel 102, leden 3 en 4, artikel 103 en artikel 104 ter van deze verordening niet van toepassing, ongeacht de in de artikelen 74 en 83 van Richtlijn 2013/36/EU beschreven verplichtingen.

    5.

    Instellingen delen de bevoegde autoriteiten mee dat ze de eigenvermogensvereisten voor hun handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig lid 2 berekenen, of niet langer berekenen.

    6.

    Een instelling die niet langer aan een of meerdere voorwaarden van lid 1 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

    7.

    Een instelling berekent niet langer de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig lid 2 binnen een termijn van drie maanden nadat zich een van de volgende situaties heeft voorgedaan:

    1. de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de in lid 1, punt a) of punt b), beschreven voorwaarden;

    2. de instelling voldoet gedurende meer dan zes van de laatste twaalf maanden niet aan de in lid 1, punt a) of punt b) beschreven voorwaarden.

    8.

    Ingeval een instelling de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten niet langer overeenkomstig dit artikel berekent, is het haar pas toegestaan de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig dit artikel te berekenen wanneer zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van één volledig jaar aan alle voorwaarden van lid 1 is voldaan.

    9.

    Instellingen mogen geen handelsportefeuillepositie innemen, kopen of verkopen met als enig doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van lid 1 te voldoen.".

  49. In deel drie, titel I, wordt hoofdstuk 2 geschrapt.

  50. Artikel 102 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de leden 2, 3 en 4 worden vervangen door:

      "2.

      De intentie om te handelen blijkt uit de strategieën, beleidslijnen en procedures die door de instelling in het leven zijn geroepen om de positie of de portefeuille overeenkomstig de artikelen 103, 104 en 104 bis te beheren.

      3.

      Instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille overeenkomstig artikel 103 te beheren.

      4.

      Voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, lid 3, worden handelsportefeuilleposities toegewezen aan tradingafdelingen die overeenkomstig artikel 104 ter zijn opgericht.";

    2. de volgende leden worden toegevoegd:

      "5.

      De posities in de handelsportefeuille vallen onder de in artikel 105 bepaalde vereisten voor prudente waardering.

      6.

      Instellingen behandelen interne afdekkingsinstrumenten overeenkomstig artikel 106.".

  51. Artikel 103 wordt vervangen door:

    1.

    Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor het algemene beheer van de handelsportefeuille. Deze beleidslijnen en procedures regelen ten minste:

    1. welke activiteiten de instelling met het oog op de eigenvermogensvereisten als commercieel en deel uitmakend van de handelsportefeuilleactiviteiten beschouwt;

    2. de mate waarin een positie dagelijks tegen marktprijs kan worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt;

    3. voor posities die op basis van een modellenbenadering worden gewaardeerd, de mate waarin de instelling in staat is:

      1. alle wezenlijke risico's van de positie te bepalen;

      2. alle wezenlijke risico's van de positie af te dekken door middel van instrumenten waarvoor een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;

      3. betrouwbare ramingen af te leiden voor de voornaamste in het model gebruikte aannames en parameters;

    4. de mate waarin een instelling in staat en verplicht is voor de positie waarderingen te produceren die extern op samenhangende wijze kunnen worden gevalideerd;

    5. de mate waarin de wettelijke beperkingen of andere operationele vereisten het vermogen van de instelling aantasten om op korte termijn liquidatie of afdekking van de positie te bewerkstelligen;

    6. de mate waarin een instelling in staat en verplicht is om de risico's van de posities in het kader van haar commerciële werkzaamheden actief te beheren;

    7. de mate waarin de instelling risico's of posities mag herindelen tussen de niet-handelsportefeuille en de handelsportefeuille, en de vereisten voor die herindelingen als bedoeld in artikel 104 bis.

    2.

    Bij het beheer van haar posities of portefeuilles van posities in de handelsportefeuille voldoet de instelling aan alle volgende vereisten:

    1. ten aanzien van de betrokken posities of portefeuilles in de handelsportefeuille beschikt de instelling over een helder gedocumenteerde handelsstrategie, die door de directie is goedgekeurd en de verwachte aanhoudingsperiode omvat;

    2. voor het actieve beheer van de posities of portefeuilles in de handelsportefeuille beschikt de instelling over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures; in deze beleidslijnen en procedures is onder meer het volgende bepaald:

      1. welke posities of portefeuilles van posities mogen worden ingenomen door elke tradingafdeling of, naargelang het geval, door aangewezen handelaren;

      2. welke positielimieten gelden en hoe de adequaatheid ervan wordt gemonitord;

      3. dat handelaren met inachtneming van de vastgestelde strategie autonoom posities kunnen innemen en beheren binnen de overeengekomen limieten en in overeenstemming met de goedgekeurde strategie;

      4. dat in het kader van de risicobeheerprocedure van de instelling aan de directie wordt gerapporteerd over de ingenomen posities;

      5. dat de ingenomen posities actief worden gemonitord op basis van marktinformatiebronnen en er een beoordeling wordt gemaakt van de verhandelbaarheid of de afdekbaarheid van de positie of de risicocomponenten ervan, met inbegrip van de beoordeling, de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de markt voor de waarderingsprocedure, de op de markt gerealiseerde omzet en de omvang van de op de markt verhandelde posities;

      6. actieve procedures en controles ter bestrijding van fraude;

    3. de instelling beschikt over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor toetsing van posities aan de handelsstrategie van de instelling, onder meer voor het monitoren van de omzet en van posities waarvoor de oorspronkelijk beoogde aanhoudingsperiode overschreden is.".

  52. In artikel 104 wordt lid 2 geschrapt.

  53. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    1.

    Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen om aan te geven welke uitzonderlijke omstandigheden de herindeling rechtvaardigen van een positie in de handelsportefeuille naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, de herindeling van een positie in de niet-handelsportefeuille naar een positie in de handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigenvermogensvereisten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten. Instellingen evalueren deze beleidslijnen ten minste jaarlijks.

    De EBA monitort de diverse toezichtspraktijken en verstrekt uiterlijk op 28 juni 2024 richtsnoeren overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 over de betekenis van "uitzonderlijke omstandigheden" voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid. Totdat de EBA die richtsnoeren heeft verstrekt, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van en verstrekken zij een motivering voor hun besluiten om aan een instelling al dan niet toestemming te verlenen om een positie herin te delen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

    2.

    De bevoegde autoriteiten verlenen alleen toestemming om een positie in de handelsportefeuille herin te delen naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, een positie in de niet-handelsportefeuille naar een positie in de handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigenvermogensvereisten, wanneer de instelling de bevoegde autoriteiten schriftelijk bewijs heeft verschaft dat haar besluit om die positie herin te delen, voortvloeit uit een uitzonderlijke omstandigheid die strookt met de door de instelling overeenkomstig lid 1 van dit artikel vastgestelde beleidslijnen. Met het oog daarop verschaft de instelling voldoende bewijs dat de positie niet langer voldoet aan de voorwaarde om op grond van artikel 104 als positie in de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille te worden ingedeeld.

    Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt goedgekeurd door het leidinggevende orgaan.

    3.

    Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 2 toestemming heeft verleend voor de herindeling van een positie, doet de instelling waaraan toestemming is verleend het volgende:

    1. zij zorgt onverwijld voor de openbaarmaking van

      1. de informatie dat haar positie heringedeeld is, en

      2. indien de eigenvermogensvereisten van de instelling als gevolg van die herindeling worden verminderd, de omvang van die vermindering; en

    2. indien de eigenvermogensvereisten van de instelling als gevolg van die herindeling worden verminderd, neemt zij die vermindering niet op totdat de positie is vervallen, tenzij de bevoegde autoriteit de instelling toestaat die vermindering op een vroegere datum op te nemen.

    4.

    De instelling berekent de uit de herindeling van de positie voortvloeiende nettoverandering in het bedrag van haar eigenvermogensvereisten als het verschil tussen de eigenvermogensvereisten onmiddellijk na de herindeling en de eigenvermogensvereisten onmiddellijk vóór de herindeling, telkens berekend overeenkomstig artikel 92. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met andere factoren dan de herindeling.

    5.

    De herindeling van een positie overeenkomstig dit artikel is onherroepelijk.

    1.

    Voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, lid 3, richten instellingen tradingafdelingen op en wijzen zij elke van hun handelsportefeuilleposities toe aan een van deze tradingafdelingen. Posities in een handelsportefeuille worden alleen aan dezelfde tradingafdeling toegewezen wanneer deze aan de voor de tradingafdeling overeengekomen bedrijfsstrategie voldoen en coherent worden beheerd en gemonitord overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

    2.

    De tradingafdelingen van instellingen voldoen te allen tijde aan alle volgende vereisten:

    1. elke tradingafdeling heeft een heldere en afgebakende bedrijfsstrategie en risicobeheersstructuur die adequaat is voor haar bedrijfsstrategie;

    2. elke tradingafdeling heeft een heldere organisatiestructuur; posities in een bepaalde tradingafdeling worden beheerd door aangewezen handelaren binnen de instelling; elke handelaar heeft specifieke functies binnen de tradingafdeling; elke handelaar wordt aan slechts één tradingafdeling toegewezen;

    3. positielimieten worden binnen elke tradingafdeling vastgesteld overeenkomstig de bedrijfsstrategie van die tradingafdeling;

    4. rapporten over de activiteiten, de winstgevendheid, het risicobeheer en de regelgevingsvereisten op het niveau van de tradingafdeling worden ten minste wekelijks opgesteld en op regelmatige basis meegedeeld aan het leidinggevende orgaan;

    5. elke tradingafdeling heeft een helder bedrijfsjaarplan met een welomschreven beloningsbeleid, op basis van deugdelijke criteria voor prestatiemeting;

    6. rapporten over vervallende posities, schendingen van intraday-transactielimieten, schendingen van dagelijkse transactielimieten en de maatregelen die de instelling heeft genomen om deze schendingen aan te pakken, evenals beoordelingen van de marktliquiditeit worden maandelijks voor elke tradingafdeling opgesteld en ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gesteld.

    3.

    In afwijking van lid 2, punt b), kan een instelling een handelaar toewijzen aan meer dan een tradingafdeling op voorwaarde dat de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat de toewijzing het gevolg is van overwegingen van commerciële aard of op het gebied van de middelen, en dat de toewijzing de andere op handelaren en tradingafdelingen toepasselijke kwalitatieve vereisten van dit artikel onverlet laat.

    4.

    Instellingen delen de bevoegde autoriteiten mee hoe ze lid 2 nakomen. De bevoegde autoriteiten kunnen van een instelling verlangen dat deze de structuur of organisatie van haar tradingafdelingen aanpast om dit artikel na te leven.".

  54. Artikel 105 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      Op alle tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en in de niet-handelsportefeuille worden de in dit artikel bepaalde normen voor prudente waardering toegepast. Instellingen dragen er in het bijzonder zorg voor dat de prudente waardering van hun posities in de handelsportefeuille een passende mate van zekerheid bereikt, rekening houdende met het dynamische karakter van de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille, de vereisten inzake prudentiële soliditeit en de werkwijze en doelstellingen van de kapitaalvereisten met betrekking tot de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille.";

    2. de leden 3 en 4 worden vervangen door:

      "3.

      Instellingen herwaarderen de posities in de handelsportefeuille tegen reële waarde ten minste dagelijks. Veranderingen in de waarde van die posities worden opgenomen in de resultatenrekening van de instelling.

      4.

      Instellingen waarderen hun tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en niet-handelsportefeuille zoveel mogelijk tegen marktwaarde, ook bij het onderwerpen van die posities aan de toepasselijke kapitaalvereisten.";

    3. lid 6 wordt vervangen door:

      "6.

      Indien waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, onder meer bij het berekenen van eigenvermogensvereisten voor posities in de handelsportefeuille en tegen reële waarde gewaardeerde posities in de niet-handelsportefeuille, waarderen instellingen hun posities en portefeuilles op een conservatieve manier op basis van een modellenbenadering.";

    4. in lid 7 wordt de tweede alinea vervangen door:

      "Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea wordt het model onafhankelijk van de tradingafdelingen ontwikkeld of erkend, en wordt het op onafhankelijke wijze getoetst, onder meer door het valideren van de wiskundige formules, de aannames en de implementatie van de software.";

    5. in lid 11 wordt punt a) vervangen door:

      de extra termijn die nodig is voor het afdekken van de positie of risicobestanddelen binnen de positie, bovenop de overeenkomstig artikel 325 septquinquagies aan de risicofactoren van de positie toegekende liquiditeitshorizons;".

  55. Artikel 106 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de leden 2 en 3 worden vervangen door:

      "2.

      De vereisten van lid 1 zijn van toepassing onverminderd de vereisten die van toepassing zijn op de afgedekte positie in de niet-handelsportefeuille of in de handelsportefeuille, naargelang het geval.

      3.

      Wanneer een instelling een kredietrisicoblootstelling of een tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat afdekt, wordt deze kredietderivatenpositie als een interne afdekking van de kredietrisicoblootstelling of de tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille opgenomen voor de berekening van de in artikel 92, lid 3, punt a), bedoelde risicogewogen posten wanneer de instelling met een in aanmerking komende externe protectiegever een andere kredietderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

      Zowel een overeenkomstig de eerste alinea opgenomen interne afdekking als een met de externe protectiegever aangegaan kredietderivaat wordt bij het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de handelsportefeuille opgenomen.";

    2. de volgende leden worden toegevoegd:

      "4.

      Wanneer een instelling een risicoblootstelling aan aandelen in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen aandelenderivaat afdekt, wordt deze aandelenderivatenpositie als een interne afdekking van de risicoblootstelling aan aandelen in de niet-handelsportefeuille opgenomen voor de berekening van de in artikel 92, lid 3, punt a), bedoelde risicogewogen posten wanneer de instelling met een in aanmerking komende externe protectiegever een andere aandelenderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

      Zowel een overeenkomstig de eerste alinea opgenomen interne afdekking als een met de in aanmerking komende externe protectiegever aangegaan aandelenderivaat wordt bij het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de handelsportefeuille opgenomen.

      5.

      Wanneer een instelling een blootstelling aan renterisico in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen renterisicopositie afdekt, wordt deze renterisicopositie voor de beoordeling, overeenkomstig de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU, van het uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico beschouwd als een interne afdekking wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

      1. de positie is toegewezen aan een portefeuille die gescheiden is van de andere handelsportefeuillepositie en waarvan de bedrijfsstrategie uitsluitend bestaat uit het beheren en limiteren van het marktrisico van interne afdekkingen van blootstellingen aan renterisico; daartoe kan de instelling aan deze portefeuille andere renterisicoposities toewijzen die met derden of haar eigen handelsportefeuille zijn aangegaan, mits de instelling het marktrisico van die met haar eigen handelsportefeuille aangegane renterisicoposities volkomen compenseert door met derden tegengestelde renterisicoposities aan te gaan;

      2. voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, lid 3, is de positie toegewezen aan een overeenkomstig artikel 104 ter opgerichte tradingafdeling waarvan de bedrijfsstrategie uitsluitend bestaat uit het beheren en limiteren van het marktrisico van interne afdekkingen van blootstelling aan renterisico; daartoe mag die tradingafdeling met derden of andere tradingafdelingen van de instelling andere renterisicoposities aangaan, zolang die andere tradingafdelingen het marktrisico van die andere renterisicoposities volkomen compenseren door tegengestelde renterisicoposities aan te gaan met derden;

      3. de instelling heeft volledig gedocumenteerd hoe de positie het uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico limiteert ten behoeve van de in de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde vereisten.

      6.

      De eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van alle posities die zijn toegewezen aan een in lid 5, punt a), bedoelde gescheiden portefeuille worden afzonderlijk berekend en vormen een aanvulling op de eigenvermogensvereisten voor de andere handelsportefeuilleposities.

      7.

      Voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, worden de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van alle posities die zijn toegewezen aan de in lid 5, punt a), van dit artikel bedoelde gescheiden portefeuille of aan de tradingafdeling of die zijn aangegaan door de in lid 5, punt b), van dit artikel bedoelde tradingafdeling, in voorkomend geval, afzonderlijk berekend als een gescheiden portefeuille, en de berekening vormt een aanvulling op de berekening van de eigenvermogensvereisten voor de andere handelsportefeuilleposities.".

  56. In artikel 107 wordt lid 3 vervangen door:

    "3.

    Voor de toepassing van deze verordening worden blootstellingen met betrekking tot een beleggingsonderneming uit een derde land, een kredietinstelling uit een derde land en een effectenbeurs uit een derde land alleen als blootstellingen met betrekking tot een instelling behandeld voor zover het derde land op die entiteit toezichts- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.".

  57. In artikel 117 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:

    1. de volgende punten worden toegevoegd:

      1. de Internationale Ontwikkelingsassociatie;

      2. de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur.";

    2. de volgende alinea wordt toegevoegd:

      "De Commissie is bevoegd om deze verordening te wijzigen door overeenkomstig artikel 462 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van multilaterale ontwikkelingsbanken in de eerste alinea in overeenstemming met de internationale normen.".

  58. In artikel 118 wordt punt a) vervangen door:

    de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;".

  59. Aan artikel 123 wordt de volgende alinea toegevoegd:

    "Aan blootstellingen als gevolg van door een kredietinstelling aan gepensioneerden of werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur verstrekte leningen tegen de onvoorwaardelijke overdracht van een deel van het pensioen of het salaris van de kredietnemer aan die kredietinstelling wordt een risicogewicht van 35 % toegekend, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. voor het terugbetalen van de lening geeft de kredietnemer het pensioenfonds of de werkgever de onvoorwaardelijke toestemming voor het verrichten van directe betalingen aan de kredietinstelling, zulks door de maandelijkse afbetalingen van de lening af te trekken van het maandelijkse pensioen of salaris van de kredietnemer;

    2. de risico's op sterfte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of vermindering van het nettomaandpensioen of -salaris van de kredietnemer zijn afdoende ondervangen door een door de kredietnemer onderschreven verzekeringspolis ten behoeve van de kredietinstelling;

    3. de maandelijkse afbetalingen die door de kredietnemer moeten worden verricht van alle met de voorwaarden in de punten a) en b) conforme leningen, bedragen gezamenlijk maximaal 20 % van het nettomaandpensioen of -salaris van de kredietnemer;

    4. de oorspronkelijke maximumlooptijd van de lening bedraagt hoogstens tien jaar.".

  60. Artikel 124 wordt vervangen door:

    1.

    Aan blootstellingen of delen van blootstellingen die volledig zijn gedekt door hypotheken op onroerend goed wordt een risicogewicht van 100 % toegekend indien de voorwaarden van artikel 125 of artikel 126 niet zijn vervuld, behalve voor delen van de blootstellingen die bij een andere categorie blootstellingen zijn ingedeeld. Aan het deel van de blootstelling dat de waarde van de hypotheek van het onroerend goed te boven gaat, wordt het risicogewicht toegekend dat van toepassing is op de niet-gedekte blootstellingen van de betrokken tegenpartij.

    Het deel van een blootstelling dat wordt behandeld als zijnde volledig door onroerend goed gedekt, is niet groter dan het in zekerheid gegeven bedrag van de marktwaarde of, in de lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld, de hypotheekwaarde van het betrokken onroerend goed.

    1 bis.

    De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de toepassing van lid 2. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

    Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, de bevoegde autoriteit is, zorgt deze ervoor dat de relevante nationale instanties en autoriteiten met een macroprudentieel mandaat voldoende worden geïnformeerd over het voornemen van de bevoegde autoriteit om van dit artikel gebruik te maken, en op passende wijze worden betrokken bij de beoordeling van zorgpunten met betrekking tot de financiële stabiliteit in haar lidstaat, overeenkomstig lid 2.

    Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, een andere dan de bevoegde autoriteit is, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om, met het oog op de correcte toepassing van dit artikel, te zorgen voor goede coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit. De autoriteiten dienen met name nauw samen te werken en alle informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor de juiste uitvoering, door de aangewezen autoriteit, van haar verplichtingen op grond van dit artikel. In het kader van deze samenwerking wordt getracht elke vorm van overlappend of inconsistent optreden van de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit te vermijden, en naar behoren rekening te houden met de interactie met andere maatregelen, met name maatregelen krachtens artikel 458 van deze verordening en artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

    2.

    Op basis van de krachtens artikel 430 bis verzamelde gegevens en eventuele andere relevante indicatoren beoordeelt de overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteit periodiek en ten minste jaarlijks of het risicogewicht van 35 % voor de in artikel 125 bedoelde blootstellingen aan een of meer onroerendgoedsegmenten die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit is gesitueerd, en het risicogewicht van 50 % voor in artikel 126 bedoelde blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat op een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit is gesitueerd, voldoende gebaseerd zijn op:

    1. de ervaring met verliezen op blootstellingen die door onroerend goed zijn gedekt;

    2. de toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed.

    Indien de overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteit op basis van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde beoordeling tot de conclusie komt dat de in artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2, vermelde risicogewichten geen adequate afspiegeling vormen van de werkelijke risico's die verbonden zijn aan een of meer onroerendgoedsegmenten van blootstellingen die volledig gedekt zijn door hypotheken op in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit gelegen niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed, en indien zij van oordeel is dat de ontoereikendheid van de risicogewichten een negatief effect kan hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in de eigen lidstaat, kan zij de risicogewichten die op deze blootstellingen van toepassing zijn, binnen de in de vierde alinea van dit lid vastgestelde marges verhogen of strengere criteria opleggen dan die welke in artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2, zijn vastgesteld.

    De overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteit stelt de EBA en het ESRB in kennis van de aanpassingen die op grond van dit lid in de risicogewichten en de toegepaste criteria zijn aangebracht. Uiterlijk één maand na ontvangst van bovengenoemde kennisgeving verstrekken de EBA en het ESRB hun advies aan de betrokken lidstaat. De EBA en het ESRB publiceren de risicogewichten en criteria voor de in artikel 125, artikel 126 en artikel 199, lid 1, punt a), bedoelde blootstellingen zoals geïmplementeerd door de betrokken autoriteit.

    Voor de toepassing van de tweede alinea van dit lid mag de overeenkomstig lid 1 bis aangewezen autoriteit de risicogewichten binnen het volgende bereik vaststellen:

    1. 35 % tot 150 % voor blootstellingen die door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt;

    2. 50 % tot 150 % voor blootstellingen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt.

    3.

    Indien de overeenkomstig lid 1 bis aangewezen autoriteit op grond van de tweede alinea van lid 2 hogere risicogewichten of striktere criteria vaststelt, krijgen de instellingen een overgangsperiode van zes maanden om deze toe te passen.

    4.

    De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESRB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de in lid 1 bedoelde strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde en van de soorten factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde beoordeling van de geschiktheid van de risicogewichten.

    De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2019 voor aan de Commissie.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    5.

    Het ESRB kan door middel van aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, en in nauwe samenwerking met de EBA, aan de overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteiten richtsnoeren verstrekken betreffende het volgende:

    1. factoren die "een negatief effect zouden hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit" als bedoeld in de tweede alinea van lid 2; en

    2. indicatieve benchmarks waarmee de overeenkomstig lid 1 bis aangewezen autoriteit rekening dient te houden bij het bepalen van hogere risicogewichten.

    6.

    De instellingen van een lidstaat passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat overeenkomstig lid 2 bepaalde hogere risicogewichten en criteria toe op alle overeenkomstige blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van die lidstaat is gesitueerd.".

  61. In artikel 128 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

    "1.

    Instellingen kennen een risicogewicht van 150 % toe aan blootstellingen waaraan bijzonder hoge risico's verbonden zijn.

    2.

    Voor de toepassing van dit artikel behandelen instellingen de volgende blootstellingen als blootstellingen waaraan bijzonder hoge risico's verbonden zijn:

    1. beleggingen in durfkapitaalfondsen, behalve wanneer deze beleggingen overeenkomstig artikel 132 worden behandeld;

    2. beleggingen in particulier risicokapitaal, behalve wanneer deze beleggingen overeenkomstig artikel 132 worden behandeld;

    3. speculatieve financiering van onroerend goed.".

  62. Artikel 132 wordt vervangen door:

    1.

    Instellingen berekenen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de risicogewogen posten van de icb-blootstellingen, berekend overeenkomstig de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.

    2.

    Indien aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel is voldaan, mogen instellingen de doorkijkbenadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 1, of de beleidsbenadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 2, toepassen.

    Met inachtneming van artikel 132 ter, lid 2, kennen instellingen die de doorkijkbenadering of de beleidsbenadering niet toepassen, een risicogewicht van 1 250 % ("fall-backbenadering") toe aan hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb.

    Instellingen mogen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de in dit lid genoemde benaderingen te combineren, mits aan de voorwaarden voor het gebruik van die benaderingen is voldaan.

    3.

    Instellingen mogen de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb bepalen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de icb is een van de volgende entiteiten:

      1. een onder Richtlijn 2009/65/EG vallende instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe);

      2. een abi beheerd door een EU-abi-beheerder die krachtens artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2011/61/EU notificatie heeft gedaan;

      3. een abi beheerd door een EU-abi-beheerder met een vergunning krachtens artikel 6 van Richtlijn 2011/61/EU;

      4. een abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder met een vergunning krachtens artikel 37 van Richtlijn 2011/61/EU;

      5. een niet-EU-abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder en verhandeld overeenkomstig artikel 42 van Richtlijn 2011/61/EU;

      6. een niet-EU-abi die niet in de Unie wordt verhandeld, en die wordt beheerd door een in een derde land gevestigde niet-EU-abi die valt onder een in artikel 67, lid 6, van Richtlijn 2011/61/EU bedoelde gedelegeerde handeling;

    2. het prospectus of daarmee gelijk te stellen document van de icb bevat het volgende:

      1. de categorieën activa waarin de icb mag beleggen;

      2. indien beleggingslimieten van toepassing zijn: de geldende limieten en berekeningsmethoden;

    3. de rapportage door de icb of de icb-beheermaatschappij aan de instelling voldoet aan de volgende vereisten:

      1. over de blootstellingen van de icb wordt ten minste even frequent gerapporteerd als over die van de instelling;

      2. de financiële informatie is voldoende gedetailleerd om de instelling in staat te stellen de risicogewogen posten van de icb te berekenen overeenkomstig de door de instelling gekozen benadering;

      3. indien de instelling de doorkijkbenadering hanteert, wordt de informatie over de onderliggende blootstellingen gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

    In afwijking van punt a) van de eerste alinea van dit lid kunnen multilaterale en bilaterale ontwikkelingsbanken en andere instellingen die gezamenlijk met multilaterale en bilaterale ontwikkelingsbanken in een icb beleggen, de risicogewogen posten van de blootstellingen van die icb bepalen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen, mits de voorwaarden van de punten b) en c) van de eerste alinea van dit lid zijn vervuld en het beleggingsbeleid van de icb de soorten activa waarin kan worden belegd, beperkt tot activa die duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden bevorderen.

    Instellingen delen aan hun bevoegde autoriteit mede op welke icb's zij de in de tweede alinea bedoelde behandeling toepassen.

    In afwijking van de eerste alinea, punt c), onder i), kan, indien de instelling de risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb bepaalt overeenkomstig de beleidsbenadering, de rapportage door de icb of de icb-beheersmaatschappij aan de instelling worden beperkt tot het beleggingsbeleid van de icb en eventuele wijzigingen daarvan, en kan deze alleen worden verricht wanneer de instelling de blootstelling met betrekking tot de icb voor het eerst aangaat en wanneer er zich een wijziging van het beleggingsbeleid van de icb voordoet.

    4.

    Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb te berekenen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

    1. de derde is een van de volgende entiteiten:

      1. de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

      2. voor niet onder punt i) van dit punt vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de maatschappij voldoet aan de in lid 3, punt a), genoemde criteria;

    2. de derde voert de berekening uit overeenkomstig de benaderingen genoemd in artikel 132 bis, lid 1, 2 of 3, naargelang het geval;

    3. een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

    Instellingen die een beroep doen op berekeningen van derden, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2.

    In afwijking van de tweede alinea geldt de factor 1,2 niet indien de instelling onbeperkte toegang heeft tot de gedetailleerde berekeningen door de derde. De instelling verstrekt die berekeningen op verzoek aan haar bevoegde autoriteit.

    5.

    Indien een instelling de in artikel 132 bis bedoelde benaderingen toepast voor de berekening van de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb ("niveau 1 icb") en een van de onderliggende blootstellingen van de niveau 1 icb is een blootstelling in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een andere icb ("niveau 2 icb"), mogen de risicogewogen posten van de blootstellingen van de niveau 2 icb worden berekend door gebruik te maken van een van de drie in lid 2 van dit artikel beschreven benaderingen. De instelling mag de doorkijkbenadering voor het berekenen van de risicogewogen posten van blootstellingen van icb's op niveau 3 en eventuele verdere niveaus alleen gebruiken wanneer zij die benadering heeft gebruikt voor de berekening van het vorige niveau. In alle overige scenario's gebruikt zij de fall-backbenadering.

    6.

    De risicogewogen posten van blootstellingen van een icb berekend overeenkomstig de doorkijkbenadering en de in artikel 132 bis, leden 1 en 2, beschreven beleidsbenadering worden gemaximeerd op de risicogewogen posten van de blootstellingen van die icb berekend overeenkomstig de fall-backbenadering.

    7.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel mogen instellingen die de doorkijkbenadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 1, toepassen, de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de blootstellingswaarden van die blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 111, te vermenigvuldigen met het risicogewicht ( RW* i ), berekend overeenkomstig de formule van artikel 132 quater, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de instellingen berekenen de waarde van hun rechten van deelneming of aandelen in een icb tegen historische kostprijs, maar berekenen de waarde van de onderliggende activa van de icb tegen reële waarde indien zij de doorkijkbenadering toepassen;

    2. een verandering in de marktwaarde van de rechten van deelneming of aandelen waarvan de instellingen de waarde tegen historische kostprijs berekenen, laat het bedrag aan eigen vermogen van die instellingen en de blootstellingswaarde in verband met die rechten van deelneming of aandelen onverlet.".

  63. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    1.

    Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende blootstellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door die instellingen werden aangehouden.

    2.

    Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb om de doorkijkbenadering te kunnen gebruiken, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen binnen de limieten van het beleggingsbeleid van de icb en het toepasselijke recht.

    Instellingen verrichten de in de eerste alinea bedoelde berekeningen vanuit de aanname dat de icb eerst het maximale volume aan blootstellingen aangaat dat op grond van haar beleggingsbeleid of het toepasselijke recht is toegestaan in de blootstellingen met het hoogste eigenvermogensvereiste, en vervolgens in dalende volgorde blootstellingen blijft aangaan totdat de maximale totale blootstellingslimiet is bereikt, en dat de icb, waar toepasselijk, de maximaal toegestane hefboomfinanciering in overeenstemming met het beleggingsbeleid of het toepasselijke recht toepast.

    Instellingen verrichten de in de eerste alinea bedoelde berekeningen overeenkomstig de in dit hoofdstuk, in hoofdstuk 5 en in afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel uiteengezette methoden.

    3.

    In afwijking van artikel 92, lid 3, punt d), mogen instellingen die de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb berekenen als een bedrag gelijk aan 50 % van het eigenvermogensvereiste voor de derivatenblootstellingen die zijn berekend overeenkomstig afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naargelang het geval.

    In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die blootstellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

    4.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen hoe instellingen de in lid 2 bedoelde risicogewogen posten moeten berekenen wanneer een of meerdere voor die berekening vereiste inputs niet beschikbaar zijn.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 maart 2020 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Instellingen mogen de door een icb aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1-, tier 2-instrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die zij overeenkomstig respectievelijk artikel 36, lid 1, artikel 56, artikel 66 en artikel 72 sexies in mindering moeten brengen, bij de in artikel 132 bedoelde berekeningen buiten beschouwing laten.

    2.

    Instellingen mogen blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's als bedoeld in artikel 150, lid 1, punten g) en h), bij de in artikel 132 bedoelde berekeningen buiten beschouwing laten en, in plaats daarvan, de in artikel 133 beschreven behandeling op die blootstellingen toepassen.

    1.

    Instellingen berekenen de waarde van risicogewogen posten voor hun posten buiten de balanstelling met het potentieel om te worden omgezet in blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb, door de blootstellingswaarden daarvan, berekend overeenkomstig artikel 111, te vermenigvuldigen met het volgende risicogewicht:

    1. voor alle blootstellingen waarvoor instellingen één van de in artikel 132 bis beschreven benaderingen gebruiken:

      RW* i = RWAEi E* i × Ai EQi

      waarbij:

      RW* i het risicogewicht;
      i de index die de icb aangeeft;
      RWAEi het bedrag berekend overeenkomstig artikel 132 bis voor een icbi;
      E* i de blootstellingswaarde van de blootstellingen van icbi;
      Ai de boekwaarde van de activa van icbi; en
      EQi de boekwaarde van de aandelen van icbi.

    2. voor alle overige blootstellingen, RW* i = 1250 % .

    2.

    Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van een minimumwaardeverplichting die voldoet aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel als de met behulp van een standaard risicovrije disconteringsfactor gedisconteerde huidige waarde van het gegarandeerde bedrag. Instellingen mogen eventuele volgens de toepasselijke normen voor jaarrekeningen opgenomen verliezen in verband met de minimumwaardeverplichting in mindering brengen op de blootstellingswaarde van de minimumwaardeverplichting.

    Instellingen berekenen de risicogewogen posten voor blootstellingen buiten de balanstelling die voortvloeien uit minimumwaardeverplichtingen die voldoen aan alle voorwaarden van lid 3 van dit artikel door de blootstellingswaarde van die blootstellingen te vermenigvuldigen met een omrekeningsfactor van 20 % en het risicogewicht afgeleid krachtens artikel 132 of artikel 152.

    3.

    Instellingen bepalen de risicogewogen posten voor blootstellingen buiten de balanstelling die voortvloeien uit minimumwaardeverplichtingen overeenkomstig lid 2 mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de blootstelling buiten de balanstelling van de instelling is een minimumwaardeverplichting voor een belegging in rechten van deelneming of aandelen van een of meerdere icb's volgens welke de instelling slechts tot de betaling uit hoofde van de minimumwaardeverplichting is gehouden indien de marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's op een of meerdere tijdstippen onder een vooraf bepaalde drempel ligt, zoals nader bepaald in het contract;

    2. de icb is een van de volgende entiteiten:

      1. een icbe in de zin van Richtlijn 2009/65/EG; of

      2. een abi in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU die uitsluitend belegt in effecten of andere liquide financiële activa als bedoeld in artikel 50, lid 1, van Richtlijn 2009/65/EG, mits het beleggingsbeleid van de abi geen hogere hefboomwerking toestaat dan die welke krachtens artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2009/65/EG is toegestaan;

    3. de huidige marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb die aan de basis liggen van de minimumwaardeverplichting zonder dat het effect van de minimumwaardeverplichtingen buiten de balanstelling in aanmerking wordt genomen, dekt of overtreft de huidige waarde van de in de minimumwaardeverplichting bepaalde drempel;

    4. indien het surplus van de marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's in vergelijking met de huidige waarde van de minimumwaardeverplichting afneemt, kan de instelling, of een andere onderneming voor zover die onder het geconsolideerd toezicht staat waaraan ook de instelling zelf is onderworpen overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2002/87/EG, de samenstelling van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's beïnvloeden of het potentieel voor een verdere afname van het surplus anderszins beperken;

    5. de uiteindelijke directe of indirecte begunstigde van de minimumwaardeverplichting is in de regel een niet-professionele cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 11, van Richtlijn 2014/65/EU.".

  64. In artikel 144, lid 1, wordt punt g) vervangen door:

    de instelling heeft in het kader van de IRB-benadering de eigenvermogensvereisten berekend die resulteren uit haar ramingen van risicoparameters en is in staat de bij artikel 430 voorgeschreven rapportage te verrichten;".

  65. Artikel 152 wordt vervangen door:

    1.

    Instellingen berekenen de waarden van risicogewogen posten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de waarde van de risicogewogen posten van de icb, berekend overeenkomstig de in de leden 2 en 5 beschreven benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.

    2.

    Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die onderliggende blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende blootstellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door de instellingen werden aangehouden.

    3.

    In afwijking van artikel 92, lid 3, punt d), mogen instellingen die de risicogewogen posten van de icb overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb berekenen als een bedrag gelijk aan 50 % van het eigenvermogensvereiste voor de derivatenblootstellingen die zijn berekend overeenkomstig afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naargelang het geval.

    In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die blootstellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

    4.

    Instellingen die overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel de doorkijkbenadering toepassen en die voldoen aan de voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik overeenkomstig artikel 150 of die niet voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik van de in dit hoofdstuk beschreven methoden of een of meer van de in hoofdstuk 5 beschreven methoden voor alle of een deel van de onderliggende blootstellingen van de icb, berekenen de risicogewogen posten en verwachte verliesposten in overeenstemming met de volgende beginselen:

    1. voor blootstellingen die zijn ingedeeld bij de in artikel 147, lid 2, punt e), bedoelde categorie blootstellingen in aandelen, passen instellingen de eenvoudige risicogewichtbenadering van artikel 155, lid 2, toe;

    2. voor blootstellingen die zijn ingedeeld bij de in artikel 147, lid 2, punt f), bedoelde categorie posten die securitisatieposities vertegenwoordigen, passen instellingen de in artikel 254 beschreven behandeling toe alsof die blootstellingen rechtstreeks door die instellingen werden aangehouden;

    3. voor alle overige onderliggende blootstellingen passen instellingen de in hoofdstuk 2 van deze titel vastgestelde standaardbenadering toe.

    Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea behandelt de instelling, als zij niet in staat is een onderscheid te maken tussen blootstellingen in niet-beursverhandelde, beursverhandelde en overige aandelen, de betrokken blootstellingen als blootstellingen in overige aandelen.

    5.

    Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen overeenkomstig de in artikel 132 bis, lid 2, uiteengezette beleidsbenadering. Voor de in lid 4, punten a), b) en c), van dit artikel opgesomde blootstellingen passen instellingen evenwel de benaderingen uit die bepalingen toe.

    6.

    Met inachtneming van artikel 132 ter, lid 2, passen instellingen die geen doorkijkbenadering overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel of geen beleidsbenadering overeenkomstig lid 5 van dit artikel toepassen, de in artikel 132, lid 2, bedoelde fall-backbenadering toe.

    7.

    Instellingen mogen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de in dit lid genoemde benaderingen te combineren, mits aan de voorwaarden voor het gebruik van die benaderingen is voldaan.

    8.

    Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risicogewogen posten van een icb te berekenen overeenkomstig de in de leden 2, 3, 4 en 5 beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

    1. de derde is een van de volgende entiteiten:

      1. de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling in bewaring geeft;

      2. voor niet onder punt i) van dit punt vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat die voldoet aan de in artikel 132, lid 3, punt a), genoemde criteria;

    2. voor andere blootstellingen dan die welke in lid 4, punten a), b) en c), van dit artikel worden opgesomd, voert de derde de berekening uit overeenkomstig de doorkijkbenadering beschreven in artikel 132 bis, lid 1;

    3. voor de blootstellingen die in lid 4, punten a), b) en c), worden opgesomd, voert de derde de berekening uit overeenkomstig de daarin uiteengezette benaderingen;

    4. een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

    Instellingen die een beroep doen op berekeningen door derden, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2.

    In afwijking van de tweede alinea geldt de factor 1,2 niet indien de instelling onbeperkte toegang heeft tot de gedetailleerde berekeningen door de derde. De instelling verstrekt die berekeningen op verzoek aan haar bevoegde autoriteit.

    9.

    Voor de toepassing van dit artikel zijn artikel 132, leden 5 en 6, en artikel 132 ter van toepassing. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 132 quater van toepassing, waarbij de overeenkomstig hoofdstuk 3 van deze titel berekende risicogewichten gelden.".

  66. In artikel 158 wordt het volgende lid ingevoegd:

    "9 bis.

    De verwachte verliesposten voor een minimumwaardeverplichting die aan alle voorwaarden van artikel 132 quater, lid 3, voldoet, zijn gelijk aan nul.".

  67. Artikel 164 wordt vervangen door:

    1.

    Instellingen verstrekken eigen ramingen van LGD's, met inachtneming van de vereisten van afdeling 6 van dit hoofdstuk en met toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 143. Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen wordt een LGD-waarde van 75 % gebruikt. Indien een instelling haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare wijze kan uitsplitsen in PD's en LGD's, kan de instelling haar eigen LGD-raming gebruiken.

    2.

    Niet-volgestorte kredietprotectie ter dekking van een individuele blootstelling of een pool van blootstellingen kan in aanmerking worden genomen door de PD- of LGD-ramingen aan te passen, met inachtneming van de vereisten van artikel 183, leden 1, 2 en 3, en met toestemming van de bevoegde autoriteiten. Een instelling kent aan gegarandeerde blootstellingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de garantiegever.

    3.

    Voor de toepassing van artikel 154, lid 2, is het LGD van een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de in artikel 153, lid 3, bedoelde protectiegever gelijk aan het LGD dat samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, naargelang uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijft, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van de garantiegever respectievelijk de debiteur.

    4.

    Het naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD van alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed en waarvoor de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, bedraagt minimaal 10 %.

    Het naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD van alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed en waarvoor de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, bedraagt minimaal 15 %.

    5.

    De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de toepassing van lid 6. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

    Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, de bevoegde autoriteit is, zorgt deze ervoor dat de relevante nationale instanties en autoriteiten met een macroprudentieel mandaat voldoende worden geïnformeerd over het voornemen van de bevoegde autoriteit om van dit artikel gebruik te maken, en op passende wijze worden betrokken bij de beoordeling van zorgpunten met betrekking tot de financiële stabiliteit in haar lidstaat, overeenkomstig lid 6.

    Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, een andere dan de bevoegde autoriteit is, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om, met het oog op de correcte toepassing van dit artikel, te zorgen voor goede coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit. De autoriteiten dienen met name nauw samen te werken en alle informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor de juiste uitvoering, door de aangewezen autoriteit, van haar verplichtingen op grond van dit artikel. In het kader van deze samenwerking wordt getracht elke vorm van overlappend of inconsistent optreden van de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit te vermijden, en naar behoren rekening te houden met de interactie met andere maatregelen, met name maatregelen krachtens artikel 458 van deze verordening en artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

    6.

    Op basis van de gegevens die krachtens artikel 430 bis zijn verzameld en van eventuele andere relevante indicatoren, en rekening houdend met de toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed, beoordeelt de overeenkomstig lid 5 van dit artikel aangewezen autoriteit periodiek en ten minste jaarlijks of de in lid 4 van dit artikel bedoelde minimumwaarden van het LGD geschikt zijn voor blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit is gesitueerd.

    Indien de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit op basis van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde beoordeling tot de conclusie komt dat de minimumwaarden van het LGD als bedoeld in lid 4 ontoereikend zijn, en indien zij van oordeel is dat de ontoereikendheid van de LGD-waarden een negatief effect kan hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in de eigen lidstaat, kan zij hogere minimumwaarden van het LGD vaststellen voor de blootstellingen die in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit zijn gesitueerd. Deze hogere minimumwaarden kunnen ook worden toegepast op het niveau van één of meer onroerendgoedsegmenten van dergelijke blootstellingen.

    De overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit stelt de EBA en het ESRB in kennis voordat zij het in dit lid bedoelde besluit neemt. Uiterlijk één maand na ontvangst van bovengenoemde kennisgeving verstrekken de EBA en het ESRB hun advies aan de betrokken lidstaat. De EBA en het ESRB publiceren deze LGD-waarden.

    7.

    Indien de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit hogere minimumwaarden van het LGD vaststelt op grond van lid 6, krijgen de instellingen een overgangsperiode van zes maanden om deze toe te passen.

    8.

    De EBA stelt, in nauwe samenwerking met het ESRB, ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de omstandigheden waarmee de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit rekening moeten houden bij het beoordelen van de toereikendheid van LGD-waarden in het kader van de beoordeling, bedoeld in lid 6.

    De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2019 voor aan de Commissie.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    9.

    Het ESRB kan door middel van aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, en in nauwe samenwerking met de EBA, aan de overeenkomstig lid 5 van dit artikel aangewezen autoriteiten richtsnoeren verstrekken betreffende het volgende:

    1. factoren die "een negatief effect zouden hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit" als bedoeld in lid 6; en

    2. indicatieve benchmarks waarmee de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit rekening dient te houden bij het vaststellen van de hogere minimumwaarden van het LGD.

    10.

    De instellingen van een lidstaat passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat overeenkomstig lid 6 bepaalde hogere minimumwaarden van het LGD toe op alle overeenkomstige blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in één of meerdere delen van die lidstaat is gesitueerd.".

  68. In artikel 201, lid 1, wordt punt h) vervangen door:

    gekwalificeerde centrale tegenpartijen.".

  69. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    Instellingen mogen aandelenderivaten die total return swaps zijn of economisch feitelijk vergelijkbaar, alleen ten behoeve van interne afdekking als toelaatbare kredietprotectie gebruiken.

    Indien een instelling kredietprotectie koopt in de vorm van een total return swap en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het door middel van verminderingen van de reële waarde of een toevoeging aan de reserves beschermde actief te boeken, wordt die kredietprotectie niet als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt.

    2.

    Indien een instelling gebruikmaakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm van een aandelenderivaat, kan de interne afdekking voor de toepassing van dit hoofdstuk slechts als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt indien het naar de handelsportefeuille overgehevelde kredietrisico aan een derde of aan derden wordt overgedragen.

    Indien overeenkomstig de eerste alinea een intern afdekkingsinstrument is gebruikt en aan de vereisten van dit hoofdstuk is voldaan, passen instellingen bij aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie de voorschriften van de afdelingen 4, 5 en 6 van dit hoofdstuk toe voor de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten.".

  70. Artikel 223 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:

      "In het geval van otc-derivatentransacties berekenen instellingen aan de hand van de in afdeling 6 van hoofdstuk zes uiteengezette methode EVA als volgt:

      • EVA = E.";

    2. aan lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

      "In het geval van otc-derivatentransacties houden instellingen die van de in afdelingen 3, 4 en 5 van hoofdstuk 6 vastgestelde methoden gebruikmaken, rekening met de risicolimiterende effecten van zekerheden, overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 3, 4, 5 van hoofdstuk 6, naargelang het geval.".

  71. Artikel 272 wordt als volgt gewijzigd:

    1. punt 6 wordt vervangen door:

      "6) "samenstel van afdekkingsinstrumenten ("hedging set")" :
      een tot eenzelfde netting set behorende groep transacties, waarvoor volledige of gedeeltelijke verrekening is toegestaan om de potentiële toekomstige blootstelling te bepalen volgens de in de afdeling 3 of 4 van dit hoofdstuk beschreven methoden;";

    2. het volgende punt wordt ingevoegd:

      "7 bis) "eenrichtingsmargeovereenkomst" :
      een margeovereenkomst op grond waarvan een instelling aan een tegenpartij variatiemarges moet storten, maar niet gerechtigd is tot ontvangst van variatiemarge van die tegenpartij, of omgekeerd;";

    3. punt 12) wordt vervangen door:

      "12) "actuele marktwaarde" ("current market value" of "CMV"):
      de nettomarktwaarde van alle transacties binnen een netting set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden, waarbij bij de berekening van de CMV zowel positieve als negatieve marktwaarden worden verrekend;";

    4. het volgende punt wordt ingevoegd:

      "12 bis) "nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden" ("NICA"):
      de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte nettozekerheden, naargelang het geval, van de netting set niet zijnde variatiemarge;".

  72. Artikel 273 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      Instellingen berekenen de blootstellingswaarde voor de in bijlage II vermelde contracten op basis van een van de in afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden, overeenkomstig het onderhavige artikel.

      Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 1, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 4 beschreven methode. Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 2, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 5 beschreven methode.

      Instellingen mogen binnen een groep de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden permanent in combinatie gebruiken. Een afzonderlijke instelling mag de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden niet permanent in combinatie gebruiken.";

    2. de leden 6, 7 en 8 worden vervangen door:

      "6.

      In het kader van de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden is de blootstellingswaarde voor een bepaalde tegenpartij gelijk aan de som van de voor iedere netting set met die tegenpartij berekende blootstellingswaarden.

      In afwijking van de eerste alinea wordt, wanneer een margeovereenkomst van toepassing is op meerdere netting sets met die tegenpartij en de instelling voor het berekenen van de blootstellingswaarde van deze netting sets gebruikmaakt van een van de in afdeling 3 tot en met 6 beschreven methoden, de blootstellingswaarde berekend overeenkomstig de relevante afdeling.

      Voor een bepaalde tegenpartij ligt de blootstellingswaarde voor een bepaalde netting set met in bijlage II vermelde otc-derivaten, berekend overeenkomstig dit hoofdstuk, tussen nul en het verschil tussen de som van de blootstellingswaarden van alle netting sets met de tegenpartij en de som van de aanpassingen van de kredietwaardering voor die tegenpartij die door de instelling als een ondergane afschrijving worden opgenomen. Bij de berekening van de aanpassingen van de kredietwaarderingen wordt geen rekening gehouden met enige compenserende aanpassing van de aan het eigen kredietrisico van de instelling toegekende schuldwaarde die reeds van het eigen vermogen is uitgesloten overeenkomstig artikel 33, lid 1, punt c).

      7.

      Bij de berekening van de blootstellingswaarde volgens de in de afdelingen 3, 4 en 5 beschreven methoden mogen instellingen twee in dezelfde verrekeningsovereenkomst opgenomen perfect matchende otc-derivatencontracten behandelen als één enkel contract waarvan de notionele hoofdsom gelijk is aan nul.

      Voor de toepassing van de eerste alinea zijn twee otc-derivatencontracten perfect matchend wanneer ze aan alle volgende voorwaarden voldoen:

      1. de risicoposities ervan zijn tegengesteld;

      2. de kenmerken ervan zijn, afgezien van de transactiedatum, identiek;

      3. de kasstromen compenseren elkaar volledig.

      8.

      Instellingen bepalen de blootstellingswaarde voor uit transacties met afwikkeling op lange termijn voortvloeiende blootstellingen door een van de in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden toe te passen, ongeacht de methode die door de instelling is gekozen voor de behandeling van otc-derivaten en retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor transacties met afwikkeling op lange termijn mag een instelling die de in hoofdstuk 3 beschreven benadering toepast, op permanente basis en ongeacht de materialiteit van die posities, de risicogewichten toekennen volgens de in hoofdstuk 2 beschreven benadering.";

    3. het volgende lid wordt toegevoegd:

      "9.

      Voor de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden behandelen de instellingen transacties waarvoor een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld overeenkomstig artikel 291, leden 2, 4, 5 en 6.".

  73. De volgende artikelen worden ingevoegd:

    1.

    Een instelling mag de blootstellingswaarde van haar derivatenposities berekenen volgens de in afdeling 4 beschreven methode, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing op basis van gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner is dan beide volgende drempelwaarden:

    1. 10 % van de totale activa van de instelling;

    2. 300 miljoen EUR.

    2.

    Een instelling mag de blootstellingswaarde van haar derivatenposities berekenen volgens de in afdeling 5 beschreven methode, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing op basis van gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner is dan beide volgende drempelwaarden:

    1. 5 % van de totale activa van de instelling;

    2. 100 miljoen EUR.

    3.

    Voor de toepassing van de leden 1 en 2 berekenen instellingen de omvang van hun derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling op basis van gegevens op de laatste dag van elke maand, met inachtneming van de volgende voorschriften:

    1. derivatenposities worden gewaardeerd tegen hun marktwaarden op die datum; indien de marktwaarde van een positie op die datum niet beschikbaar is, nemen instellingen een reële waarde voor de positie in kwestie op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor die positie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;

    2. de absolute waarde van lange derivatenposities wordt samengeteld met de absolute waarde van korte derivatenposities;

    3. alle derivatenposities worden in aanmerking genomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne afdekking tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen.

    4.

    In afwijking van lid 1 of lid 2, naargelang het geval, wanneer de derivatenactiviteiten op geconsolideerde basis de in lid 1 of lid 2, naargelang het geval, vastgelegde drempelwaarden niet overschrijden, kan een instelling die betrokken is bij de consolidatie en de methode als bedoeld in afdeling 3 of 4 zou moeten toepassen aangezien zij die drempelwaarden op individuele basis overschrijdt, in plaats daarvan de methode toepassen die op geconsolideerde basis zou moeten worden toegepast, op voorwaarde dat zij hiervoor toestemming krijgt van de bevoegde autoriteiten.

    5.

    Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de in afdeling 4 of 5 beschreven methoden die ze gebruiken of niet langer gebruiken, naargelang het geval, om de blootstellingswaarde van hun derivatenposities te berekenen.

    6.

    Instellingen mogen geen derivatentransactie aangaan of een derivaat kopen of verkopen met als enige doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van de leden 1 en 2 te voldoen.

    1.

    Een instelling die niet langer aan één of meer van de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1 of 2, voldoet, stelt de bevoegde autoriteit onverwijld daarvan in kennis.

    2.

    Een instelling berekent de blootstellingswaarden van haar derivatenposities niet langer overeenkomstig afdeling 4 of 5, naargelang het geval, uiterlijk drie maanden nadat zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan:

    1. de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt a) of van artikel 273 bis, lid 2, punt a), naargelang het geval, of niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt b) of van artikel 273 bis, lid 2, punt b), naargelang het geval;

    2. de instelling voldoet gedurende meer dan zes van de voorgaande twaalf maanden niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt a), of van artikel 273 bis, lid 2, punt a), naargelang het geval, of niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt b), of van artikel 273 bis, lid 2, punt b), naargelang het geval.

    3.

    Een instelling die de blootstellingswaarden van haar derivatenposities niet langer overeenkomstig afdeling 4 of 5, naargelang het geval, berekent, mag de blootstellingswaarde van haar derivatenposities pas opnieuw overeenkomstig afdeling 4 of 5 berekenen, indien zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van een jaar aan alle in artikel 273 bis, lid 1 of 2, uiteengezette voorwaarden is voldaan.".

  74. In deel 3, titel II, hoofdstuk 6 worden de afdelingen 3, 4 en 5 vervangen door:

    1.

    Een instelling mag voor alle onder een overeenkomst inzake contractuele verrekening vallende transacties één blootstellingswaarde op het niveau van de netting set berekenen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

    1. de verrekeningsovereenkomst behoort tot een van de in artikel 295 bedoelde soorten overeenkomsten inzake contractuele verrekening;

    2. de verrekeningsovereenkomst is door de bevoegde autoriteiten erkend overeenkomstig artikel 296;

    3. de instelling heeft ten aanzien van de verrekeningsovereenkomst de verplichtingen uit hoofde van artikel 297 vervuld.

    Wanneer een van de in de eerste alinea vermelde voorwaarden niet is vervuld, behandelt de instelling elke transactie alsof het haar eigen netting set was.

    2.

    Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van een netting set volgens de standaardbenadering voor de tegenpartijkredietrisico als volgt:

    • Blootstellingswaarde = α · (RC + PFE)

      waarbij:

      RC de overeenkomstig artikel 275 berekende vervangingswaarde; en
      PFE de overeenkomstig artikel 278 berekende potentiële toekomstige blootstelling;
      α 1,4.

    3.

    De blootstellingswaarde van een aan een contractuele margeovereenkomst onderworpen netting set wordt gemaximeerd op de blootstellingswaarde van diezelfde netting set die niet aan enige vorm van margeovereenkomst is onderworpen.

    4.

    Indien meerdere margeovereenkomsten van toepassing zijn op dezelfde netting set, wijzen instellingen elke margeovereenkomst toe aan de groep transacties in de netting set waarop die margeovereenkomst contractueel van toepassing is, en berekenen ze voor elk van deze gegroepeerde transacties afzonderlijk een blootstellingswaarde.

    5.

    Instellingen mogen de blootstellingswaarde van een netting set die aan alle volgende voorwaarden voldoet, op nul stellen:

    1. de netting set bestaat uitsluitend uit verkochte opties;

    2. de actuele marktwaarde van de netting set is steeds negatief;

    3. de premie van alle in de netting set opgenomen opties is vooraf ontvangen door de instelling om de uitvoering van de contracten te garanderen;

    4. de netting set is niet aan enige margeovereenkomst onderworpen.

    6.

    In een netting set vervangen instellingen een transactie die een eindige lineaire combinatie van alle ge- of verkochte call- of putopties is, door alle individuele opties welke die lineaire combinatie vormen, beschouwd als een individuele transactie met het oog op de berekening van de blootstellingswaarde van de netting set in overeenstemming met deze afdeling. Elke dergelijke combinatie van opties wordt behandeld als een individuele transactie in de netting set waarin de combinatie is opgenomen met het oog op de berekening van de blootstellingswaarde.

    7.

    De blootstellingswaarde van een kredietderivatentransactie die een lange positie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, kan worden gemaximeerd op het bedrag van de uitstaande onbetaalde premie mits die wordt behandeld als eigen netting set die niet aan een margeovereenkomst is onderworpen.

    1.

    Instellingen berekenen de vervangingswaarde RC voor netting sets die niet aan een margeovereenkomst onderworpen zijn, volgens de volgende formule:

    • RC = max{CMV – NICA, 0}

    2.

    Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor eenzelfde aan een margeovereenkomst onderworpen netting set volgens de volgende formule:

    • RC = max{CMV – VM – NICA, TH + MTA – NICA, 0}

      waarbij:

      RC de vervangingswaarde;
      VM de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte nettovariatiemarge, naargelang het geval, om verandering in de CMV van de netting set te limiteren;
      TH de uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen; en
      MTA het uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht.

    3.

    Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor meerdere aan dezelfde margeovereenkomst onderworpen netting sets volgens de onderstaande formule:

    RC = max{ ∑max{CMVi, 0} −max{VMMA +NICAMA, 0}, 0} +max{ ∑min{CMVi, 0} −min{VMMA +NICAMA, 0}, 0}

    waarbij:

    RC de vervangingswaarde;
    i de index die aangeeft dat de netting set aan de individuele margeovereenkomst onderworpen is;
    CMVi de CMV van de netting set i;
    VMMA de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte zekerheden, naargelang het geval, voor meervoudige netting sets om veranderingen in hun CMV te limiteren; en
    NICAMA de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte zekerheden, naargelang het geval, voor meervoudige netting sets niet zijnde VMMA.

    Voor de toepassing van de eerste alinea mag NICAMA, afhankelijk van het niveau waarop de margeovereenkomst van toepassing is, worden berekend op handelsniveau, op het niveau van de netting set of op het niveau van alle netting sets waarop de margeovereenkomst van toepassing is.

    1.

    Voor de toepassing van deze afdeling berekenen instellingen de bedragen aan zekerheden van VM, VMMA, NICA en NICAMA door alle volgende voorwaarden toe te passen:

    1. indien alle in een netting set opgenomen transacties tot de handelsportefeuille behoren, worden alleen krachtens de artikelen 197 en 299 in aanmerking komende zekerheden opgenomen;

    2. indien een netting set ten minste één transactie bevat die tot de niet-handelsportefeuille behoort, worden alleen krachtens artikel 197 toelaatbare zekerheden opgenomen;

    3. van een tegenpartij ontvangen zekerheden worden opgenomen met een positief teken, terwijl bij een tegenpartij gestorte zekerheden met een negatief teken worden opgenomen;

    4. de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van alle soorten ontvangen of gestorte zekerheden wordt berekend overeenkomstig artikel 223; ten behoeve van die berekening gebruiken instellingen de in artikel 225 beschreven methode;

    5. hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VM en NICA opgenomen;

    6. hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VMMA en NICAMA opgenomen;

    7. aan de tegenpartij gestorte zekerheden die gescheiden zijn van de activa van die tegenpartij en, als gevolg van die scheiding, buiten het faillissement vallen in geval van wanbetaling door of insolventie van de tegenpartij, worden niet opgenomen in de berekening van NICA en NICAMA.

    2.

    Voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van gestorte zekerheden als bedoeld in lid 1, punt d), van dit artikel vervangen instellingen de formule van artikel 223, lid 2, door de volgende formule:

    • CVA = C · (1 + HC + Hfx)

      waarbij:

      • CVA = de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van gestorte zekerheden; en

      • C = de zekerheden;

      • Hc en Hfx zijn bepaald overeenkomstig artikel 233, lid 2.

    3.

    Voor de toepassing van punt d) van lid 1 stellen instellingen de voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van ontvangen of gestorte zekerheden toepasselijke liquidatieperiode vast volgens één van de volgende tijdshorizons:

    1. één jaar voor de in artikel 275, lid 1, bedoelde netting sets;

    2. de margerisicoperiode als bepaald overeenkomstig artikel 279 quater, lid 1, punt b), voor de in artikel 275, leden 2 en 3, bedoelde netting sets.

    1.

    Instellingen mappen elke transactie van een netting set naar een van de volgende risicocategorieën om de in artikel 278 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling van de netting set te bepalen:

    1. renterisico;

    2. wisselkoersrisico;

    3. kredietrisico;

    4. aandelenrisico;

    5. grondstoffenrisico;

    6. overige risico's.

    2.

    Instellingen voeren de in lid 1 bedoelde mapping uit op basis van de primaire risicodeterminant van de derivatentransactie. De primaire risicodeterminant is de enige substantiële risicodeterminant van een derivatentransactie.

    3.

    In afwijking van lid 2 mappen instellingen derivatentransacties die meer dan één substantiële risicodeterminant hebben, naar meer dan één risicocategorie. Wanneer alle substantiële risicodeterminanten van één van die transacties tot dezelfde risicocategorie behoren, wordt van instellingen alleen verlangd dat ze die transactie eenmaal naar die risicocategorie mappen op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten. Wanneer de substantiële risicodeterminanten van een van die transacties tot verschillende risicocategorieën behoren, mappen instellingen die transactie eenmaal naar elke risicocategorie waarvoor de transactie, op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten in die risicocategorie, ten minste één substantiële risicodeterminant heeft.

    4.

    Niettegenstaande de leden 1, 2 en 3 passen instellingen bij de mapping van transacties naar de in lid 1 opgesomde risicocategorieën de volgende voorwaarden toe:

    1. wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie, of de meest substantiële risicodeterminant in een bepaalde risicocategorie voor in lid 3 bedoelde transacties, een inflatievariabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie "renterisico";

    2. wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie, of de meest substantiële risicodeterminant in een bepaalde risicocategorie voor in lid 3 bedoelde transacties, een klimaatafhankelijke variabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie "grondstoffenrisico".

    5.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

    1. de methode om transacties met slechts één substantiële risicodeterminant te identificeren;

    2. de methode om transacties met meer dan één substantiële risicodeterminant te identificeren en om de voor de toepassing van lid 3 meest substantiële van deze risicodeterminanten te identificeren;

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Instellingen bepalen de voor elke risicocategorie van netting sets relevante hedging sets en wijzen elk van deze transacties als volgt aan die hedging sets toe:

    1. naar de risicocategorie "renterisico" gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, in dezelfde valuta luidt;

    2. naar de risicocategorie "wisselkoersrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, op hetzelfde valutapaar is gebaseerd;

    3. alle naar de risicocategorie "kredietrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;

    4. alle naar de risicocategorie "aandelenrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;

    5. naar de risicocategorie "grondstoffenrisico" gemapte transacties worden aan één van de volgende hedging sets toegewezen op basis van de aard van hun primaire risicodeterminant of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties:

      1. energie;

      2. metalen;

      3. landbouwproducten;

      4. overige grondstoffen;

      5. klimatologische omstandigheden;

    6. naar de risicocategorie "overige risico's" gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, identiek is.

    Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea van dit lid worden naar de risicocategorie "renterisico" gemapte transacties die een inflatievariabele als de primaire risicodeterminant hebben, toegewezen aan afzonderlijke hedging sets niet zijnde de hedging sets, bepaald voor transacties gemapt naar de risicocategorie "renterisico" die geen inflatievariabele als primaire risicodeterminant hebben. Die transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, in dezelfde valuta luidt.

    2.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel bepalen instellingen binnen elke risicocategorie afzonderlijke individuele hedging sets voor de volgende transacties:

    1. transacties waarvoor de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, ofwel de impliciete marktvolatiliteit is of de gerealiseerde volatiliteit van een risicodeterminant of de correlaties tussen beide risicodeterminanten;

    2. transacties waarvoor de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, het verschil is tussen twee risicodeterminanten die naar dezelfde risicocategorie zijn gemapt of transacties die bestaan uit twee in dezelfde valuta luidende betalingsgedeelten en waarvoor een risicodeterminant uit dezelfde risicocategorie van de primaire risicodeterminant is vervat in het andere betalingsgedeelte dan het gedeelte dat de primaire risicodeterminant bevat.

    Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea van dit lid wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, identiek is.

    Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer het paar van risicodeterminanten in die transacties als bedoeld daarin identiek is en de beide in dit paar vervatte risicodeterminanten positief gecorreleerd zijn. Anders wijzen instellingen in punt b) van de eerste alinea bedoelde transacties toe aan één van de overeenkomstig lid 1 bepaalde hedging sets, op basis van slechts één van de beide in punt b) van de eerste alinea bedoelde risicodeterminanten.

    3.

    Instellingen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteiten het aantal overeenkomstig lid 2 van dit artikel voor elke risicocategorie bepaalde hedging sets beschikbaar, met de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, of het paar van risicodeterminanten van elk van die hedging sets, en met het aantal transacties in elk van die hedging sets.

    1.

    Instellingen berekenen de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set als volgt:

    PFE = multiplier× ∑AddOn (a)

    waarbij:

    PFE de potentiële toekomstige blootstelling;
    a de index die de in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van de netting set opgenomen risicocategorieën aangeeft;
    AddOn(a) de opslagfactor voor risicocategorie ’a’, berekend overeenkomstig de artikelen 280 bis tot en met 280 septies, naargelang het geval; en
    multiplier de vermenigvuldigingsfactor, berekend volgens de in lid 3 bedoelde formule.

    Ten behoeve van deze berekening nemen instellingen de opslagfactor van een bepaalde risicocategorie op in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set wanneer ten minste één transactie van de netting set naar die risicocategorie is gemapt.

    2.

    De potentiële toekomstige blootstelling van aan één margeovereenkomst onderworpen meervoudige netting sets, als bedoeld in artikel 275, lid 3, wordt berekend als de som van de potentiële toekomstige blootstellingen van alle individuele netting sets alsof deze niet aan enige vorm van margeovereenkomst waren onderworpen.

    3.

    Voor de toepassing van lid 1 wordt de multiplicator als volgt berekend:

    multiplier =

    1 if z ≥ 0

    min{1, Floorm + (1−Floorm ) ×exp ( z y ) } if z<0

    waarbij:

    • Floorm = 5 %;

    • y = 2 · (1 – Floorm) · ΣaAddOn(a)

    z =

    CMV – NICA voor de in artikel 275,lid 1,bedoelde netting sets

    CMV – VM – NICA voor in de artikel 275,lid 2,bedoelde netting sets

    CMVi – NICAi voor in de artikel 275,lid 3,bedoelde netting sets

    NICAi het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden, berekend uitsluitend voor transacties die in de netting set i zijn opgenomen. NICAi wordt berekend op handelsniveau of op het niveau van de netting set, afhankelijk van de margeovereenkomst.

    Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor risicocategorieën berekenen instellingen de risicopositie van iedere transactie van een netting set als volgt:

    • Risicopositie = δ · AdjNot · MF

      waarbij:

      δ de delta voor toezichtsdoeleinden van de transactie, berekend volgens de in artikel 279 bis bepaalde formule;
      AdjNot het aangepaste notionele bedrag van de transactie, berekend overeenkomstig artikel 279 ter; en
      MF de looptijdfactor van de transactie, berekend volgens de in artikel 279 quater bepaalde formule.

    1.

    Instellingen berekenen de delta voor toezichtsdoeleinden als volgt:

    1. voor call- en putopties die de optiekoper het recht geven een onderliggend instrument te kopen of verkopen voor een positieve prijs op één specifieke datum of meerdere datums in de toekomst, behalve wanneer die opties zijn gemapt naar de risicocategorie "renterisico", gebruiken instellingen de volgende formule:

      δ = sign×N (type× ln(P÷K) +0,5×σ2 ×T σ× √ )

      waarbij:

      δ de delta voor toezichtsdoeleinden;
      sign – 1 als de transactie een verkochte calloptie of een gekochte putoptie is;
      sign + 1 als de transactie een gekochte calloptie of een verkochte putoptie is;
      type – 1 als de transactie een putoptie is;
      type + 1 als de transactie een calloptie is;
      N(x) de cumulatieve distributiefunctie van een standaardnormale toevalsvariabele, d.w.z. de kans dat een normale toevalsvariabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan "x";
      P de spot- of termijnprijs van het onderliggende instrument van de optie; voor opties waarvan de kasstromen afhangen van een gemiddelde waarde van de prijs van het onderliggende instrument, is P gelijk aan de gemiddelde waarde op de berekeningsdatum.
      K de uitoefenprijs van de optie;
      T de uiterste geldigheidsdatum van de optie; voor opties die slechts op een enkele toekomstige datum kunnen worden uitgeoefend, is de uiterste geldigheidsdatum gelijk aan die datum; voor opties die op meerdere toekomstige datums kunnen worden uitgeoefend, is de uiterste geldigheidsdatum gelijk aan die datums; de uiterste geldigheidsdatum wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen; en
      σ de volatiliteit voor toezichtsdoeleinden van de optie, bepaald overeenkomstig tabel 1, op basis van de risicocategorie van de transactie en de aard van het onderliggende instrument van de optie.

      Tabel 1

      Risicocategorie

      Onderliggend instrument

      Volatiliteit voor toezichtsdoeleinden

      Wisselkoers

      Alle

      15 %

      Krediet

      Single-name-instrument

      100 %

      Multiple-names-instrument

      80 %

      Aandeel

      Single-name-instrument

      120 %

      Multiple-names-instrument

      75 %

      Grondstof

      Elektriciteit

      150 %

      Overige grondstoffen (elektriciteit uitgezonderd)

      70 %

      Overige

      Alle

      150 %

      Instellingen die de termijnprijs van het onderliggende instrument gebruiken, zorgen ervoor dat:

      1. de termijnprijs coherent is met de kenmerken van de optie;

      2. de termijnprijs wordt berekend aan de hand van een relevant rentepercentage dat op het tijdstip van de rapportage geldt;

      3. in de termijnprijs de verwachte kasstromen van het onderliggende instrument vóór het aflopen van de optie zijn verwerkt;

    2. voor tranches van een synthetische securitisatie en een nth-to-default-kredietderivaat gebruiken instellingen de volgende formule:

      δ = sign× 15 (1+14×A) × (1+14×D)

      waarbij:

      sign =

      + als kredietprotectie d.m.v. transactie is verkregen

      – als kredietprotectie d.m.v. transactie is verschaft

      A het attachment point van de tranche; voor een nth-to-default kredietderivatentransactie die gebaseerd is op referentie-entiteiten k, A = (n – 1)/k; en
      D het detachment point van de tranche; voor een nth-to-default kredietderivatentransactie die gebaseerd is op referentie-entiteiten k, D = n/k;

    3. voor niet in punt a) of b) vermelde transacties maken instellingen gebruik van de volgende delta voor toezichtsdoeleinden:

      δ =

      + 1 "als de transactie een longpositie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie is"

      – 1 "als de transactie een shortpositie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie is"

    2.

    Voor de toepassing van deze afdeling betekent een lange positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, dat de marktwaarde van de transactie toeneemt wanneer de waarde van die risicodeterminant toeneemt, en betekent een korte positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, dat de marktwaarde van de transactie afneemt wanneer de waarde van die risicodeterminant toeneemt.

    3.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

    1. in overeenstemming met internationale ontwikkelingen op regelgevingsgebied, de formule die door instellingen wordt gebruikt voor het berekenen van de delta voor toezichtsdoeleinden van call- en putopties die zijn gemapt naar de risicocategorie "renterisico", in overeenstemming met marktomstandigheden waarin rentepercentages negatief kunnen zijn en de volatiliteit voor toezichtsdoeleinden welke voor die formule geschikt is;

    2. de methode om te bepalen of een transactie een lange of korte positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties is.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Instellingen berekenen het aangepaste notionele bedrag als volgt:

    1. voor naar de risicocategorie "renterisico" of de risicocategorie "kredietrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van het notionele bedrag van het derivatencontract en de duurfactor voor toezichtsdoeleinden, die als volgt wordt berekend:

      duurfactor voor toezichtdoeleinden = exp( −R×S) −exp( −R×E) R

      waarbij:

      R de disconteringsvoet voor toezichtsdoeleinden; R = 5 %;
      S de termijn tussen de aanvangsdatum van een transactie en de rapportagedatum, die wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen; en
      E de termijn tussen de einddatum van een transactie en de rapportagedatum, die wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen.

      De aanvangsdatum van een transactie is de eerste datum waarop er in het kader van de transactie ten minste een contractuele betaling aan of door de instelling wordt vastgesteld of gedaan, met uitzondering van betalingen in verband met de uitwisseling van zekerheden in het kader van een margeovereenkomst. Indien de transactie op de rapportagedatum al aanleiding heeft gegeven tot de vaststelling of het doen van betalingen, is de aanvangsdatum van een transactie gelijk aan 0.

      Indien een transactie betrekking heeft op één of meerdere contractuele toekomstige datums waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten, is de startdatum van een transactie gelijk aan de vroegste van de volgende datums:

      1. de datum of de vroegste van de diverse toekomstige datums waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten;

      2. de datum waarop een transactie aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen, niet zijnde betalingen in verband met de uitwisseling van zekerheden in het kader van een margeovereenkomst.

      Indien een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de aanvangsdatum van de transactie bepaald op basis van de vroegste datum waarop het onderliggende instrument aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen.

      De einddatum van een transactie is de laatste datum waarop in het kader van de transactie een contractuele betaling aan of door de instelling wordt uitgewisseld, of uitgewisseld kan worden.

      Indien een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de einddatum van de transactie bepaald op basis van de laatste contractuele betaling van het onderliggende instrument van de transactie.

      Indien een transactie gestructureerd is om op gespecificeerde betalingsdatums een uitstaande blootstelling af te wikkelen en indien de voorwaarden zodanig worden herzien dat de marktwaarde van de transactie op die gespecificeerde betaaldatums gelijk is aan nul, wordt de afwikkeling van de uitstaande blootstelling op deze gespecificeerde datums als een contractuele betaling in het kader van de transactie in kwestie aangemerkt;

    2. voor naar de risicocategorie "wisselkoersrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als volgt:

      1. indien de transactie uit één betalingsgedeelte bestaat, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het derivatencontract;

      2. indien de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van één betalingsgedeelte in de rapportagevaluta van de instelling luidt, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het andere betalingsgedeelte;

      3. indien de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van elk betalingsgedeelte luidt in een andere valuta dan de rapportagevaluta van de instelling, is het aangepaste notionele bedrag het grootste notionele bedrag van de beide betalingsgedeelten nadat die bedragen zijn omgezet in de rapportagevaluta van de instelling tegen de geldende contante wisselkoers;

    3. voor naar de risicocategorie "aandelenrisico" of "grondstoffenrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van de marktprijs van één eenheid van het onderliggende instrument van de transactie en het aantal eenheden in het onderliggende instrument waarnaar de transactie verwijst;

      indien een naar de risicocategorie "aandelenrisico" of "grondstoffenrisico" gemapte transactie contractueel als een notioneel bedrag is uitgedrukt, gebruiken de instellingen het notionele bedrag van de transactie als het aangepaste notionele bedrag, en niet het aantal eenheden in het onderliggende instrument;

    4. voor naar andere risicocategorieën gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag op basis van de meest geschikte van de in de punten a), b) en c) vermelde methodes, naar gelang van de aard en kenmerken van het onderliggende instrument van de transactie.

    2.

    Instellingen bepalen het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument ten behoeve van de berekening van het aangepaste notionele bedrag van een in lid 1 bedoelde transactie, als volgt:

    1. indien het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument van een transactie pas aan het einde van de contractuele looptijd wordt vastgesteld:

      1. voor deterministische notionele bedragen en aantallen eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het gewogen gemiddelde van alle deterministische waarden van notionele bedragen of aantallen eenheden van het onderliggende instrument, naargelang het geval, tot het eind van de contractuele looptijd van de transactie, waarbij de gewichten in verhouding staan tot de tijd dat elke waarde van het notionele bedrag van toepassing is;

      2. voor stochastische notionele bedragen en aantallen van eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het bedrag als vastgesteld door het vastleggen van actuele marktwaarden in de formule voor het berekenen van de toekomstige marktwaarden;

    2. voor contracten met meervoudige uitwisselingen van het notionele bedrag wordt het notionele bedrag vermenigvuldigd met het aantal resterende betalingen dat overeenkomstig de contracten nog moet worden verricht;

    3. voor contracten die voorzien in een vermenigvuldiging van de kasstroombetalingen of een vermenigvuldiging van de onderliggende waarde van het derivatencontract, wordt het notionele bedrag door een instelling aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van die contracten.

    3.

    Instellingen zetten het aangepaste notionele bedrag van een transactie om in hun rapportagevaluta tegen de geldende contante wisselkoers wanneer het aangepaste notionele bedrag op grond van dit artikel wordt berekend op basis van een contractueel notioneel bedrag of een marktprijs van het aantal eenheden van het in een andere valuta luidende onderliggende instrument.

    1.

    Instellingen berekenen de looptijdfactor als volgt:

    1. voor transacties opgenomen in de netting sets als bedoeld in artikel 275, lid 1, gebruiken instellingen de volgende formule:

      MF = √

      waarbij:

      MF de looptijdfactor;
      M

      de resterende looptijd van de transactie die gelijk is aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van de transactie te beëindigen; met het oog daarop wordt iedere optionaliteit van een derivatencontract als een contractuele verplichting beschouwd; de resterende looptijd wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen;

      indien een transactie een ander derivatencontract als onderliggend instrument heeft dat aanleiding kan geven tot aanvullende contractuele verplichtingen bovenop de contractuele verplichtingen van de transactie, is de resterende looptijd van de transactie gelijk aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van het onderliggende instrument te beëindigen;

      indien een transactie gestructureerd is om op gespecificeerde betalingsdatums de uitstaande blootstelling af te wikkelen en indien de voorwaarden zodanig herzien worden dat de marktwaarde van de transactie op die gespecificeerde datums gelijk is aan nul, is de resterende looptijd van de transactie gelijk aan de resterende tijd tot de volgende herzieningsdatum; en

      "OneBusinessYear" één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen;

    2. voor transacties die zijn opgenomen in de netting sets als bedoeld in artikel 275, leden 2 en 3, wordt de looptijdfactor omschreven als:

      MF = 3 2 √

      waarbij:

      MF de looptijdfactor;
      MPOR de margerisicoperiode van de netting set, bepaald overeenkomstig artikel 285, leden 2 tot en met 5; en
      OneBusinessYear één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen.

      Bij het bepalen van de margerisicoperiode voor transacties tussen een cliënt en een clearinglid vervangt een instelling die hetzij als cliënt hetzij als clearinglid handelt, de in artikel 285, lid 2, punt b), genoemde minimale periode door vijf werkdagen.

    2.

    Voor de toepassing van lid 1 is de resterende looptijd gelijk aan de tijd tot de volgende herzieningsdatum voor transacties die zijn gestructureerd om na gespecificeerde betalingsdatums de uitstaande blootstelling af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig worden herzien dat de marktwaarde van het contract op die gespecificeerde betaaldatums gelijk is aan nul.

    Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor een hedging set is de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor hedging set ’є’ de volgende:

    є =

    1 voor de hedging sets als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1

    5 voor de hedging sets als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2

    0,5 voor de hedging sets als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2

    1.

    Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

    AddOnIR = ∑AddOnIR j

    waarbij:

    AddOnIR de opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico";
    j de index die alle hedging sets voor renterisico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt a), en overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en
    AddOnIR j de opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico" voor de hedging set ’j’ van de risicocategorie "renterisico", berekend overeenkomstig lid 2.
    2.

    Instellingen berekenen de opslagfactor voor de hedging set ’j’ van de risicocategorie "renterisico" als volgt:

    AddOnIR j = єj ×SFIR ×EffNotIR j

    waarbij:

    єj de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set ’j’, bepaald overeenkomstig de in artikel 280 gespecificeerde toepasselijke waarde;
    SFIR de factor voor toezichtsdoeleinden voor de risicocategorie "renterisico" met een waarde gelijk aan 0,5 %; en
    EffNotIR j het effectieve notionele bedrag van de hedging set ’j’, berekend overeenkomstig lid 3.
    3.

    Voor de berekening van het effectieve notionele bedrag van de hedging set ’j’ mappen instellingen eerst elke transactie van de hedging set naar de passende subklasse in tabel 2. Ze doen dit op basis van de einddatum van elke transactie als bepaald krachtens artikel 279 ter, lid 1, punt a):

    Tabel 2

    Subklasse

    Einddatum

    (in jaar)

    1

    > 0 en <=1

    2

    > 1 en <=5

    3

    > 5

    Instellingen berekenen vervolgens het effectieve notionele bedrag van de hedging set ’j’ volgens de volgende formule:

    EffNotIR j &equals; &radic;

    waarbij:

    EffNotIR j het effectieve notionele bedrag van de hedging set ’j’; en
    Dj,k

    het effectieve notionele bedrag van subklasse ’k’ van de hedging set ’j’, berekend als volgt:

    Dj,k &equals; &sum;RiskPositionl

    waarbij:

    l de index die de risicopositie aangeeft.
    1.

    Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "wisselkoersrisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

    AddOnFX &equals; &sum;AddOnFX j

    waarbij:

    AddOnFX de opslagfactor voor de risicocategorie "wisselkoersrisico";
    j de index die de hedging sets voor wisselkoersrisico als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt b), en overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en
    AddOnFX j de opslagfactor voor de risicocategorie "wisselkoersrisico" voor de hedging set ’j’ van de risicocategorie "wisselkoersrisico", berekend overeenkomstig lid 2.
    2.

    Instellingen berekenen de opslagfactor voor de risicocategorie "wisselkoersrisico" voor de hedging set ’j’ van de risicocategorie "wisselkoersrisico" als volgt:

    AddOnFX j &equals; єj &times;SFFX &times; &vert;EffNotFX j &vert;

    waarbij:

    єj de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set ’j’, bepaald overeenkomstig artikel 280;
    SFFX de factor voor toezichtsdoeleinden voor de risicocategorie "wisselkoersrisico" met een waarde gelijk aan 4 %;
    EffNotFX j het effectieve notionele bedrag van de hedging set ’j’, berekend als volgt:
    EffNotFX j &equals; &sum;RiskPositionl

    waarbij:

    l de index die de risicopositie aangeeft.
    1.

    Voor de toepassing van lid 2 bepalen instellingen de relevante kredietreferentie-entiteiten van de netting set in overeenstemming met het volgende:

    1. er is één kredietreferentie-entiteit voor elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "kredietrisico" toegewezen single-nametransactie vormt; single-nametransacties worden alleen aan dezelfde kredietreferentie-entiteit toegewezen indien het onderliggende referentieschuldinstrument van die transacties door dezelfde uitgevende instelling is uitgegeven;

    2. er is één kredietreferentie-entiteit voor elke groep van referentieschuldinstrumenten of single-namekredietderivaten die de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "kredietrisico" toegewezen multi-namestransactie vormt; multi-namestransacties worden alleen aan dezelfde kredietreferentie-entiteit toegewezen indien de groep van onderliggende referentieschuldinstrumenten of single-namekredietderivaten van die transacties dezelfde bestanddelen heeft.

    2.

    Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "kredietrisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

    AddOnCredit &equals; &sum;AddOnCredit j

    waarbij:

    AddOnCredit de opslagfactor voor de risicocategorie "kredietrisico";
    j de index die alle hedging sets voor kredietrisico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt c), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en
    AddOnCredit j de opslagfactor van de hedging set ’j’ van de risicocategorie "kredietrisico", berekend overeenkomstig lid 3.
    3.

    Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "kredietrisico" voor de hedging set ’j’ als volgt:

    AddOnCredit j &equals; єj &radic;

    waarbij:

    AddOnCredit j de opslagfactor van de risicocategorie "kredietrisico" voor de hedging set ’j’;
    єj de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set ’j’, bepaald overeenkomstig artikel 280;
    k de index die de kredietreferentie-entiteiten van de overeenkomstig lid 1 bepaalde netting set aangeeft;
    ρCredit k de correlatiefactor van kredietreferentie-entiteit ’k’; indien de kredietreferentie-entiteit ’k’ overeenkomstig lid 1, punt a), is bepaald, ρCredit k &equals; 50 % , indien de kredietreferentie-entiteit ’k’ overeenkomstig lid 1, punt b), is bepaald, ρCredit k &equals; 80 % , en
    AddOn(Entityk) de opslagfactor voor kredietreferentie-entiteit ’k’, bepaald overeenkomstig lid 4.
    4.

    Instellingen berekenen de opslagfactor voor kredietreferentie-entiteit ’k’ als volgt:

    AddOn&lpar;Entityk &rpar; &equals; EffNotCredit k

    waarbij:

    EffNotCredit k

    het effectieve notionele bedrag van kredietreferentie-entiteit ’k’, berekend als volgt:

    EffNotCredit k &equals; &sum; SFCredit k,l &times;RiskPositionl

    waarbij:

    l de index die de risicopositie aangeeft; en
    SFCredit k,l de voor kredietreferentie-entiteit ’k’ toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden, berekend overeenkomstig lid 5.
    5.

    Instellingen berekenen de voor kredietreferentie-entiteit ’k’ toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden als volgt:

    1. voor kredietreferentie-entiteit ’k’, bepaald overeenkomstig lid 1, punt a), wordt SFCredit k,l gemapt naar één van de zes in tabel 3 van dit lid aangegeven factoren voor toezichtsdoeleinden op basis van een externe kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI van de overeenkomstige individuele uitgevende instelling. Voor een individuele uitgevende instelling waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt als volgt te werk gegaan:

      1. een instelling die van de benadering in hoofdstuk 3 gebruikmaakt, mapt de interne rating van de individuele uitgevende instelling naar één van de externe kredietbeoordelingen;

      2. een instelling die van de benadering in hoofdstuk 2 gebruikmaakt, wijst SFCredit k,l &equals; 0,54 % aan deze kredietreferentie-entiteit toe. Indien een instelling echter voor de risicoweging van de tegenpartijkredietrisicoblootstellingen met betrekking tot deze individuele uitgevende instelling gebruikmaakt van artikel 128, wordt SFCredit k,l &equals; 1,6 % toegewezen aan deze kredietreferentie-entiteit;

    2. voor kredietreferentie-entiteiten ’k’, bepaald overeenkomstig lid 1, punt b), wordt als volgt te werk gegaan:

      1. indien een aan kredietreferentie-entiteit ’k’ toegewezen risicopositie ’l’ een aan een erkende effectenbeurs genoteerde kredietindex is, wordt SFCredit k,l gemapt naar een van de beide in tabel 4 van dit lid vermelde factoren voor toezichtsdoeleinden op basis van de kredietkwaliteit van de meerderheid van zijn individuele bestanddelen;

      2. indien een aan kredietreferentie-entiteit ’k’ toegewezen risicopositie ’l’ niet in onder i) van dit punt is bedoeld, is SFCredit k,l het gewogen gemiddelde van de volgens de in punt a) beschreven methode naar elk van de bestanddelen gemapte factoren voor toezichtsdoeleinden, waarbij de gewichten worden bepaald door het aandeel notioneel van de bestanddelen van die positie.

        Tabel 3

        Kredietkwaliteitscategorie

        Factor voor toezichtsdoeleinden voor single-nametransacties

        1

        0,38 %

        2

        0,42 %

        3

        0,54 %

        4

        1,06 %

        5

        1,6 %

        6

        6,0 %

        Tabel 4

        Overheersende kredietkwaliteit

        Factor voor toezichtsdoeleinden voor genoteerde indices

        Investeringswaardig

        0,38 %

        Niet-investeringswaardig

        1,06 %

    1.

    Voor de toepassing van lid 2 bepalen instellingen de relevante aandelenreferentie-entiteiten van de netting set in overeenstemming met het volgende:

    1. er is één aandelenreferentie-entiteit voor elke uitgevende instelling van een referentieaandeleninstrument dat de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "aandelenrisico" toegewezen single-nametransactie vormt; single-nametransacties worden alleen aan dezelfde aandelenreferentie-entiteit toegewezen indien het onderliggende referentieaandeleninstrument van die transacties door dezelfde uitgevende instelling is uitgegeven;

    2. er is één aandelenreferentie-entiteit voor elke groep van referentieaandeleninstrumenten of single-nameaandelenderivaten die de onderliggende waarde van een aan de risicocategorie "aandelenrisico" toegewezen multi-namestransactie vormt; multi-namestransacties worden alleen aan dezelfde aandelenreferentie-entiteit toegewezen indien de groep van onderliggende referentieaandeleninstrumenten of single-nameaandelenderivaten van die transacties, naargelang het geval, dezelfde bestanddelen heeft.

    2.

    Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "aandelenrisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

    AddOnEquity &equals; &sum;AddOnEquity j

    waarbij:

    AddOnEquity de opslagfactor voor de risicocategorie "aandelenrisico";
    j de index die alle hedging sets voor aandelenrisico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt d), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en
    AddOn de opslagfactor voor de hedging set ’j’ van de risicocategorie "aandelenrisico", berekend overeenkomstig lid 3.
    3.

    Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "aandelenrisico" voor de hedging set ’j’ als volgt:

    AddOnEquity j &equals; єj &radic;

    waarbij:

    AddOnEquity j de opslagfactor van de risicocategorie "aandelenrisico" voor de hedging set ’j’;
    єj de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set ’j’, bepaald overeenkomstig artikel 280;
    k de index die de aandelenreferentie-entiteiten van de overeenkomstig lid 1 bepaalde netting set aangeeft;
    ρEquity k de correlatiefactor van aandelenreferentie-entiteit ’k’; indien de aandelenreferentie-entiteit ’k’ overeenkomstig lid 1, punt a), is bepaald, ρEquity k &equals; 50 % ; indien de aandelenreferentie-entiteit ’k’ overeenkomstig lid 1, punt b), is bepaald, ρEquity k &equals; 80 % ; en
    AddOn(Entityk) de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit ’k’, bepaald overeenkomstig lid 4.
    4.

    Instellingen berekenen de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit ’k’ als volgt:

    AddOn&lpar;Entityk &rpar; &equals; SKEquity k &times;EffNotEquity k

    waarbij:

    AddOn(Entityk) de opslagfactor voor aandelenreferentie-entiteit ’k’;
    SFEquity k de voor aandelenreferentie-entiteit ’k’ toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden; indien de aandelenreferentie-entiteit ’k’ overeenkomstig lid 1, punt a), is bepaald, SFEquity k &equals; 32 % ; indien de aandelenreferentie-entiteit ’k’ overeenkomstig lid 1, punt b), is bepaald, SFEquity k &equals; 20 % ; en
    EffNotEquity k

    het effectieve notionele bedrag van aandelenreferentie-entiteit ’k’, berekend als volgt:

    EffNotEquity k &equals; &sum;RiskPositionl

    waarbij:

    l de index die de risicopositie aangeeft.
    1.

    Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

    AddOnCom &equals; &sum;AddOnCom j

    waarbij:

    AddOnCom de opslagfactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico";
    j de index die de hedging sets voor grondstoffen als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt e), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en
    AddOnCom j de opslagfactor van de hedging set ’j’ van de risicocategorie "grondstoffenrisico", berekend overeenkomstig lid 4.
    2.

    Voor de berekening van de opslagfactor van een hedging set voor grondstoffen van een bepaalde netting set overeenkomstig lid 4 stellen instellingen voor elke hedging set de betrokken grondstoffenreferentiesoorten vast. Grondstoffenderivatentransacties worden alleen aan dezelfde grondstoffenreferentiesoort toegewezen indien het onderliggende grondstoffeninstrument van die transacties hetzelfde karakter heeft, ongeacht de locatie van levering en kwaliteit van het grondstoffeninstrument.

    3.

    In afwijking van lid 2 mogen bevoegde autoriteiten van een instelling met een significante blootstelling aan het basisrisico van verschillende posities met hetzelfde karakter als bedoeld in lid 2, eisen dat deze de grondstoffenreferentiesoorten voor die posities bepaalt aan de hand van meer kenmerken dan enkel het karakter van het onderliggende grondstoffeninstrument. In een dergelijke situatie worden grondstoffenderivatentransacties alleen aan dezelfde grondstoffenreferentiesoort toegewezen indien zij die kenmerken gemeenschappelijk hebben.

    4.

    Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "grondstoffenrisico" voor de hedging set ’j’ als volgt:

    AddOnCom j &equals; єj &radic;

    waarbij:

    AddOnCom j de opslagfactor van de risicocategorie "grondstoffenrisico" voor de hedging set ’j’;
    єj de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set ’j’, bepaald overeenkomstig artikel 280;
    ρCom de correlatiefactor voor de risicocategorie "grondstoffenrisico" met een waarde gelijk aan 40 %;
    k de index die de overeenkomstig lid 2 bepaalde grondstoffenreferentiesoorten van de netting set aangeeft; en
    AddOn&lpar;Typej k &rpar; de opslagfactor voor grondstoffenreferentiesoort ’k’, berekend overeenkomstig lid 5.
    5.

    Instellingen berekenen de opslagfactor voor grondstoffenreferentiesoort ’k’ als volgt:

    AddOn&lpar;Typej k &rpar; &equals; SFCom k &times;EffNotCom k

    waarbij:

    AddOn&lpar;Typej k &rpar; de opslagfactor voor grondstoffenreferentiesoort ’k’;
    SFCom k de voor grondstoffenreferentiesoort ’k’ toepasselijke factor voor toezichtsdoeleinden; indien de grondstoffenreferentiesoort ’k’ overeenstemt met transacties toegewezen aan de hedging set als bedoeld in artikel 277 bis, lid 1, punt e), onder i), met uitzondering van transacties die betrekking hebben op elektriciteit, SFCom k &equals; 18 % ; voor transacties die betrekking hebben op elektriciteit, SFCom k &equals; 40 % ; en
    EffNotCom k

    het effectieve notionele bedrag van grondstoffenreferentiesoort ’k’, berekend als volgt:

    EffNotCom k &equals; &sum;RiskPositionl

    waarbij:

    l de index die de risicopositie aangeeft.
    1.

    Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "overige risico's" voor een bepaalde netting set als volgt:

    AddOnOther &equals; &sum;AddOnOther j

    waarbij:

    AddOnOther de opslagfactor voor de risicocategorie "overige risico's";
    j de index die de hedging sets voor overige risico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt f), en artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en
    AddOnOther j de opslagfactor voor de risicocategorie "overige risico's" voor de hedging set ’j’, berekend overeenkomstig lid 2.
    2.

    Instellingen berekenen de opslagfactor van de risicocategorie "overige risico's" voor de hedging set ’j’ als volgt:

    AddOnOther j &equals; єj &times;SFOther &times; &vert;EffNotOther j &vert;

    waarbij:

    AddOnOther j de opslagfactor van de risicocategorie "overige risico's" voor de hedging set ’j’;
    єj de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set ’j’, bepaald overeenkomstig artikel 280; en
    SFOther de factor voor toezichtsdoeleinden voor de risicocategorie "overige risico's" met een waarde gelijk aan 8 %;
    EffNotOther j

    het effectieve notionele bedrag van de hedging set ’j’, berekend als volgt:

    EffNotOther j &equals; &sum;RiskPositionl

    waarbij:

    l de index die de risicopositie aangeeft.
    1.

    Instellingen berekenen één enkele blootstellingswaarde op het niveau van de netting set overeenkomstig afdeling 3, met inachtneming van lid 2 van dit artikel.

    2.

    De blootstellingswaarde van een netting set wordt berekend overeenkomstig de volgende voorschriften:

    1. instellingen passen de in artikel 274, lid 6, bedoelde behandeling niet toe;

    2. in afwijking van artikel 275, lid 1, berekenen instellingen voor niet in artikel 275, lid 2, bedoelde netting sets de vervangingswaarde volgens onderstaande formule:

      RC = max{CMV, 0}

      waarbij:

      RC de vervangingswaarde; en
      CMV de huidige marktwaarde.

    3. in afwijking van artikel 275, lid 2, van deze verordening voor netting sets van transacties die op een erkende beurs plaatsvinden; die centraal worden gecleard door een centrale tegenpartij waaraan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vergunning is verleend of die overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is erkend; of die waarvoor overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bilateraal zekerheden met de tegenpartij worden uitgewisseld, berekenen instellingen de vervangingswaarde volgens onderstaande formule:

      RC = TH + MTA

      waarbij:

      RC de vervangingswaarde;
      TH de krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen; en
      MTA het krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht;

    4. in afwijking van artikel 275, lid 3, berekenen instellingen voor aan een margeovereenkomst onderworpen netting sets de vervangingswaarde als de som van de overeenkomstig lid 1 berekende vervangingswaarden van elke individuele netting set alsof deze niet door marges zijn gedekt;

    5. alle hedging sets worden vastgesteld overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1;

    6. instellingen stellen de multiplicator in de in artikel 278, lid 1, toegepaste formule ter berekening van de potentiële toekomstige blootstelling vast op 1, wat het volgende oplevert:

      PFE &equals; &sum;AddOn &lpar;a&rpar;

      waarbij:

      PFE de potentiële toekomstige blootstelling; en
      AddOn(a) de opslagfactor voor risicocategorie ’a’;

    7. in afwijking van artikel 279 bis, lid 1, berekenen instellingen voor alle transacties de delta voor toezichtsdoeleinden als volgt:

      δ =

      + 1 als de transactie een longpositie is in de primaire risicodeterminant

      – 1 als de transactie een shortpositie is in de primaire risicodeterminant

      waarbij:

      δ de delta voor toezichtsdoeleinden;

    8. de in artikel 279 ter, lid 1, punt a), bedoelde formule voor de berekening van de duurfactor voor toezichtsdoeleinden luidt als volgt:

      duurfactor voor toezichtdoeleinden = E – S

      waarbij:

      E de termijn tussen de einddatum van een transactie en de rapportage-datum; en
      S de termijn tussen de aanvangsdatum van een transactie en de rapportagedatum;

    9. de in artikel 279 quater, lid 1, bedoelde looptijdfactor wordt berekend als volgt:

      1. voor transacties die deel uitmaken van de in artikel 275, lid 1, bedoelde netting sets, MF = 1;

      2. voor transacties die deel uitmaken van de in artikel 275, leden 2 en 3, bedoelde netting sets, MF = 0,42;

    10. de in artikel 280 bis, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van het effectieve notionele bedrag van hedging set ’j’ luidt als volgt:

      EffNotIR j &equals; &vert;Dj,1 &vert; &plus; &vert;Dj,2 &vert; &plus; &vert;Dj,3 &vert;

      waarbij:

      EffNotIR j het effectieve notionele bedrag van hedging set ’j’; en
      Dj,k het effectieve notionele bedrag van subklasse ’k’ van hedging set ’j’;

    11. de in artikel 280 quater, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set ’j’ luidt als volgt:

      AddOnCredit j &equals; &sum; &vert;AddOn&lpar;Entityk &rpar; &vert;

      waarbij:

      AddOnCredit j de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set ’j’; en
      AddOn(Entityk) de opslagfactor voor de kredietreferentie-entiteit ’k’;

    12. de in artikel 280 quinquies, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set ’j’ luidt als volgt:

      AddOnEquity j &equals; &sum; &vert;AddOn&lpar;Entityk &rpar; &vert;

      waarbij:

      AddOnEquity j de opslagfactor voor de kredietrisicocategorie van hedging set ’j’; en
      AddOn(Entityk) de opslagfactor voor de kredietreferentie-entiteit ’k’;

    13. de in artikel 280 sexies, lid 3, bedoelde formule voor de berekening van de opslagfactor voor de grondstoffenrisicocategorie van hedging set ’j’ luidt als volgt:

      AddOnCom j &equals; &sum; &vert;AddOn&lpar;Typej k &rpar; &vert;

      waarbij:

      AddOnCom j de opslagfactor voor de grondstoffenrisicocategorie van hedging set ’j’; en
      AddOn&lpar;Typej k &rpar; de opslagfactor voor de grondstoffenreferentiesoort ’k’.

    1.

    Instellingen mogen één enkele blootstellingswaarde berekenen voor alle onder een contractuele verrekeningsovereenkomst vallende transacties, mits aan alle voorwaarden van artikel 274, lid 1, is voldaan. Anders berekenen instellingen een blootstellingswaarde voor elke transactie afzonderlijk, waarbij de betrokken transactie als haar eigen netting set wordt beschouwd.

    2.

    De blootstellingswaarde van een netting set of van een transactie is gelijk aan de uitkomst van 1,4 maal de som van de actuele vervangingswaarde en de potentiële toekomstige blootstelling.

    3.

    De in lid 2 bedoelde actuele vervangingswaarde wordt als volgt berekend:

    1. voor netting sets van transacties die op een erkende beurs worden verhandeld; die centraal worden gecleard door een centrale tegenpartij waaraan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vergunning is verleend of die overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is erkend; of die waarvoor overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 648/2012 bilateraal zekerheden met de tegenpartij worden uitgewisseld, gebruiken instellingen onderstaande formule:

      RC = TH + MTA

      waarbij:

      RC de vervangingswaarde;
      TH de krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen; en
      MTA het krachtens de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht;

    2. voor alle overige netting sets of individuele transacties gebruiken instellingen de volgende formules:

      RC = max{CMV, 0}

      waarbij:

      RC de vervangingswaarde; en
      CMV de huidige marktwaarde.

    Met het oog op de berekening van de actuele vervangingswaarde werken instellingen de actuele marktwaarden ten minste maandelijks bij.

    4.

    Instellingen berekenen de in lid 2 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling als volgt:

    1. de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set is de som van de potentiële toekomstige blootstelling van alle van de netting set deel uitmakende transacties, als berekend overeenkomstig punt b);

    2. de potentiële toekomstige blootstelling van één enkele transactie is het notionele bedrag ervan vermenigvuldigd met:

      1. het product van 0,5 % en de resterende looptijd van de transactie, uitgedrukt in jaren voor derivatencontracten die betrekking hebben op rentes;

      2. het product van 6 % en de resterende looptijd van de transactie, uitgedrukt in jaren voor derivatencontracten die betrekking hebben op kredietinstrumenten;

      3. 4 % voor deviezenderivaten;

      4. 18 % voor derivatencontracten die betrekking hebben op goud en op andere grondstoffen dan elektriciteit;

      5. 40 % voor elektriciteitsderivaten;

      6. 32 % voor aandelenderivaten;

    3. het in punt b) van dit lid bedoelde notionele bedrag wordt voor alle in dat punt genoemde derivaten bepaald overeenkomstig artikel 279 ter, leden 2 en 3; daarnaast wordt het notionele bedrag van de in punt b), onder iii) tot en met vi), van dit lid bedoelde derivaten bepaald overeenkomstig de punten b) en c) van artikel 279 ter, lid 1;

    4. de potentiële toekomstige blootstelling van in lid 3, punt a), bedoelde netting sets wordt vermenigvuldigd met 0,42.

    Ter berekening van de potentiële blootstellingswaarde van rentederivaten en kredietderivaten overeenkomstig punt b), onder i) en ii), mag een instelling ervoor kiezen de oorspronkelijke looptijd in plaats van de resterende looptijd van de contracten te gebruiken.".

  75. In artikel 283 wordt lid 4 vervangen door:

    "4.

    Voor alle otc-derivatentransacties en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor een instelling niet krachtens lid 1 toestemming heeft gekregen om de IMM toe te passen, past zij de in afdeling 3 beschreven methoden toe. Die methoden kunnen binnen een groep permanent in combinatie worden toegepast.".

  76. Artikel 298 wordt vervangen door:

    Verrekening in de zin van de afdelingen 3 tot en met 6 wordt in aanmerking genomen als beschreven in genoemde afdelingen.".

  77. In artikel 299, lid 2, wordt punt a) geschrapt.

  78. Artikel 300 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de inleidende zin wordt vervangen door:

      "Voor de toepassing van deze afdeling en van deel zeven wordt verstaan onder:";

    2. de volgende punten worden toegevoegd:

      "5) "contante transactie" :
      transactie in contanten, schuldinstrumenten of aandelen, een contante deviezen- of een en grondstoffentransactie; retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen zijn evenwel geen contante transacties;
      6) "indirecte clearingregeling" :
      regeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 648/2012;
      7) "cliënt van hoger niveau" :
      entiteit die clearingdiensten voor een cliënt van lager niveau verricht;
      8) "cliënt van lager niveau" :
      entiteit die via een cliënt van hoger niveau toegang heeft tot de diensten van een CTP;
      9) "meerlagige cliëntstructuur" :
      indirecte clearingregeling waarbij clearingdiensten voor een instelling worden verricht door een entiteit die geen clearinglid is, maar die zelf een cliënt is van een clearinglid of van een cliënt van hoger niveau;
      10) "niet-volgestorte bijdrage aan een wanbetalingsfonds" :
      bijdrage die een als clearinglid optredende instelling contractueel heeft toegezegd aan een CTP te zullen verstrekken nadat de CTP haar wanbetalingsfonds heeft uitgeput, en die is bedoeld om de verliezen te dekken die de CTP heeft geleden als gevolg van de wanbetaling door een of meer van haar clearingleden;
      11) "volledig gegarandeerde transactie inzake het opnemen of verstrekken van deposito's" :
      volledig met zekerheden gedekte geldmarkttransactie waarbij twee tegenpartijen deposito's uitwisselen en een CTP zich tussen beide tegenpartijen plaatst om de nakoming van de betalingsverplichtingen van die tegenpartijen te garanderen;".

  79. Artikel 301 wordt vervangen door:

    1.

    Deze afdeling is van toepassing op de volgende contracten en transacties zolang zij bij een CTP uitstaan:

    1. de derivatencontracten, vermeld in bijlage II en kredietderivaten;

    2. effectenfinancieringstransacties en volledig gegarandeerde transacties inzake het opnemen of verstrekken van deposito's; alsmede

    3. transacties met afwikkeling op lange termijn.

    Deze afdeling is niet van toepassing op blootstellingen die uit de afwikkeling van contante transacties voortvloeien. Instellingen passen de in titel V beschreven behandeling toe op transactieblootstellingen die uit dergelijke transacties voortvloeien en een risicogewicht van 0 % op bijdragen aan een wanbetalingsfonds dat alleen dergelijke transacties dekt. Instellingen passen de in artikel 307 beschreven behandeling toe op bijdragen aan een wanbetalingsfonds dat naast contante transacties ook de in de eerste alinea van dit lid genoemde transacties dekt.

    2.

    Voor de toepassing van deze afdeling gelden navolgende vereisten:

    1. de initiële marge omvat geen bijdragen aan een CTP voor regelingen voor het onderling delen van verliezen;

    2. de initiële marge omvat zekerheden die door een als clearinglid optredende instelling of door een cliënt zijn gedeponeerd boven het minimumbedrag dat wordt vereist door respectievelijk de CTP of de als clearinglid optredende instelling, op voorwaarde dat de CTP of de als clearinglid optredende instelling, indien nodig, respectievelijk de als clearinglid optredende instelling of de cliënt kan beletten deze te veel gestorte zekerheden in te trekken;

    3. indien een CTP de initiële marge gebruikt voor het onderling delen van verliezen tussen haar clearingleden, behandelen als clearingleden optredende instellingen de gebruikte initiële marge als een bijdrage aan een wanbetalingsfonds.".

  80. In artikel 302 wordt lid 2 vervangen door:

    "2.

    Instellingen beoordelen door middel van passende scenarioanalyses en stresstests of het niveau van het eigen vermogen dat wordt aangehouden voor de blootstellingen ten aanzien van een CTP, met inbegrip van mogelijke toekomstige of voorwaardelijke kredietblootstellingen, blootstellingen die het gevolg zijn van bijdragen aan een wanbetalingsfonds en, als de instelling als clearinglid optreedt, blootstellingen die het gevolg zijn van contractuele regelingen als bepaald in artikel 304, in een goede verhouding staat tot de aan die blootstellingen verbonden risico's.".

  81. Artikel 303 wordt vervangen door:

    1.

    Een instelling die als clearinglid optreedt, hetzij voor eigen doeleinden, hetzij als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen ten aanzien van een CTP als volgt:

    1. zij past de in artikel 306 beschreven behandeling toe op haar transactieblootstellingen ten aanzien van de CTP;

    2. zij past de in artikel 307 beschreven behandeling toe op haar aan de CTP gestorte bijdragen aan een wanbetalingsfonds.

    2.

    Voor de toepassing van lid 1 is de som van de eigenvermogensvereisten van een instelling voor haar blootstellingen ten aanzien van een GCTP wegens transactieblootstellingen en bijdragen aan een wanbetalingsfonds begrensd tot de som van de eigenvermogensvereisten die op dezelfde blootstellingen zouden zijn toegepast indien de CTP een niet-gekwalificeerde CTP was geweest.".

  82. Artikel 304 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      Een instelling die als clearinglid optreedt en die in die hoedanigheid als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met die cliënt overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, hoofdstuk 4, afdeling 4, van deze titel of titel VI, naargelang het geval.";

    2. de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:

      "3.

      Indien een als clearinglid optredende instelling van de in afdeling 3 of afdeling 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen te berekenen, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

      1. in afwijking van artikel 285, lid 2, mag de instelling voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt een margerisicoperiode van ten minste 5 werkdagen hanteren;

      2. voor haar blootstellingen ten aanzien van een CTP past de instelling een margerisicoperiode van ten minste 10 werkdagen toe;

      3. in afwijking van artikel 285, lid 3, geldt dat indien een in de berekening opgenomen samenstel van verrekenbare transacties aan de voorwaarde van punt a) van genoemd lid voldoet, de instelling de in genoemd punt vastgestelde limiet mag negeren, mits het betrokken samenstel van verrekenbare transacties niet aan de voorwaarde van punt b) van genoemd lid voldoet en geen betwiste transacties of exotische opties omvat;

      4. indien een CTP een variatiemarge ten aanzien van een transactie aanhoudt en de zekerheden van de instelling niet tegen de insolventie van de CTP zijn beschermd, past de instelling een margerisicoperiode toe van ofwel een jaar, ofwel de resterende looptijd van de transactie, al naargelang welke periode het kortst is, met dien verstande dat een minimumperiode van 10 werkdagen geldt.

      4.

      In afwijking van artikel 281, lid 2, punt i), geldt dat indien een als clearinglid optredende instelling van de in de afdeling 4 beschreven methode gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt te berekenen, die instelling voor haar berekening een looptijdfactor van 0,21 mag hanteren.

      5.

      In afwijking van artikel 282, lid 4, punt d), geldt dat indien een als clearinglid optredende instelling van de in de afdeling 5 beschreven methode gebruikmaakt om het eigenvermogensvereiste voor haar blootstellingen ten aanzien van een cliënt te berekenen, die instelling voor die berekening een looptijdfactor van 0,21 mag hanteren.";

    3. de volgende leden worden toegevoegd:

      "6.

      Een als clearinglid optredende instelling mag van de uit de berekeningen volgens de leden 3, 4 en 5 resulterende verminderde blootstelling bij wanbetaling gebruikmaken om overeenkomstig titel VI haar eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico te berekenen.

      7.

      Een als clearinglid optredende instelling die bij een cliënt zekerheden voor een CTP-gerelateerde transactie opvraagt en de zekerheden aan de CTP doorgeeft, mag die zekerheden in aanmerking nemen om haar blootstelling ten aanzien van de cliënt voor die CTP-gerelateerde transactie te verminderen.

      Bij een meerlagige cliëntstructuur mag de in de eerste alinea beschreven behandeling op elk niveau van die structuur worden toegepast.".

  83. Artikel 305 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      "1.

      Een instelling die een cliënt is, berekent de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met haar clearinglid overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, hoofdstuk 4, afdeling 4, van deze titel, of titel VI, naargelang het geval.";

    2. lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

      1. punt c) vervangen door:

        de cliënt heeft voldoende grondig juridisch onderzoek gedaan, dat hij actueel heeft gehouden en dat aantoont dat de regelingen die ervoor zorgen dat de voorwaarde van punt b) is vervuld, wettig, geldig, bindend en afdwingbaar zijn krachtens de desbetreffende wetten van het rechtsgebied of de rechtsgebieden in kwestie;";

      2. de volgende alinea wordt toegevoegd:

        "Een instelling mag bij de beoordeling van haar naleving van de voorwaarde van de eerste alinea, punt b), rekening houden met duidelijke precedenten van overboekingen van posities van cliënten en van de bijbehorende zekerheden bij een CTP, alsook met een eventueel voornemen van de sector om deze praktijk voort te zetten.";

    3. de leden 3 en 4 worden vervangen door:

      "3.

      In afwijking van lid 2 van dit artikel geldt dat indien een instelling die een cliënt is, niet aan de voorwaarde van punt a) van genoemd lid voldoet omdat zij bij gezamenlijke wanbetaling door het clearinglid en een andere cliënt van het clearinglid niet tegen verliezen is beschermd, mits alle andere voorwaarden van de punten a) tot en met d) zijn vervuld, de instelling de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen met betrekking tot CTP-gerelateerde transacties met haar clearinglid mag berekenen overeenkomstig artikel 306, mits het in artikel 306, lid 1, punt a), beschreven risicogewicht van 2 % wordt vervangen door een risicogewicht van 4 %.

      4.

      Bij een meerlagige cliëntstructuur mag een instelling die een cliënt van lager niveau is die via een cliënt van hoger niveau tot de diensten van een CTP toegang heeft, de in de leden 2 of 3 beschreven behandeling slechts toepassen als op elk niveau van die structuur aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan.".

  84. Artikel 306 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

      1. punt c) wordt vervangen door:

        indien een instelling als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt en in de voorwaarden van de CTP-gerelateerde transactie is bepaald dat de instelling bij wanbetaling van de CTP niet verplicht is de cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen ten gevolge van veranderingen in de waarde van die transactie, dan mag die instelling de blootstellingswaarde van de transactie met de CTP die met die CTP-gerelateerde transactie overeenstemt, gelijkstellen aan nul;";

      2. het volgende punt wordt toegevoegd:

        indien een instelling als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt en in de voorwaarden van de CTP-gerelateerde transactie is bepaald dat de instelling bij wanbetaling van de CTP verplicht is de cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen ten gevolge van veranderingen in de waarde van die transactie, dan past die instelling, naargelang het geval, de in punt a) of de in punt b) beschreven behandeling toe op de blootstellingswaarde van de transactie met de CTP die met die CTP-gerelateerde transactie overeenstemt.";

    2. de leden 2 en 3 worden vervangen door:

      "2.

      Indien de activa die als zekerheid bij een CTP of een clearinglid zijn gestort buiten het faillissement vallen ingeval de CTP, het clearinglid of een of meer van de andere cliënten van het clearinglid insolvent worden, mag een instelling, in afwijking van lid 1, een blootstellingswaarde van nul toekennen aan de blootstellingen aan het tegenpartijkredietrisico voor die activa.

      3.

      Een instelling berekent de blootstellingswaarden van haar CTP-transactieblootstellingen overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk en hoofdstuk 4, afdeling 4, naargelang het geval.".

  85. Artikel 307 wordt vervangen door:

    Een als clearinglid optredende instelling past de volgende behandeling toe op de blootstellingen die voortvloeien uit haar bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP:

    1. zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een GCTP volgens de benadering van artikel 308;

    2. zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar voorgefinancierde en niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP volgens de benadering van artikel 309;

    3. zij berekent de eigenvermogensvereisten voor haar niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een GCTP overeenkomstig de in artikel 310 beschreven behandeling.".

  86. Artikel 308 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de leden 2 en 3 worden vervangen door:

      "2.

      Een instelling berekent het eigenvermogensvereiste om de uit haar voorgefinancierde bijdrage voortvloeiende blootstelling te dekken als volgt:

      Ki &equals; max&lbrace;KCCP &times; DFi DFCCP &plus;DFCM , 8 %&times;2 %&times;DFi &rbrace;

      waarbij:

      Ki het eigenvermogensvereiste;
      i de index die het clearinglid aangeeft;
      KCCP het overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de GCTP aan de instelling meegedeelde hypothetische kapitaal van de GCTP;
      DFi de voorgefinancierde bijdrage;
      DFCCP de overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de CTP aan de instelling meegedeelde voorgefinancierde financiële middelen van de CTP; en
      DFCM de overeenkomstig artikel 50 quater van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de GCTP aan de instelling meegedeelde som van de voorgefinancierde bijdragen van alle clearingleden van de GCTP.
      3.

      Een instelling berekent de risicogewogen posten voor blootstellingen die voortvloeien uit de voorgefinancierde bijdrage van die instelling aan het wanbetalingsfonds van een GCTP voor de toepassing van artikel 92, lid 3, als de overeenkomstig lid 2 van dit artikel berekende eigenvermogensvereisten, vermenigvuldigd met 12,5.";

    2. de leden 4 en 5 worden geschrapt.

  87. De artikelen 309, 310 en 311 worden vervangen door:

    1.

    Een instelling past de onderstaande formule toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor de blootstellingen die voortvloeien uit haar voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP en uit niet-volgestorte bijdragen aan die CTP:

    • K = DF + UC

      waarbij:

      K het eigenvermogensvereiste;
      DF de voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP; en
      UC de niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP;

    2.

    Een instelling berekent de risicogewogen posten voor blootstellingen die voortvloeien uit een bijdrage van die instelling aan het wanbetalingsfonds van een niet-gekwalificeerde CTP voor de toepassing van artikel 92, lid 3, als de overeenkomstig lid 1 van dit artikel berekende eigenvermogensvereisten, vermenigvuldigd met 12,5.

    Een instelling past een risicogewicht van 0 % toe op haar niet-volgestorte bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een GCTP.

    1.

    Instellingen passen de in dit artikel beschreven behandeling toe indien het hun, na een openbare aankondiging of kennisgeving van de bevoegde autoriteit van een CTP die door die instellingen wordt gebruikt, dan wel van die CTP zelf, bekend is dat de betrokken CTP niet langer zal voldoen aan de vergunnings- of erkenningsvoorwaarden, naargelang het geval.

    2.

    Indien de voorwaarde van lid 1 is vervuld, doen instellingen binnen drie maanden nadat zij de in dat lid bedoelde omstandigheid vaststellen, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van die instellingen dat verlangen, het volgende met betrekking tot hun blootstellingen ten aanzien van die CTP:

    1. zij passen de behandeling van artikel 306, lid 1, punt b), toe op hun transactieblootstellingen ten aanzien van die CTP;

    2. zij passen de behandeling van artikel 309 toe op hun voorgefinancierde bijdragen aan het wanbetalingsfonds van die CTP en op hun niet-volgestorte bijdragen aan die CTP;

    3. zij behandelen hun andere blootstellingen ten aanzien van die CTP dan de in de punten a) en b) van dit lid vermelde blootstellingen als blootstellingen ten aanzien van een onderneming overeenkomstig de in hoofdstuk 2 beschreven standaardbenadering voor kredietrisico.".

  88. In artikel 316 wordt aan lid 1 de volgende alinea toegevoegd:

    "In afwijking van de eerste alinea van dit lid kunnen instellingen ervoor kiezen om de boekhoudkundige rubrieken voor de winst- en verliesrekening krachtens artikel 27 van Richtlijn 86/635/EEG niet toe te passen op financiële en operationele leases voor het berekenen van de relevante indicator, en in plaats daarvan:

    1. rentebaten van financiële en operationele leases, alsmede winsten van geleasede activa op te nemen in de categorie, bedoeld in punt 1 van tabel 1;

    2. rentelasten van financiële en operationele leases, verliezen, depreciatie en bijzondere waardevermindering van geleasede operationele activa op te nemen in de categorie, bedoeld in punt 2 van tabel 1.".

  89. In deel drie, titel IV, wordt hoofdstuk 1 vervangen door:

    1.

    Een instelling berekent de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van alle handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is, volgens de volgende benaderingen:

    1. de in lid 2 bedoelde standaardbenadering;

    2. de in hoofdstuk 5 van deze titel beschreven internemodellenbenadering voor de risicocategorieën waarvoor de instelling overeenkomstig artikel 363 toestemming heeft gekregen om van die benadering gebruik te maken.

    2.

    Onder de eigenvermogensvereisten voor marktrisico, berekend volgens de in lid 1, punt a), bedoelde standaardbenadering, wordt de som verstaan van de volgende eigenvermogensvereisten, naargelang het geval:

    1. de eigenvermogensvereisten voor positierisico als bedoeld in hoofdstuk 2;

    2. de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico als bedoeld in hoofdstuk 3;

    3. de eigenvermogensvereisten voor grondstoffenrisico als bedoeld in hoofdstuk 4.

    3.

    Een instelling die niet overeenkomstig artikel 325 bis is vrijgesteld van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, rapporteert de berekening volgens artikel 430 ter voor alle handelsportefeuilleposities en niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico is verbonden volgens de volgende benaderingen:

    1. de in hoofdstuk 1 bis beschreven alternatieve standaardbenadering;

    2. de in hoofdstuk 1 ter beschreven alternatieve internemodellenbenadering.

    4.

    Een instelling mag de in punten a) en b) van lid 1 van dit artikel beschreven benaderingen permanent binnen een groep combineren overeenkomstig artikel 363.

    5.

    Een instelling mag geen gebruik maken van de in lid 3, punt b), genoemde benadering voor instrumenten in haar handelsportefeuille die ofwel securitisatieposities zijn, ofwel van de alternatieve correlatiehandelsportefeuille (ACHP) deel uitmakende posities zijn als bedoeld in de leden 6, 7 en 8.

    6.

    Securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten die aan alle volgende criteria voldoen, worden in de ACHP opgenomen:

    1. de posities zijn noch hersecuritisatieposities, noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van securitisatieblootstellingen die geen evenredig aandeel in de opbrengsten van een securitisatietranche bieden;

    2. alle onderliggende instrumenten ervan zijn:

      1. ofwel single-name-instrumenten, met inbegrip van single-namekredietderivaten, waarvoor een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;

      2. ofwel courant verhandelde indices, gebaseerd op de in punt i) bedoelde instrumenten.

    Een vraag- en aanbodmarkt wordt geacht te bestaan als er onafhankelijke aanbiedingen te goeder trouw zijn om te kopen en verkopen zodat er binnen één dag een prijs kan worden vastgesteld die redelijk gerelateerd is aan de prijs van de laatste verkoop of actuele concurrerende vraag- en aanbodnoteringen te goeder trouw, en de koop tegen die prijs binnen betrekkelijk korte tijd kan worden gesloten, overeenkomstig de handelsgebruiken.

    7.

    Posities met een van de volgende onderliggende instrumenten worden niet in de ACHP opgenomen:

    1. in de in artikel 112, punt h) of i), bedoelde blootstellingsklassen ondergebrachte onderliggende instrumenten;

    2. een vordering op een special purpose-entity, die direct of indirect wordt gegarandeerd door een positie die op zich geen overeenkomstig lid 6 toelaatbaar onderdeel van de ACHP zou vormen.

    8.

    Een instelling mag in de ACHP posities opnemen die geen securitisatieposities of nth-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in die portefeuille afdekken, op voorwaarde dat er voor het instrument of de onderliggende instrumenten ervan een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat als beschreven in de tweede alinea van lid 6.

    9.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de wijze waarop instellingen volgens de in lid 3, punten a) en b), genoemde benaderingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico moeten berekenen van niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico of een grondstoffenrisico verbonden is.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 september 2020 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Een instelling wordt vrijgesteld van het rapportagevereiste in artikel 430 ter mits de omvang van de activiteiten van de instelling binnen en buiten de balanstelling waaraan marktrisico verbonden is, volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing aan de hand van gegevens op de laatste dag van de maand, ten hoogste gelijk is aan elk van de volgende drempelwaarden:

    1. 10 % van de totale activa van de instelling;

    2. 500 miljoen EUR.

    2.

    Instellingen berekenen de omvang van hun activiteiten binnen en buiten de balanstelling waaraan marktrisico verbonden is, aan de hand van gegevens op de laatste dag van elke maand, met inachtneming van de volgende vereisten:

    1. alle aan de handelsportefeuille toegekende posities worden opgenomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne afdekking tegen blootstellingen aan kredietrisico in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen en van de kredietderivatentransacties die het marktrisico van de interne afdekkingen als bedoeld in artikel 106, lid 3, perfect compenseren;

    2. alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico verbonden is, worden in aanmerking genomen;

    3. alle posities worden tegen hun marktwaarden op die datum gewaardeerd, met uitzondering van de in punt b) bedoelde posities. Indien de marktwaarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar is, nemen instellingen voor de positie een reële waarde op die datum; indien de reële waarde en de marktwaarde van een positie op een gegeven datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor de positie in kwestie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;

    4. alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico's verbonden is, worden als een totale netto grondstoffenpositie beschouwd en overeenkomstig artikel 352 gewaardeerd;

    5. alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een grondstoffenrisico's verbonden is, worden gewaardeerd overeenkomstig de artikelen 357 en 358;

    6. de absolute waarde van lange posities wordt opgeteld bij de absolute waarde van korte posities.

    3.

    Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten ervan in kennis dat zij hun eigenvermogensvereisten voor marktrisico berekenen, of niet langer berekenen, overeenkomstig dit artikel.

    4.

    Een instelling die niet meer aan één of meer van de voorwaarden van lid 1 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

    5.

    De toepassing van de vrijstelling van de in artikel 430 ter vervatte rapportagevereisten komt te vervallen binnen drie maanden na een van de volgende gevallen:

    1. de instelling voldoet gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de in lid 1, punt a) of b), beschreven voorwaarden; of

    2. de instelling voldoet gedurende meer dan zes van de laatste twaalf maanden niet aan de in lid 1, punt a) of b) beschreven voorwaarde.

    6.

    Ingeval een instelling overeenkomstig lid 5 van dit artikel komt te vallen onder de rapportagevereisten in artikel 430 ter, wordt zij slechts van die rapportagevereisten vrijgesteld wanneer zij ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van een volledig jaar aan alle voorwaarden van lid 1 van dit artikel is voldaan.

    7.

    Instellingen mogen geen positie innemen, kopen of verkopen met als enig doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van lid 1 te voldoen.

    8.

    Een instelling die in aanmerking komt voor de behandeling in artikel 94, wordt van het rapportagevereiste in artikel 430 ter vrijgesteld.

    1.

    Met inachtneming van lid 2 en uitsluitend voor de berekening van nettoposities en eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis overeenkomstig deze titel mogen instellingen posities in een instelling of onderneming gebruiken om posities in een andere instelling of onderneming te compenseren.

    2.

    Instellingen mogen lid 1 uitsluitend toepassen met toestemming van de bevoegde autoriteiten, die wordt verleend indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. binnen de groep wordt het eigen vermogen op adequate wijze toegewezen;

    2. het reglementaire, juridische of contractuele kader waarbinnen de instellingen werken, waarborgt wederzijdse financiële ondersteuning binnen de groep.

    3.

    Indien er in derde landen gevestigde ondernemingen zijn, wordt behalve aan de in lid 2 genoemde voorwaarden, ook aan alle volgende voorwaarden voldaan:

    1. aan die ondernemingen is vergunning verleend in een derde land en zij beantwoorden aan de definitie van kredietinstelling of zijn erkende beleggingsondernemingen uit een derde land;

    2. op individuele basis voldoen die ondernemingen aan eigenvermogensvereisten die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vastgestelde vereisten;

    3. in de betrokken derde landen bestaan geen voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor de overdracht van middelen binnen de groep.".

  90. Aan deel drie, titel IV, worden de volgende hoofdstukken toegevoegd:

    1.

    De in dit hoofdstuk beschreven alternatieve standaardbenadering wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van het in artikel 430 ter, lid 1, neergelegde rapportagevereiste.

    2.

    Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de alternatieve standaardbenadering voor een portefeuille van handelsportefeuilleposities of niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico verbonden is, als de som van de volgende drie componenten:

    1. het in afdeling 2 beschreven eigenvermogensvereiste volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode;

    2. het in afdeling 5 beschreven eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico, dat alleen van toepassing is op de in die afdeling genoemde handelsportefeuilleposities;

    3. het in afdeling 4 beschreven eigenvermogensvereiste voor restrisico, dat alleen van toepassing is op de in die afdeling genoemde handelsportefeuilleposities.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

      1) "risicoklasse" :

      één van de volgende zeven categorieën:

      1. algemene-renterisico;

      2. creditspreadrisico (CSR) voor niet-securitisatie;

      3. creditspreadrisico voor securitisatie niet opgenomen in de alternatieve correlatiehandelsportefeuille (niet-ACHP CSR);

      4. creditspreadrisico voor securitisatie opgenomen in de alternatieve correlatiehandelsportefeuille (ACHP CSR);

      5. aandelenrisico;

      6. grondstoffenrisico;

      7. wisselkoersrisico;

      2) "gevoeligheid" :
      de relatieve verandering in de waarde van een positie, als gevolg van een verandering in de waarde van één van de relevante risicofactoren van de positie, berekend volgens het prijsmodel van de instelling overeenkomstig onderafdeling 2 van afdeling 3;
      3) "subklasse" :
      een subcategorie van posities binnen een risicoklasse met eenzelfde risicoprofiel waaraan een risicogewicht als omschreven in afdeling 3, onderafdeling 1, van dit hoofdstuk is toegewezen.
    1.

    Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode door de volgende drie eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 325 nonies te aggregeren:

    1. eigenvermogensvereisten voor het deltarisico, die het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeven die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de niet-volatiliteitsgerelateerde risicofactoren ervan;

    2. eigenvermogensvereisten voor het vegarisico, die het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeven die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de volatiliteitsgerelateerde risicofactoren ervan;

    3. eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico, die het risico van veranderingen in de waarde van een instrument weergeven die toe te schrijven zijn aan bewegingen in de belangrijkste niet-volatiliteitsgerelateerde risicofactoren welke niet door de eigenvermogensvereisten voor het deltarisico worden weergegeven.

    2.

    Voor de in lid 1 bedoelde berekening geldt het volgende:

    1. alle posities in instrumenten met optionaliteit zijn onderworpen aan de in lid 1, punten a), b) en c), genoemde eigenvermogensvereisten;

    2. alle posities in instrumenten zonder optionaliteit zijn alleen onderworpen aan de in lid 1, punt a), genoemde eigenvermogensvereisten.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvatten instrumenten met optionaliteit onder meer: callopties, putopties, caps, floors, swapopties, barrieropties en exotische opties. Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico worden ingebouwde opties, zoals opties tot vervroegde aflossing of gedragsopties, als op zichzelf staande posities in opties beschouwd.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden instrumenten waarvan de kasstromen als een lineaire functie van het onderliggende notionele bedrag kunnen worden uitgedrukt, als instrumenten zonder optionaliteit beschouwd.

    1.

    Instellingen passen de in afdeling 3, onderafdeling 1, beschreven delta- en vegarisicofactoren toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico.

    2.

    Instellingen passen de in de leden 3 tot en met 8 beschreven procedure toe voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico.

    3.

    Voor elke risicoklasse wordt de gevoeligheid van alle onder de eigenvermogensvereisten voor het delta- en het vegarisico vallende instrumenten voor elk van de bij de betrokken risicoklasse behorende, toepasselijke delta- of vegarisicofactoren berekend volgens de overeenkomstige formules in afdeling 3, onderafdeling 2. Indien de waarde van een instrument van meerdere risicofactoren afhankelijk is, wordt de gevoeligheid voor elke risicofactor afzonderlijk bepaald.

    4.

    Gevoeligheden worden aan één van de subklassen "b" binnen elke risicoklasse toegewezen.

    5.

    Binnen elke subklasse "b" worden de positieve en negatieve gevoeligheden voor dezelfde risicofactor verrekend, wat in nettogevoeligheden (sk) voor elke riscofactor k binnen een subklasse resulteert.

    6.

    De nettogevoeligheden voor elke risicofactor binnen elke subklasse worden volgens de onderstaande formule met de in afdeling 6 beschreven overeenkomstige risicogewichten vermenigvuldigd, wat in gewogen gevoeligheden voor elke risicofactor binnen die subklasse resulteert:

    • WSk = RWk · sk

      waarbij:

      WSk de gewogen gevoeligheden;
      RWk de risicogewichten; en
      sk de risicofactor.

    7.

    De gewogen gevoeligheden voor de verschillende risicofactoren binnen elke subklasse worden geaggregeerd volgens de onderstaande formule, waarbij de laagste waarde binnen de vierkantswortelfunctie op nul is vastgesteld, wat in de subklassespecifieke gevoeligheid resulteert. Er wordt gebruikgemaakt van de overeenkomstige correlaties voor gewogen gevoeligheden binnen dezelfde subklasse (ρkl) welke in afdeling 6 zijn beschreven.

    • Kb &equals; &radic;

      waarbij:

      Kb de subklassespecifieke gevoeligheid; en
      WS de gewogen gevoeligheden.

    8.

    Overeenkomstig de leden 5, 6 en 7 wordt voor elke subklasse binnen een risicoklasse de subklassespecifieke gevoeligheid berekend. Nadat voor alle subklassen de subklassespecifieke gevoeligheid is berekend, worden de gewogen gevoeligheden voor alle risicofactoren van alle subklassen volgens de onderstaande formule geaggregeerd, met gebruikmaking van de overeenkomstige correlaties γbc voor de gewogen gevoeligheden in de verschillende subklassen welke in afdeling 6 zijn beschreven, wat in het risicoklassespecifieke eigenvermogensvereiste voor het delta- of het vegarisico resulteert:

    Risicoklassespecifiek eigenvermogensvereiste voor het delta&minus;of het vegarisico &equals; &radic;

    waarbij:

    Sb Σk WSk voor alle risicofactoren van subklasse b en Sc = Σk WSk voor die van subklasse c; indien deze waarden voor Sb en voor Sc de totale som van &sum; bK2 b &plus; &sum; b &sum; c &ne; b γbcSbSc een negatieve waarde opleveren, berekent de instelling de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta- of het vegarisico door middel van een alternatieve specificatie, waarbij
    Sb max [min (Σk WSk, Kb), – Kb] voor alle risicofactoren van subklasse b en
    Sc max [min (Σk WSk, Kc), – Kc] voor alle risicofactoren van subklasse c.

    Voor elke risicoklasse worden de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta- of het vegarisico berekend overeenkomstig de leden 1 tot en met 8.

    Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico volgens de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    1.

    Instellingen aggregeren de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico volgens de in de leden 2, 3 en 4 beschreven procedure.

    2.

    De in de artikelen 325 septies en 325 octies beschreven procedure voor de berekening van de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico wordt drie keer uitgevoerd per risicoklasse, waarbij telkens een verschillende reeks correlatieparameters ρkl (correlatie tussen risicofactoren binnen een subklasse) en γbc (correlatie tussen subklassen binnen een risicoklasse) wordt gehanteerd. Elk van deze drie reeksen stemt overeen met één van de volgende verschillende scenario's:

    1. het "mediumcorrelaties"-scenario, waarbij de correlatieparameters ρkl en γbc ongewijzigd blijven ten opzichte van die welke in afdeling 6 zijn vermeld;

    2. het "hoge correlaties"-scenario, waarbij de in afdeling 6 vermelde correlatieparameters ρkl en γbc allemaal met 1,25 worden vermenigvuldigd, waarbij voor ρkl en γbc een limiet van 100 % geldt;

    3. het "lage correlaties"-scenario wordt nader bepaald in de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    3.

    Instellingen berekenen de som van de risicoklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het delta-, het vega- en het curvatuurrisico voor elk scenario teneinde drie scenariospecifieke eigenvermogensvereisten te bepalen.

    4.

    Het eigenvermogensvereiste volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode is het hoogste van de drie in lid 3 bedoelde scenariospecifieke eigenvermogensvereisten.

    Instellingen behandelen de indexinstrumenten en opties met meerdere onderliggende waarden volgens de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    Instellingen behandelen de instellingen voor collectieve belegging volgens de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    1.

    Instellingen mogen van de in dit artikel beschreven procedure gebruikmaken ter berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van overnemingsposities in schuld- of aandeleninstrumenten.

    2.

    Instellingen passen één van de in tabel 1 vermelde passende vermenigvuldigingsfactoren toe op de nettogevoeligheden van alle overnemingsposities op elke individuele uitgevende instelling, met uitzondering van de op grond van formele overeenkomsten bij externe partijen geplaatste of door externe partijen herovergenomen overnemingsposities, en berekenen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico conform de in dit hoofdstuk beschreven benadering op basis van de aangepaste nettogevoeligheden.

    Tabel 1

    werkdag 0

    0 %

    werkdag 1

    10 %

    werkdagen 2 en 3

    25 %

    werkdag 4

    50 %

    werkdag 5

    75 %

    na werkdag 5

    100 %

    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "werkdag 0" de werkdag verstaan waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekende hoeveelheid effecten tegen een overeengekomen prijs.

    3.

    Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de toepassing van de in dit artikel beschreven procedure.

    1.

    Voor alle algemene-renterisicofactoren, met inbegrip van het inflatierisico en het cross-currencybasisrisico, is er één subklasse per valuta die telkens verschillende soorten risicofactoren omvat.

    De op rentegevoelige instrumenten toepasselijke algemene-rentedeltarisicofactoren zijn de desbetreffende risicovrije rentes per valuta voor elk van de volgende looptijden: 0,25 jaar, 0,5 jaar, 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar, 20 jaar en 30 jaar. Instellingen wijzen risicofactoren aan de gespecificeerde punten toe door middel van lineaire interpolatie of met behulp van een methode die het meest consistent is met de prijsfuncties die door de onafhankelijke risicocontrolefunctie van de instelling worden gehanteerd om marktrisico of winsten en verliezen aan de directie te rapporteren.

    2.

    Instellingen verkrijgen de risicovrije rentes per valuta van de in de handelsportefeuille van de instelling aangehouden geldmarktinstrumenten met het laagste kredietrisico, zoals overnight index swaps.

    3.

    Indien instellingen de in lid 2 beschreven benadering niet kunnen toepassen, worden de risicovrije rentes gebaseerd op één of meer door de markt geïmpliceerde swapcurves die door de instelling worden gebruikt voor de waardering van posities tegen marktwaarde, zoals de swapcurves voor de interbankenrente.

    Indien de gegevens over de in lid 2 en in de eerste alinea van dit lid beschreven door de markt geïmpliceerde swapcurves ontoereikend zijn, mogen de risicovrije rentes worden afgeleid van de meest geschikte overheidsobligatiecurve voor een gegeven valuta.

    Indien instellingen voor overheidsschuldinstrumenten gebruikmaken van de algemene-renterisicofactoren die volgens de procedure van de tweede alinea van dit lid zijn afgeleid, is het overheidsschuldinstrument in kwestie niet van de eigenvermogensvereisten voor creditspreadrisico vrijgesteld. In de gevallen waarin de risicovrije rente niet van de creditspreadcomponent kan worden losgekoppeld, wordt de gevoeligheid voor de risicofactor zowel aan de algemene-renterisicoklasse als aan de creditspreadrisicoklasse toegewezen.

    4.

    In het geval van algemene-renterisicofactoren vormt elke valuta een afzonderlijke subklasse. Instellingen wijzen aan risicofactoren binnen dezelfde subklasse maar met verschillende looptijden overeenkomstig afdeling 6 een verschillend risicogewicht toe.

    Instellingen passen additionele risicofactoren voor inflatierisico toe op schuldinstrumenten waarvan de kasstromen functioneel afhankelijk zijn van inflatiepercentages. Deze additionele risicofactoren bestaan in één vector van door de markt geïmpliceerde inflatiepercentages voor de verschillende looptijden per valuta. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er inflatiepercentages zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

    5.

    Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor de in lid 4 bedoelde additionele risicofactor voor inflatierisico als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Elke valuta vormt een afzonderlijke subklasse. Binnen elke subklasse behandelen instellingen inflatie als één enkele risicofactor, ongeacht het aantal componenten van elke vector. Instellingen verrekenen alle op de in dit lid beschreven wijze berekende gevoeligheden voor inflatie binnen een subklasse om één enkele nettogevoeligheid per subklasse te verkrijgen.

    6.

    Aan schuldinstrumenten die betalingen in verschillende valuta's inhouden, is ook een cross-currencybasisrisico tussen die valuta's verbonden. Voor de toepassing van de op gevoeligheden gebaseerde methode zijn de door instellingen toe te passen risicofactoren het cross-currencybasisrisico van elke valuta, waarbij ofwel de US dollar, ofwel de euro als basis fungeren. Cross-currencybases waarbij noch de US dollar, noch de euro als basis fungeren, worden door de instellingen berekend met ofwel de US dollar, ofwel de euro als basis.

    Elke cross-currencybasisrisicofactor bestaat uit één vector voor de cross-currencybasis voor de verschillende looptijden per valuta. Voor elk schuldinstrument omvat de vector evenveel componenten als er cross-currencybases zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Elke valuta vormt een verschillende subklasse.

    Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor de cross-currencybasisrisicofactor als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Elke valuta vormt een afzonderlijke subklasse. Binnen elke subklasse zijn er twee mogelijke onderscheiden risicofactoren: de euro-basis en de US dollar-basis, ongeacht hoeveel componenten elke cross-currencybasisvector omvat. Het maximumaantal nettogevoeligheden per subklasse is gelijk aan twee.

    7.

    De algemene-rentevegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor de algemene rente, zijn de impliciete volatiliteiten van de in de leden 2 en 3 beschreven desbetreffende risicovrije rentes, die naargelang de valuta aan subklassen worden toegewezen en die binnen elke subklasse naar de volgende looptijden worden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er is één subklasse per valuta.

    Voor verrekeningsdoeleinden beschouwen instellingen impliciete volatiliteiten die met dezelfde risicovrije rentes verband houden en die naar dezelfde looptijden zijn gemapt, als dezelfde risicofactor.

    Indien instellingen impliciete volatiliteiten naar de in dit lid genoemde looptijden mappen, zijn de volgende vereisten van toepassing:

    1. indien de looptijd van de optie met de looptijd van de onderliggende waarde overeenstemt, wordt één enkele risicofactor in aanmerking genomen, die naar die looptijd wordt gemapt;

    2. indien de looptijd van de optie korter is dan de looptijd van de onderliggende waarde, worden de volgende risicofactoren als volgt in aanmerking genomen:

      1. de eerste risicofactor wordt gemapt naar de looptijd van de optie;

      2. de tweede risicofactor wordt gemapt naar de resterende looptijd van de onderliggende waarde van de optie op de vervaldatum van de optie.

    8.

    De door instellingen toe te passen algemene-rentecurvatuurrisicofactoren bestaan in één vector van risicovrije rentes die een specifieke risicovrije rendementscurve per valuta weergeven. Elke valuta vormt een verschillende subklasse. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van risicovrije rentes zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

    9.

    Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen met verschillende rendementscurves overeenstemmende en uit een verschillend aantal componenten bestaande vectoren als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op dezelfde valuta betrekking hebben. Instellingen verrekenen gevoeligheden voor dezelfde risicofactor. Er is slechts één nettogevoeligheid per subklasse.

    Er is geen eigenvermogensvereiste voor het curvatuurrisico voor inflatie- en cross-currencybasisrisico.

    1.

    De creditspread-deltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op niet-securitisatie-instrumenten die gevoelig zijn voor de creditspread, zijn de creditspreads voor de uitgevende instellingen van die instrumenten; deze worden van de desbetreffende schuldinstrumenten en kredietverzuimswaps afgeleid en naar elk van de volgende looptijden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar. Instellingen passen één risicofactor per uitgevende instelling en per looptijd toe, ongeacht of de desbetreffende creditspreads voor de uitgevende instelling van schuldinstrumenten of van kredietverzuimswaps zijn afgeleid. De subklassen zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen, en elke subklasse omvat alle risicofactoren die aan de desbetreffende sector zijn toegewezen.

    2.

    De vegarisicofactoren voor de creditspread die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die niet-securitisatie-instrumenten zijn die gevoelig zijn voor de creditspread, zijn de impliciete volatiliteiten van de overeenkomstig lid 1 afgeleide creditspreads voor de uitgevende instellingen; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er wordt van dezelfde subklassen gebruikgemaakt als bij creditspread-deltarisico voor niet-securitisatie.

    3.

    De creditspreadcurvatuurrisicofactoren die instellingen op niet-securitisatie-instrumenten moeten toepassen, bestaan in één vector van creditspreads die een creditspreadcurve weergeven die specifiek is voor de uitgevende instelling. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van creditspreads zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Er wordt van dezelfde subklassen gebruikgemaakt als bij creditspread-deltarisico voor niet-securitisatie.

    4.

    Instellingen berekenen de gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen vectoren die ofwel van desbetreffende schuldinstrumenten, ofwel van desbetreffende kredietverzuimswaps zijn afgeleid en die uit een verschillend aantal componenten bestaan, als dezelfde risicofactor, mits die vectoren op dezelfde uitgevende instelling betrekking hebben.

    1.

    Instellingen passen de in lid 3 genoemde creditspreadrisicofactoren toe op in de ACHP opgenomen securitisatieposities als bedoeld in artikel 325, leden 6, 7 en 8.

    Instellingen passen de in lid 5 genoemde creditspreadrisicofactoren toe op niet in de ACHP opgenomen securitisatieposities als bedoeld in artikel 325, leden 6, 7 en 8.

    2.

    Op het creditspreadrisico voor securitisaties die in de ACHP zijn opgenomen, zijn dezelfde subklassen van toepassing als de in afdeling 6 genoemde subklassen die op het creditspreadrisico voor niet-securitisaties van toepassing zijn.

    Op het creditspreadrisico voor securitisaties die niet in de ACHP zijn opgenomen, zijn de specifieke subklassen voor die risicoklasse van toepassing, als bedoeld in afdeling 6.

    3.

    Op de in de ACHP opgenomen securitisatieposities passen instellingen de volgende creditspreadrisicofactoren toe:

    1. de deltarisicofactoren zijn alle desbetreffende creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie; deze worden van de desbetreffende schuldinstrumenten en kredietverzuimswaps en voor elk van de volgende looptijden afgeleid: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

    2. de vegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met in de ACHP opgenomen securitisatieposities als onderliggende waarden, zijn de impliciete volatiliteiten van de creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie; deze worden overeenkomstig punt a) van dit lid afgeleid en naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de overeenkomstige optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

    3. de curvatuurrisicofactoren zijn de desbetreffende rendementscurves van de creditspreads voor de uitgevende instellingen van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie, uitgedrukt als een vector van de creditspreads voor verschillende looptijden, zoals afgeleid als aangegeven in punt a) van dit lid; voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van creditspreads zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

    4.

    Instellingen berekenen de gevoeligheid van de securitisatiepositie voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen vectoren die ofwel van desbetreffende schuldinstrumenten, ofwel van desbetreffende kredietverzuimswaps zijn afgeleid en die uit een verschillend aantal componenten bestaan, als dezelfde risicofactor, mits die vectoren op dezelfde uitgevende instelling betrekking hebben.

    5.

    De creditspreadrisicofactoren die instellingen op niet in de ACHP opgenomen securitisatieposities moeten toepassen, hebben betrekking op de spread van de tranche in plaats van op de spread van de onderliggende instrumenten en zijn de volgende:

    1. de deltarisicofactoren zijn de creditspreads voor de desbetreffende tranche die volgens de looptijd van de tranche naar de volgende looptijden worden gemapt: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar;

    2. de vegarisicofactoren die van toepassing zijn op opties met niet in de ACHP opgenomen securitisatieposities als onderliggende waarden, zijn de impliciete volatiliteiten van de creditspreads van de tranches; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijd van de overeenkomstige optie die aan eigenvermogensvereisten onderworpen is: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar;

    3. de curvatuurrisicofactoren zijn die welke in punt a) van deze alinea worden beschreven; voor al deze risicofactoren wordt een gemeenschappelijk risicogewicht toegepast, als bedoeld in afdeling 6.

    1.

    De subklassen voor alle aandelenrisicofactoren zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen.

    2.

    De door instellingen toe te passen aandelendeltarisicofactoren zijn alle contante aandelenkoersen en alle aandelenrepo's.

    Voor de doeleinden van het aandelenrisico vormt een specifieke aandelenrepocurve één enkele risicofactor, die wordt uitgedrukt als een vector van repotarieven voor verschillende looptijden. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er verschillende looptijden van repotarieven zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt.

    Instellingen berekenen de gevoeligheid van een instrument voor een aandelenrisicofactor als de uit een bijstelling van elk van de componenten van de vector met 1 basispunt voortvloeiende verandering in de waarde van het instrument volgens het prijsmodel voor dat instrument. Instellingen verrekenen gevoeligheden voor de repotariefrisicofactor van hetzelfde aandeel, ongeacht het aantal componenten van elke vector.

    3.

    De aandelenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor aandelen, zijn de impliciete volatiliteiten van de contante aandelenkoersen; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het vegarisico voor aandelenrepotarieven.

    4.

    De aandelencurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor aandelen, zijn alle contante aandelenkoersen, ongeacht de looptijd van de overeenkomstige opties. Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het curvatuurrisico voor aandelenrepotarieven.

    1.

    De subklassen voor alle grondstoffenrisicofactoren zijn de in afdeling 6 genoemde sectorale subklassen.

    2.

    De grondstoffendeltarisicofactoren die instellingen op voor grondstoffen gevoelige instrumenten moeten toepassen, zijn alle contante grondstoffenprijzen per soort grondstof en per navolgende looptijden: 0,25 jaar, 0,5 jaar, 1 jaar, 2 jaar, 3 jaar, 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar, 20 jaar en 30 jaar. Instellingen nemen slechts twee grondstoffenprijzen van dezelfde soort grondstof en met dezelfde looptijd in aanmerking om dezelfde risicofactor te vormen ingeval de reeks wettelijke voorwaarden betreffende de leveringsplaats identiek zijn.

    3.

    De grondstoffenvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor grondstoffen, zijn de impliciete volatiliteiten van de grondstoffenprijzen per soort grondstof; deze worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar. Instellingen beschouwen gevoeligheden voor dezelfde soort grondstof die aan dezelfde looptijd zijn toegewezen, als één enkele risicofactor, die instellingen vervolgens verrekenen.

    4.

    De grondstoffencurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor grondstoffen, zijn één reeks grondstoffenprijzen met verschillende looptijden per soort grondstof, uitgedrukt als een vector. Voor elk instrument omvat de vector evenveel componenten als er prijzen van die grondstoffen zijn die in het prijsmodel van de instelling voor dat instrument als variabelen worden gebruikt. Instellingen maken geen verschil tussen grondstoffenprijzen naargelang de leveringsplaats.

    De gevoeligheid van het instrument voor elke risicofactor die in de formule voor het curvatuurrisico wordt gebruikt, wordt berekend overeenkomstig artikel 325 octies. Voor de doeleinden van het curvatuurrisico beschouwen instellingen uit een verschillend aantal componenten bestaande vectoren als dezelfde risicofactor, op voorwaarde dat die vectoren op dezelfde soort grondstof betrekking hebben.

    1.

    De wisselkoersdeltarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op instrumenten die gevoelig zijn voor wisselkoersen, zijn alle contante wisselkoersen tussen de valuta waarin een instrument luidt, en de rapportagevaluta van de instelling. Er is één subklasse per valutapaar; deze subklasse bevat één enkele risicofactor en één enkele nettogevoeligheid.

    2.

    De wisselkoersvegarisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor wisselkoersen, zijn de impliciete volatiliteiten van wisselkoersen tussen de in lid 1 bedoelde valutaparen. Deze impliciete volatiliteiten van wisselkoersen worden naar de volgende looptijden gemapt volgens de looptijden van de overeenkomstige opties die aan eigenvermogensvereisten onderworpen zijn: 0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar.

    3.

    De wisselkoerscurvatuurrisicofactoren die instellingen moeten toepassen op opties met onderliggende waarden die gevoelig zijn voor wisselkoersen, zijn dezelfde als die welke in lid 1 zijn bedoeld.

    4.

    Voor alle wisselkoersdelta-, wisselkoersvega- en wisselkoerscurvatuurrisicofactoren zijn instellingen niet verplicht onderscheid te maken tussen onshore- en offshorevarianten van een valuta.

    1.

    Instellingen berekenen de algemene-rentedeltarisicogevoeligheden als volgt:

    1. de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit risicovrije rentes worden als volgt berekend:

      Sr &equals; Vi &lpar;rkt &plus;0,0001, x, y …&rpar; &minus;Vi &lpar;rkt, x, y …&rpar; 0,0001

      waarbij:

      Sr de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit risicovrije rentes;
      rkt de rente van een risicovrije curve k met looptijd t;
      Vi (.) de prijsfunctie van instrument i; en
      x, y andere risicofactoren dan rkt in de prijsfunctie Vi;

    2. de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit het inflatierisico en de cross-currencybasis worden als volgt berekend:

      Sx &equals; Vi &lpar; x ji &plus;0,0001 I , y, z …&rpar; &minus;Vi &lpar; x ji, y, z …&rpar; 0,0001

      waarbij:

      Sx de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit het inflatierisico en de cross-currencybasis;
      x ji een vector van m componenten die de impliciete inflatiecurve of de cross-currencybasiscurve voor een gegeven valuta j weergeven, waarbij m gelijk is aan het aantal met inflatie of cross-currencybasis samenhangende variabelen dat in het prijsmodel van instrument i wordt gebruikt;
      I de eenheidsmatrix van dimensie (1 x m);
      Vi (.) de prijsfunctie van het instrument i; en
      y, z andere variabelen in het prijsmodel.

    2.

    Instellingen berekenen de creditspread-deltarisicogevoeligheden voor alle securitisatie- en niet-securitisatieposities als volgt:

    SCS &equals; Vi &lpar;CSkt &plus;0,0001, x, y …&rpar; &minus;Vi &lpar;CSkt, x, y …&rpar; 0,0001

    waarbij:

    SCS de creditspread-deltarisicogevoeligheden voor alle securitisatie- en niet-securitisatieposities;
    cskt de waarde van de creditspread van een uitgevende instelling j voor looptijd t;
    Vi (.) de prijsfunctie van instrument i; en
    x, y andere risicofactoren dan cskt in de prijsfunctie Vi.
    3.

    Instellingen berekenen de aandelendeltarisicogevoeligheden als volgt:

    1. de gevoeligheden voor de risicofactoren bestaande uit contante aandelenkoersen worden als volgt berekend:

      Sk &equals; Vi &lpar;1,01 EQk, x, y, …&rpar; &minus;Vi &lpar;EQk, x, y, …&rpar; 0,01

      waarbij:

      sk de gevoeligheden voor de risicofactoren bestaande uit contante aandelenkoersen;
      k een specifiek aandeel;
      EQk de waarde van de contante koers van dat aandeel;
      Vi (.) de prijsfunctie van instrument i; en
      x, y andere risicofactoren dan EQk in de prijsfunctie Vi;

    2. de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit aandelenrepotarieven worden als volgt berekend:

      Sx &equals; Vi &lpar; x ki &plus;0,0001 I , y, z …&rpar; &minus;Vi &lpar; x ji, y, z …&rpar; 0,0001

      waarbij:

      Sx de gevoeligheden voor risicofactoren bestaande uit aandelenrepotarieven;
      k de index die het aandeel aangeeft;
      x ki een vector van m componenten die de looptijdstructuur van de repo voor een specifiek aandeel k weergeven, waarbij m gelijk is aan het met verschillende looptijden overeenstemmende aantal repotarieven dat in het prijsmodel van instrument i wordt gebruikt;
      I de eenheidsmatrix van dimensie (1 · m);
      Vi (.) de prijsfunctie van het instrument i; en
      y, z andere risicofactoren dan x ki in de prijsfunctie Vi.

    4.

    Instellingen berekenen de grondstoffendeltarisicogevoeligheden voor elke risicofactor k als volgt:

    Sk &equals; Vi &lpar;1,01 CTYk, γ, z …&rpar; &minus;Vi &lpar;CTYk, γ, z …&rpar; 0,01

    waarbij:

    sk de grondstoffendeltarisicogevoeligheden;
    k een gegeven grondstoffenrisicofactor;
    CTYk de waarde van risicofactor k;
    Vi (.) de marktwaarde van instrument i als functie van risicofactor k; en
    y, z andere risicofactoren dan CTYk in het prijsmodel van instrument i.
    5.

    Instellingen berekenen de wisselkoersdeltarisicogevoeligheden voor elke wisselkoersrisicofactor k als volgt:

    Sk &equals; Vi &lpar;1,01 FXk, y, z …&rpar; &minus;Vi &lpar;FXk, y, z …&rpar; 0,01

    waarbij:

    sk de wisselkoersdeltarisicogevoeligheden;
    k een gegeven wisselkoersrisicofactor;
    FXk de waarde van de risicofactor;
    Vi (.) de marktwaarde van instrument i als functie van risicofactor k; en
    y, z andere risicofactoren dan FXk in het prijsmodel van instrument i.
    1.

    Instellingen berekenen de vegarisicogevoeligheid van een optie voor een gegeven risicofactor k als volgt:

    Sk &equals; Vi &lpar;1,01 &plus;volk, x, y&rpar; &minus;Vi &lpar;volk, x, y&rpar; 0,01

    waarbij:

    sk de vegarisicogevoeligheid van een optie;
    k een specifieke vegarisicofactor, bestaande uit een impliciete volatiliteit;
    volk de waarde van die risicofactor, die als een percentage moet worden uitgedrukt; en
    x, y andere risicofactoren dan volk in de prijsfunctie Vi.
    2.

    Bij risicoklassen waarbij vegarisicofactoren een looptijddimensie hebben, maar waarbij de regels voor de mapping van de risicofactoren niet toepasselijk zijn omdat de opties geen looptijd hebben, mappen instellingen deze risicofactoren naar de langste voorgeschreven looptijd. Deze opties zijn onderworpen aan de opslagfactor voor restrisico.

    3.

    Bij opties die geen strike of barrier hebben en opties die meerdere strikes of barriers hebben, passen instellingen de mapping toe op de strikes en de looptijd die intern door de instelling worden gebruikt om de prijs van de optie te bepalen. Deze opties zijn ook onderworpen aan de opslagfactor voor restrisico.

    4.

    Instellingen berekenen het vegarisico niet voor bedoelde securitisatietranches die in de ACHP zijn opgenomen, als bedoeld in artikel 325, leden 6, 7 en 8, en die geen impliciete volatiliteit hebben. Voor dergelijke securitisatietranches worden eigenvermogensvereisten voor het delta- en het curvatuurrisico berekend.

    1.

    Instellingen leiden met behulp van de in deze onderafdeling beschreven formules gevoeligheden af van de prijsmodellen van de instelling die als basis dienen om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren.

    In afwijking van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten verlangen dat een instelling waaraan toestemming is verleend om gebruik te maken van de in hoofdstuk 1 ter beschreven alternatieve internemodellenbenadering, bij de berekening van gevoeligheden krachtens dit hoofdstuk gebruik maakt van de prijsfuncties van het risicometingssysteem van de internemodellenbenadering voor de overeenkomstig artikel 430 ter, lid 3 vereiste berekening en rapportage van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico.

    2.

    Bij de berekening van de deltarisicogevoeligheden van instrumenten met optionaliteit of instrumenten als bedoeld in artikel 325 sexies, lid 2, punt a), kunnen de instellingen aannemen dat de met de impliciete volatiliteit verband houdende risicofactoren constant blijven.

    3.

    Bij de berekening van de vegarisicogevoeligheden van instrumenten met optionaliteit of instrumenten als bedoeld in artikel 325 sexies, lid 2, punt b), gelden de volgende vereisten:

    1. voor het algemene-renterisico en het creditspreadrisico nemen de instellingen voor elke valuta aan dat de onderliggende waarde van de met de volatiliteit verband houdende risicofactoren waarvoor het vegarisico wordt berekend ofwel een lognormale, ofwel een normale verdeling volgt in de prijsmodellen die voor die instrumenten worden gebruikt;

    2. voor het aandelenrisico, het grondstoffenrisico en het valutarisico nemen de instellingen aan dat de onderliggende waarde van de met de volatiliteit verband houdende risicofactoren waarvoor het vegarisico wordt berekend, een lognormale verdeling volgt in de prijsmodellen die voor die instrumenten worden gebruikt.

    4.

    Instellingen berekenen alle gevoeligheden, met uitzondering van de gevoeligheden voor aanpassingen van de kredietwaarderingen.

    5.

    In afwijking van lid 1 kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor een positie in de handelsportefeuille krachtens dit hoofdstuk gebruik maken van alternatieve definities van deltarisicogevoeligheden, mits de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

    1. deze alternatieve definities worden door een onafhankelijke afdeling risicobeheersing binnen de instelling gebruikt voor doeleinden van intern risicobeheer en om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren;

    2. de instelling toont aan dat deze alternatieve definities beter geschikt zijn om de gevoeligheden voor de positie te vatten dan de in deze onderafdeling beschreven formules en dat de daaruit resulterende gevoeligheden niet wezenlijk verschillen van die van de formules.

    6.

    In afwijking van lid 1 kan een instelling, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor een positie in de handelsportefeuille krachtens dit hoofdstuk de vegarisicogevoeligheden berekenen op basis van een lineaire transformatie van alternatieve definities van gevoeligheden, mits de instelling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

    1. deze alternatieve definities worden door een onafhankelijke afdeling risicobeheersing binnen de instelling gebruikt voor doeleinden van intern risicobeheer en om winsten en verliezen aan de directie te rapporteren;

    2. de instelling toont aan dat de alternatieve definities beter geschikt zijn om de gevoeligheden voor de positie te vatten dan de in deze onderafdeling beschreven formules en dat de in de eerste alinea bedoelde lineaire transformatie een vegarisicogevoeligheid weergeeft.

    1.

    Naast de in afdeling 2 beschreven eigenvermogensvereisten voor marktrisico passen instellingen additionele eigenvermogensvereisten toe op instrumenten die overeenkomstig dit artikel aan restrisico's zijn blootgesteld.

    2.

    Instrumenten worden geacht aan restrisico te zijn blootgesteld als zij aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

    1. het instrument heeft betrekking op een exotische onderliggende waarde waaronder voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan een handelsportefeuille-instrument dat betrekking heeft op een onderliggende waarde met een onderliggende blootstelling die noch onder de werkingssfeer van delta-, vega- of curvatuurrisicoblootstellingen in het kader van de in afdeling 2 beschreven op gevoeligheden gebaseerde methode, noch onder de in afdeling 5 beschreven eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico valt;

    2. het instrument is een aan andere restrisico's onderhevig instrument, waaronder voor de toepassing van dit hoofdstuk een van de navolgende instrumenten wordt verstaan:

      1. instrumenten die onderworpen zijn aan de eigenvermogensvereisten voor het vega- en het curvatuurrisico in het kader van de in afdeling 2 beschreven op gevoeligheden gebaseerde methode en die uitbetalingen genereren die niet als een eindige lineaire combinatie van gewone opties kunnen worden gereproduceerd met één onderliggende aandelenkoers, grondstoffenprijs, wisselkoers, obligatiekoers, kredietverzuimswapprijs of renteswap;

      2. instrumenten die in de ACHP opgenomen posities zijn als bedoeld in artikel 325, lid 6. Afdekkingen die in genoemde ACHP zijn opgenomen, als bedoeld in artikel 325, lid 7 ter, worden niet in aanmerking genomen.

    3.

    Instellingen berekenen de in lid 1 bedoelde additionele eigenvermogensvereisten als de som van de notionele brutobedragen van de in lid 2 bedoelde instrumenten, vermenigvuldigd met de volgende risicogewichten:

    1. 1,0 % in het geval van de in lid 2, punt a), bedoelde instrumenten;

    2. 0,1 % in het geval van de in lid 2, punt b), bedoelde instrumenten.

    4.

    In afwijking van lid 1 passen instellingen het eigenvermogensvereiste voor restrisico niet toe op een instrument dat aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

    1. het instrument is aan een erkende beurs genoteerd;

    2. het instrument komt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 voor centrale clearing in aanmerking;

    3. het instrument compenseert perfect het marktrisico van een andere handelsportefeuillepositie, in welk geval beide perfect overeenstemmende handelsportefeuilleposities van het eigenvermogensvereiste voor restrisico zijn vrijgesteld.

    5.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van wat voor de toepassing van lid 2 onder een exotische onderliggende waarde moet worden verstaan en welke andere instrumenten aan restrisico's onderhevig zijn.

    Bij het ontwikkelen van deze ontwerpen van technische reguleringsnormen gaat de EBA ten minste na of het langlevenrisico, weer, natuurrampen en toekomstige gerealiseerde volatiliteit als exotische onderliggende waarden moeten worden beschouwd.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    a) "shortblootstelling" :
    blootstelling waarbij de wanbetaling van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen in een winst voor de instelling resulteert, ongeacht het type instrument of transactie dat tot het ontstaan van de blootstelling aanleiding geeft;
    b) "longblootstelling" :
    blootstelling waarbij de wanbetaling van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen in een verlies voor de instelling resulteert, ongeacht het type instrument of transactie dat tot het ontstaan van de blootstelling aanleiding geeft;
    c)bruto "jump to default"-bedrag (bruto JTD-bedrag):
    de geraamde omvang van de op een bepaalde blootstelling behaalde winst of het op een bepaalde blootstelling geleden verlies waartoe de wanbetaling van de debiteur aanleiding zou geven;
    d)netto "jump to default"-bedrag (netto JTD-bedrag):
    de geraamde omvang van de winst of het verlies waartoe de wanbetaling van de debiteur voor een bepaalde instelling aanleiding zou geven nadat de bruto JTD-bedragen met elkaar zijn verrekend;
    e) "loss given default" of LGD:
    het verlies bij wanbetaling van de debiteur op een door deze debiteur uitgegeven instrument, uitgedrukt als percentage van het notionele bedrag van het instrument;
    f)wanbetalingsrisicogewicht:
    het percentage dat de geraamde kans op wanbetaling van elke debiteur volgens de kredietwaardigheid van die debiteur weergeeft.
    2.

    De eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico zijn van toepassing op schuld- en aandeleninstrumenten, op derivaten die deze instrumenten als onderliggende waarde hebben, en op derivaten waarvan de uitbetalingen of reële waarde worden beïnvloed door het in gebreke blijven van een andere debiteur dan de tegenpartij van het derivaat zelf. Instellingen gaan voor elk van de volgende typen instrumenten over tot de afzonderlijke berekening van eigenvermogensvereisten voor wanbetalingsrisico: niet-securitisaties, niet in de ACHP opgenomen securitisaties en in de ACHP opgenomen securitisaties. De uiteindelijke eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico die moeten worden toegepast door een instelling zijn de som van die drie componenten.

    1.

    Instellingen berekenen de bruto JTD-bedragen voor elke lange blootstelling in de vorm van schuldinstrumenten als volgt:

    • JTDlong = max {LGD Vnotional + P&Llong + Adjustmentlong; 0}

      waarbij:

      JTDlong het bruto JTD-bedrag voor de lange blootstelling;
      Vnotional het notionele bedrag van het instrument;
      P&Llong een term die corrigeert voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de lange blootstelling aanleiding heeft gegeven; winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken; en
      Adjustmentlong het bedrag waarmee het verlies van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument; verhogingen worden met een positief teken in de term Adjustmentlong opgenomen en verlagingen met een negatief teken.

    2.

    Instellingen berekenen de bruto JTD-bedragen voor elke korte blootstelling in de vorm van schuldinstrumenten als volgt:

    • JTDshort = min {LGD Vnotional + P&Lshort + Adjustmentshort; 0}

      waarbij:

      JTDshort het bruto JTD-bedrag voor de korte blootstelling;
      Vnotional het notionele bedrag van het instrument dat met een negatief teken in de formule wordt opgenomen;
      P&Lshort een term die corrigeert voor de winsten of verliezen die de instelling reeds in aanmerking heeft genomen en die toe te schrijven zijn aan veranderingen in de reële waarde van het instrument dat tot het ontstaan van de korte blootstelling aanleiding heeft gegeven; winsten worden met een positief teken in de formule opgenomen en verliezen met een negatief teken; en
      Adjustmentshort het bedrag waarmee de winst van de instelling in geval van wanbetaling, wegens de structuur van het derivaat, zou worden verhoogd of verlaagd ten opzichte van het volledige verlies op het onderliggende instrument; verlagingen worden met een positief teken in de term Adjustmentshort opgenomen en verhogingen met een negatief teken.

    3.

    Voor de in de leden 1 en 2 beschreven berekening wordt de door instellingen toe te passen LGD voor schuldinstrumenten als volgt bepaald:

    1. aan blootstellingen in de vorm van achtergestelde schuldinstrumenten wordt een LGD van 100 % toegekend;

    2. aan blootstellingen in de vorm van niet-achtergestelde schuldinstrumenten wordt een LGD van 75 % toegekend;

    3. aan blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties zoals bedoeld in artikel 129 wordt een LGD van 25 % toegekend.

    4.

    Voor de in de leden 1 en 2 beschreven berekeningen worden de notionele bedragen als volgt bepaald:

    1. het notionele bedrag van een schuldinstrument is de nominale waarde van het schuldinstrument;

    2. in het geval van derivaten met schuldtitels als onderliggende waarden, is het notionele bedrag het notionele bedrag van het derivaat.

    5.

    Voor blootstellingen in de vorm van aandeleninstrumenten berekenen instellingen de bruto JTD-bedragen als volgt, in plaats van met behulp van de in de leden 1 en 2 bedoelde formules:

    • JTDlong = max {LGD · V + P&Llong + Adjustmentlong; 0}

    • JTDshort = min {LGD · V + P&Lshort + Adjustmentshort; 0}

      waarbij:

      JTDlong het bruto JTD-bedrag voor de lange blootstelling;
      JTDshort het bruto JTD-bedrag voor de korte blootstelling; en
      V de reële waarde van het aandeel of, in het geval van derivaten met aandelen als onderliggende waarden, de reële waarde van de onderliggende aandelen.

    6.

    Voor de in lid 5 beschreven berekening kennen instellingen aan aandeleninstrumenten een LGD van 100 % toe.

    7.

    Bij blootstellingen aan wanbetalingsrisico die voortvloeien uit derivaten waarvan de uitbetalingen in geval van wanbetaling van de debiteur geen verband houden met het notionele bedrag van een specifiek instrument dat door deze debiteur is uitgegeven, dan wel met het LGD van de debiteur of van een door deze debiteur uitgegeven instrument, passen instellingen alternatieve methoden toe voor de raming van de bruto JTD-bedragen.

    8.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

    1. de manier waarop instellingen JTD-bedragen voor verschillende typen instrumenten overeenkomstig dit artikel moeten berekenen;

    2. de alternatieve methoden die instellingen moeten hanteren voor de in lid 7 bedoelde raming van bruto JTD-bedragen;

    3. de notionele bedragen van andere instrumenten dan de in lid 4, punten a) en b) genoemde.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Instellingen berekenen de netto JTD-bedragen door de bruto JTD-bedragen van korte en lange blootstellingen met elkaar te verrekenen. Verrekening is alleen mogelijk tussen blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur, waarbij de korte blootstellingen dezelfde rang hebben als of een lagere rang hebben dan de lange blootstellingen.

    2.

    De verrekening is, afhankelijk van de looptijden van de te verrekenen blootstellingen, ofwel volledig ofwel gedeeltelijk:

    1. de verrekening is volledig indien alle te verrekenen blootstellingen een looptijd van één jaar of meer hebben;

    2. de verrekening is gedeeltelijk indien ten minste één van de te verrekenen blootstellingen een looptijd van minder dan één jaar heeft; in dat geval wordt de omvang van het JTD-bedrag van elke blootstelling met een looptijd van minder dan één jaar vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal tussen de looptijd van de blootstelling en één jaar.

    3.

    Ingeval geen verrekening mogelijk is, zijn bij blootstellingen met looptijden van ten minste een jaar de bruto JTD-bedragen gelijk aan de netto JTD-bedragen. Voor de berekening van de netto JTD-bedragen worden de bruto JTD-bedragen met looptijden van minder dan een jaar vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal tussen de looptijd van de blootstelling en één jaar, met dien verstande dat een minimumlooptijd van drie maanden geldt.

    4.

    Voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden de looptijden van de derivatencontracten in aanmerking genomen, en niet die van de onderliggende waarden ervan. Aan blootstellingen met betrekking tot contante aandelenkoersen wordt een looptijd van ofwel een jaar, ofwel drie maanden toegewezen, naar eigen inzicht van de instelling.

    1.

    Netto JTD-bedragen, ongeacht het type tegenpartij, worden vermenigvuldigd met de wanbetalingsrisicogewichten die overeenstemmen met de kredietkwaliteit ervan, zoals vermeld in tabel 2:

    Tabel 2

    Kredietkwaliteitscategorie

    Wanbetalingsrisicogewicht

    Kredietkwaliteitscategorie 1

    0,5 %

    Kredietkwaliteitscategorie 2

    3 %

    Kredietkwaliteitscategorie 3

    6 %

    Kredietkwaliteitscategorie 4

    15 %

    Kredietkwaliteitscategorie 5

    30 %

    Kredietkwaliteitscategorie 6

    50 %

    Zonder rating

    15 %

    Bij wanbetaling

    100 %

    2.

    Aan blootstellingen waaraan volgens de in titel II, hoofdstuk 2, beschreven standaardbenadering voor kredietrisico een risicogewicht van 0 % zou worden toegekend, wordt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico een wanbetalingsrisicogewicht van 0 % toegekend.

    3.

    De gewogen netto JTD-bedragen worden aan de volgende subklassen toegewezen: ondernemingen, staten en lokale overheden/gemeenten.

    4.

    De gewogen netto JTD-bedragen worden binnen elke subklasse geaggregeerd volgens de onderstaande formule:

    • DRCb = max {(Σi ∈ long RWi · net JTDi) – WtS · (Σi ∈ short RWi |net JTDi|); 0}

      waarbij:

      DRCb het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b;
      i de index die een instrument aangeeft dat tot subklasse b behoort;
      RWi het risicogewicht; en
      WtS

      een ratio die een voordeel voor afdekkingsrelaties binnen een subklasse weergeeft en die als volgt wordt berekend:

      WtS &equals; &sum; netJTDlong &sum; netJTDlong &plus; &sum; &vert;netJTDshort &vert;

    Voor de berekening van het DRCb en de WtS worden de lange en de korte posities voor alle posities binnen een subklasse geaggregeerd, ongeacht de kredietkwaliteitscategorie waaraan deze posities zijn toegewezen, om tot de subklassespecifieke eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico te komen.

    5.

    Het uiteindelijke eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties wordt berekend als de eenvoudige som van de eigenvermogensvereisten op het niveau van de subklassen.

    1.

    De bruto JTD-bedragen voor securitisatieblootstellingen zijn de marktwaarden van die blootstellingen, of, indien hun marktwaarde niet beschikbaar is, hun reële waarden, bepaald volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.

    2.

    De netto JTD-bedragen worden bepaald door de bruto JTD-bedragen voor lange blootstellingen en de bruto JTD-bedragen voor korte blootstellingen te verrekenen. Verrekening is alleen mogelijk tussen securitisatieblootstellingen die dezelfde pool van onderliggende activa hebben en die tot dezelfde tranche behoren. Verrekening tussen securitisatieblootstellingen met verschillende pools van onderliggende activa is niet toegestaan, zelfs niet bij identieke attachment en detachment points.

    3.

    Indien door het splitsen of combineren van bestaande securitisatieposities andere bestaande securitisatieposities perfect kunnen worden gereproduceerd, op de looptijddimensie na, mag voor de verrekening gebruik worden gemaakt van de uit de splitsing of combinatie resulterende blootstellingen in plaats van de bestaande securitisatieblootstellingen.

    4.

    Indien door het splitsen of combineren van bestaande securitisatieposities in onderliggende namen de gehele tranchestructuur van een bestaande securitisatieblootstelling perfect kan worden gereproduceerd, mag voor de verrekening gebruik worden gemaakt van de uit die splitsing of combinatie resulterende blootstellingen in plaats van de bestaande securitisatieblootstellingen. Ingeval op deze wijze van onderliggende namen wordt gebruikgemaakt, worden deze niet meer in aanmerking genomen bij de behandeling van het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties.

    5.

    Artikel 325 quatervicies is van toepassing op zowel bestaande securitisatieblootstellingen als overeenkomstig lid 3 of 4 van dit artikel gebruikte securitisatieblootstellingen. De desbetreffende looptijden zijn die van de securitisatietranches.

    1.

    De netto JTD-bedragen van securitisatieblootstellingen worden vermenigvuldigd met 8 % van het risicogewicht dat op de desbetreffende securitisatieblootstelling, met inbegrip van STS-securitisaties, in de niet-handelsportefeuille van toepassing is, overeenkomstig de in titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, beschreven rangorde van benaderingen en ongeacht het type tegenpartij.

    2.

    Ingeval de risicogewichten volgens de SEC-IRBA en de SEC-ERBA worden berekend, wordt op alle tranches een looptijd van één jaar toegepast.

    3.

    De risicogewogen JTD-bedragen voor individuele contante securitisatieblootstellingen worden begrensd op de reële waarde van de positie.

    4.

    De risicogewogen netto JTD-bedragen worden aan de volgende subklassen toegewezen:

    1. één gemeenschappelijke subklasse voor alle ondernemingen, ongeacht de regio;

    2. 44 verschillende subklassen die overeenstemmen met één subklasse per regio voor elk van de elf in de tweede alinea gedefinieerde activaklassen.

    Voor de toepassing van de eerste alinea zijn de elf activaklassen ABCP, autoleningen/leases, effecten gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed (RMBS), kredietkaarten, effecten gedekt door hypotheken op zakelijk onroerend goed (CMBS), Collateralised Loan Obligations, collateralised debt obligation squared (CDO-squared), kleine en middelgrote ondernemingen, studentenleningen, overige retail en overige wholesale. De vier regio's zijn Azië, Europa, Noord-Amerika en de rest van de wereld.

    5.

    Om een securitisatiepositie aan een subklasse toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie. Instellingen wijzen elke securitisatieblootstelling aan slechts één van de in lid 4 genoemde subklassen toe. Elke securitisatieblootstelling die een instelling niet aan een subklasse voor een activaklasse of regio kan toewijzen, wordt aan respectievelijk de subklassen "overige retail", "overige wholesale" of "rest van de wereld" toegewezen.

    6.

    Gewogen netto JTD-bedragen worden op dezelfde wijze als bij het wanbetalingsrisico van niet-securitisatieposities binnen elke subklasse geaggregeerd met behulp van de in artikel 325 sexvicies, lid 4, vervatte formule, hetgeen in het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor elke subklasse resulteert.

    7.

    Het uiteindelijke eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties wordt berekend als de eenvoudige som van de eigenvermogensvereisten op het niveau van de subklassen.

    1.

    Voor de ACHP omvatten de eigenvermogensvereisten het wanbetalingsrisico voor securitisatieblootstellingen en voor niet-securitisatieafdekkingen. Die afdekkingen worden niet meer in aanmerking genomen bij de berekeningen van het wanbetalingsrisico voor niet-securitisatie. Er mag geen diversificatievoordeel bestaan tussen de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor niet-securitisaties, de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties en eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor in de ACHP opgenomen securitisaties.

    2.

    Bij verhandelde krediet- en aandelenderivaten die niet-securitisatie-instrumenten zijn, worden de JTD-bedragen per individueel bestanddelen bepaald door een doorkijkbenadering toe te passen.

    1.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    1. "splitsing met behulp van een waarderingsmodel" dat een van een securitisatie deel uitmakend single-namebestanddeel wordt gewaardeerd als het verschil tussen de onvoorwaardelijke waarde van de securitisatie en de voorwaardelijke waarde van de securitisatie in de veronderstelling dat die single-name in gebreke blijft met een LGD van 100 %;

    2. "reproductie" dat individuele securitisatie-indextranches zodanig worden gecombineerd dat een andere tranche van dezelfde indexreeks of een niet in tranches verdeelde positie in de indexreeks wordt gereproduceerd;

    3. "splitsing" dat een index wordt gereproduceerd door middel van een securitisatie waarvan de onderliggende blootstellingen in de pool identiek zijn aan de single-nameblootstellingen waaruit de index is samengesteld.

    2.

    De bruto JTD-bedragen voor securitisatieblootstellingen en niet-securitisatieposities in de ACHP zijn de marktwaarden van die blootstellingen, of, indien hun marktwaarde niet beschikbaar is, hun reële waarden, bepaald volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.

    3.

    "Nth-to-default"-producten worden als in tranches verdeelde producten behandeld met de volgende attachment en detachment points:

    1. attachment point = (N – 1) / Total Names;

    2. detachment point = N / Total Names;

      waarbij "Total Names" het totale aantal namen in de onderliggende basket of pool is.

    4.

    De netto JTD-bedragen worden bepaald door de bruto JTD-bedragen voor lange blootstellingen en de bruto JTD-bedragen voor korte blootstellingen te verrekenen. Verrekening is enkel mogelijk tussen blootstellingen die op de looptijd na anderszins identiek zijn. Verrekening is enkel mogelijk als volgt:

    1. voor indexen, indextranches en tranches op maat is verrekening over looptijden heen mogelijk binnen dezelfde indexfamilie, -reeks en -tranche, met inachtneming van het bepaalde in artikel 325 quinvicies over blootstellingen van minder dan een jaar; bruto JTD-bedragen voor lange blootstellingen en bruto JTD-bedragen voor korte blootstellingen die perfect met elkaar overeenstemmen, mogen worden verrekend via de splitsing ervan in equivalente single-nameblootstellingen met behulp van een waarderingsmodel; in die gevallen is de som van de bruto JTD-bedragen van via splitsing verkregen equivalente single-nameblootstellingen gelijk aan het bruto JTD-bedrag van de niet-gesplitste blootstelling;

    2. verrekening via splitsing als beschreven in punt a) is niet toegestaan voor hersecuritisaties of derivaten met betrekking tot securitisaties;

    3. voor indexen en indextranches is verrekening over looptijden heen mogelijk binnen dezelfde indexfamilie, -reeks en -tranche via reproductie of door splitsing; indien lange blootstellingen en korte blootstellingen op één restcomponent na volledig equivalent zijn, is verrekening toegestaan en geeft het netto JTD-bedrag de resterende blootstelling weer;

    4. verschillende tranches van dezelfde indexreeks, verschillende reeksen van dezelfde index en verschillende indexfamilies mogen niet worden gebruikt om met elkaar te worden verrekend.

    1.

    De netto JTD-bedragen worden vermenigvuldigd met:

    1. voor in tranches verdeelde producten, de wanbetalingsrisicogewichten die met de in artikel 325 sexvicies, leden 1 en 2, vermelde kredietkwaliteit ervan overeenstemmen;

    2. voor niet in tranches verdeelde producten, de in artikel 325 octovicies, lid 1, bedoelde wanbetalingsrisicogewichten.

    2.

    De risicogewogen netto JTD-bedragen worden toegewezen aan subklassen die met een index overeenstemmen.

    3.

    De gewogen netto JTD-bedragen worden binnen elke subklasse geaggregeerd volgens de onderstaande formule:

    • DRCb =max {(Σi ∈ long RWi · net JTDi) – WtSACTP · (Σi ∈ short RWi · |net JTDi|); 0}

      waarbij:

      DRCb het eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b;
      i een instrument dat tot subklasse b behoort; en
      WtSACTP de ratio die een voordeel voor afdekkingsrelaties binnen een subklasse weergeeft en die volgens de in artikel 325 sexvicies, lid 4, beschreven WtS-formule wordt berekend, maar met gebruikmaking van de lange en de korte posities van de gehele ACHP en niet enkel van de posities in de specifieke subklasse.

    4.

    Instellingen berekenen de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor de ACHP met behulp van de onderstaande formule:

    DRCACTP &equals; max&lbrace; &sum; &lpar;max&lbrack;DRCb, 0&rbrack; &plus;0,5&times; &lpar;min&lbrack;DRCb, 00&rbrack; &rpar; ; 0&rpar; &rbrace;

    waarbij:

    DRCACTP de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor de ACHP; en
    DRCb de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico voor subklasse b.
    1.

    Voor valuta's die niet tot de in artikel 325 septquinquagies, lid 7, punt b), bedoelde subcategorie van meest liquide valutaparen behoren, worden de risicogewichten van de gevoeligheden voor de risicovrije renterisicofactoren voor elke subklasse in tabel 3 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    Tabel 3

    Subklasse

    Looptijd

    1

    0,25 jaar

    2

    0,5 jaar

    3

    1 jaar

    4

    2 jaar

    5

    3 jaar

    6

    5 jaar

    7

    10 jaar

    8

    15 jaar

    9

    20 jaar

    10

    30 jaar

    2.

    Overeenkomstig de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling wordt voor alle inflatiegevoeligheden en voor cross-currencybasisrisicofactoren een gemeenschappelijk risicogewicht bepaald.

    3.

    Voor valuta's die tot de in artikel 325 septquinquagies, lid 7, punt b), bedoelde subcategorie van meest liquide valuta's behoren, alsook voor de nationale valuta van de instelling, zijn de risicogewichten van de risicovrije renterisicofactoren de in tabel 3 vermelde risicogewichten, gedeeld door √2.

    1.

    Tussen twee gewogen gevoeligheden voor algemene-renterisicofactoren WSk en WSl die tot dezelfde subklasse behoren en die dezelfde toegewezen looptijd hebben maar die met verschillende curves overeenstemmen, wordt de correlatie ρkl vastgesteld op 99,90 %.

    2.

    Tussen twee gewogen gevoeligheden voor algemene-renterisicofactoren WSk en WSl die tot dezelfde subklasse behoren en die met dezelfde curve overeenstemmen, maar die verschillende looptijden hebben, wordt de correlatie vastgesteld volgens de onderstaande formule:

    max&lbrack;e &lpar; &minus;θ&times; &vert;Tk &minus;Tl &vert; min&lbrace;Tk; Tl &rbrace; &rpar; ; 40 %&rbrack;

    waarbij:

    Tk (respectievelijk Tl) de looptijd die aan de risicovrije rente is gekoppeld;
    θ 3 %.
    3.

    Tussen twee gewogen gevoeligheden voor algemene-renterisicofactoren WSk en WSl die tot dezelfde subklasse behoren, die met verschillende curves overeenstemmen en die verschillende looptijden hebben, is de correlatie ρkl gelijk aan de in lid 2 nader bepaalde correlatieparameter, vermenigvuldigd met 99,90 %.

    4.

    De correlatie tussen een gewogen gevoeligheid voor algemene-renterisicofactoren WSk en een gewogen gevoeligheid voor inflatierisicofactoren WSl wordt vastgesteld op 40 %.

    5.

    De correlatie tussen een gewogen gevoeligheid voor cross-currencybasisrisicofactoren WSk en een gewogen gevoeligheid voor algemeen-renterisicofactoren WSl, met inbegrip van een andere cross-currencybasisrisicofactor, wordt vastgesteld op 0 %.

    1.

    Voor de aggregatie van tot verschillende subklassen behorende risicofactoren wordt de parameter γbc = 50 % gebruikt.

    2.

    Voor de aggregatie van een renterisicofactor op basis van een valuta als bedoeld in artikel 325 novoquadragies, lid 3, en een renterisicofactor op basis van de euro wordt de parameter γbc = 80 % gebruikt.

    1.

    De risicogewichten voor de gevoeligheden voor creditspreadrisicofactoren voor niet-securitisaties zijn identiek voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse in tabel 4:

    Tabel 4

    Nummer subklasse

    Krediet-kwaliteit

    Sector

    Risicogewicht

    (procent-punten)

    1

    Alle

    Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een lidstaat

    0,50 %

    2

    Krediet-kwaliteits-categorie 1, 2 en 3

    Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

    0,5 %

    3

    Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

    1,0 %

    4

    Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

    5,0 %

    5

    Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

    3,0 %

    6

    Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

    3,0 %

    7

    Technologie, telecommunicatie

    2,0 %

    8

    Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

    1,5 %

    9

    Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten

    1,0 %

    11

    Krediet-kwaliteits-categorie 4, 5 en 6

    Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

    12

    Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

    4,0 %

    13

    Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

    12,0 %

    14

    Basismaterialen, energie, industrie, landbouw, be- en verwerkende industrie, winning van delfstoffen

    7,0 %

    15

    Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

    8,5 %

    16

    Technologie, telecommunicatie

    5,5 %

    17

    Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

    5,0 %

    18

    Andere sector

    12,0 %

    2.

    Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per sector. Instellingen wijzen elke uitgevende instelling slechts aan één van de in tabel 4 vermelde sectorale subklassen toe. Risicoblootstellingen van een uitgevende instelling die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 18 in tabel 4 toegewezen.

    1.

    De correlatieparameter ρk tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt vastgesteld als volgt:

    • ρkl = ρkl(name) · ρkl(tenor) · ρkl(basis)

      waarbij:

      • ρkl(name) is gelijk aan 1 indien de twee namen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 35 %;

      • ρkl(tenor) is gelijk aan 1 indien de twee toppunten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 65 %;

      • ρkl(basis) is gelijk aan 1 indien de twee gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,90 %.

    2.

    De in lid 1 van dit artikel bedoelde correlatieparameters zijn niet van toepassing op subklasse 18 in tabel 4 van artikel 325 quintricies. Het kapitaalvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 18 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

    Kb &equals; &sum; k &vert;WSk &vert;

    De correlatieparameter γbc die op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen van toepassing is, wordt als volgt vastgesteld:

    • γbc = γbc(rating) · γbc(sector)

      waarbij:

      • γbc(rating) gelijk is aan 1 als de twee subklassen van dezelfde kredietkwaliteitscategorie zijn (ofwel kredietkwaliteitscategorie 1,2 of 3, ofwel kredietkwaliteitscategorie 4, 5 of 6), en anders aan 50 %. Voor deze berekening wordt subklasse 1 geacht tot dezelfde kredietkwaliteitscategorie te behoren als subklassen met kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3; en

      • γbc(sector) gelijk is aan 1 als de twee subklassen tot dezelfde sector behoren, en anders aan de overeenstemmende percentages in tabel 5:

        Tabel 5

        Subklasse

        1, 2 en 11

        3 en 12

        4 en 13

        5 en 14

        6 en 15

        7 en 16

        8 en 17

        9

        1, 2 en 11

        75 %

        10 %

        20 %

        25 %

        20 %

        15 %

        10 %

        3 en 12

        5 %

        15 %

        20 %

        15 %

        10 %

        10 %

        4 en 13

        5 %

        15 %

        20 %

        5 %

        20 %

        5 en 14

        20 %

        25 %

        5 %

        5 %

        6 en 15

        25 %

        5 %

        15 %

        7 en 16

        5 %

        20 %

        8 en 17

        5 %

        9

        1, 2 en 11

        75 %

        10 %

        20 %

        25 %

        20 %

        15 %

        10 %

        3 en 12

        5 %

        15 %

        20 %

        15 %

        10 %

        10 %

        4 en 13

        5 %

        15 %

        20 %

        5 %

        20 %

        5 en 14

        20 %

        25 %

        5 %

        5 %

        6 en 15

        25 %

        5 %

        15 %

        7 en 16

        5 %

        20 %

        8 en 17

        5 %

        9

    De risicogewichten voor de gevoeligheden voor creditspreadrisicofactoren voor in de ACHP opgenomen securitisaties zijn identiek voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse en worden voor elke subklasse in tabel 6 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling:

    Tabel 6

    Nummer subklasse

    Kredietkwaliteit

    Sector

    1

    Alle

    Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten

    2

    Kredietkwaliteitscategorieën 1, 2 en 3

    Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

    3

    Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

    4

    Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

    5

    Basismaterialen, energie, industrieproducten, landbouw, maakindustrie, winning van delfstoffen

    6

    Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

    7

    Technologie, telecommunicatie

    8

    Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

    9

    Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten

    10

    Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in derde landen

    11

    Kredietkwaliteitscategorieën 4, 5 en 6

    Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van een derde land en in artikel 117, lid 2, of artikel 118 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties

    12

    Regionale of lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

    13

    Entiteiten uit de financiële sector, met inbegrip van kredietinstellingen die rechtsgeldig zijn opgericht door een centrale overheid, een regionale overheid of een lokale autoriteit, en verstrekkers van stimuleringsleningen

    14

    Basismaterialen, energie, industrieproducten, landbouw, maakindustrie, winning van delfstoffen

    15

    Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten

    16

    Technologie, telecommunicatie

    17

    Gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, professionele en technische activiteiten

    18

    Andere sector

    1.

    De deltarisicocorrelatie ρk l wordt overeenkomstig artikel 325 sextricies afgeleid, met dien verstande dat voor de toepassing van dit lid, ρk l(basis) gelijk is aan 1 als beide gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,00 %.

    2.

    De correlatie γb c wordt overeenkomstig artikel 325 septtricies afgeleid.

    1.

    De risicogewichten voor de gevoeligheden voor creditspreadrisicofactoren voor niet in de ACHP opgenomen securitisaties zijn identiek voor alle looptijden (0,5 jaar, 1 jaar, 3 jaar, 5 jaar en 10 jaar) binnen elke subklasse in tabel 7 en worden voor elke subklasse in tabel 7 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    Tabel 7

    Nummer subklasse

    Kredietkwaliteit

    Sector

    1

    Niet-achtergesteld en kredietkwaliteitscategorie 1, 2 en 3

    RMBS - prime

    2

    RMBS - midprime

    3

    RMBS - subprime

    4

    CMBS

    5

    Door activa gedekte effecten (ABS) - studentenleningen

    6

    ABS - Kredietkaarten

    7

    ABS - Autoleningen

    8

    Collateralised loan obligations (CLO) niet-ACHP

    9

    Achtergesteld en kredietkwaliteitscategorieën 1, 2 en 3

    RMBS - prime

    10

    RMBS - midprime

    11

    RMBS - subprime

    12

    CMBS

    13

    ABS - Studentenleningen

    14

    ABS - Kredietkaarten

    15

    ABS - Autoleningen

    16

    CLO niet-ACHP

    17

    Kredietkwaliteitscategorieën 4, 5 en 6

    RMBS - prime

    18

    RMBS - midprime

    19

    RMBS - subprime

    20

    CMBS

    21

    ABS - Studentenleningen

    22

    ABS - Kredietkaarten

    23

    ABS - Autoleningen

    24

    CLO niet-ACHP

    25

    Andere sector

    2.

    Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per sector. Instellingen wijzen elke tranche aan één van de in tabel 7 vermelde sectorale subklassen toe. Risicoblootstellingen van een tranche die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 25 toegewezen.

    1.

    Tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt de correlatieparameter ρk l vastgesteld als volgt:

    • ρkl = ρkl(tranche) · ρkl(tenor) · ρkl(basis)

      waarbij:

      • ρkl(thranche) gelijk is aan 1 indien de twee namen van de gevoeligheden k en l tot dezelfde subklasse behoren en met dezelfde securitisatietranche verband houden (een overlapping van meer dan 80 % in notionele termen), en anders aan 40 %;

      • ρkl(tenor) gelijk is aan 1 indien de twee toppunten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 80 %; en

      • ρkl(basis) gelijk is aan 1 indien de twee gevoeligheden met dezelfde curves verband houden, en anders aan 99,90 %.

    2.

    De in lid 1 bedoelde correlatieparameters gelden niet voor subklasse 25 in tabel 7 van artikel 325 quadragies, lid 1. Het eigenvermogensvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 25 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

    Kb &equals; &sum; k &vert;WSk &vert;
    1.

    De correlatieparameter γb c is van toepassing op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen en bedraagt 0 %.

    2.

    Het eigenvermogensvereiste voor subklasse 25 wordt bij het totale kapitaal op het niveau van de risicoklasse opgeteld, zonder dat met diversificatie- of afdekkingseffecten ten opzichte van een andere subklasse rekening wordt gehouden.

    1.

    De risicogewichten voor de gevoeligheden voor aandelenrisicofactoren en aandelenrepotarievenrisicofactoren worden voor elke subklasse in tabel 8 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    Tabel 8

    Nummer subklasse

    Marktkapitalisatie

    Economie

    Sector

    1

    Groot

    Opkomende-markteconomie

    Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

    2

    Telecommunicatie, industrieproducten

    3

    Basismaterialen, energie, landbouw, maakindustrie, winning van delfstoffen

    4

    Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, vastgoedactiviteiten, technologie

    5

    Geavanceerde economie

    Consumentengoederen en -diensten, vervoer en opslag, administratieve en ondersteunende diensten, gezondheidszorg, nutsvoorzieningen

    6

    Telecommunicatie, industrieproducten

    7

    Basismaterialen, energie, landbouw, maakindustrie, winning van delfstoffen

    8

    Financiële instellingen, met inbegrip van door de overheid gesteunde financiële instellingen, vastgoedactiviteiten, technologie

    9

    Klein

    Opkomende-markteconomie

    Alle onder de subklassen met nummer 1, 2, 3 en 4 beschreven sectoren

    10

    Geavanceerde economie

    Alle onder de subklassen met nummer 5, 6, 7 en 8 beschreven sectoren

    11

    Andere sector

    2.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt in de artikel 325 septquinquagies, lid 7, bedoelde technische reguleringsnormen nader bepaald wat onder een kleine en een grote marktkapitalisatie moet worden verstaan.

    3.

    Voor de toepassing van dit artikel ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen wat wordt verstaan onder een opkomende-markteconomie en een geavanceerde economie.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2021 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    4.

    Om een risicoblootstelling aan een sector toe te wijzen, maken instellingen gebruik van een gewoonlijk op de markt gehanteerde classificatie voor het groeperen van uitgevende instellingen per sector. Instellingen wijzen elke uitgevende instelling aan één van de in tabel 8 vermelde sectorale subklassen toe en wijzen alle uitgevende instellingen van dezelfde bedrijfstak aan dezelfde sector toe. Risicoblootstellingen van een uitgevende instelling die een instelling niet op deze wijze aan een sector kan toewijzen, worden aan subklasse 11 in tabel 8 toegewezen. Multinationale of in meerdere sectoren actief zijnde uitgevende instellingen van aandelen worden op basis van de belangrijkste regio en sector waarin de uitgevende instelling van aandelen opereert, aan een bepaalde subklasse toegewezen.

    1.

    De correlatieparameter voor het deltarisico ρkl tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt vastgesteld op 99,90 % als de ene een gevoeligheid voor een contante aandelenkoers en de andere een gevoeligheid voor een aandelenrepotarief is, en beide op dezelfde naam van de uitgevende instelling van het aandeel betrekking hebben.

    2.

    In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen wordt de correlatieparameter ρkl tussen twee gevoeligheden WS k en WS l voor een contante aandelenkoers binnen dezelfde subklasse vastgesteld als volgt:

    1. 15 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder de categorie grote marktkapitalisatie, opkomende-markteconomie vallen (subklasse nummer 1, 2, 3 of 4);

    2. 25 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder de categorie grote marktkapitalisatie, geavanceerde economie vallen (subklasse nummer 5, 6, 7 of 8);

    3. 7,5 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder kleine marktkapitalisatie, opkomende-markteconomie vallen (subklasse nummer 9);

    4. 12,5 % tussen twee gevoeligheden binnen dezelfde subklasse die onder kleine marktkapitalisatie, geavanceerde economie vallen (subklasse nummer 10).

    3.

    De correlatieparameter ρkl tussen twee gevoeligheden WS k en WS l voor het aandelenrepotarief binnen dezelfde subklasse wordt overeenkomstig lid 2 vastgesteld.

    4.

    Tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse, waarbij de ene een gevoeligheid voor een contante aandelenkoers en de andere een gevoeligheid voor een aandelenrepotarief is, en beide gevoeligheden met een verschillende naam van de uitgevende instelling van het aandeel verband houden, wordt de correlatieparameter ρkl vastgesteld op de in lid 2 nader bepaalde correlatieparameters, vermenigvuldigd met 99,90 %.

    5.

    De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde correlatieparameters gelden niet voor subklasse 11. Het kapitaalvereiste voor de formule voor de aggregatie van het deltarisico binnen subklasse 11 is gelijk aan de som van de absolute waarden van de aan die subklasse toegewezen gewogen nettogevoeligheden:

    Kb &equals; &sum; k &vert;WSk &vert;

    De correlatieparameter γb c is van toepassing op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen. De correlatieparameter wordt vastgesteld op 15 % indien beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 10 vallen.

    De risicogewichten voor gevoeligheden voor grondstoffenrisicofactoren worden voor elke subklasse in tabel 9 nader bepaald op grond van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    Tabel 9

    Nummer subklasse

    Naam subklasse

    1

    Energie - vaste brandstoffen

    2

    Energie - vloeibare brandstoffen

    3

    Energie - handel in elektriciteit en koolstofemissierechten

    4

    Goederenvervoer

    5

    Niet-edele metalen

    6

    Gasvormige brandstoffen

    7

    Edele metalen (met inbegrip van goud)

    8

    Granen en oliehoudende zaden

    9

    Vee en zuivel

    10

    Zachte en andere landbouwgrondstoffen

    11

    Andere grondstof

    1.

    Voor de toepassing van dit artikel worden twee grondstoffen als onderscheiden grondstoffen beschouwd indien er op de markt twee contracten bestaan die enkel van elkaar verschillen qua op grond van elk contract te leveren onderliggende grondstof.

    2.

    De correlatieparameter ρk l tussen twee gevoeligheden WS k en WS l binnen dezelfde subklasse wordt vastgesteld als volgt:

    • ρkl = ρkl(commodity) · ρkl(tenor) · ρkl(basis)

      waarbij:

      • ρkl(commodity) gelijk is aan 1 indien de twee grondstoffen van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan de correlaties binnen subklassen in tabel 10;

      • ρkl(tenor) gelijk is aan 1 als de twee toppunten van de gevoeligheden k en l identiek zijn, en anders aan 99 %; en

      • ρkl(basis) gelijk is aan 1 als de twee gevoeligheden identiek zijn wat betreft de leveringsplaats van de grondstof, en anders aan 99,90 %.

    3.

    De correlaties ρkl(commodity) binnen subklassen zijn:

    Tabel 10

    Nummer subklasse

    Naam subklasse

    Correlatie

    ρkl(commodity)

    1

    Energie - Vaste brandstoffen

    55 %

    2

    Energie - Vloeibare brandstoffen

    95 %

    3

    Energie - Handel in elektriciteit en koolstofemissierechten

    40 %

    4

    Goederenvervoer

    80 %

    5

    Niet-edele metalen

    60 %

    6

    Gasvormige brandstoffen

    65 %

    7

    Edele metalen (met inbegrip van goud)

    55 %

    8

    Granen & oliehoudende zaden

    45 %

    9

    Vee & zuivel

    15 %

    10

    Zachte en andere landbouwgrondstoffen

    40 %

    11

    Andere grondstof

    15 %

    4.

    Niettegenstaande lid 1 zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    1. twee risicofactoren die zijn toegewezen aan subklasse 3 in tabel 10 en die betrekking hebben op elektriciteit, worden als aparte grondstoffenrisicofactoren beschouwd indien het elektriciteit betreft die in verschillende regio's wordt gegenereerd of in verschillende tijdsperiodes wordt geleverd krachtens de contractuele overeenkomst;

    2. twee risicofactoren die zijn toegewezen aan subklasse 4 in tabel 10 en betrekking hebben op goederenvervoer, worden als aparte grondstoffenrisicofactoren beschouwd indien de vrachtroute of de week van levering van de goederen verschillend zijn.

    De correlatieparameter γb c die op de aggregatie van gevoeligheden tussen verschillende subklassen van toepassing is, wordt vastgesteld op:

    1. 20 % als beide subklassen onder de subklassen 1 tot en met 10 vallen;

    2. 0 % als één van beide subklassen subklasse 11 is.

    1.

    De risicogewichten voor alle gevoeligheden voor wisselkoersrisicofactoren worden nader bepaald in de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling.

    2.

    Het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren met betrekking tot valutaparen die zijn samengesteld uit de euro en de valuta van een lidstaat die aan de tweede fase van de economische en monetaire unie (ERM II) deelneemt, is één van de onderstaande gewichten:

    1. het risicogewicht als bedoeld in lid 1, gedeeld door 3;

    2. de maximale fluctuatie binnen de fluctuatiemarge die formeel is overeengekomen tussen de lidstaat en de Europese Centrale Bank, mits die fluctuatiemarge smaller is dan die, vastgesteld in het kader van ERM II.

    3.

    Niettegenstaande lid 2 is het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren met betrekking tot valuta's als bedoeld in lid 2, die deelnemen aan ERM II met een formeel overeengekomen fluctuatiemarge die smaller is dan de standaardmarge van plus of min 15 %, gelijk aan de maximale procentuele fluctuatie binnen deze smallere marge.

    4.

    Het risicogewicht van de wisselkoersrisicofactoren die tot de in artikel 325 septquinquagies, lid 7, punt c), bedoelde subklasse van meest liquide valutaparen behoren, is het in lid 1 van dit artikel vermelde risicogewicht, gedeeld door √2.

    5.

    Indien uit de dagelijkse wisselkoersen van de voorgaande drie jaar blijkt dat een valutapaar dat bestaat uit de euro en de valuta van een lidstaat die niet de euro is, stabiel is en dat de instelling altijd bestand is tegen een bied- en laatspread van 0 op de respectieve transacties in verband met dit valutapaar, mag de instelling, mits zij daarvoor de uitdrukkelijke toestemming van haar bevoegde autoriteit krijgt, het in lid 1 bedoelde risicogewicht toepassen, gedeeld door 2.

    Op de aggregatie van gevoeligheden voor wisselkoersrisicofactoren is een uniforme correlatieparameter γb c, gelijk aan 60 %, van toepassing.

    1.

    Voor vegarisicofactoren wordt gebruik gemaakt van de in onderafdeling 1 bedoelde deltasubklassen.

    2.

    Het risicogewicht van een gegeven vegarisicofactor k wordt bepaald als het deel van de actuele waarde van die risicofactor k dat de impliciete volatiliteit van een onderliggende waarde weergeeft, zoals beschreven in afdeling 3.

    3.

    Het in lid 2 bedoelde deel wordt afhankelijk gesteld van de veronderstelde liquiditeit van elk type risicofactor volgens de onderstaande formule:

    RWk &equals; &lpar;Waarde van risicofactor k&rpar; &times;min&lbrace;RWσ &times; &radic; &radic; ; 100 %&rbrace;

    waarbij:

    • RWk = het risicogewicht van een gegeven vegarisicofactor k;

    • RWσ wordt vastgesteld op 55 %; en

    • LHrisk class is de wettelijke liquiditeitshorizon die moet worden voorgeschreven voor de bepaling van elke vegarisicofactor k. LHrisk class wordt bepaald overeenkomstig de volgende tabel:

      Tabel 11

      Risicoklasse

      LHrisk class

      Algemeen renterisico

      60

      Creditspreadrisico voor niet-securitisaties

      120

      Creditspreadrisico voor securitisaties (ACHP)

      120

      Creditspreadrisico voor securitisaties (niet-ACHP)

      120

      Aandelen (grote kapitalisatie)

      20

      Aandelen (kleine kapitalisatie)

      60

      Grondstoffen

      120

      Wisselkoersen

      40

    4.

    In de context van het deltarisico in onderafdeling 1 gehanteerde subklassen worden ook in de context van het curvatuurrisico gebruikt, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

    5.

    Voor de wisselkoers- en aandelencurvatuurrisicofactoren zijn de gewichten voor het curvatuurrisico relatieve bijstellingen die gelijk zijn aan de in onderafdeling 1 vermelde deltarisicogewichten.

    6.

    Voor de algemeen-rente-, creditspread- en grondstoffencurvatuurrisicofactoren is het curvatuurrisicogewicht de parallelle verschuiving van alle toppunten van elke curve op basis van het hoogste voorgeschreven deltarisicogewicht vermeld in onderafdeling 1 voor de relevante risicoklasse.

    1.

    Tussen vegarisicogevoeligheden binnen dezelfde subklasse van de algemeen-renterisicoklasse (GIRR-klasse) wordt de correlatieparameter rkl als volgt vastgesteld:

    ρkl &equals; min&lbrace;ρ &lpar;option maturity&rpar; kl &times;ρ &lpar;underlying maturity&rpar; kl; 1&rbrace;

    waarbij:

    • ρ &lpar;option maturity&rpar; kl gelijk is aan e &minus;α&times; &vert;Tk &minus;Tl &vert; min&lbrace;Tk; Tl &rbrace; , waarbij α op 1 % wordt vastgesteld, en Tk en Tl gelijk zijn aan de in aantal jaren uitgedrukte looptijden van de opties waarvoor de vegagevoeligheden worden afgeleid; en

    • ρ &lpar;underlying maturity&rpar; kl gelijk is aan e &minus;α&times; &vert;TU k &minus;TU l &vert; min&lbrace;TU k; TU l &rbrace; , waarbij α op 1 % wordt vastgesteld, TU k en TU l gelijk zijn aan de in aantal jaren uitgedrukte looptijden zijn van de onderliggende waarden van de opties waarvoor de vegarisicogevoeligheden worden afgeleid, min de in aantal jaren uitgedrukte looptijden van de overeenkomstige opties.

    2.

    Tussen vegarisicogevoeligheden binnen een subklasse van de andere risicoklassen wordt de correlatieparameter ρkl als volgt vastgesteld:

    ρkl &equals; min&lbrace;ρ &lpar;DELTA&rpar; kl &times;ρ &lpar;option maturity&rpar; kl; 1&rbrace;

    waarbij:

    • ρ &lpar;DELTA&rpar; kl gelijk is aan de deltacorrelatie binnen de subklasse welke overeenstemt met de subklassen waaraan de vegarisicofactoren k en l zouden worden toegewezen; en

    • ρ &lpar;option maturity&rpar; kl wordt vastgesteld overeenkomstig lid 1.

    3.

    Wat vegarisicogevoeligheden tussen subklassen binnen een risicoklasse (algemeen-renterisicoklasse en andere klassen dan de algemeen-renterisicoklasse) betreft, worden in de context van het vegarisico voor γbc dezelfde correlatieparameters gehanteerd als die welke in afdeling 4 voor deltacorrelaties nader zijn bepaald.

    4.

    In de standaardbenadering wordt tussen vegarisicofactoren en deltarisicofactoren geen diversificatie- of afdekkingsvoordeel in aanmerking genomen. De eigenvermogensvereisten voor het vegarisico en voor het deltarisico worden door middel van gewone optelling geaggregeerd.

    5.

    De curvatuurrisicocorrelaties zijn het kwadraat van de in onderafdeling 1 vermelde overeenkomstige deltarisicocorrelaties ρkl en γbc.

    1.

    De in dit hoofdstuk beschreven alternatieve internemodellenbenadering wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van het in artikel 430 ter, lid 3, neergelegde rapportagevereiste.

    2.

    Na de controle van de naleving door instellingen van de in de artikelen 325 unsexagies tot en met 325 tersexagies beschreven vereisten verlenen de bevoegde autoriteiten die instellingen toestemming om hun eigenvermogensvereisten voor de portefeuille van alle aan tradingafdelingen toegewezen posities te berekenen aan de hand van hun alternatieve interne modellen overeenkomstig artikel 325 quaterquinquagies, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de tradingafdelingen zijn overeenkomstig artikel 104 ter opgericht;

    2. de instelling heeft aan de bevoegde autoriteit de redenen verstrekt voor de opname van de tradingafdelingen in de werkingssfeer van de alternatieve internemodellenbenadering;

    3. de instelling heeft de resultaten van het in artikel 325 unsexagies beschreven vereiste voor de tradingafdelingen inzake de toeschrijving van winsten en verliezen (P&L) aan de bevoegde autoriteiten gerapporteerd;

    4. de tradingafdelingen hebben aan de in artikel 325 sexagies, lid 3, bedoelde backtestingvereisten voor het voorgaande jaar voldaan;

    5. tradingafdelingen waaraan ten minste één van de in artikel 325 quinsexagies bedoelde handelsportefeuilleposities is toegewezen, voldoen aan de vereisten van artikel 325 sexsexagies voor het interne wanbetalingsrisicomodel;

    6. aan de tradingafdelingen zijn geen securitisatie- of hersecuritisatieposities toegewezen.

    Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea van dit lid mag het niet opnemen van een tradingafdeling in de werkingssfeer van de alternatieve internemodellenbenadering niet worden gemotiveerd met het gegeven dat het eigenvermogensvereiste, berekend volgens de alternatieve standaardbenadering in artikel 325, lid 3, punt a), lager zou zijn dan het eigenvermogensvereiste, berekend volgens de alternatieve internemodellenbenadering.

    3.

    Instellingen die toestemming hebben gekregen om de alternatieve internemodellenbenadering te gebruiken, rapporteren overeenkomstig artikel 430 ter, lid 3, aan de bevoegde autoriteiten.

    4.

    Een instelling die toestemming heeft gekregen als bedoeld in lid 2, stelt haar bevoegde autoriteiten er onmiddellijk van in kennis dat één van haar tradingafdelingen niet meer aan ten minste een van de vereisten van dat lid voldoet. Die instelling mag dit hoofdstuk niet meer op aan die tradingafdeling toegewezen posities toepassen en berekent de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor alle aan die tradingafdeling toegewezen posities vanaf de eerstvolgende rapportagedatum volgens de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering en blijft dit doen totdat de instelling aan de bevoegde autoriteiten aantoont dat de tradingafdeling wederom aan alle vereisten van lid 2 voldoet.

    5.

    In afwijking van lid 4 kunnen bevoegde autoriteiten in buitengewone omstandigheden een instelling toestemming geven om haar alternatieve interne modellen te blijven gebruiken voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van een tradingafdeling die niet meer aan de voorwaarden van punt c) van lid 2 van dit artikel en van artikel 325 sexagies, lid 1, voldoet. Ingeval de bevoegde autoriteiten deze bevoegdheid uitoefenen, stellen zij de EBA daarvan in kennis en motiveren zij hun besluit.

    6.

    Bij posities toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor de instelling geen toestemming heeft gekregen als bedoeld in lid 2, worden de eigenvermogensvereisten voor marktrisico door deze instelling berekend overeenkomstig hoofdstuk 1 bis van deze titel. Voor de toepassing van die berekening worden al deze posities op zichzelf als een afzonderlijke portefeuille beschouwd.

    7.

    Voor wezenlijke veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen, voor de verlenging van het gebruik van alternatieve interne modellen waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen en voor wezenlijke veranderingen in de keuze van de subset van de in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, bedoelde modelleerbare risicofactoren is een afzonderlijke toestemming van de bevoegde autoriteiten van de instelling vereist.

    Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van alle andere verlengingen en veranderingen van het gebruik van de alternatieve interne modellen waarvoor de instelling toestemming heeft gekregen.

    8.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

    1. de voorwaarden voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van de verlengingen en veranderingen van het gebruik van alternatieve interne modellen, en van de veranderingen in de subset van de in artikel 325 sexquinquagies bedoelde modelleerbare risicofactoren;

    2. de beoordelingsmethodiek op basis waarvan de bevoegde autoriteiten controleren of een instelling aan de vereisten van de artikelen 325 unsexagies, 325 duosexagies, 325 septsexagies, 325 octosexagies en 325 novosexagies voldoet.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2024 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    9.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de uitzonderlijke omstandigheden waarin bevoegde autoriteiten een instelling toestemming mogen verlenen om:

    1. haar alternatieve interne modellen te blijven gebruiken voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico van een tradingafdeling die niet meer aan de in punt c) van lid 2 van dit artikel en in artikel 325 sexagies, lid 1, vervatte voorwaarden voldoet;

    2. de opslagfactor te beperken tot de opslagfactor die resulteert uit overschrijdingen in het kader van backtesting op hypothetische veranderingen.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2024 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    1.

    Een instelling die een alternatief intern model gebruikt, berekent de eigenvermogensvereisten voor de portefeuille van alle posities die zijn toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor de instelling de in artikel 325 terquinquagies, lid 2, bedoelde toestemming heeft gekregen als de hoogste van de volgende waarden:

    1. de som van:

      1. de "expected shortfall"-risicomaatstaf voor de vorige dag van de instelling, berekend overeenkomstig artikel 325 quinquinquagies (ESt-1), en

      2. de stressscenariorisicomaatstaf voor de vorige dag van de instelling, berekend overeenkomstig afdeling 5 (SSt-1); of

    2. de som van:

      1. het gemiddelde van de overeenkomstig artikel 325 quinquinquagies berekende dagelijkse "expected shortfall"-risicomaatstaf van de instelling voor elk van de voorgaande zestig werkdagen (ESavg), vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (mc); en

      2. het gemiddelde van de overeenkomstig afdeling 5 berekende dagelijkse stressscenariorisicomaatstaf van de instelling voor elk van de voorgaande zestig werkdagen (SSavg).

    2.

    Instellingen met posities in verhandelde schuld- en aandeleninstrumenten die onder de werkingssfeer van het interne wanbetalingsrisicomodel vallen en die aan de in lid 1 bedoelde tradingafdelingen zijn toegewezen, voldoen aan een aanvullend-eigenvermogensvereiste dat is uitgedrukt als de hoogste waarde van:

    1. het meest recente eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico, berekend overeenkomstig afdeling 3;

    2. het gemiddelde van de in punt a) bedoelde waarde over de voorgaande twaalf weken.

    1.

    Instellingen berekenen de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), bedoelde "expected shortfall"-risicomaatstaf voor een gegeven datum "t" en voor een gegeven portefeuille van handelsportefeuilleposities als volgt:

    ESt &equals; ρ&times; &lpar;UESt &rpar; &plus; &lpar;1&minus;ρ&rpar; &times; &sum; UESi t

    waarbij:

    ESt de "expected shortfall"-risicomaatstaf;
    i de index die de in de eerste kolom van tabel 2 van artikel 325 septquinquagies vermelde vijf brede risicofactorcategorieën aangeeft;
    UESt

    de als volgt berekende "unconstrained expected shortfall"-maatstaf:

    UESt &equals; PESRS t &times;max&lpar; PESFC t PESRC t , 1&rpar;
    UESi t

    de als volgt berekende "unconstrained expected shortfall"-maatstaf voor de brede risicofactorcategorie i:

    UESi t &equals; PESRS,i t &times;max&lpar; PESFC,i t PESRC,i t , 1&rpar;
    ρ de toezichtscorrelatiefactor tussen brede risicocategorieën; ρ = 50 %;
    PESRS t de "partial expected shortfall"-maatstaf die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 2, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;
    PESRC t de "partial expected shortfall"-maatstaf die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 3, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;
    PESFC t de "partial expected shortfall"-maatstaf die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 4, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;
    PESRS,i t de "partial expected shortfall"-maatstaf voor de brede risicocategorie i die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 2, voor alle portefeuilleposities wordt berekend;
    PESRC,i t de "partial expected shortfall"-maatstaf voor de brede risicocategorie i die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 3, voor alle portefeuilleposities wordt berekend; en
    PESFC,i t de "partial expected shortfall"-maatstaf voor de brede risicocategorie i die overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 4, voor alle portefeuilleposities wordt berekend.
    2.

    Bij de bepaling van elke "partial expected shortfall"-maatstaf voor de berekening van de "expected shortfall"-risicomaatstaf overeenkomstig lid 1 passen instellingen uitsluitend scenario's van toekomstige schokken toe op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren die van toepassing zijn op elke "partial expected shortfall"-maatstaf, zoals beschreven in artikel 325 sexquinquagies.

    3.

    Indien ten minste één transactie van de portefeuille ten minste één modelleerbare risicofactor heeft die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies naar de brede risicofactorcategorie i is gemapt, berekenen instellingen de "unconstrained expected shortfall"-maatstaf voor de brede risicofactorcategorie i en nemen zij deze op in de in lid 1 van dit artikel vermelde formule voor de expected shortfall-risicomaatstaf.

    4.

    In afwijking van lid 1 kan een instelling de frequentie waarmee de "unconstrained expected shortfall"-maatstaf UESi t en de "partial expected shortfall"-maatstaven PESRS,i t , PESRC,i t en PESFC,i t voor alle brede risicocategorieën i worden berekend, terugbrengen van dagelijks tot wekelijks, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de instelling kan aan haar bevoegde autoriteit aantonen dat het berekenen van de "unconstrained expected shortfall"-maatstaf UESi t geen onderschatting vormt van het marktrisico van de betrokken handelsportefeuilleposities;

    2. de instelling kan de frequentie waarmee UESi t , PESRS,i t , PESRC,i t en PESFC,i t worden berekend, opvoeren van wekelijks tot dagelijks, indien zulks door haar bevoegde autoriteit wordt geëist.

    1.

    Instellingen berekenen alle in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde "partial expected shortfall"-maatstaven als volgt:

    1. dagelijkse berekeningen van de "partial expected shortfall"-maatstaven;

    2. een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval op het 97,5e percentiel;

    3. voor een gegeven portefeuille van handelsportefeuilleposities berekenen instellingen de "partial expected shortfall"-maatstaf op het tijdstip ’t’ volgens de onderstaande formule:

      PESt &equals; &radic;

      waarbij:

      PESt de "partial expected shortfall"-maatstaf op het tijdstip ’t’;
      j de index die de in de eerste kolom van tabel 1 vermelde vijf liquiditeitshorizons aangeeft;
      LHj de duur van de liquiditeitshorizons j, zoals uitgedrukt in dagen in tabel 1;
      T de basistijdshorizon, waarbij T = 10 dagen;
      PESt(T) de "partial expected shortfall"-maatstaf die wordt bepaald door enkel op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren van de in de leden 2, 3 en 4 beschreven portefeuilleposities voor elke in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde "partial expected shortfall"-maatstaf scenario's van toekomstige schokken met een tijdshorizon van 10 dagen toe te passen; en
      PESt(T, j)

      de "partial expected shortfall"-maatstaf die wordt bepaald door enkel op de specifieke set van modelleerbare risicofactoren van de in de leden 2, 3 en 4 beschreven portefeuilleposities voor elke in artikel 325 quinquinquagies, lid 2, bedoelde "partial expected shortfall"-maatstaf waarvan de overeenkomstig artikel 325 septquinquagies, lid 1, bepaalde effectieve liquiditeitshorizon ten minste gelijk is aan LHj, scenario's van toekomstige schokken met een tijdshorizon van 10 dagen toe te passen.

      Tabel 1

      Liquiditeitshorizon j

      Duur van liquiditeitshorizon j

      (in dagen)

      1

      10

      2

      20

      3

      40

      4

      60

      5

      120

    2.

    Bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde "partial expected shortfall"-maatstaven PESRS t en PESRS,i t voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1 van dit artikel, maar ook aan de volgende vereisten:

    1. bij de berekening van PESRS t passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op een subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zodanig door de instelling zijn gekozen dat aan de volgende voorwaarde is voldaan, waarbij de som wordt overgenomen uit de voorgaande 60 werkdagen:

      1 60 &times; &sum; PESRC t&minus;k PESFC t&minus;k &ge;75 %

      Een instelling die niet meer aan het vereiste van de eerste alinea van dit punt voldoet, stelt de bevoegde autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis en actualiseert de subset van de modelleerbare risicofactoren binnen twee weken om aan dat vereiste te voldoen; indien die instelling na twee weken niet aan dat vereiste voldoet, grijpt zij terug op de in hoofdstuk 1 bis beschreven benadering om voor sommige tradingafdelingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico te berekenen, totdat zij in staat is aan de bevoegde autoriteit aan te tonen dat zij aan het vereiste van de eerste alinea van dit punt voldoet;

    2. bij de berekening van PESRS,i t passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities die de instelling voor de toepassing van punt a) van dit lid heeft gekozen en die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies naar de brede risicofactorcategorie "i" zijn gemapt;

    3. de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren bedoeld in de punten a) en b) worden toegepast, zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit een ononderbroken periode van twaalf maanden van financiële spanningen die zodanig door de instelling wordt gekozen dat de waarde van PESRS t maximaal is. Met het oog op het kiezen van die stressperiode maken instellingen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten gebruik van een waarnemingsperiode die ten minste vanaf 1 januari 2007 aanvangt; en

    4. de gegevensinputs van PESRS,i t worden geijkt op de stressperiode van twaalf maanden die de instelling voor de toepassing van punt c) heeft gekozen.

    3.

    Bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde partial expected shortfall-maatstaven PESRC t en PESRC,i t voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1 van dit artikel, maar ook aan de volgende vereisten:

    1. bij de berekening van PESRC t passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities als bedoeld in lid 2, punt a);

    2. bij de berekening van PESRC,i t passen instellingen enkel scenario's van toekomstige schokken toe op de subset van de modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities als bedoeld in lid 2, punt b);

    3. de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren als bedoeld in dit lid, punten a) en b), worden toegepast, zijn geijkt op de in lid 4, punt c), bedoelde historische gegevens. Deze gegevens worden ten minste maandelijks geactualiseerd.

    4.

    Bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, bedoelde "partial expected shortfall"-maatstaven PESFC t en PESFC,i t voldoen instellingen niet alleen aan de vereisten van lid 1 van dit artikel, maar ook aan de volgende vereisten:

    1. bij de berekening van PESFC t passen instellingen scenario's van toekomstige schokken toe op alle modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities;

    2. bij de berekening van PESFC,i t passen instellingen scenario's van toekomstige schokken toe op alle modelleerbare risicofactoren van de portefeuilleposities die overeenkomstig artikel 325 septquinquagies naar de brede risicofactorcategorie i zijn gemapt;

    3. de gebruikte gegevensinputs voor het bepalen van de scenario's van toekomstige schokken die op de modelleerbare risicofactoren als bedoeld in de punten a) en b) worden toegepast, zijn geijkt op historische gegevens uit de voorgaande periode van twaalf maanden; ingeval er zich een significante toename voordoet van de prijsvolatiliteit van een wezenlijk aantal modelleerbare risicofactoren van een portefeuille van een instelling die niet tot de subset van de risicofactoren als bedoeld in lid 2, punt a), behoren, kunnen de bevoegde autoriteiten van een instelling verlangen dat deze historische gegevens uit een kortere periode dan de voorgaande twaalf maanden hanteert, maar een dergelijke kortere periode is niet korter dan de voorgaande periode van zes maanden; de bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van elk besluit waarbij zij van een instelling verlangen dat deze historische gegevens uit een kortere periode dan twaalf maanden hanteert, en motiveren dat besluit.

    5.

    Bij de berekening van een gegeven "partial expected shortfall"-maatstaf als bedoeld in artikel 325 quinquinquagies, lid 1, handhaven instellingen de waarden van de modelleerbare risicofactoren waarop zij krachtens de leden 2, 3 en 4 van dit artikel geen scenario's van toekomstige schokken voor die "partial expected shortfall"-maatstaf hoeven toe te passen.

    1.

    Instellingen mappen elke risicofactor van posities die zijn toegewezen aan tradingafdelingen waarvoor zij de in artikel 325 terquinquagies, lid 2, bedoelde toestemming hebben gekregen of waarvoor zij de procedure volgen om die toestemming te krijgen, naar één van de in tabel 2 vermelde brede risicofactorcategorieën en naar één van de in genoemde tabel vermelde brede risicofactorsubcategorieën.

    2.

    De liquiditeitshorizon van een risicofactor van de in lid 1 bedoelde posities is de liquiditeitshorizon van de overeenkomstige brede risicofactorsubcategorie waarnaar deze factor is gemapt.

    3.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel mag een instelling voor een gegeven tradingafdeling besluiten de liquiditeitshorizon van een in tabel 2 van dit artikel vermelde brede risicofactorsubcategorie te vervangen door een van de in tabel 1 van artikel 325 sexquinquagies vermelde langere liquiditeitshorizons. Ingeval een instelling een dergelijk besluit neemt, is de langere liquiditeitshorizon van toepassing op alle modelleerbare risicofactoren van de aan die tradingafdeling toegewezen posities die naar die brede risicofactorsubcategorie zijn gemapt voor de berekening van de "partial expected shortfall"-maatstaf overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 1, punt c).

    Een instelling stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de tradingafdelingen en de brede risicofactorsubcategorieën waarop zij heeft besloten de in de eerste alinea beschreven behandeling toe te passen.

    4.

    Voor de berekening van de "partial expected shortfall"-maatstaven overeenkomstig artikel 325 sexquinquagies, lid 1, punt c), wordt de effectieve liquiditeitshorizon van een gegeven modelleerbare risicofactor van een gegeven handelsportefeuillepositie als volgt berekend:

    EffectiveLH =

    SubCatLH if Mat > LH5

    min (SubCatLH, minj {LHj/LHj ≥ Mat}) if LH1 ≤ Mat ≤ LH5

    LH1 if Mat < LH1

    waarbij:

    EffectiveLH de effectieve liquiditeitshorizon;
    Mat de looptijd van de handelsportefeuillepositie;
    SubCatLH de overeenkomstig lid 1 bepaalde duur van de liquiditeitshorizon van de modelleerbare risicofactor; en
    minj {LHj/LHj ≥ Mat} de duur van de in tabel 1 van artikel 325 sexquinquagies vermelde liquiditeitshorizon die het dichtst boven de looptijd van de handelsportefeuillepositie ligt.
    5.

    Valutaparen die zijn samengesteld uit de euro en de valuta van een lidstaat die deelneemt aan ERM II, worden in de subcategorie van de meest liquide valutaparen binnen de brede wisselkoersrisicofactorcategorie van tabel 2 opgenomen.

    6.

    Een instelling controleert ten minste maandelijks de adequaatheid van de in lid 1 bedoelde mapping.

    7.

    De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen:

    1. hoe instellingen de risicofactoren van de posities als bedoeld in lid 1 naar brede risicofactorcategorieën en brede risicofactorsubcategorieën moeten mappen voor de toepassing van lid 1;

    2. uit welke valuta's de subcategorie van meest liquide valuta's in de brede renterisicofactorcategorie van tabel 2 is samengesteld;

    3. uit welke valutaparen de subcategorie van meest liquide valutaparen in de brede wisselkoersrisicofactorcategorie van tabel 2 is samengesteld;

    4. welke definitie wordt gegeven aan kleine marktkapitalisatie en grote marktkapitalisatie voor de toepassing van de subcategorie aandelenkoers en volatiliteit in de brede aandelenrisicofactorcategorie van tabel 2.

    De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 maart 2020 bij de Commissie in.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

    Tabel 2

    Brede risicofactorcategorieën

    Brede risicofactorsubcategorieën

    Liquiditeitshorizons

    Duur van de liquiditeitshorizon (in dagen)

    Rente

    Meest liquide valuta's en nationale valuta

    1

    10

    Andere valuta's (met uitzondering van de meest liquide valuta's)

    2

    20

    Volatiliteit

    4

    60

    Andere soorten

    4

    60

    Creditspread

    Centrale overheid, met inbegrip van centrale banken, van lidstaten

    2

    20

    Gedekte obligaties uitgegeven door kredietinstellingen in lidstaten (investeringswaardig)

    2

    20

    Staat (investeringswaardig)

    2

    20

    Staat (hoog rendement)

    3

    40

    Onderneming (investeringswaardig)

    3

    40

    Onderneming (hoog rendement)

    4

    60

    Volatiliteit

    5

    120

    Andere soorten

    5

    120

    Aandeel

    Aandelenkoers (grote marktkapitalisatie)

    1

    10

    Aandelenkoers (kleine marktkapitalisatie)

    2

    20

    Volatiliteit (grote marktkapitalisatie)

    2

    20

    Volatiliteit (kleine marktkapitalisatie)

    4

    60

    Andere soorten

    4

    60

    Wisselkoers

    Meest liquide valutaparen

    1

    10

    Andere valutaparen (met uitzondering van meest liquide valutaparen)

    2

    20

    Volatiliteit

    3

    40

    Andere soorten

    3

    40

    Grondstof

    Energieprijs en prijs van koolstofemissierechten

    2

    20

    Prijs van edele metalen en prijs van non-ferrometalen

    2

    20

    Andere grondstoffenprijzen (exclusief energieprijs, prijs van koolstofemissierechten, prijs van edele metalen en prijs van non-ferrometalen)

    4

    60

    Volatiliteit van energie en volatiliteit van koolstofemissierechten

    4

    60

    Volatiliteit van edele metalen en volatiliteit van non-ferrometalen

    4

    60

    Volatiliteit van andere grondstoffen (exclusief volatiliteit van energie, volatiliteit van koolstofemissierechten, volatiliteit van edele metalen en volatiliteit van non-ferrometalen)

    5

    120

    Andere soorten

    5

    120

    1.

    Instellingen beoordelen de modelleerbaarheid van alle risicofactoren van de posities die zijn toegewezen aan de tradingafdelingen waarvoor zij de in artikel 325 terquinquagies, lid 2, bedoelde toestemming hebben gekregen of waarvoor zij de procedure volgen om die toestemming te krijgen.

    2.

    Als onderdeel van de in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling berekenen instellingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig artikel 325 quatersexagies voor de risicofactoren die niet modelleerbaar zijn.