Home

Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Met artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt beoogd een interne markt tot stand te brengen die zich inzet voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van onder meer een evenwichtige economische groei en een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.

  2. Op 25 september 2015 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een nieuw mondiaal kader voor duurzame ontwikkeling vastgesteld: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (de “Agenda 2030”). De kern van de Agenda 2030 wordt gevormd door de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (Sustainable Development Goals, SDG’s) en de Agenda 2030 omvat de drie duurzaamheidsdimensies: de economische, de sociale en de ecologische dimensie. In de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst worden de SDG’s aan het beleidskader van de Unie gekoppeld, zodat ze van meet af aan geïntegreerd worden in alle acties en beleidsinitiatieven van de Unie, zowel binnen de Unie als op mondiaal niveau. De Raad heeft in zijn conclusies van 20 juni 2017 bevestigd dat de Unie en haar lidstaten vastbesloten zijn de Agenda 2030 op volledige, samenhangende, alomvattende, geïntegreerde en doeltreffende wijze en in nauwe samenwerking met partners en andere stakeholders uit te voeren. De Commissie heeft op 11 december 2019 haar mededeling over de Europese Green Deal gepubliceerd.

  3. De Overeenkomst van Parijs die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (“de Overeenkomst van Parijs”) is door de Unie op 5 oktober 2016 goedgekeurd(3). Artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs beoogt de reactie op de klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme en klimaatveerkrachtige ontwikkeling. In dat verband heeft de Europese Raad op 12 december 2019 conclusies over klimaatverandering aangenomen. Deze verordening is in het licht daarvan een belangrijke stap richting de doelstelling van een klimaatneutrale Unie in 2050.

  4. Duurzaamheid en de transitie naar een veilige, klimaatneutrale, klimaatbestendige, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie zijn cruciale elementen om het concurrentievermogen van de Unie-economie op lange termijn te waarborgen. Duurzaamheid staat al lange tijd centraal in het Unieproject, en het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) weerspiegelen de sociale en ecologische dimensies van de Unie.

  5. In december 2016 heeft de Commissie een deskundigengroep op hoog niveau de taak gegeven om een overkoepelende en integrale Uniestrategie inzake duurzame financiering te ontwikkelen. In het verslag van deze deskundigengroep, dat op 31 januari 2018 is gepubliceerd, wordt gepleit voor het tot stand brengen van een technisch robuust classificatiesysteem op Unieniveau om duidelijkheid te bieden over de vraag welke activiteiten als “groen” of “duurzaam” worden aangemerkt, te beginnen met de mitigatie van klimaatverandering.

  6. In haar mededeling van 8 maart 2018 heeft de Commissie haar actieplan “Duurzame groei financieren” bekendgemaakt, waarin zij een ambitieuze en integrale strategie voor duurzame financiering lanceert. Een van de doelstellingen in dat actieplan is kapitaalstromen te richten op duurzame beleggingen teneinde duurzame en inclusieve groei te genereren. De belangrijkste en dringendste maatregel in het actieplan is de totstandbrenging van een uniform classificatiesysteem voor duurzame activiteiten. In het actieplan wordt erkend dat de verschuiving van kapitaalstromen naar duurzamere activiteiten moet stoelen op een gedeelde, holistische consensus over het begrip ecologische duurzaamheid van activiteiten en beleggingen. Als eerste stap zouden duidelijke richtsnoeren over activiteiten die kunnen worden aangemerkt als activiteiten die aan milieudoelstellingen bijdragen, beleggers helpen om hen te informeren over de beleggingen die ecologisch duurzame economische activiteiten financieren. In een latere fase kunnen misschien verdere richtsnoeren worden ontwikkeld betreffende activiteiten die bijdragen aan andere duurzaamheidsdoelstellingen, waaronder sociale doelstellingen.

  7. Aangezien de wereldwijde ecologische uitdagingen systemisch van aard zijn, moet ecologische duurzaamheid systemisch en toekomstgericht worden benaderd, waarbij toenemende negatieve trends moeten worden aangepakt, zoals klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, de wereldwijde overconsumptie van hulpbronnen, voedselschaarste, aantasting van de ozonlaag, verzuring van de oceanen, de verslechtering van het drinkwatersysteem en verandering van landgebruik, alsmede het ontstaan van nieuwe bedreigingen, zoals gevaarlijke chemische producten en de gecombineerde effecten daarvan.

  8. In Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(4) is opgeroepen tot uitbreiding van de financiering door de private sector voor milieu- en klimaatgerelateerde uitgaven, met name met behulp van stimulansen en methoden die bedrijven aanzetten tot meting van de milieukosten van hun activiteiten en van de winst als gevolg van het gebruik van milieudiensten.

  9. Om de SDG’s in de Unie te verwezenlijken, moeten kapitaalstromen naar duurzame beleggingen worden geleid. Het is van belang het potentieel van de interne markt ten volle te benutten om die doelstellingen te verwezenlijken. In dat verband is het van cruciaal belang om obstakels voor een efficiënte kapitaalstroom in de richting van duurzame beleggingen in de interne markt op te ruimen en om te voorkomen dat er nieuwe obstakels opduiken.

  10. Gelet op de omvang van de uitdaging en de kosten die verbonden zijn aan niet of te laat handelen, moet het financieel stelsel geleidelijk worden aangepast teneinde de duurzame werking van de economie te ondersteunen. Daartoe moet duurzame financiering gemeengoed worden en moet rekening worden gehouden met het duurzaamheidseffect van financiële producten en diensten.

  11. Het beschikbaar stellen van financiële producten waarmee ecologisch duurzame doelstellingen worden nagestreefd, is een doeltreffende manier om particuliere beleggingen naar duurzame activiteiten toe te leiden. Voorschriften voor het in de markt zetten van financiële producten of bedrijfsobligaties als ecologisch duurzame beleggingen, waaronder door de lidstaten en de Unie vastgestelde voorschriften op grond waarvan financiëlemarktdeelnemers en uitgevende instellingen nationale labels mogen gebruiken, strekken ertoe het beleggersvertrouwen en het bewustzijn over de milieueffecten van die financiële producten of bedrijfsobligaties te vergroten, zichtbaarheid te creëren en bezorgdheden in verband met “greenwashing” aan te pakken. Met “greenwashing” wordt in het kader van deze verordening de praktijk bedoeld waarbij een oneerlijk concurrentievoordeel wordt verkregen door een financieel product als milieuvriendelijk in de markt te zetten, terwijl het in feite niet aan elementaire milieunormen voldoet. Momenteel hebben slechts een paar lidstaten regelingen voor het toekennen van labels. Die bestaande regelingen berusten op uiteenlopende classificatiesystemen voor ecologisch duurzame economische activiteiten. Gezien de politieke toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en op Unieniveau, valt te verwachten dat meer en meer lidstaten regelingen voor het toekennen van labels zullen invoeren of financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen andere voorschriften zullen opleggen ten aanzien van het promoten van financiële producten of bedrijfsobligaties als ecologisch duurzaam. In dergelijke gevallen zouden de lidstaten dan hun eigen nationale classificatiesystemen gebruiken om te bepalen welke beleggingen als duurzaam worden aangemerkt. Indien die nationale regelingen voor het toekennen van labels of die nationale voorschriften verschillende criteria zouden hanteren om te bepalen welke economische activiteiten als ecologisch duurzaam worden aangemerkt, zouden beleggers worden ontmoedigd om over de grenzen heen te beleggen doordat beleggingsmogelijkheden in dat geval moeilijk met elkaar vergeleken kunnen worden. Bovendien zouden economische spelers die Uniewijd beleggingen willen aantrekken, in de verschillende lidstaten aan verschillende criteria moeten voldoen om hun activiteiten als ecologisch duurzaam aangemerkt te krijgen. Het ontbreken van uniforme criteria zou de kosten derhalve opdrijven en economische spelers sterk ontmoedigen om grensoverschrijdende kapitaalmarkten te betreden met het oog op duurzame beleggingen.

  12. De criteria om te bepalen of een economische activiteit kan worden aangemerkt als een ecologisch duurzame economische activiteit, moeten op Unieniveau worden geharmoniseerd om de obstakels voor het functioneren van de interne markt met betrekking tot het aantrekken van middelen voor duurzaamheidsprojecten weg te nemen en te voorkomen dat er in de toekomst nog meer obstakels voor dergelijke projecten ontstaan. Door een dergelijke harmonisatie zou het voor economische spelers eenvoudiger worden om over de grenzen heen financiering voor hun ecologisch duurzame activiteiten aan te trekken, omdat hun economische activiteiten aan uniforme criteria zouden kunnen worden getoetst en aldus zouden kunnen worden geselecteerd als onderliggende activa voor ecologisch duurzame beleggingen. Een dergelijke harmonisatie zou grensoverschrijdende duurzame beleggingen in de Unie faciliteren.

  13. Indien financiëlemarktdeelnemers beleggers geen toelichting verschaffen over de vraag hoe de activiteiten waarin zij beleggen aan milieudoelstellingen bijdragen, of indien financiëlemarktdeelnemers in hun toelichtingen uiteenlopende concepten hanteren van wat een ecologisch duurzame economische activiteit is, zullen beleggers het onevenredig lastig vinden om verschillende financiële producten te toetsen en te vergelijken. Gebleken is dat dergelijke praktijken beleggers ontmoedigen om in ecologisch duurzame financiële producten te beleggen. Daarnaast heeft een gebrek aan beleggersvertrouwen een ernstig schadelijk effect op de markt voor duurzame beleggingen. Ook is aangetoond dat nationale regels en marktgebaseerde initiatieven om die kwestie binnen nationale grenzen te regelen tot versnippering van de interne markt leiden. Indien financiëlemarktdeelnemers informatie verschaffen over de vraag hoe en in welke mate de financiële producten die als ecologisch duurzaam beschikbaar worden gesteld, in activiteiten beleggen die aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten uit hoofde van deze verordening voldoen, en indien financiëlemarktdeelnemers voor dergelijke informatieverschaffing in de hele Unie gebruikmaken van gemeenschappelijke criteria, zou dat beleggers helpen beleggingsmogelijkheden grensoverschrijdend te vergelijken en zou dat ondernemingen waarin belegd wordt aanmoedigen hun bedrijfsmodellen ecologisch duurzamer te maken. Bovendien zouden beleggers dan in de hele Unie met meer vertrouwen in ecologisch duurzame financiële producten beleggen, hetgeen het functioneren van de interne markt ten goede zal komen.

  14. Om de bestaande obstakels voor het functioneren van de interne markt aan te pakken en te voorkomen dat er in de toekomst nieuwe ontstaan, moet van de lidstaten en de Unie worden geëist dat zij een gemeenschappelijk concept hanteren van wat een ecologisch duurzame belegging is wanneer zij op nationaal niveau en op Unieniveau voorschriften met betrekking tot financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen invoeren teneinde een label toe te kennen aan financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam in de markt zijn gezet. Om versnippering van de markt en schade aan consumenten- en beleggersbelangen door een uiteenlopende invulling van het begrip ecologisch duurzame economische activiteiten te voorkomen, moeten nationale voorschriften waaraan financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen dienen te voldoen om financiële producten of bedrijfsobligaties als ecologisch duurzaam in de markt te zetten, voortbouwen op de uniforme criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten. Onder dergelijke financiëlemarktdeelnemers en uitgevende instellingen zijn tevens financiëlemarktdeelnemers die ecologisch duurzame financiële producten beschikbaar stellen en niet-financiële ondernemingen die ecologisch duurzame bedrijfsobligaties uitgeven.

  15. Economische spelers die niet onder deze verordening vallen, kunnen dankzij de vaststelling van criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten ertoe worden aangezet om op vrijwillige basis op hun websites informatie te publiceren en te verschaffen over de ecologisch duurzame economische activiteiten die zij verrichten. Financiëlemarktdeelnemers en andere betrokken spelers op de financiële markten zullen dankzij die informatie niet alleen eenvoudig kunnen uitmaken van welke economische spelers de economische activiteiten ecologisch duurzaam zijn, maar die economische spelers zullen ook gemakkelijker financiering voor hun ecologisch duurzame activiteiten kunnen aantrekken.

  16. Een classificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten op Unieniveau moet de ontwikkeling van toekomstig Uniebeleid ter ondersteuning van duurzame financiering mogelijk maken, onder meer in de vorm van Uniebrede normen voor ecologisch duurzame financiële producten en de uiteindelijke invoering van labels die formele erkenning bieden van de naleving van die normen in de hele Unie. Het zou ook de basis kunnen vormen voor andere maatregelen van economische en regelgevende aard. Uniforme juridische voorschriften ter bepaling van de mate van economische duurzaamheid van beleggingen, op basis van uniforme criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten, zijn een noodzakelijk ijkpunt voor toekomstig Unierecht ter facilitering van de ombuiging van beleggingen naar ecologisch duurzame economische activiteiten.

  17. In het kader van de verwezenlijking van de SDG’s in de Unie hebben beleidskeuzes zoals de oprichting van een Europees Fonds voor strategische investeringen er effectief toe bijgedragen dat particuliere beleggingen samen met overheidsuitgaven naar duurzame beleggingen worden toegeleid. Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad(5) geeft 40 % als klimaatbeleggingsstreefcijfer aan voor infrastructuur- en innovatieprojecten in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen. Gemeenschappelijke criteria om te bepalen of economische activiteiten als duurzaam kunnen worden aangemerkt, onder meer met betrekking tot hun milieueffecten, zouden de basis kunnen vormen voor toekomstige vergelijkbare initiatieven van de Unie voor het aantrekken van investeringen waarmee klimaatgerelateerde of andere milieudoelstellingen worden nagestreefd.

  18. Om te vermijden dat de belangen van beleggers worden geschaad, moeten fondsbeheerders en institutionele beleggers die financiële producten beschikbaar stellen, informatie verschaffen over de vraag hoe en in welke mate zij de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten gebruiken om de ecologische duurzaamheid van hun beleggingen te bepalen. De verschafte informatie moet beleggers in staat stellen het aandeel van de aan het financiële product onderliggende beleggingen in ecologisch duurzame economische activiteiten te achterhalen, uitgedrukt als percentage van alle aan dat financieel product onderliggende beleggingen, en hen dus in staat stellen de mate van ecologische duurzaamheid van de belegging te achterhalen. Indien de aan het financiële product onderliggende beleggingen in economische activiteiten zitten die aan een milieudoelstelling bijdragen, moet in de te verschaffen informatie worden omschreven aan welke milieudoelstelling of milieudoelstellingen de aan het financiële product onderliggende belegging bijdraagt, alsmede hoe en in welke mate met een dergelijke belegging ecologisch duurzame economische activiteiten worden gefinancierd, en moet die informatie nader aangeven wat de respectieve aandelen van faciliterende en transitieactiviteiten zijn. De Commissie moet nader aangeven welke informatie daartoe moet worden verschaft. Met die informatie moeten nationale bevoegde autoriteiten eenvoudig kunnen nagaan of die informatieverschaffingsverplichting wordt nageleefd en moeten zij die naleving kunnen afdwingen in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht. Indien financiëlemarktdeelnemers geen rekening houden met de criteria voor ecologisch duurzame beleggingen, moeten zij een verklaring in die zin afleggen. Om te voorkomen dat de informatieverschaffingsverplichting wordt omzeild, moet die verplichting ook gelden indien financiële producten in de markt worden gezet als financiële producten die milieukenmerken promoten, met inbegrip van financiële producten die milieubescherming in ruime zin als doelstelling hebben.

  19. De informatieverschaffingsverplichtingen in deze verordening vormen een aanvulling op de informatieverschaffing inzake duurzaamheid van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad(6). Teneinde de transparantie te vergroten en ervoor te zorgen dat financiëlemarktdeelnemers eindbeleggers een objectief referentiepunt verstrekken over het aandeel van de beleggingen dat ecologisch duurzame economische activiteiten financiert, vormt deze verordening een aanvulling op de in Verordening (EU) 2019/2088 neergelegde regels inzake transparantie bij precontractuele informatieverschaffing en in periodieke verslagen. De definitie van “duurzame belegging” in Verordening (EU) 2019/2088 omvat beleggingen in economische activiteiten die bijdragen aan het bereiken van een milieudoelstelling, hetgeen onder meer beleggingen in “ecologisch duurzame economische activiteiten” in de zin van deze verordening moet omvatten. Bovendien beschouwt Verordening (EU) 2019/2088 een belegging slechts als een duurzame belegging als ze geen ernstige afbreuk doet aan een in die verordening vervatte milieu- of sociale doelstelling.

  20. Om de betrouwbaarheid, de consistentie en de vergelijkbaarheid van informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector te verzekeren, moet bij de informatieverschaffing op grond van deze verordening voor zover mogelijk gebruik worden gemaakt van de bestaande duurzaamheidsindicatoren, zoals door het Europees Parlement voorgesteld in zijn resolutie van 29 mei 2018 over duurzame financiering(7). In dat verband moeten de technische screeningscriteria voor zover mogelijk worden gebaseerd op de in Verordening (EU) 2019/2088 bedoelde duurzaamheidsindicatoren.

  21. Wat betreft de economische activiteiten van ondernemingen die niet verplicht zijn informatie te verschaffen op grond van deze verordening, is het in uitzonderlijke gevallen mogelijk dat financiëlemarktdeelnemers redelijkerwijs geen informatie kunnen verkrijgen om overeenstemming met de op grond van deze verordening bepaalde technische screeningscriteria vast te stellen. In die uitzonderlijke gevallen en uitsluitend voor economische activiteiten waarvoor geen volledige, betrouwbare en tijdige informatie kon worden verkregen, moeten financiëlemarktdeelnemers aanvullende beoordelingen en ramingen kunnen maken op basis van informatie uit andere bronnen. Dergelijke beoordelingen en ramingen mogen slechts worden gebruikt ter compensatie van beperkte en specifieke delen van de gewenste gegevenselementen, en de resultaten moeten met het nodige voorbehoud worden gepresenteerd. Om ervoor te zorgen dat de informatieverschaffing aan beleggers duidelijk en niet misleidend is, moeten financiëlemarktdeelnemers duidelijk toelichten waarop zij hun conclusies gebaseerd hebben en waarom zij met het oog op informatieverschaffing aan eindbeleggers dergelijke aanvullende beoordelingen en ramingen dienden te verrichten.

  22. De Commissie doet in haar mededeling van 20 juni 2019 inzake “Richtsnoeren niet-financiële rapportage: aanvulling betreffende klimaatrapportage” de aanbeveling dat bepaalde grote ondernemingen zouden moeten rapporteren over bepaalde klimaatgerelateerde kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) die zijn gebaseerd op het bij deze verordening vastgestelde kader. Beleggers die geïnteresseerd zijn in ondernemingen waarvan de producten en diensten substantieel bijdragen aan een van de in deze verordening omschreven milieudoelstellingen, hebben met name baat bij informatie over het met ecologisch duurzame economische activiteiten verband houdend aandeel van de omzet, kapitaaluitgaven (CapEx) of operationele uitgaven (OpEx) van dergelijke grote niet-financiële ondernemingen, alsmede bij op grote financiële ondernemingen afgestemde KPI’s. Het is daarom passend dergelijke grote ondernemingen te verplichten dergelijke KPI’s jaarlijks openbaar te maken, alsmede om die verplichting nader te bepalen in gedelegeerde handelingen, met name ten aanzien van grote financiële ondernemingen. Hoewel het een onevenredige belasting zou zijn om kleinere ondernemingen een dergelijke verplichting op te leggen, kunnen zij beslissen dergelijke informatie op vrijwillige basis openbaar te maken.

  23. Ter bepaling van de ecologische duurzaamheid van een bepaalde economische activiteit moet een uitputtende lijst van milieudoelstellingen worden vastgesteld. De zes milieudoelstellingen die deze verordening moet bestrijken, zijn: de mitigatie van klimaatverandering, de adaptatie aan klimaatverandering, het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, de transitie naar een circulaire economie, de preventie en bestrijding van verontreiniging, en de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen.

  24. Een economische activiteit die de milieudoelstelling inzake de mitigatie van klimaatverandering nastreeft, moet substantieel bijdragen aan de stabilisering van de broeikasgasemissies door deze te voorkomen of te verminderen, of door voor meer broeikasgasverwijdering te zorgen. De economische activiteit moet in overeenstemming zijn met de langetermijntemperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. Die milieudoelstelling moet worden uitgelegd overeenkomstig het relevante Unierecht, met inbegrip van Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad(8).

  25. Een economische activiteit die de milieudoelstelling inzake de adaptatie aan klimaatverandering nastreeft, moet substantieel bijdragen aan het verminderen of voorkomen van de ongunstige effecten van het huidige of verwachte toekomstige klimaat, of het risico op dergelijke ongunstige effecten, hetzij op die activiteit zelf, hetzij op de mens, de natuur of activa. Die milieudoelstelling moet worden uitgelegd overeenkomstig het relevante Unierecht en het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015‐2030.

  26. De milieudoelstelling inzake het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen moet worden uitgelegd overeenkomstig het relevante Unierecht, met inbegrip van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(9) en de Richtlijnen 2000/60/EG(10), 2006/7/EG(11), 2006/118/EG(12), 2008/56/EG(13) en 2008/105/EG(14) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 91/271/EEG(15), 91/676/EEG(16) en 98/83/EG(17) van de Raad en Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie(18), alsmede de mededelingen van de Commissie van 18 juli 2007 inzake de aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie, van 14 november 2012 inzake een blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren en van 11 maart 2019 inzake de strategische aanpak van de Europese Unie van geneesmiddelen in het milieu.

  27. De milieudoelstelling inzake de transitie naar een circulaire economie moet worden uitgelegd overeenkomstig het relevante Unierecht op het gebied van de circulaire economie, afvalstoffen en chemische stoffen, met inbegrip van de Verordeningen (EG) nr. 1013/2006(19), (EG) nr. 1907/2006(20) en (EU) 2019/1021(21) van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 94/62/EG(22), 2000/53/EG(23), 2006/66/EG(24), 2008/98/EG(25), 2010/75/EU(26), 2011/65/EU(27), 2012/19/EU(28), (EU) 2019/883(29) en (EU) 2019/904(30) van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 1999/31/EG van de Raad(31), Verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie(32), Beschikking 2000/532/EG van de Commissie(33) en Besluit 2014/955/EU van de Commissie(34), en van de mededelingen van de Commissie van 2 december 2015 met als titel “Maak de cirkel rond — Een EU-actieplan voor de circulaire economie” en van 16 januari 2018 inzake een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie.

  28. Een economische activiteit kan op verschillende manieren substantieel bijdragen aan de milieudoelstelling van de transitie naar een circulaire economie. Ze kan bijvoorbeeld de duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid en herbruikbaarheid van producten vergroten, of ze kan het gebruik van hulpbronnen verminderen door het maken van specifieke ontwerp- en materiaalkeuzes, door herbestemming, demontage en sloop in de bouw- en constructiesector te faciliteren, met name door het gebruik van bouwmaterialen te verminderen en het hergebruik van bouwmaterialen te bevorderen. Zij kan ook substantieel bijdragen aan de milieudoelstelling van de transitie naar een circulaire economie door het ontwikkelen van “product-als-een-dienst”-bedrijfsmodellen en circulaire waardeketens, teneinde producten, componenten en materialen zo lang mogelijk op het hoogste nut- en waardeniveau te houden. Verminderingen van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten gedurende de levenscyclus, onder meer door ze te vervangen door veiliger alternatieven, moeten ten minste in overeenstemming zijn met het Unierecht. Een economische activiteit kan ook substantieel aan de milieudoelstelling van de transitie naar een circulaire economie bijdragen door het verminderen van voedselafval bij de productie, verwerking, vervaardiging of distributie van voedsel.

  29. De milieudoelstelling inzake de preventie en bestrijding van verontreiniging moet worden uitgelegd overeenkomstig het relevante Unierecht, met inbegrip van de Richtlijnen 2000/60/EG, 2004/35/EG(35), 2004/107/EG(36), 2006/118/EG, 2008/50/EG(37), 2008/105/EG, 2010/75/EU, (EU) 2016/802(38) en (EU) 2016/2284(39) van het Europees Parlement en de Raad.

  30. De milieudoelstelling inzake de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen moet worden uitgelegd overeenkomstig het relevante Unierecht, met inbegrip van de Verordeningen (EU) nr. 995/2010(40), (EU) nr. 511/2014(41) en (EU) nr. 1143/2014(42) van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(43), Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad(44), de Richtlijnen 91/676/EEG en 92/43/EEG(45) van de Raad, alsmede overeenkomstig de mededelingen van de Commissie van 21 mei 2003 inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt), van 3 mei 2011 inzake “Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020”, van 6 mei 2013 inzake “Groene infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal”, van 26 februari 2016 inzake het actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten, en van 23 juli 2019 inzake “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren”.

  31. Een economische activiteit kan op verschillende manieren substantieel bijdragen aan de milieudoelstelling inzake de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, onder meer via het beschermen, behouden of herstellen van de biodiversiteit en ecosystemen, en aldus door de versterking van ecosysteemdiensten. Dergelijke diensten zijn gegroepeerd in vier categorieën, te weten voorzieningsdiensten, zoals de voorziening van voedsel en water; reguleringsdiensten, zoals het beheersen van klimaat en ziekte; ondersteunende diensten, zoals nutriëntencycli en de productie van zuurstof; en culturele diensten, zoals de verschaffing van spirituele en recreatieve voordelen.

  32. Voor de toepassing van deze verordening moet het begrip “duurzaam bosbeheer” zodanig worden opgevat dat het rekening houdt met praktijken en gebruik van bos en van bosgrond die bijdragen aan de verbetering van de biodiversiteit of het stoppen of voorkomen van de degradatie van ecosystemen, ontbossing en habitatverlies, dat het rekening houdt met het beheer en het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit en vitaliteit behouden, alsook het vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, en waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht, zoals vastgesteld in Resolutie H1 van de Tweede Ministeriële Conferentie over de bescherming van bossen in Europa van 16‐17 juni 1993 in Helsinki betreffende algemene richtsnoeren voor het duurzame beheer van de bossen in Europa, en dat het rekening houdt met Verordeningen (EU) nr. 995/2010 en (EU) 2018/841(46) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad(47), evenals met de mededeling van de Commissie van 20 september 2013 inzake “Een nieuwe EU-bosstrategie: ten bate van de bossen en de houtsector”.

  33. Voor de toepassing van deze verordening wordt het begrip “energie-efficiëntie” gebruikt in de ruime zin van het woord en moet het zodanig worden opgevat dat het rekening houdt met relevant Unierecht, met inbegrip van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad(48) en Richtlijnen 2012/27/EU(49) en (EU) 2018/844(50) van het Europees Parlement en de Raad, evenals de op grond van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad(51) vastgestelde uitvoeringsmaatregelen.

  34. Voor elk van de milieudoelstellingen moeten uniforme criteria worden vastgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald of economische activiteiten substantieel aan die doelstelling bijdragen. Eén element van de uniforme criteria moet zijn dat ernstige afbreuk aan in deze verordening beschreven milieudoelstellingen wordt voorkomen. Zo moet worden voorkomen dat beleggingen als ecologisch duurzaam worden aangemerkt in gevallen waarin de economische activiteiten die van deze beleggingen profiteren het milieu meer schaden dan dat ze aan een milieudoelstelling bijdragen. Bij dergelijke criteria moet, bovenop de milieueffecten van de economische activiteit zelf, rekening worden gehouden met de levenscyclus van de producten en diensten die middels die economische activiteit worden geleverd, mede op grond van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusbeoordelingen, met name door de productie, het gebruik en het einde van de levensduur ervan in acht te nemen.

  35. Gezien de gezamenlijke toezegging van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie tot het nastreven van de beginselen die in de Europese pijler van sociale rechten zijn verankerd ter ondersteuning van duurzame en inclusieve groei, en gezien het belang van internationale minimumnormen inzake mensenrechten en arbeidsrechten, moet de inachtneming van minimumgaranties een voorwaarde zijn om economische activiteiten als ecologisch duurzaam te kunnen aanmerken. Om die reden kunnen economische activiteiten uitsluitend als ecologisch duurzaam worden aangemerkt indien zij worden uitgevoerd in overeenstemming met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, met inbegrip van de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk, de acht fundamentele verdragen van de IAO en het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens. De fundamentele verdragen van de IAO omschrijven de mensenrechten en arbeidsrechten die ondernemingen in acht moeten nemen. Diverse van die internationale normen zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name het verbod op slavernij en dwangarbeid en het non-discriminatiebeginsel. Die minimumgaranties laten in voorkomend geval de toepassing onverlet van strengere voorschriften inzake milieu, gezondheid, veiligheid en sociale duurzaamheid die in voorkomend geval in het Unierecht zijn vastgesteld. Ondernemingen moeten bij de naleving van die minimumgaranties te werk gaan volgens het in Verordening (EU) 2019/2088 bedoelde beginsel “geen ernstige afbreuk doen” en rekening houden met de op grond van die verordening vastgestelde technische reguleringsnormen die dat beginsel nader omschrijven.

  36. Met het oog op de samenhang tussen deze verordening en Verordening (EU) 2019/2088 moet deze verordening Verordening (EU) 2019/2088 wijzigen om de Europese toezichthoudende autoriteiten, opgericht bij Verordeningen (EU) nr. 1093/2010(52), (EU) nr. 1094/2010(53) en (EU) nr. 1095/2010(54) van het Europees Parlement en de Raad (gezamenlijk de “ETA’s” genoemd) de opdracht te geven gezamenlijk technische reguleringsnormen op te stellen ter nadere specificatie van de inhoud en presentatie van de informatie met betrekking tot het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”. Die technische reguleringsnormen moeten in overeenstemming zijn met de inhoud, methoden en presentatie van de duurzaamheidsindicatoren in verband met de in Verordening (EU) 2019/2088 bedoelde ongunstige effecten. Zij moeten tevens in overeenstemming zijn met de in de Europese pijler van sociale rechten verankerde beginselen, de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, met inbegrip van de verklaring van de IAO betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk, de acht fundamentele verdragen van de IAO en het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens.

  37. Verordening (EU) 2019/2088 moet tevens worden gewijzigd om de ETA’s de opdracht te geven om, via het Gemengd Comité, ontwerpen van technische reguleringsnormen op te stellen ter aanvulling van de regels inzake transparantie van het promoten van ecologische kenmerken en van ecologisch duurzame beleggingen bij precontractuele informatieverschaffing en in periodieke verslagen.

  38. Gezien de specifieke technische details die nodig zijn om de milieueffecten van een economische activiteit te beoordelen, en gezien het snel veranderende karakter van wetenschap en technologie, moeten de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten regelmatig worden aangepast om dergelijke veranderingen te weerspiegelen. Willen de criteria actueel zijn en gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs en wetenschappelijke input van deskundigen en betrokken stakeholders, dan moeten de voorwaarden voor wat een substantiële bijdrage en wat een ernstige afbreuk is meer in detail worden uitgewerkt voor de verschillende economische activiteiten en moeten deze regelmatig worden geactualiseerd. Daartoe moet de Commissie voor de verschillende economische activiteiten gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria vaststellen, op basis van technische input van een multistakeholderplatform voor duurzame financiering.

  39. Sommige economische activiteiten hebben een negatief effect op het milieu, en dit negatieve effect verminderen kan een substantiële bijdrage aan een of meer milieudoelstellingen betekenen. Voor die economische activiteiten is het passend technische screeningcriteria vast te stellen die een substantiële verbetering van de milieuprestaties ten opzichte van, onder meer, het sectorale gemiddelde vergen, maar die tegelijkertijd tijdens de economische levensduur van de gefinancierde economische activiteit lock‐ineffecten voorkomen die schadelijk zijn voor het milieu, waaronder koolstofintensieve lock‐ineffecten. Die criteria moeten ook rekening houden met het langetermijneffect van een bepaalde economische activiteit.

  40. Een economische activiteit mag niet als ecologisch duurzaam worden aangemerkt indien de schade die zij aan het milieu berokkent, groter is dan de voordelen die zij oplevert. In de technische screeningcriteria moeten de minimumvereisten worden vastgesteld voor het vermijden van een ernstige afbreuk aan andere doelstellingen, onder meer door voort te bouwen op eventuele minimumvereisten die op grond van het Unierecht zijn vastgesteld. Bij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria moet de Commissie erop toezien dat deze zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs, dat er rekening wordt gehouden met de levenscyclus — waaronder bestaande beoordelingen van levenscycli — en dat de criteria regelmatig worden geactualiseerd. Indien op basis van wetenschappelijke evaluatie een risico niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, moet het voorzorgsbeginsel gelden overeenkomstig artikel 191 VWEU.

  41. Bij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria voor de milieudoelstelling inzake de mitigatie van klimaatverandering moet de Commissie rekening houden met en stimulansen bieden voor de lopende noodzakelijke transitie naar een klimaatneutrale economie overeenkomstig artikel 10, lid 2, van deze verordening. De transitie vergt behalve het gebruik van klimaatneutrale energie en meer investeringen in economische activiteiten en sectoren die reeds koolstofarm zijn, substantiële reducties van de broeikasgasemissies in andere economische activiteiten en sectoren waarvoor er geen koolstofarme alternatieven zijn die technologisch en economisch haalbaar zijn. Die economische transitieactiviteiten moeten worden aangemerkt als economische activiteiten die substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering indien de broeikasgasemissies ervan substantieel lager zijn dan het gemiddelde in de sector of de bedrijfstak, zij de ontwikkeling en toepassing van koolstofarme alternatieven niet in de weg staan, en zij niet leiden tot een lock‐in van activa die onverenigbaar is met het doel van klimaatneutraliteit, rekening houdend met de economische levensduur van die activa. De technische screeningcriteria voor die economische transitieactiviteiten moeten bewerkstelligen dat die transitieactiviteiten op een geloofwaardige manier tot klimaatneutraliteit leiden, en ze moeten daartoe regelmatig worden aangepast.

  42. Een economische activiteit moet worden aangemerkt als een economische activiteit die substantieel bijdraagt aan een of meer van de milieudoelstellingen van deze verordening indien die activiteit het rechtstreeks mogelijk maakt dat andere activiteiten een substantiële bijdrage leveren aan een of meer van die doelstellingen. Een dergelijke faciliterende activiteit mag daarbij niet leiden tot een lock‐in van activa die de milieudoelstellingen voor de lange termijn ondermijnen, rekening houdend met de economische levensduur van die activa, en moet een substantieel positief milieueffect hebben, vanuit het oogpunt van levenscyclusoverwegingen.

  43. Bij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria moet de Commissie rekening houden met het relevante Unierecht, waaronder Verordeningen (EG) nr. 1221/2009(55) en (EG) nr. 66/2010(56) van het Europees Parlement en de Raad, alsook Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie(57) en de mededeling van de Commissie van 16 juli 2018 inzake overheidsopdrachten voor een beter milieu. Onnodige incoherenties met classificaties van economische activiteiten die reeds voor andere doelen bestaan, moeten worden voorkomen en daarom moet de Commissie ook rekening houden met de statistische classificaties met betrekking tot de sector milieugoederen en ‐diensten, te weten de classificatie van activiteiten voor de bescherming van het milieu (CEPA) en de classificatie van activiteiten voor het beheer van hulpbronnen (CReMA) van Verordening (EU) nr. 538/2014 van het Europees Parlement en de Raad(58). Bij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria moet de Commissie rekening houden met bestaande milieu-indicatoren en rapportagekaders die onder meer zijn ontwikkeld door de Commissie en het Europees Milieuagentschap, en met bestaande internationale normen, zoals ontwikkeld door onder meer de OESO.

  44. Bij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria moet de Commissie ook rekening houden met de specifieke kenmerken van de infrastructuursector, en moet zij in een kosten-batenanalyse rekening houden met de ecologische, sociale en economische externaliteiten. In dat verband moet de Commissie rekening houden met het relevante Unierecht, onder meer Richtlijnen 2001/42/EG(59), 2011/92/EU(60), 2014/23/EU(61), 2014/24/EU(62) en 2014/25/EU(63) van het Europees Parlement en de Raad, alsook de Unienormen en de bestaande methodiek, en met de werkzaamheden van internationale organisaties, zoals de OESO. In dat verband moeten de technische screeningcriteria in alle fasen van de levenscyclus van een project passende governancekaders bevorderen waarin ecologische, sociale en governancefactoren, als bedoeld in de door de Verenigde Naties gesteunde beginselen voor verantwoord beleggen (Principles for Responsible Investment), zijn geïntegreerd.

  45. De technische screeningcriteria moeten bewerkstelligen dat alle betrokken economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt en gelijk worden behandeld, indien zij in gelijke mate bijdragen aan een of meer van de in deze verordening vastgelegde milieudoelstellingen. Het potentiële vermogen om aan die milieudoelstellingen bij te dragen, kan van bedrijfstak tot bedrijfstak verschillen, en dit moet in die criteria tot uiting komen. Binnen elke bedrijfstak mogen die criteria echter niet leiden tot een oneerlijke benadeling van bepaalde economische activiteiten in vergelijking met andere activiteiten indien de eerste groep in dezelfde mate aan de milieudoelstellingen bijdraagt als de tweede groep.

  46. Bij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria voor ecologisch duurzame activiteiten moet de Commissie nagaan of de vaststelling van die criteria aanleiding zou geven tot gestrande activa of zou leiden tot incoherente prikkels, dan wel een ander ongunstig effect op financiële markten zou hebben.

  47. Om te voorkomen dat nalevingskosten een te grote belasting vormen voor economische spelers, moet de Commissie technische screeningcriteria vaststellen die voldoende rechtszekerheid bieden, die werkbaar zijn en eenvoudig kunnen worden toegepast, en waarvan de naleving kan worden gecontroleerd binnen redelijke marges voor nalevingskosten, zonder dat dit onnodige administratieve lasten met zich meebrengt. Voor technische screeningcriteria kan het nodig zijn een beoordeling van de levenscyclus uit te voeren als dit voldoende werkbaar en noodzakelijk is.

  48. De Commissie moet voorrang geven aan het vaststellen van technische screeningcriteria voor de economische activiteiten die potentieel het meest aan milieudoelstellingen bijdragen, zodat beleggingen naar economische activiteiten met een zo groot mogelijk positief effect op de milieudoelstellingen worden geleid.

  49. Voor de vervoersector, onder meer voor mobiele activa, moeten passende technische screeningcriteria worden vastgesteld. Die screeningcriteria moeten rekening houden met het feit dat de vervoersector, met inbegrip van de internationale scheepvaart, verantwoordelijk is voor bijna 26 % van de totale broeikasgasemissies in de Unie. Zoals in het actieplan duurzame groei financieren staat, vertegenwoordigt de vervoersector ongeveer 30 % van de extra jaarlijkse investeringen die nodig zijn voor duurzame ontwikkeling in de Unie, bijvoorbeeld om meer te elektrificeren of de transitie naar schonere vervoerswijzen te ondersteunen door het bevorderen van een verschuiving naar andere vervoerswijzen (“modal shift”) en een beter verkeersmanagement.

  50. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij het ontwikkelen van de technische screeningcriteria tot passende raadplegingen overgaat conform de agenda voor betere regelgeving. Bij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria moeten de betreffende stakeholders worden betrokken en moet het advies van deskundigen met bewezen kennis en ervaring op de betrokken gebieden worden benut. Daartoe moet de Commissie een platform voor duurzame financiering (het “platform”) opzetten. Het platform moet bestaan uit deskundigen uit zowel de publieke als de particuliere sector. Bij de deskundigen uit de publieke sector moeten onder meer vertegenwoordigers horen van het Europees Milieuagentschap, de ETA’s, de Europese Investeringsbank en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten. Bij de deskundigen uit de particuliere sector moeten onder meer vertegenwoordigers horen van financiële- en niet-financiëlemarktdeelnemers en van bedrijfssectoren, die de relevante sectoren vertegenwoordigen, en personen met boekhoudkundige en rapportage-expertise. Verder moeten ook deskundigen uit het maatschappelijk middenveld deel uitmaken van het platform, onder meer deskundigen met expertise op het gebied van milieu-, sociale, arbeids- en governancekwesties. Financiëlemarktdeelnemers moeten ertoe worden aangemoedigd de Commissie te informeren indien zij van mening zijn dat een economische activiteit die niet aan de technische screeningcriteria voldoet of waarvoor deze criteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam moet worden aangemerkt, teneinde de Commissie te helpen om na te gaan of het passend is de technische screeningcriteria aan te vullen of te actualiseren.

  51. Het platform moet worden ingericht volgens de toepasselijke algemene regels voor de oprichting en het functioneren van deskundigengroepen van de Commissie, onder meer met betrekking tot de selectieprocedure. Bij de selectieprocedure moet worden gestreefd naar een hoge deskundigheid, geografisch en genderevenwicht en een evenwichtige vertegenwoordiging van relevante knowhow, gelet op de specifieke taken van het platform. Bij de selectieprocedure moet de Commissie volgens die algemene regels beoordelen of er mogelijke belangenconflicten zijn en moet zij zo nodig passende maatregelen nemen om dergelijke belangenconflicten op te lossen.

  52. Het platform moet de Commissie adviseren over de ontwikkeling, analyse en herziening van technische screeningcriteria, onder meer wat betreft het potentiële effect van dergelijke criteria op de waardering van activa die volgens bestaande marktpraktijken als ecologisch duurzame activa worden aangemerkt. Het platform moet de Commissie ook van advies dienen over de vraag of de technische screeningcriteria geschikt zijn voor gebruik in toekomstige beleidsinitiatieven van de Unie voor het bevorderen van duurzame beleggingen, en over de mogelijke rol van duurzaamheidsnormen inzake boekhouding en rapportage bij de ondersteuning van de toepassing van de technische screeningcriteria. Het platform moet de Commissie adviseren over de ontwikkeling van verdere maatregelen om de beschikbaarheid en kwaliteit van gegevens te verbeteren, met inachtneming van het doel onnodige administratieve lasten te voorkomen, over het aanpakken van andere duurzaamheidsdoelstellingen, waaronder sociale doelstellingen, en over de werking van minimumwaarborgen en de eventuele noodzaak deze aan te vullen.

  53. De Commissie moet de bestaande deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering voortzetten en deze een formele status geven. Die deskundigengroep zal onder meer tot taak hebben de Commissie te adviseren over de geschiktheid van de technische screeningcriteria en over de wijze waarop het platform die criteria ontwikkelt. Daartoe moet de Commissie de lidstaten op de hoogte houden door regelmatig vergaderingen van de deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering te beleggen.

  54. Met het oog op de nadere bepaling van de in deze verordening beschreven voorschriften, en met name om voor verschillende economische activiteiten gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria vast te stellen en te actualiseren over wat “substantiële bijdrage” en “ernstige afbreuk” aan de milieudoelstellingen betekent, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de informatie die vereist is om de informatieverschaffingsverplichtingen op grond van deze verordening na te leven, en ten aanzien van de technische screeningcriteria. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, zoals via het platform en de deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering, en dat de raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(64). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

  55. Deze verordening vormt een aanvulling op de informatieverschaffingsvereisten van Verordening (EU) 2019/2088. Ter wille van een ordelijk en doeltreffend toezicht op de naleving van deze verordening door financiëlemarktdeelnemers moeten de lidstaten een beroep doen op de overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2088 aangewezen bevoegde autoriteiten. Met het oog op het handhaven van de naleving moeten de lidstaten tevens regels vaststellen voor maatregelen en sancties, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. De nationale bevoegde autoriteiten en de ETA’s moeten de productinterventiebevoegdheden uitoefenen die zijn vastgelegd in de Verordeningen (EU) nr. 600/2014(65), (EU) nr. 1286/2014(66) en (EU) 2019/1238(67) van het Europees Parlement en de Raad, ook met betrekking tot misleidende verkooppraktijken of de verschaffing van misleidende informatie inzake duurzaamheid, met inbegrip van de uit hoofde van deze verordening vereiste informatie.

  56. Om te zorgen voor de efficiënte en duurzame organisatie van de werkzaamheden en vergaderpraktijken van zowel het platform als de deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering, en om een brede participatie en efficiënte interactie binnen de groepen, de subgroepen daarvan, de Commissie en de stakeholders mogelijk te maken, moet in voorkomend geval het verhoogd gebruik van digitale, met inbegrip van virtuele, technologieën worden overwogen.

  57. Om de betrokkenen voldoende tijd te geven om zich vertrouwd te maken met de in deze verordening vastgelegde criteria voor het aanmerken als ecologisch duurzame economische activiteiten, en de toepassing ervan voor te bereiden, moeten de verplichtingen van deze verordening voor elk van de milieudoelstellingen twaalf maanden na de vaststelling van de relevante technische screeningcriteria van toepassing worden.

  58. De bepaling in deze verordening die verwijst naar reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening bestaande fiscale stimuleringsregelingen waarin met certificaten wordt gewerkt, laat de in de Verdragen neergelegde respectieve bevoegdheden van de Unie en de lidstaten op belastinggebied onverlet.

  59. De toepassing van deze verordening moet regelmatig worden geëvalueerd om, onder meer, de volgende elementen te kunnen beoordelen: de vooruitgang wat betreft het ontwikkelen van technische screeningcriteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten; de eventuele noodzaak om de criteria om uit te maken of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt, te herzien en aan te vullen; de doeltreffendheid van het classificatiesysteem voor ecologisch duurzame economische activiteiten bij het toeleiden van particuliere beleggingen naar dergelijke activiteiten en vooral wat betreft de kapitaalstroom naar particuliere ondernemingen en andere juridische entiteiten, en de verdere ontwikkeling van dat classificatiesysteem, met inbegrip van de uitbreiding van het toepassingsgebied ervan tot andere dan ecologisch duurzame economische activiteiten, teneinde activiteiten te omvatten die het milieu aanzienlijk schaden, alsook andere duurzaamheidsdoelstellingen, met inbegrip van sociale doelstellingen.

  60. Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de noodzaak om op Unieniveau uniforme criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten in te voeren, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

1.

In deze verordening worden de criteria vastgesteld om uit te maken of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt, met het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is.

2.

Deze verordening is van toepassing op:

  1. door lidstaten of de Unie genomen maatregelen die voorschriften vaststellen voor financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam beschikbaar worden gesteld;

  2. financiëlemarktdeelnemers die financiële producten beschikbaar stellen;

  3. ondernemingen die zijn onderworpen aan de verplichting een niet-financiële verklaring of een geconsolideerde niet-financiële verklaring openbaar te maken op grond van respectievelijk artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad(68).

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. “ecologisch duurzame belegging”: een belegging in een of meerdere economische activiteiten die uit hoofde van deze verordening als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt;

  2. “financiëlemarktdeelnemer”: een financiëlemarktdeelnemer in de zin van artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2019/2088, met inbegrip van een ontwikkelaar van een pensioenproduct ten aanzien waarvan een lidstaat heeft beslist die verordening erop toe te passen overeenkomstig artikel 16 van die verordening;

  3. “financieel product”: een financieel product in de zin van artikel 2, punt 12, van Verordening (EU) 2019/2088;

  4. “uitgevende instelling”: een uitgevende instelling in de zin van artikel 2, onder h), van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad(69);

  5. “mitigatie van klimaatverandering”: het proces om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur te beperken tot beduidend minder dan 2 °C en de inspanningen voort te zetten om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs;

  6. “adaptatie aan klimaatverandering”: het proces van aanpassing aan de daadwerkelijke en verwachte klimaatverandering en de gevolgen daarvan;

  7. “broeikasgas”: een broeikasgas genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad(70);

  8. “afvalhiërarchie”: de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG;

  9. “circulaire economie”: een economisch systeem waarbij de waarde van producten, materialen en andere hulpbronnen in de economie zo lang mogelijk wordt behouden, waarbij deze efficiënter worden gebruikt bij productie en consumptie, en waardoor het milieueffect van het gebruik ervan wordt verminderd, en afval en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in alle stadia van de levenscyclus zo veel mogelijk worden beperkt, onder meer door toepassing van de afvalhiërarchie;

  10. “verontreinigende stof”: een stof, trilling, warmte, geluid, licht of andere contaminant in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of het milieu kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële bezittingen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg staan;

  11. “bodem”: de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak, en die bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen;

  12. “verontreiniging”:

    1. het door menselijke activiteiten direct of indirect inbrengen van verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem;

    2. in het kader van mariene verontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/56/EG;

    3. in het kader van waterverontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 2, punt 33, van Richtlijn 2000/60/EG;

  13. “ecosysteem”: een dynamisch complex van levensgemeenschappen van planten, dieren en micro-organismen en hun niet-levende omgeving, die in een onderlinge wisselwerking een functionele eenheid vormen;

  14. “ecosysteemdiensten”: de directe en indirecte bijdragen van ecosystemen aan de economische, sociale, culturele en andere voordelen die mensen uit die ecosystemen halen;

  15. “biodiversiteit”: de variabiliteit onder levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken, hetgeen diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen omvat;

  16. “goede staat”: in verband met een ecosysteem, een ecosysteem dat in goede fysische, chemische en biologische staat of van goede fysische, chemische en biologische kwaliteit is en een zelfreproducerend of zelfherstellend vermogen heeft, waarin de soortensamenstelling, de ecosysteemstructuur en de ecologische functies niet worden verzwakt;

  17. “energie-efficiëntie”: het efficiënter energiegebruik in alle stadia van de energieketen, van opwekking tot eindverbruik;

  18. “mariene wateren”: mariene wateren in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG;

  19. “oppervlaktewater”: oppervlaktewater in de zin van artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2000/60/EG;

  20. “grondwater”: grondwater in de zin van artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2000/60/EG;

  21. “goede milieutoestand”: een goede milieutoestand in de zin van artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

  22. “goede toestand”:

    1. voor oppervlaktewater, het vertonen van zowel een “goede ecologische toestand” in de zin van artikel 2, punt 22, van Richtlijn 2000/60/EG als een “goede chemische toestand van oppervlaktewater” in de zin van artikel 2, punt 24, van die richtlijn;

    2. voor grondwater, het vertonen van zowel een “goede chemische toestand van grondwater” in de zin van artikel 2, punt 25, van Richtlijn 2000/60/EG als een “goede kwantitatieve toestand” in de zin van artikel 2, punt 28, van die richtlijn;

  23. “goed ecologisch potentieel”: goed ecologisch potentieel in de zin van artikel 2, punt 23, van Richtlijn 2000/60/EG.

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.

In deze verordening worden de criteria vastgesteld om uit te maken of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt, met het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is.

2.

Deze verordening is van toepassing op:

  1. door lidstaten of de Unie genomen maatregelen die voorschriften vaststellen voor financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam beschikbaar worden gesteld;

  2. financiëlemarktdeelnemers die financiële producten beschikbaar stellen;

  3. ondernemingen die zijn onderworpen aan de verplichting een niet-financiële verklaring of een geconsolideerde niet-financiële verklaring openbaar te maken op grond van respectievelijk artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad(68).

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. “ecologisch duurzame belegging”: een belegging in een of meerdere economische activiteiten die uit hoofde van deze verordening als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt;

  2. “financiëlemarktdeelnemer”: een financiëlemarktdeelnemer in de zin van artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2019/2088, met inbegrip van een ontwikkelaar van een pensioenproduct ten aanzien waarvan een lidstaat heeft beslist die verordening erop toe te passen overeenkomstig artikel 16 van die verordening;

  3. “financieel product”: een financieel product in de zin van artikel 2, punt 12, van Verordening (EU) 2019/2088;

  4. “uitgevende instelling”: een uitgevende instelling in de zin van artikel 2, onder h), van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad(69);

  5. “mitigatie van klimaatverandering”: het proces om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur te beperken tot beduidend minder dan 2 °C en de inspanningen voort te zetten om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs;

  6. “adaptatie aan klimaatverandering”: het proces van aanpassing aan de daadwerkelijke en verwachte klimaatverandering en de gevolgen daarvan;

  7. “broeikasgas”: een broeikasgas genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad(70);

  8. “afvalhiërarchie”: de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG;

  9. “circulaire economie”: een economisch systeem waarbij de waarde van producten, materialen en andere hulpbronnen in de economie zo lang mogelijk wordt behouden, waarbij deze efficiënter worden gebruikt bij productie en consumptie, en waardoor het milieueffect van het gebruik ervan wordt verminderd, en afval en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in alle stadia van de levenscyclus zo veel mogelijk worden beperkt, onder meer door toepassing van de afvalhiërarchie;

  10. “verontreinigende stof”: een stof, trilling, warmte, geluid, licht of andere contaminant in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of het milieu kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële bezittingen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg staan;

  11. “bodem”: de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak, en die bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen;

  12. “verontreiniging”:

    1. het door menselijke activiteiten direct of indirect inbrengen van verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem;

    2. in het kader van mariene verontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/56/EG;

    3. in het kader van waterverontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 2, punt 33, van Richtlijn 2000/60/EG;

  13. “ecosysteem”: een dynamisch complex van levensgemeenschappen van planten, dieren en micro-organismen en hun niet-levende omgeving, die in een onderlinge wisselwerking een functionele eenheid vormen;

  14. “ecosysteemdiensten”: de directe en indirecte bijdragen van ecosystemen aan de economische, sociale, culturele en andere voordelen die mensen uit die ecosystemen halen;

  15. “biodiversiteit”: de variabiliteit onder levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken, hetgeen diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen omvat;

  16. “goede staat”: in verband met een ecosysteem, een ecosysteem dat in goede fysische, chemische en biologische staat of van goede fysische, chemische en biologische kwaliteit is en een zelfreproducerend of zelfherstellend vermogen heeft, waarin de soortensamenstelling, de ecosysteemstructuur en de ecologische functies niet worden verzwakt;

  17. “energie-efficiëntie”: het efficiënter energiegebruik in alle stadia van de energieketen, van opwekking tot eindverbruik;

  18. “mariene wateren”: mariene wateren in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG;

  19. “oppervlaktewater”: oppervlaktewater in de zin van artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2000/60/EG;

  20. “grondwater”: grondwater in de zin van artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2000/60/EG;

  21. “goede milieutoestand”: een goede milieutoestand in de zin van artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

  22. “goede toestand”:

    1. voor oppervlaktewater, het vertonen van zowel een “goede ecologische toestand” in de zin van artikel 2, punt 22, van Richtlijn 2000/60/EG als een “goede chemische toestand van oppervlaktewater” in de zin van artikel 2, punt 24, van die richtlijn;

    2. voor grondwater, het vertonen van zowel een “goede chemische toestand van grondwater” in de zin van artikel 2, punt 25, van Richtlijn 2000/60/EG als een “goede kwantitatieve toestand” in de zin van artikel 2, punt 28, van die richtlijn;

  23. “goed ecologisch potentieel”: goed ecologisch potentieel in de zin van artikel 2, punt 23, van Richtlijn 2000/60/EG.

HOOFDSTUK II ECOLOGISCH DUURZAME ECONOMISCHE ACTIVITEITEN

Met het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is, wordt een economische activiteit aangemerkt als ecologisch duurzaam indien die economische activiteit:

  1. overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 16 substantieel bijdraagt aan een of meer van de in artikel 9 genoemde milieudoelstellingen;

  2. overeenkomstig artikel 17 geen ernstige afbreuk doet aan de in artikel 9 genoemde milieudoelstellingen;

  3. wordt verricht met inachtneming van de in artikel 18 vastgestelde minimumgaranties, en

  4. voldoet aan de technische screeningcriteria die door de Commissie zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 10, lid 3, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, of artikel 15, lid 2.

De lidstaten en de Unie hanteren de criteria van artikel 3 om te bepalen of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt met het oog op maatregelen tot vaststelling van voorschriften voor financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam beschikbaar worden gesteld.

Indien een in artikel 9, lid 1, 2 of 3, van Verordening (EU) 2019/2088 bedoeld financieel product belegt in een economische activiteit die bijdraagt aan een milieudoelstelling in de zin van artikel 2, punt 17, van die verordening, omvat de overeenkomstig artikel 6, lid 3, en artikel 11, lid 2, van die verordening te verschaffen informatie het volgende:

  1. de informatie over de milieudoelstelling of milieudoelstellingen als beschreven in artikel 9 van deze verordening waaraan de onderliggende belegging van het financiële product bijdraagt;

  2. een beschrijving van hoe en in welke mate de aan het financiële product onderliggende beleggingen beleggingen zijn in economische activiteiten die als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt uit hoofde van artikel 3 van deze verordening.

In de in dit artikel, eerste alinea, onder b), bedoelde beschrijving wordt het aandeel van de voor het financieel product geselecteerde beleggingen in ecologisch duurzame economische activiteiten gespecificeerd, met inbegrip van nadere gegevens over de respectievelijk in artikel 16 en in artikel 10, lid 2, bedoelde aandelen van faciliterende en transitieactiviteiten, uitgedrukt als een percentage van alle voor het financiële product geselecteerde beleggingen.

Indien een in artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2088 bedoeld financieel product milieukenmerken promoot, is artikel 5 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

De overeenkomstig artikel 6, lid 3, en artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2019/2088 te verschaffen informatie gaat vergezeld van de volgende verklaring:

“Het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” is alleen van toepassing op de onderliggende beleggingen van het financiële product die rekening houden met de EU-criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten.

De onderliggende beleggingen van het resterende deel van dit financiële product houden geen rekening met de EU-criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten.”.

Indien een financieel product niet valt onder artikel 8, lid 1, of onder artikel 9, lid 1, 2 of 3, van Verordening (EU) 2019/2088, gaat de informatie die overeenkomstig de in artikel 6, lid 3, en artikel 11, lid 2, van die verordening bedoelde sectorale wetgeving moet worden verschaft, vergezeld van de volgende verklaring:

“De onderliggende beleggingen van dit financiële product houden geen rekening met de EU-criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten.”.

1.

Een onderneming die op grond van artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU verplicht is niet-financiële informatie openbaar te maken, neemt in haar niet-financiële verklaring of geconsolideerde niet-financiële verklaring informatie op over hoe en in welke mate de activiteiten van de onderneming verband houden met economische activiteiten die als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt uit hoofde van de artikelen 3 en 9 van deze verordening.

2.

Niet-financiële ondernemingen verschaffen met name de volgende informatie:

  1. het aandeel van hun omzet uit producten of diensten die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt, en

  2. het aandeel van hun kapitaaluitgaven, en het aandeel van hun operationele uitgaven, in verband met activa of processen die verband houden met economische activiteiten die uit hoofde van de artikelen 3 en 9 als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt.

3.

Indien een onderneming op grond van artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU niet-financiële informatie openbaar maakt in een afzonderlijk verslag overeenkomstig artikel 19 bis, lid 4, of artikel 29 bis, lid 4, van die richtlijn, wordt de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde informatie in dat afzonderlijke verslag openbaar gemaakt.

4.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van de leden 1 en 2 van dit artikel met het oog op de nadere bepaling van de inhoud en presentatie van de op grond van die leden te verschaffen informatie, met inbegrip van de methodiek die moet worden gehanteerd om aan die leden te voldoen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van zowel financiële als niet-financiële ondernemingen en de technische screeningcriteria die op grond van deze verordening zijn vastgesteld. De Commissie stelt die gedelegeerde handeling uiterlijk op 1 juni 2021 vast.

Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende doelstellingen milieudoelstellingen:

  1. de mitigatie van klimaatverandering;

  2. de adaptatie aan klimaatverandering;

  3. het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen;

  4. de transitie naar een circulaire economie;

  5. de preventie en bestrijding van verontreiniging;

  6. de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen.

1.

Een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de mitigatie van klimaatverandering bijdraagt indien die activiteit in overeenstemming met de langetermijntemperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen, door het beletten of verminderen van broeikasgasemissies of het vergroten van broeikasgasverwijderingen, onder meer door proces- of productinnovatie, door middel van:

  1. opwekking, transmissie, opslag, distributie of gebruik van hernieuwbare energie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001, onder meer door gebruikmaking van innovatieve technologie met een potentieel voor aanzienlijke toekomstige besparingen of door de noodzakelijke versterking of uitbreiding van het net;

  2. verbetering van de energie-efficiëntie, behalve voor energieopwekkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 19, lid 3;

  3. uitbreiding van schone of klimaatneutrale mobiliteit;

  4. overschakeling op het gebruik van duurzaam gewonnen hernieuwbare materialen;

  5. uitbreiding van het gebruik van technologieën voor ecologisch veilig(e) koolstofafvang en ‐gebruik (carbon capture and utilisation, CCU) en koolstofafvang en ‐opslag (carbon capture and storage, CCS) die voor een nettoreductie van broeikasgasemissies zorgen;

  6. versterking van koolstofputten op land, onder meer door het vermijden van ontbossing en aantasting van bossen, herstel van bossen, duurzaam beheer en herstel van akkerland, grasland en watergebieden (wetlands), bebossing en regeneratieve landbouw;

  7. totstandbrenging van energie-infrastructuur die nodig is om energiesystemen koolstofvrij te maken;

  8. productie van schone en efficiënte brandstoffen uit hernieuwbare of koolstofneutrale bronnen, of

  9. het overeenkomstig artikel 16 faciliteren van een of meer van de in de punten a) tot en met h) van dit lid opgenomen activiteiten.

2.

Voor de toepassing van lid 1 wordt een economische activiteit waarvoor er geen technologisch en economisch haalbaar koolstofarm alternatief bestaat, aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de mitigatie van klimaatverandering bijdraagt indien ze de transitie naar een klimaatneutrale economie ondersteunt volgens een traject naar beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, onder meer door broeikasgasemissies, met name emissies uit vaste fossiele brandstoffen, af te bouwen, en indien die activiteit:

  1. broeikasgasemissieniveaus vertoont die overeenstemmen met de beste prestaties in de sector of de industrie;

  2. de ontwikkeling en toepassing van koolstofarme alternatieven niet in de weg staat, en

  3. niet leidt tot een lock‐in van koolstofintensieve activa, gelet op hun economische levensduur.

Voor de toepassing van dit lid en de vaststelling van technische screeningcriteria op grond van artikel 19 beoordeelt de Commissie de potentiële bijdrage en de haalbaarheid van alle relevante bestaande technologieën.

3.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast met het oog op:

  1. het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering, en

  2. het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.

4.

Alvorens de in lid 3 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie het in artikel 20 bedoelde platform over de in lid 3 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria.

5.

De Commissie stelt de in lid 3 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdend met de vereisten van artikel 19.

6.

De Commissie stelt de in lid 3 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2020 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2022 van toepassing wordt.

1.

Een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de adaptatie aan klimaatverandering bijdraagt indien die activiteit:

  1. adaptatieoplossingen omvat die ofwel het risico op ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op die economische activiteit substantieel verminderen, ofwel die ongunstige effecten substantieel verminderen, zonder het risico op ongunstige effecten op de mens, de natuur of activa te vergroten, of

  2. adaptatieoplossingen biedt die, naast het feit dat ze aan de in artikel 16 gestelde voorwaarden tegemoetkomen, substantieel bijdragen aan het voorkomen of verminderen van het risico op ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op de mens, de natuur of activa, zonder het risico op ongunstige effecten op andere personen, de natuur of activa te vergroten.

2.

De in lid 1, onder a), bedoelde adaptatieoplossingen worden beoordeeld en gerangschikt naar prioriteit aan de hand van de beste beschikbare klimaatprognoses en voorkomen of verminderen ten minste:

  1. de locatiespecifieke en contextspecifieke ongunstige effecten van klimaatverandering op de economische activiteit, of

  2. de potentiële ongunstige effecten van klimaatverandering op het milieu waarbinnen de economische activiteit plaatsvindt.

3.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast met het oog op:

  1. het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering, en

  2. het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.

4.

Alvorens de in lid 3 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie het in artikel 20 bedoelde platform over de in lid 3 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria.

5.

De Commissie stelt de in lid 3 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdend met de vereisten van artikel 19.

6.

De Commissie stelt de in lid 3 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2020 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2022 van toepassing wordt.

1.

Een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen bijdraagt indien die activiteit ofwel substantieel bijdraagt aan het bereiken van de goede toestand van waterlichamen, met inbegrip van oppervlakte- en grondwaterlichamen, of aan het voorkomen van de verslechtering van waterlichamen die reeds in goede toestand verkeren, ofwel substantieel bijdraagt aan het bereiken van de goede milieutoestand van mariene wateren of aan het voorkomen van de verslechtering van mariene wateren die reeds in goede milieutoestand verkeren, door middel van:

  1. het beschermen van het milieu tegen de ongunstige effecten van lozingen van stedelijk en industrieel afvalwater, met inbegrip van contaminanten waarover de bezorgdheid toeneemt, zoals geneesmiddelen en microplastics, bijvoorbeeld door te zorgen voor de gepaste opvang, behandeling en lozing van stedelijk en industrieel afvalwater;

  2. het beschermen van de gezondheid van de mens tegen de ongunstige effecten van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen bevat die een gevaar voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren, en door de toegang van mensen tot schoon drinkwater te verhogen;

  3. het verbeteren van de waterhuishouding en ‐efficiëntie, onder meer door het beschermen en verbeteren van de toestand van aquatische ecosystemen, door het bevorderen van het duurzaam gebruik van water door de bescherming op lange termijn van beschikbare watervoorraden, onder meer door middel van maatregelen zoals hergebruik van water, door de progressieve vermindering van emissies van verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater en het grondwater te garanderen, door bij te dragen aan het milderen van de effecten van overstromingen en droogten, of door middel van iedere andere activiteit die de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van waterlichamen beschermt of verbetert;

  4. het zorgen voor het duurzaam gebruik van mariene-ecosysteemdiensten of het bijdragen aan de goede milieutoestand van mariene wateren, onder meer door het mariene milieu te beschermen, in stand te houden of te herstellen, en door het voorkomen of verminderen van inbreng in het mariene milieu, of

  5. het overeenkomstig artikel 16 faciliteren van een of meer van de in de punten a) tot en met d) van dit lid opgenomen activiteiten.

2.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast met het oog op:

  1. het aanvullen van lid 1 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, en

  2. het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.

3.

Alvorens de in lid 2 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie het in artikel 20 bedoelde platform over de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria.

4.

De Commissie stelt de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdend met de vereisten van artikel 19.

5.

De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2023 van toepassing wordt.

1.

Een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel bijdraagt aan de transitie naar een circulaire economie, met inbegrip van preventie, hergebruik en recycling van afval, indien die activiteit:

  1. natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van duurzaam gewonnen grondstoffen van biologische oorsprong en andere grondstoffen, efficiënter in de productie gebruikt, onder meer door:

    1. het verminderen van het gebruik van primaire grondstoffen of het vergroten van het gebruik van bijproducten en secundaire grondstoffen, of

    2. maatregelen inzake het efficiënt gebruik van hulpbronnen en inzake energie-efficiëntie;

  2. de duurzaamheid, de repareerbaarheid, de verbeterbaarheid of de herbruikbaarheid van producten verhoogt, met name bij ontwerp- en vervaardigingsactiviteiten;

  3. de recyclebaarheid van producten vergroot, met inbegrip van de recyclebaarheid van individuele materialen in die producten, onder meer door substitutie of verminderd gebruik van producten en materialen die niet recyclebaar zijn, met name bij ontwerp- en vervaardigingsactiviteiten;

  4. het gehalte aan gevaarlijke stoffen substantieel vermindert en zeer zorgwekkende stoffen in materialen en producten gedurende hun levenscyclus substitueert, in overeenstemming met de in het Unierecht vastgestelde doelstellingen, onder meer door dergelijke stoffen te vervangen door veiliger alternatieven en door de traceerbaarheid te waarborgen;

  5. het gebruik van producten verlengt, onder meer door hergebruik, ontwerp voor lange levensduur, herbestemming, demontage, remanufacturing, verbetering en reparatie, en het delen van producten;

  6. het gebruik van secundaire grondstoffen en de kwaliteit ervan verhoogt, onder meer door hoogkwalitatieve afvalrecycling;

  7. afvalproductie voorkomt of terugdringt, met inbegrip van de productie van afval bij de winning van delfstoffen en afval bij het bouwen en het slopen van gebouwen;

  8. het voorbereiden voor het hergebruik en de recycling van afval uitbreidt;

  9. de ontwikkeling van de infrastructuur voor afvalbeheer die nodig is voor preventie, voor de voorbereiding voor hergebruik en voor recycling, uitbreidt, waarbij er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de teruggewonnen materialen worden gerecycled als kwalitatief hoogwaardige secundaire grondstoffen in de productie, en downcycling wordt vermeden;

  10. afvalverbranding zo veel mogelijk beperkt en afvalverwijdering, met inbegrip van storten, vermijdt, overeenkomstig de beginselen van de afvalhiërarchie;

  11. zwerfvuil vermijdt en vermindert, of

  12. overeenkomstig artikel 16 een of meer van de in de punten a) tot en met k) van dit lid opgenomen activiteiten faciliteert.

2.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast met het oog op:

  1. het aanvullen van lid 1 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de transitie naar een circulaire economie, en

  2. het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.

3.

Alvorens de in lid 2 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie het in artikel 20 bedoelde platform over de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria.

4.

De Commissie stelt de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdend met de vereisten van artikel 19.

5.

De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2023 van toepassing wordt.

1.

Een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de preventie en bestrijding van verontreiniging bijdraagt indien die activiteit substantieel bijdraagt aan de bescherming van het milieu tegen verontreiniging door middel van:

  1. het voorkomen of, wanneer dat niet uitvoerbaar blijkt, het verminderen, van andere emissies van verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem dan broeikasgassen;

  2. het verbeteren van het niveau van lucht-, water- of bodemkwaliteit in gebieden waar de economische activiteit plaatsvindt, waarbij ongunstige effecten op de gezondheid van de mens en op het milieu, of het risico daarop, tot een minimum worden beperkt;

  3. het voorkomen of tot een minimum beperken van ongunstige effecten van de productie, het gebruik of de verwijdering van chemische stoffen op de gezondheid van de mens en op het milieu;

  4. het opruimen van zwerfvuil en andere verontreiniging, of

  5. het overeenkomstig artikel 16 faciliteren van een of meer van de in de punten a) tot en met d) van dit lid opgenomen activiteiten.

2.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast met het oog op:

  1. het aanvullen van lid 1 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de preventie en bestrijding van verontreiniging, en

  2. het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.

3.

Alvorens de in lid 2 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie het in artikel 20 bedoelde platform over de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria.

4.

De Commissie stelt de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdend met de vereisten van artikel 19.

5.

De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2023 van toepassing wordt.

1.

Een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen bijdraagt indien die activiteit substantieel bijdraagt aan het beschermen, behouden of herstellen van de biodiversiteit of aan het bereiken van de goede staat van ecosystemen, dan wel aan het beschermen van reeds in goede staat verkerende ecosystemen, door middel van:

  1. natuur- en biodiversiteitsbehoud, met inbegrip van het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van natuurlijke en halfnatuurlijke habitats en soorten, of van het voorkomen van het verslechteren ervan wanneer zij reeds in gunstige staat van instandhouding verkeren, en van het beschermen en het herstellen van terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen, om hun staat en hun vermogen om ecosysteemdiensten te verlenen, te verbeteren;

  2. duurzaam bodemgebruik en ‐beheer, met inbegrip van afdoende bescherming van de bodembiodiversiteit; neutraliteit qua bodemdegradatie; en de sanering van verontreinigde terreinen;

  3. duurzame landbouwpraktijken, met inbegrip van praktijken die bijdragen aan de verbetering van de biodiversiteit of het stoppen of voorkomen van de degradatie van bodems en andere ecosystemen, van ontbossing en van habitatverlies;

  4. duurzaam bosbeheer, met inbegrip van praktijken en gebruik van bossen en bosgrond die bijdragen aan de verbetering van de biodiversiteit of het stoppen of voorkomen van de degradatie van ecosystemen, van ontbossing en van habitatverlies, of

  5. het overeenkomstig artikel 16 faciliteren van een of meer van de in de punten a) tot en met d) van dit lid opgenomen activiteiten.

2.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling vast met het oog op:

  1. het aanvullen van lid 1 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, en

  2. het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.

3.

Alvorens de in lid 2 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie het in artikel 20 bedoelde platform over de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria.

4.

De Commissie stelt de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdend met de vereisten van artikel 19.

5.

De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2023 van toepassing wordt.

Een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan een of meer van de in artikel 9 genoemde milieudoelstellingen bijdraagt indien die activiteit andere activiteiten rechtstreeks faciliteert een substantiële bijdrage te leveren aan een of meer van die doelstellingen, op voorwaarde dat een dergelijke economische activiteit:

  1. niet leidt tot een lock‐in van activa die, gelet op hun economische levensduur, de milieudoelstellingen voor de lange termijn ondermijnen, en

  2. op basis van levenscyclusoverwegingen een substantieel positief milieueffect heeft.

1.

Voor de toepassing van artikel 3, onder b), wordt een economische activiteit, rekening houdend met de levenscyclus van de producten en diensten die zij oplevert, met inbegrip van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusbeoordelingen, geacht ernstig afbreuk te doen aan:

  1. de mitigatie van klimaatverandering, indien die activiteit leidt tot aanzienlijke broeikasgasemissies;

  2. de adaptatie aan klimaatverandering, indien die activiteit leidt tot een toegenomen ongunstig effect van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op de activiteit zelf of op de mens, de natuur of activa;

  3. het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, indien die activiteit schadelijk is:

    1. voor de goede toestand of het goed ecologisch potentieel van waterlichamen, met inbegrip van oppervlaktewater en grondwater, of

    2. voor de goede milieutoestand van mariene wateren;

  4. de circulaire economie, met inbegrip van preventie en recycling van afval, indien:

    1. die activiteit leidt tot aanzienlijke inefficiënties bij het gebruik van materialen of bij het directe of indirecte gebruik van natuurlijke hulpbronnen zoals niet-hernieuwbare energiebronnen, grondstoffen, water en bodem in een of meer stadia van de levenscyclus van producten, onder meer in termen van duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid, herbruikbaarheid of recyclebaarheid van producten;

    2. die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van de productie, verbranding of verwijdering van afval, met uitzondering van de verbranding van niet-recyclebaar gevaarlijk afval, of

    3. de verwijdering van afval op lange termijn kan leiden tot aanzienlijke en langdurige schade aan het milieu;

  5. de preventie en bestrijding van verontreiniging, indien die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van emissies van verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem, vergeleken met de situatie voordat de activiteit van start ging, of

  6. de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, indien die activiteit:

    1. in aanzienlijke mate schadelijk is voor de goede staat en de veerkracht van ecosystemen, of

    2. schadelijk is voor de staat van instandhouding van habitats en soorten, met inbegrip van die welke van Uniebelang zijn.

2.

Bij het toetsen van een economische activiteit aan de criteria van lid 1 wordt rekening gehouden met zowel de milieueffecten van de activiteit zelf als die van de door die activiteit opgeleverde producten en diensten gedurende hun levenscyclus, met name door de productie, het gebruik en het einde van de levensduur van die producten en diensten in acht te nemen.

1.

De in artikel 3, onder c), bedoelde minimumgaranties zijn procedures die ten uitvoer worden gelegd door een onderneming die een economische activiteit verricht, om overeenstemming te garanderen met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, met inbegrip van de principes en rechten die worden beschreven in de acht fundamentele verdragen die in de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk worden genoemd en in het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens.

2.

Bij de uitvoering van de in lid 1 van dit artikel bedoelde procedures houden ondernemingen zich aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, vermeld in artikel 2, punt 17, van Verordening (EU) 2019/2088.

1.

De op grond van artikel 10, lid 3, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 2, vastgestelde technische screeningcriteria:

  1. vermelden de meest relevante potentiële bijdragen aan de specifieke milieudoelstelling, waarbij het beginsel van technologische neutraliteit in acht wordt genomen, en waarbij naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte en lange termijn wordt gekeken;

  2. bepalen de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan om ernstige afbreuk aan alle relevante milieudoelstellingen te vermijden, waarbij naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte en lange termijn wordt gekeken;

  3. zijn voor zover mogelijk kwantitatief en bevatten drempels, en zijn in het andere geval kwalitatief;

  4. bouwen, waar nodig, voort op Unieregelingen voor labels en certificering, Uniemethodieken voor het beoordelen van de ecologische voetafdruk en Uniesystemen voor statistische classificatie, en houden rekening met alle relevante bestaande Uniewetgeving;

  5. maken indien mogelijk gebruik van duurzaamheidsindicatoren als bedoeld in artikel 4, lid 6, van Verordening (EU) 2019/2088;

  6. zijn gebaseerd op sluitend wetenschappelijk bewijs en op het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel;

  7. houden rekening met de levenscyclus, met inbegrip van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusbeoordelingen, door zowel de milieueffecten van de economische activiteit zelf als die van de door die economische activiteit opgeleverde producten en diensten in acht te nemen, met name door de productie, het gebruik en het einde van de levensduur van die producten en diensten in acht te nemen;

  8. houden rekening met de aard en de schaal van de economische activiteit, met inbegrip van:

    1. de vraag of het gaat om een faciliterende activiteit als bedoeld in artikel 16;

    2. de vraag of het gaat om een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2;

  9. houden rekening met het potentiële effect op de markt van de transitie naar een duurzamere economie, met inbegrip van het risico dat bepaalde activa als gevolg van die transitie gestrande activa worden, alsmede het risico dat er incoherente prikkels voor duurzaam beleggen ontstaan;

  10. bestrijken alle relevante economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak en zorgen ervoor dat die activiteiten gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate aan de milieudoelstellingen in artikel 9 van deze verordening bijdragen, teneinde verstoring van de mededinging op de markt te voorkomen, en

  11. zijn gemakkelijk toepasbaar en worden vastgesteld op een manier die de controle op de naleving ervan faciliteert.

    Indien de economische activiteit tot een van de onder h) bedoelde categorieën behoort, geven de technische screeningcriteria dat duidelijk aan.

2.

De in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria omvatten ook criteria voor activiteiten die verband houden met de transitie naar schone energie volgens een traject naar beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, met name energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor zover die activiteiten substantieel bijdragen aan een van de milieudoelstellingen.

3.

De in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria zorgen ervoor dat de opwekking van elektriciteit middels vaste fossiele brandstoffen niet wordt aangemerkt als een ecologisch duurzame economische activiteit.

4.

De in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria omvatten ook criteria voor activiteiten die verband houden met de overschakeling naar schone of klimaatneutrale mobiliteit, onder meer via modal shift, efficiëntiemaatregelen en alternatieve brandstoffen, voor zover die activiteiten substantieel bijdragen aan een van de milieudoelstellingen.

5.

De Commissie evalueert op gezette tijden de in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria en wijzigt zo nodig de overeenkomstig deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen in het licht van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

In dat verband beoordeelt de Commissie, alvorens een gedelegeerde handeling te wijzigen of te vervangen, de uitvoering van die criteria, rekening houdend met het resultaat van de toepassing ervan door de financiëlemarktdeelnemers en het effect ervan op de kapitaalmarkten, met inbegrip van het toeleiden van beleggingen naar ecologisch duurzame economische activiteiten.

Om ervoor te zorgen dat de in artikel 10, lid 2, bedoelde economische activiteiten blijven verlopen volgens een geloofwaardig transitietraject dat strookt met een klimaatneutrale economie, evalueert de Commissie ten minste om de drie jaar de technische screeningcriteria voor die activiteiten, en wijzigt zij zo nodig de in artikel 10, lid 3, bedoelde gedelegeerde handeling in het licht van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

1.

De Commissie richt een platform voor duurzame financiering (“het platform”) op. Het platform wordt op evenwichtige manier samengesteld uit de volgende groepen:

  1. vertegenwoordigers van:

    1. het Europees Milieuagentschap;

    2. de ETA’s;

    3. de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds, en

    4. het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten;

  2. deskundigen die relevante particuliere stakeholders vertegenwoordigen, met inbegrip van financiële- en niet-financiëlemarktdeelnemers en bedrijfssectoren die relevante industrietakken vertegenwoordigen, en personen met boekhoudkundige en rapportage-expertise;

  3. deskundigen die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, met inbegrip van personen met expertise op het gebied van milieu-, sociale, arbeids- en governancekwesties;

  4. deskundigen die op persoonlijke titel zijn aangesteld, met bewezen kennis en ervaring op de door deze verordening bestreken gebieden;

  5. deskundigen die de academische wereld vertegenwoordigen, met inbegrip van universiteiten, onderzoeksinstellingen en andere wetenschappelijke organisaties, met inbegrip van personen met mondiale expertise.

2.

Het platform:

  1. adviseert de Commissie over de in artikel 19 bedoelde technische screeningcriteria en de eventuele noodzaak om die criteria te actualiseren;

  2. analyseert het effect van de technische screeningcriteria wat betreft potentiële kosten en baten van de toepassing ervan;

  3. assisteert de Commissie bij het onderzoek van verzoeken van stakeholders om technische screeningcriteria voor een bepaalde economische activiteit te ontwikkelen of te herzien;

  4. adviseert de Commissie waar nodig over de mogelijke rol van duurzaamheidsnormen bij boekhouding en rapportage ter ondersteuning van de toepassing van de technische screeningcriteria;

  5. monitort kapitaalstromen richting duurzame beleggingen en doet de Commissie op gezette tijden verslag over trends ter zake op het niveau van de Unie en van de lidstaten;

  6. adviseert de Commissie over de eventuele noodzaak om verdere maatregelen te ontwikkelen teneinde de beschikbaarheid en kwaliteit van gegevens te verbeteren;

  7. adviseert de Commissie over de bruikbaarheid van de technische screeningcriteria, rekening houdend met de noodzaak onnodige administratieve lasten te vermijden;

  8. adviseert de Commissie over de eventuele noodzaak om deze verordening te wijzigen;

  9. adviseert de Commissie over de evaluatie en de ontwikkeling van beleid inzake duurzame financiering, mede wat betreft vraagstukken in verband met beleidscoherentie;

  10. adviseert de Commissie over het in ogenschouw nemen van andere duurzaamheidsdoelstellingen, met inbegrip van sociale doelstellingen;

  11. adviseert de Commissie over de toepassing van artikel 18 en de eventuele noodzaak om de voorschriften daarvan aan te vullen.

3.

Het platform houdt rekening met de standpunten van een breed scala van stakeholders.

4.

Het platform wordt voorgezeten door de Commissie en samengesteld overeenkomstig de horizontale regels voor de oprichting en de werking van deskundigengroepen van de Commissie. In dat verband kan de Commissie op ad-hocbasis deskundigen met specifieke expertise uitnodigen.

5.

Het platform voert zijn taken uit in overeenstemming met het transparantiebeginsel. De Commissie publiceert de notulen van de vergaderingen van het platform en de andere relevante documenten op de website van de Commissie.

6.

Indien financiëlemarktdeelnemers van oordeel zijn dat een economische activiteit die niet voldoet aan de op grond van deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria of waarvoor die technische screeningcriteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam moet worden aangemerkt, kunnen zij het platform daarvan in kennis stellen.

1.

De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2088 bedoelde bevoegde autoriteiten erop toezien dat financiëlemarktdeelnemers voldoen aan de voorschriften van de artikelen 5, 6 en 7 van deze verordening. De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten over alle nodige toezichts- en onderzoeksbevoegdheden beschikken voor de uitoefening van hun functies in het kader van deze verordening.

2.

Voor de toepassing van deze verordening werken de bevoegde autoriteiten samen en verstrekken ze elkaar zonder onnodige vertraging de informatie die voor het uitvoeren van hun taken in het kader van deze verordening relevant is.

De lidstaten stellen de regels vast inzake maatregelen en sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de artikelen 5, 6 en 7. De maatregelen en sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

1.

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.

De in artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 12 juli 2020.

3.

Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.

De Commissie verzamelt voorafgaand aan het vaststellen en tijdens het opstellen van gedelegeerde handelingen alle nodige expertise, onder meer door raadpleging van de deskundigen van de in artikel 24 bedoelde deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling handelt de Commissie overeenkomstig de beginselen en procedures die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.

Een op grond van artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, artikel 11, lid 3, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, of artikel 15, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van vier maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

1.

Een deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering (de “deskundigengroep van de lidstaten”) adviseert de Commissie over de geschiktheid van de technische screeningcriteria en de aanpak van het platform met betrekking tot de ontwikkeling van die criteria overeenkomstig artikel 19.

2.

De Commissie informeert de lidstaten door vergaderingen van de deskundigengroep van de lidstaten te beleggen zodat de lidstaten en de Commissie tijdig van gedachten kunnen wisselen, met name over de belangrijkste output van het platform, zoals nieuwe technische screeningcriteria of materiële actualiseringen daarvan, of ontwerpverslagen.

Artikel 3 Criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten

Artikel 4 Gebruik van de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten bij overheidsmaatregelen, bij normen en bij labels

Artikel 5 Transparantie van ecologisch duurzame beleggingen bij precontractuele informatieverschaffing en in periodieke verslagen

Artikel 6 Transparantie van financiële producten die milieukenmerken promoten bij precontractuele informatieverschaffing en in periodieke verslagen

Artikel 7 Transparantie van andere financiële producten bij precontractuele informatieverschaffing en in periodieke verslagen

Artikel 8 Transparantie van ondernemingen in niet-financiële verklaringen

Artikel 9 Milieudoelstellingen

Artikel 10 Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

Artikel 11 Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

Artikel 12 Substantiële bijdrage aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen

Artikel 13 Substantiële bijdrage aan de transitie naar een circulaire economie

Artikel 14 Substantiële bijdrage aan de preventie en bestrijding van verontreiniging

Artikel 15 Substantiële bijdrage aan de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

Artikel 16 Faciliterende activiteiten

Artikel 17 Ernstige afbreuk aan milieudoelstellingen

Artikel 18 Minimumgaranties

Artikel 19 Voorschriften voor technische screeningcriteria

Artikel 20 Platform voor duurzame financiering

Artikel 21 Bevoegde autoriteiten

Artikel 22 Maatregelen en sancties

Artikel 23 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 24 Deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering

HOOFDSTUK III SLOTBEPALINGEN

Artikel 25 Wijzigingen van Verordening (EU) 2019/2088

“ Artikel 2 bis Het beginsel geen ernstige afbreuk doen

Artikel 26 Evaluatie

Artikel 27 Inwerkingtreding en toepassing