Home

Arrest van het Hof van 24 juni 1969.

Arrest van het Hof van 24 juni 1969.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
24 juni 1969

Uitspraak

ARREST VAN 24-6-1969 — ZAAK 29-68 MILCH-, FETT-UND EIERKONTOR / HAUPTZOLLAMT SAARBRÜCKEN

In de zaak 29-68,

betreffende een verzoek ingevolge artikel 177 van het E.E.G.-Verdrag door het Finanzgericht van Saarland gedaan in het voor die rechterlijke instantie aanhangige geding

FIRMA MILCH-, FETT- UND EIERKONTOR GmbH te Hamburg

tegen

HAUPTZOLLAMT SAARBRÜCKEN

HET HOF VAN JUSTITIE

samengesteld als volgt: R. Lecourt, President, A. Trabucchi en J. Mertens de Wilmars, Kamerpresidenten, A.M. Donner, W. Strauß (Rechter-Rapporteur), R. Monaco en P. Pescatore, Rechters, J. Gand, Advocaat-Generaal, A. Van Houtte, Griffier, het volgende

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt :

I — De voorgeschiedenis

1. De firma Milch-, Fett- und Eierkontor (hierna te noemen: firma „Milchkontor”) liet in de maand maart 1967 geslacht pluimvee van Nederlandse herkomst in Duitsland inklaren. Het bevoegde douanekantoor verlangde van haar te dier zake betaling van compenserende omzetheffing (Umsatzausgleichssteuer, hierna te noemen : „UASt”), zulks ingevolge de Duitse rechtsbepalingen. De firma Milchkontor kwam hiertegen in beroep bij het Finanzgericht van Saarland, met verzoek de beschikking houdende vaststelling der UASt te vernietigen en terugbetaling van de reeds betaalde UASt te gelasten. Ter motivering van haar vordering heeft zij met name betoogd :

dat van soortgelijke binnenlandse produkten geen of nagenoeg geen omzetbelasting wordt geheven;

  • dat zij zich over deze discriminatie voor de nationale rechter mag beklagen, omdat artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag een uitvoeringsbepaling is van artikel 95, waarin volgens 's Hofs Jurisprudentie aan particulieren het recht daartoe is toegekend;

  • dat doorbreking der in artikel 95 geformuleerde beginselen ondanks de in artikel 97 vervatte machtiging als ongeoorloofd moet worden beschouwd;

  • dat wanneer artikel 97 in rechte al een rol moet spelen, nochtans dient te worden bedacht dat het litigieuze percentage geen gemiddeld percentage is: paragraaf 7 van het Umsatzsteuergesetz — waarin wordt bepaald dat UASt-percentages voor voorwerpen van belastingheffing soortgelijk aan of te vergelijken met voorwerpen van belastingheffing in de zin van de binnenlandse wetgeving, met ingang van 30 december 1966 als gemiddelde percentages dienen te worden beschouwd — is in dit verband irrelevant.

Verweerster heeft hiertegenover betoogd, dat het litigieuze percentage wél een gemiddeld percentage is en derhalve uitsluitend naar artikel 97 moet worden beoordeeld; en ten aanzien van handelingen welke het kader van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag te buiten gaan kunnen alleen door de E.E.G.-Commissie maatregelen tegen de betrokken Lid-Staat worden getroffen (artikel 97, alinea 2).

2. Bij beschikking van 19 juni 1967 heeft het Finanzgericht het geding geschorst en het Hof van Justitie om een uitspraak verzocht nopens — onder meer — de navolgende vragen :

  1. Wat moet worden verstaan onder een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag ?

  2. Kan een algemeen percentage, dat in 1951 werd vastgesteld en sindsdien ongewijzigd bleef, een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag zijn ?

  3. Is artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag als een zelfstandige norm te verstaan dan wel als een bepaling ter nadere uitwerking van de voorschriften van artikel 95, waarin alleen aan de Commissie een andere procedure ter verzekering van de nakoming van het Verdrag wordt voorgeschreven ?

  4. Indien vraag 3 in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord, kan en moet de nationale rechter dan nagaan, of de compenserende omzetbelasting, op uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten geheven, met artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag verenigbaar is, wanneer het litigieuze percentage een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag is ?

  5. Voor zoveel artikel 97 als een zelfstandige norm is te beschouwen, is lid 1 dan rechtstreeks bindend en doet het voor particulieren rechten ontstaan, welke door de nationale rechter moeten worden geeerbiedigd, dan wel: geeft artikel 97 de Commissie alleen het recht om overeenkomstig lid 2 passende richtlijnen of beschikkingen tot bedoelde Staat te richten ?

  6. Voor zoveel artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag alleen of in samenhang met artikel 95 van dat Verdrag voor particulieren rechten doet ontstaan, is dan een geoorloofd gemiddelde met name niet aanwezig wanneer :

    1. de gecumuleerde omzetbelasting, op soortgelijke binnenlandse waren geheven, niet aan de hand van betrouwbare statistische gegevens werd berekend, doch is geschat;

    2. weliswaar op grondslag van statistische gegevens berekeningen zijn gemaakt, doch deze op niet later dan 31 december 1966 afgesloten tijdvakken betrekking hebben:

    3. binnenlandse produkten, welke langs verschillende weg in produktie zijn genomen en verhandeld of waarop een gecumuleerde omzetbelasting wordt geheven, welke van geval tot geval procentueel meer dan 0,5 % verschilt, dan wel ongelijksoortige binnenlandse produkten in één groep zijn ondergebracht ?

  7. Behoort tot de vergelijkbare belastingen in de zin van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag, welke op gelijksoortige nationale produkten niet-rechtstreeks worden geheven :

    1. alleen de omzetbelasting, in een of meer eerdere handelsfasen geheven op dezelfde produkten, dan wel

    2. ook de omzetbelasting, geheven op grondstoffen of halffabrikaten, waaruit de gelijksoortige binnenlandse produkten zijn ontstaan, of

    3. ook de omzetbelasting, geheven op nevenstoffen, bij voorbeeld verpakkingsmateriaal of hulpstoffen, dat wil zeggen stoffen welke bij de vervaardiging der produkten tenietgaan of daarin opgaan zonder dat van vervaardiging dezer stoffen kan worden gesproken,

    4. de omzetbelasting op produktiemiddelen en op de kosten van vervoer en verkoop ?

    1. Moet, wanneer in artikel 95, lid 1, van het E.E.G.-Verdrag sprake is van (belastingen welke) „niet-rechtstreeks … worden geheven”, alleen worden gedacht aan de fase, welke met betrekking tot de gelijksoortige nationale produkten de onmiddellijk voorafgaande is, dan wel

    2. moeten meerdere handelsfasen in aanmerking worden genomen en, zo ja, hoever moet dan worden teruggegaan,

    3. moeten meerdere produktiefasen in aanmerking worden genomen en, zo ja, hoever moet dan worden teruggegaan ?

    1. Bijaldien de onder 8 d) en 9 c) gestelde vragen bevestigend moeten worden beantwoord, mag dan, voor wat de niet-rechtstreeks geheven belasting betreft, slechts tot het oerprodukt worden teruggegaan, of

    2. moet ook de omzetbelasting, geheven op voorprodukten van het oerprodukt (bij voorbeeld broedeieren voor de produktie van pluimvee en zaaigoed voor het kweken van planten) in aanmerking worden genomen, of

    3. komt ook in aanmerking de omzetbelasting, geheven op produktiemiddelen ter winning van oerprodukten, bij voorbeeld op broedmachines of broedkippen ?

…”

Het Hof van Justitie deed uitspraak bij arrest van 4 april 1968 (zaak 25-67, Jurisprudentie XIV-3-1968, blz. 293 en volgende). In het dictum wordt met name beslist (t.a.p. blz. 312) :

  1. Artikel 97, alinea 1, van het E.E.G.-Verdrag, dat toepasselijk is wanneer Lid-Staten welke omzetbelasting heffen volgens het cumulatieve cascadestelsel van de in die alinea verleende bevoegdheid hebben ge. bruik gemaakt, doet voor particulieren geen door de nationale rechter te waarborgen rechten ontstaan.

  2. In Staten welke van de in artikel 97 verleende bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, is als „gemiddeld percentage” te beschouwen ieder percentage, dat als zodanig door de betrokken Staat is vastgesteld, onverminderd de toepassing van de tweede alinea van genoemd artikel.

…”

Aan dit arrest lagen onder meer de navolgende overwegingen ten grondslag :

„… dat de toepassing van artikel 97 van twee voorwaarden afhankelijk is gesteld, namelijk dat de betrokken Lid-Staat omzetbelasting heft volgens het cumulatieve cascadestelsel en voorts ook van de hem in genoemd voorschrijf verleende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en tot vaststelling van gemiddelde percentages is overgegaan;

dat derhalve in Lid-Staten welke van de in artikel 97 geboden mogelijkheid gebruik hebben gemaakt volgens de thans geldende communautaire voorschriften als „gemiddeld percentage” is te beschouwen elk als zodanig door de betrokken Lid-Staten vastgesteld percentage, onverminderd de toepassing van de tweede alinea van dit artikel”.

(Onderstreping komt in het arrest zelve niet voor.)

Ten aanzien van de vraag of artikel 97 voor particulieren door de nationale rechter te waarborgen individuele rechten doet ontstaan, werd verwezen naar 's Hofs arrest van 3 april 1968, in de prejudiciële zaak 28/67 (firma Molkerei-Zentrale Westfalen/Lippe tegen Hauptzollamt Paderborn, Jurisprudentie XIV-3-1968, blz. 203 en volgende), waarin het Hof tot een negatieve uitspraak kwam onder meer op grond van de overweging (t.a.p., blz. 221) :

„… dat genoemde bepaling, waarin aan de Lid-Staten de bevoegdheid wordt verleend om al dan niet tot vaststelling van gemiddelde percentages over te gaan, voor Staten welke van deze bevoegdheid rechtmatig gebruik hebben gemaakt impliceert, dat er tussen de communautaire rechtsregel en zijn toepassing ruimte komt voor andere besluiten, genomen uit hoofde van een discretionnaire bevoegdheid, welke medebrengt dat zij, ook in hun consequenties, naar de huidige stand van het gemeenschapsrecht op geen enkele wijze rechtstreeks de werking van de betrokken voorschriften van artikel 97 kunnen ondergaan.” (Onderstreping komt in het arrest zelve niet voor.)

Voor het overige zij ten dezen naar de publikatie in de Jurisprudentie verwezen (t.a.p.). 3. a) Op 2 mei 1968 wendde de firma Milchkontor zich met een verzoekschrift als bedoeld in artikel 67 van het Reglement voor de procesvoering tot het Hof van Justitie met een verzoek om aanvulling van het in de zaak 25-67 gewezen arrest in dier voege, dat ook de prejudiciële vragen 2, 3, 5, 7, 8c en 10 a-c zouden worden beantwoord; in dit verzoek werd zij bij 's Hofs beschikking van 16 mei 1968 niet-ontvankelijk verklaard.

In het bodemgeschil is door de firma Milchkontor nader betoogd, dat noch de Duitse rechterlijke instanties noch het Hof van Justitie tot nu toe het uit artikel 7, alinea 1, en artikel 40, alinea 3 (sub 2), van het E.E.G.-Verdrag volgend discriminatieverbod hebben behandeld, zodat haars inziens daaromtrent een uitspraak van het Hof van Justitie dient te worden uitgelokt. Voorts acht zij haar vordering ondanks voormelde arresten van het Hof van Justitie gegrond. Het litigieuze UASt-percentage kan niet als gemiddeld percentage worden beschouwd, omdat de Bondsrepubliek van de haar in artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag verleende bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt. Ook uit de hoogte van het gevorderde percentage blijkt, dat van een gemiddeld percentage geen sprake is.

Het Hauptzollamt meent daarentegen, dat het litigieuze percentage, gezien 's Hofs voormelde prejudiciële arresten, als een voor de belastingplichtige onaantastbaar gemiddeld percentage moet worden beschouwd.

II — Inhoud en motivering van de renvooibeschikking

1. Het Finanzgericht van Saarland besloot op 4 oktober 1968 — met schorsing van de behandeling — zich opnieuw tot het Hof van Justitie te wenden (zaak 29-68) met het verzoek uitspraak te doen inzake de navolgende prejudiciële vragen :

    1. Hoe moeten de in artikel 97, eerste alinea, van het E.E.G.-Verdrag gebezigde bewoordingen : „De Lid-Staten … mogen … gemiddelde percentages … vaststellen, zonder evenwel inbreuk te maken op de in … artikel 95 genoemde beginselen” worden verstaan ?

    2. Is het in het cumulatieve cascadestelsel mogelijk een voor inwerkingtreding van het E.E.G.-Verdrag vastgesteld belastingpercentage, dat op een bepaalde fase betrekking heeft, tot een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag te verklaren ?

    1. Is het voor de vaststelling van een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag voldoende, dat een daartoe volgens de rechtsorde van een Lid-Staat bevoegd orgaan verklaart dat een bestaand belastingpercentage zulk een gemiddeld percentage is, of

    2. moet in de procedure, waarin een belastingpercentage tot gemiddeld percentage verklaard is, ten minste zijn gebleken dat het tot vaststelling van rechtsregelen bevoegde orgaan van de Lid-Staat de bestaande toestand ook in materieel opzicht heeft willen wijzigen, dan wel

    3. moet in bedoelde procedure ook zijn komen vast te staan, dat het bevoegde orgaan op grondslag van het beschikbare materiaal in staat was een aan de beginselen van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag beantwoordend gemiddeld percentage vast te stellen en zodanig percentage ook heeft willen vaststellen ?

  1. Wat moet onder groepen van produkten in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag worden verstaan ?

  2. Kunnen alle voorwerpen van belastingheffing, welke soortgelijk zijn aan of te vergelijken zijn met voorwerpen van belastingheffing in de zin van de binnenlandse wetgeving en waarvoor geen van het algemeen percentage afwijkend UASt-percentage bestaat, een groep van produkten in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag vormen ?

  3. Wanneer de verklaring van een tot het vaststellen van rechtsregelen bevoegd orgaan van een Lid-Staat niet voldoende is om een gemiddeld percentage vast te stellen of wanneet alle voorwerpen van belastingheffing, soortgelijk aan of te vergelijken met voorwerpen van belastingheffing in de zin van de binnenlandse wetgeving en voor welke geen van het algemeen percentage afwijkend UASt-percentage bestaat, niet een groep van produkten als bedoeld in artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag kunnen vormen, wordt verzocht om beantwoording van de hier als geïnsereerd te beschouwen vragen 8, 9 en 10, gesteld in de beschikking van het Finanzgericht van Saarland van 19 juni 1967 (zaak 25-67), houdende verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.” (Men zie hiervoor I-2)

Voor het geval dat het Hof van Justitie de hierna (onder 2 e) te vermelden opvatting van het Finanzgericht niet mocht delen, wordt „subsidiair ook om beantwoording van de vragen betreffende de artikelen 7 en 40” verzocht, waarmede kennelijk bedoeld zijn de vragen welke door de firma Milchkontor in een aan de verwijzende rechter en thans ook aan het Hof van Justitie overgelegd exposé als volgt zijn geformuleerd :

„Zijn artikel 7 en artikel 40 van het E.E.G.-Verdrag rechtstreeks bindende rechtsvoorschriften, waaraan particulieren in de Lid-Staten rechten en verplichtingen kunnen ontlenen ?

Zijn de artikelen 95 en volgende leges speciales ten opzichte van artikel 7 of ten opzichte van artikel 40 ?”

2. De verwijzende rechter heeft zijn beschikking en de prejudiciële vragen als volgt gemotiveerd :

  1. Algemeen

    Een beslissing van het Hof van Justitie inzake de gestelde vragen is noodzakelijk: Is het litigieuze percentage blijkens 's Hofs antwoord een gemiddeld percentage, dan is de vordering niet gegrond; in het omgekeerde geval zal de verwijzende rechter hebben na te gaan, of het niet met artikel 95 van het Verdrag in strijd is.

  2. De vragen 1 en 2

    Ondanks 's Hofs hiervoor genoemde arresten is onzekerheid over de inhoud van artikel 97 blijven bestaan; de bewoordingen van dit arrest kunnen — en moeten — nader worden geïnterpreteerd, waarmede de verwijzende rechter doelt op de woorden : „van de … verleende bevoegdheid hebben gebruikgemaakt” alsook „rechtmatig gebruik hebben gemaakt” (arrest 25-67, t.a.p. blz. 312, onderscheidenlijk arrest 28-67, t.a.p. blz. 221).

    Hiervan is niet alleen sprake wanneer een rechtscheppende handeling als bedoeld, formeel gezien, regulier tot stand is gekomen. Het Finanzgericht is veeleer tot de opvatting geneigd, „dat bedoeld orgaan met zijn rechtscheppende handeling bovendien moet beogen om in de uitoefening van zijn uit het verdragsstelsel voortvloeiende bevoegdheid de bestaande rechtstoestand ook in materieel opzicht te wijzigen, hetzij in dier voege dat — in de legislatieve procedure tot vaststelling van een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag — zulk een percentage welbewust voor het eerst werd vastgelegd, hetzij aldus dat een in de loop van een eerdere legislatieve procedure vastgesteld belastingpercentage, dat — gezien zijn wijze van totstandkoming en functie en hoogte in aanmerking genomen — materieel aan artikel 97 van het Verdrag voldoet, bij een formele handeling, welke eventueel van louter-declaratoire aard kan zijn, tot gemiddeld percentage wordt gemaakt”. In deze richting wijzen de bewoordingen van artikel 97 („mogen … gemiddelde percentages … vaststellen”); de verdragsluitende partijen zijn er kennelijk van uitgegaan, dat gemiddelde percentages in de zin van dit voorschrift bij het in werking treden van het Verdrag niet reeds konden zijn vastgesteld. Zulks wil dan echter zeggen, dat de Staten verplicht waren een „gemiddelde” van bepaalde waarden vast te stellen, en wel zulks op grondslag van voor controle vatbare gegevens.

    Volgens het gedetailleerde betoog van de verwijzende rechter was hiervan met betrekking tot het bestreden percentage geen sprake.

    Weliswaar is het bestreden percentage het algemeen percentage voor een fase, zodat het bij een groot aantal produkten lager ligt dan de gemiddeld op vergelijkbare binnenlandse produkten geheven belasting; dit betekent echter alleen, dat het bij een groot aantal produkten niet met artikel 95 van het Verdrag in strijd is, doch niet dat het een „gemiddeld percentage” zou zijn.

  3. De vragen 3 en 4

    Men wenst te zien uitgemaakt welke criteria bij de groepsgewijze indeling der produkten moeten worden gehanteerd (natuurlijke gesteldheid, aantal produktiefasen, gebruiksdoel, de omstandigheid dat bedoelde waren even zwaar of nagenoeg even zwaar zijn belast, enz.). Ook dient te worden nagegaan, of een groot aantal verschillende produkten in één groep mag worden ondergebracht.

  4. Vraag 5

    Het Finanzgericht verwijst hier naar zijn overwegingen in de zaak 25-67 (zoals die zijn samengevat in 's Hofs arrest, t.a.p. blz. 299).

  5. De uitlegging van artikel 7, alinea 1, en artikel 40, alinea 3 (sub 2) van het E.E.G.-Verdrag

    Naar aanleiding van het hierna (IV 2 D) weergegeven betoog van de firma Milchkontor overweegt de verwijzende rechter: De opvatting van deze firma, dat de Duitse wetgever vorengenoemde bepalingen zou hebben overtreden, is onjuist. Artikel 7 betreft slechts gevallen waarin bij de regeling van een zelfde rechtsmaterie aan de verschillende nationaliteit der betrokkenen verschillende rechtsgevolgen worden verbonden. Daarvan is hier geen sprake. En de in de artikelen 95 en volgende vervatte bijzondere belastingvoorschriften gaan vóór de regeling van artikel 40, alinea 3 (sub 2).

III — De procesvoering

De renvooibeschikking is op 29 november 1968 ter Griffie van het Hof van Justitie ingekomen.

De firma Milchkontor, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap schriftelijke opmerkingen ingediend, welke ter zitting van 25 maart 1969 mondeling zijn toegelicht.

De Advocaat-Generaal heeft op 29 april 1969 mondeling zijn met redenen omklede conclusie genomen.

De firma Milchkontor is vertegenwoordigd door dr. Wendt en dr. Wiech, advocaten te Hamburg. De regering van de Bondsrepubliek Duitsland is vertegenwoordigd door Ministerialdirigent dr. Everling en door de Ministerialräte dr. Morawitz en dr. Hahnfeldt, de Commissie van de Europese Gemeenschappen door haar juridisch adviseur dr. Wägenbaur.

IV — Samenvatting van de standpunten van partijen

1 — De ontvankelijkheid van het prejudicieel verzoek

De firma Milchkontor en de Commissie hebben ten dezen geen bezwaren ontwikkeld; de Bondsregering heeft daarentegen betoogd :

  1. De onderhavige vragen komen in hoofdzaak overeen met die welke dezelfde rechterlijke instantie in hetzelfde bodemgeschil reeds eenmaal aan het Hof van Justitie heeft voorgelegd (zaak 25-67); hoogstens kan men zeggen dat de vragen 3 en 4 in de toen gegeven prejudiciële beslissing nog geen beantwoording vonden. 's Hofs prejudiciële beslissingen zijn voor alle tot kennisneming van het bodemgeschil geroepen nationale rechterlijke instanties bindend. Op grond van een en ander moet worden betwijfeld, of alle thans gestelde vragen in dit geding wel kunnen worden toegelaten.

  2. De vragen betreffen bovendien in hoofdzaak de toepassing van het E.E.G.-Verdrag, ten dele zelfs de uitlegging en toepassing van het nationale recht. Blijkens de hiervoor vermelde arresten van het Hof van Justitie moet naar nationaal recht worden beslist, wat onder gemiddelde percentages is te verstaan en hoe zodanig percentage moet worden vastgesteld.

2 — De beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter

A — De vragen 1 en 2

  1. De firma Milchkontor heeft met name betoogd :

    1. De in vraag la genoemde bepaling van artikel 97, eerste alinea, moet volgens het gemeenschapsrecht worden uitgelegd.

      In artikel 95 wordt een regel opgesteld en in artikel 97 wordt een uitzondering op die regel voorzien. Daaruit volgt dat de voorwaarde voor toepasselijkheid van artikel 97 — namelijk dat de betrokken Lid-Staat „omzetbelasting volgens het cumulatieve cascadesysteem” heft — niet in het algemeen reeds als vervuld is te beschouwen wanneer dit voor de meeste soorten produkten opgaat, doch eerst wanneer zulks in ieder afzonderlijk geval voor de soort of groep produkten, waarvoor een gemiddeld percentage moet worden vastgesteld, opgaat.

      Wanneer het Hof van Justitie in vroegere arresten heeft uitgemaakt dat een gemiddeld percentage „als zodanig moet zijn vastgesteld”, kan dit slechts in die zin worden verstaan, dat vóór de inwerkingtreding van het E.E.G.-Verdrag vastgestelde belastingpercentages geen „gemiddelde percentages” in de zin van artikel 97 kunnen zijn, omdat zij logischerwijze niet kunnen worden geacht volgens artikel 97 te zijn ingevoerd. Het kan slechts een toeval zijn, wanneer zo'n percentage bij wijze van uitzondering aan de artikelen 95 en 97 beantwoordt; maar zelfs dan kan het alleen als een „gemiddeld percentage” in de zin van laatstgenoemde bepaling worden beschouwd, wanneer het bij een na het in werking treden van het Verdrag verrichte wetgevende handeling in een zodanig gemiddeld pecentage is getransformeerd.

      Gemiddelde percentages kunnen slechts voor de toekomst en niet met terugwerkende kracht worden ingevoerd. Artikel 97 houdt een werkelijke „machtiging” aan de wetgevende organen der Lid-Staten in; de verwijzende rechter verlangt dan ook terecht, dat dit orgaan „bij de uitoefening … dezer bevoegdheden de bestaande rechtstoestand ook in materieel opzicht heeft willen wijzigen”. Deze wil moet in de wet zijn neerslag hebben gevonden.

    2. Artikel 97 kan alleen worden toegepast wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan :

      • de wetgever (niet slechts afzonderlijke ministeries) moet hebben geweten in welke mate gelijksoortige binnenlandse produkten in de afzonderlijke stadia van verwerking zijn belast;

      • de omzetbelasting welke op gelijksoortige binnenlandse produkten drukt, moet door de wetgever zijn berekend of hij moet over door hem gecontroleerde berekeningen de beschikking hebben gehad;

      • de vaststelling van het belastingpercentage moet op grond dezer berekeningen (en niet slechts na kennisneming daarvan) zijn geschied en mag derhalve niet op globale en willekeurige schattingen berusten;

      • deze berekeningen moeten een serieus karakter dragen en kunnen worden gecontroleerd, terwijl zij tot een zo nauwkeurig mogelijke vaststelling van de op gelijksoortige binnenlandse produkten rustende belastingdruk moeten kunnen leiden;

      • de berekeningen mogen niet een te lang verstreken periode betreffen, omdat zij dan niet meer representatief zijn; het gaat erom of de omstandigheden sedert het einde van bedoeld tijdvak niet in belangrijke mate zijn gewijzigd;

      • in een groep mogen slechts produkten worden ondergebracht, welke vergelijkbaar en tevens ten naaste bij in dezelfde mate belast zijn.

    3. Weliswaar is het logischerwijze mogelijk dat een „belastingpercentage betreffende een fase” toevallig even hoog is als een volgens artikel 97 te berekenen gemiddeld percentage. Maar zodanig toeval kan zich in het cumulatieve cascadesysteem ternauwernood voordoen. Voor waren waarvan bij produktie in het binnenland in alle fasen de gewone omzetbelasting wordt geheven, kan het algemeen belastingpercentage nooit overeenkomen met een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97. Maar ook bij waren welker produktie in het binnenland in een of meer fasen en voorfasen niet of in mindere mate is belast, zou van „een zeer zeldzame coïncidentie” sprake zijn „wanneer het algemeen percentage met het gemiddelde percentage van binnenlandse produkten zou overeenkomen”. Op grond van een en ander mag de nationale wetgever een algemeen percentage, dat aan de normale belasting van één omzetfase beantwoordt, in ieder geval alleen in een gemiddeld percentage transformeren na de cumulatieve belastingdruk op binnenlandse produkten bijzonder grondig te hebben ondezocht.

    4. Het is niet voldoende dat de nationale wetgever een bepaald percentage tot gemiddeld percentage verklaart. Hij moet veeleer „met de stukken staven”, dat hij krachtens de in artikel 97 vervatte machtiging handelt. Het belasting percentage moet willens en wetens voor de eerste keer, bij wege van verandering van het percentage der tot nu toe geheven belasting, zijn vastgesteld; en anders moet door de wetgever zijn nagegaan, of het percentage zonder wijziging in een gemiddeld percentage kan worden omgezet.

      Er moeten gegevens voorhanden zijn, waaruit blijkt dat de wetgever op grond van betrouwbaar en nog representatief statistisch materiaal zelf heeft onderzocht of het belastingpercentage aan de eisen van de artikelen 95 en 97 voldoet.

  2. De Bondsregering heeft met name betoogd :

    • De rechtsoverwegingen van 's Hofs arrest in de zaak 28-67 impliceren, dat heffingspercentages welke de nationale wetgever zelf als gemiddelde percentages beschouwt, ook gemiddelde percentages in de zin van artikel 97 zijn. Of een belastingpercentage als gemiddeld percentage is vastgesteld, moet uit de dwingende bewoordingen der wet dan wel uit zin en strekking harer voorschriften in het kader van het cumulatieve cascadestelsel worden afgeleid. Wanneer de wetgever, zoals in Duitsland, percentages van de compenserende omzetheffing door wetsduiding in gemiddelde percentages transformeert, moeten zij — in ieder geval na inwerkingtreding van de wet — als in de zin van artikel 97 vastgestelde gemiddelde percentages worden beschouwd.

    • Reeds bij het sluiten van het E.E.G.-Verdrag werd in vijf der verdragsluitende Staten omzetbelasting volgens het cumulatieve cascadestelsel geheven. In dit systeem wordt iedere omzetfase belast en ter berekening van de totale omzetbelastingdruk op bepaalde waren moet bedoelde per fase toegepaste heffing bij de reeds bestaande heffing worden opgeteld. In zulk een belastingstelsel kan voor gelijkheid der UASt-druk op ingevoerde waren en die van de omzetbelasting op soortgelijke binnenlandse produkten alleen worden gezorgd door bij vaststelling van het UASt-percentage rekening te houden met de in de verschillende eerdere fasen op vergelijkbare binnenlandse produkten geheven omzetbelasting, met andere woorden wanneer het percentage der UASt een gemiddeld percentage is.

    • Gemiddelde percentages danken derhalve hun bestaan aan het feit, dat in het cumulatieve cascadestelsel egalisatie tussen deze beide soorten belastingdruk anders niet mogelijk is. Voor zoveel de Staten met een cumulatief cascadestelsel naar zodanige egalisatie hebben gestreefd, bestonden er derhalve reeds voor het sluiten van het E.E.G.-Verdrag gemiddelde percentages.

    • Op grond van een en ander hebben de woorden „mogen … gemiddelde percentages … vaststellen” in artikel 97 niet slechts op de toekomst betrekking, doch dient men er ook een erkenning in te lezen van bij het sluiten van het Verdrag reeds bestaande gemiddelde percentages. Een andere uitlegging zou medebrengen, dat de Lid-Staten nagenoeg alle bestaande percentages van de compenserende omzetheffing zouden moeten intrekken en vervolgens opnieuw vaststellen, hetgeen onmogelijk in de bedoeling van de verdragsluitende partijen kan hebben gelegen. Tot een ander resultaat komt men ook niet met behulp van de door het Hof van Justitie in enige arresten gebezigde formulering „gebruik maken van een bevoegdheid”; het Hof heeft zich hiervan alleen bediend om het verschil tussen de artikelen 95 en 97 te doen uitkomen.

    • Welke overwegingen de Duitse wetgever ertoe hebben geleid percentages van de compenserende omzetheffing betreffende voorwerpen van belastingheffing soortgelijk aan of te vergelijken met voorwerpen van belastingheffing in de zin van binnenlandse belastingwetgeving tot gemiddelde percentages te verklaren, doet niet ter zake. Aan een daad van wetgeving kan trouwens de bedoeling een rechtens bestaande toestand te bestendigen evengoed ten grondslag worden gelegd als de wens zodanige toestand te wijzigen.

    • Dat de Duitse wetgever de term „gemiddeld percentage” eerst betrekkelijk laat is gaan bezigen, wil niet zeggen dat hij in feite geen gemiddelde percentages heeft vastgesteld.

    • In het cumulatieve cascadestelsel kan het gemiddeld percentage slechts een gemid delde zijn, met andere woorden „een percentage dat niet in één of meer afzonderlijke gevallen als geheel juist, doch wel in een aantal gevallen als ten naaste bij juist is te beschouwen”.

  3. De Commissie heeft met name betoogd: De uitspraak van het Hof van Justitie, volgens welke in een Lid-Staat die van de in artikel 97 toegekende bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, als „gemiddelde percentages” zijn te beschouwen de als zodanig vastgestelde percentages, kan in verschillende zin worden verstaan :

    Het ene uiterste vormt de opvatting, dat de Lid-Staten van de hun verleende bevoegdheid alleen dan „rechtmatig” gebruik hebben gemaakt, wanneer zij onder uitdrukkelijke referte aan artikel 97 en met constitutieve werking de bestaande percentages der compenserende omzetheffing in gemiddelde percentages hebben getransformeerd; vrijwel geen enkel percentage zou dan onder artikel 97 vallen. Geen der in artikel 97 bedoelde Lid-Staten heeft het voorschrift ooit aldus verstaan.

    • Het andere uiterste vormt de opvatting, dat aan artikel 97 reeds is voldaan wanneer de Lid-Staten de bij inwerkingtreding van het Verdrag bestaande percentages der compenserende omzetheffing hebben gehandhaafd. Al deze percentages zouden dan in 1958 „automatisch”gemiddelde percentages zijn geworden.

    • De juiste opvatting ligt ongeveer in het midden: de betrokken Lid-Staat moet — hetzij door een daartoe strekkende maatregel te nemen hetzij door een in die richting wijzend beleid — te kennen hebben gegeven, dat hij van de in artikel 97 geboden mogelijkheid gebruik wenst te maken en bij inwerkingtreding van het Verdrag reeds bestaande UASt-percentages — c.q. voor het eerst vastgestelde UASt-precentages — als gemiddelde percentages wenst te zien beschouwd. De vraag welk orgaan zodanige maatregel moet nemen en aan welke formele voorwaarden hiertoe moet zijn voldaan, dient naar nationaal recht te worden beantwoord. Het is voorts, gemeenschapsrechtelijk gezien, niet nodig dat bij het nemen der maatregel met zoveel woorden naar artikel 97 wordt verwezen.

    Vraag 1 b moet op grond van 's Hofs arresten in de zaken 25-67 en 28-67 bevestigend worden beantwoord.

    Of de maatregel waarbij een gemiddeld percentage is vastgesteld, aan de in de vragen 2 b en 2 c gestelde eisen moet voldoen, dient naar nationaal recht te worden beslist.

B — De vragen 3 en 4

  1. De firma Milchkontor betoogt met name: Slechts produkten die op grond van hun natuurlijke eigenschappen, aantal produk-tiefasen en gebruiksdoel vergelijkbaar zijn, mogen in één groep worden ondergebracht. Voorts moeten de produkten ten naaste bij even zwaar belast zijn.

    • Het vormen van kleinere groepen produkten is technisch zeer wel mogelijk.

    • Naar aanleiding van de vierde prejudiciële vraag zij opgemerkt, dat volgens de door de Bondsregering voorgestane opvattingen veel meer dan 9 000 posten van het Duitse douanetarief een enkele groep produkten als bedoeld in artikel 97 zouden moeten vormen. Dit is kennelijk niet juist, vooral omdat de meeste tariefposten weer een- of tweemaal zijn onderverdeeld, zodat meer dan 100 000 soorten produkten een enkele groep zouden vormen. Het moet dan bovendien uitgesloten worden geacht, dat de cumulatieve omzetbelastingdruk voor iedere afzonderlijke soort of groep produkten op grond van betrouwbare, nog representatieve berekeningen is onderzocht.

  2. Volgens de Bondsregering moeten de vragen 3 en 4 als volgt worden beantwoord :

    „Groepen produkten in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag zijn de door een Lid-Staat bij vaststelling van gemiddelde percentages in een groep ondergebrachte produkten.”

    „Het is niet uitgesloten dat alle voorwerpen waaraan binnenlandse produkten gelijksoortig — c.q. waarmede zodanige produkten vergelijkbaar — zijn en waarvoor niet een van het algemeen percentage afwijkend UASt-percentage bestaat, een groep produkten in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag vormen.”

    De Bondsregering betoogt ten dezen met name :

    De aan de Lid-Staten geboden mogelijkheid om ook voor groepen produkten gemiddelde percentages in te voeren, houdt verband met de omstandigheid dat om praktische redenen van groepsvorming niet kan worden afgezien. Het recht groepen produkten te vormen wordt alleen in zoverre begrensd, dat de in artikel 95 opgesomde beginselen moeten worden inachtgenomen, dat wil zeggen „dat het gemiddeld percentage voor een groep produkten niet tot zwaardere belasting mag leiden dan die welke als gevolg van de omzetbelasting gemiddeld op de tot de groep behorende binnenlandse produkten drukt”. Met deze restrictie is het aan de nationale wetgever overgelaten de groepen te vormen zoals hij het doelmatigst acht. Of daarbij de beginselen van artikel 95 zijn geëerbiedigd moet niet door de nationale rechter, doch door de Commissie volgens artikel 97, alinea 2, worden onderzocht.

  3. De Commissie verwijst voor de beantwoording van vraag 3 naar haar standpunt in de zaak 25-67. Dit impliceert voor wat vraag 4 betreft, dat wanneer een aantal waren bij invoer alleen aan het algemene percentage is onderworpen, zulks niet reeds voldoende is om uit al deze waren een groep produkten in de zin van artikel 97 te vormen.

C — Vraag 5

  1. De firma Milchkontor betreurt, dat het Hof van Justitie de nu opnieuw gestelde vragen niet reeds in zijn arrest 25-67 heeft beantwoord. Ook het arrest in de zaak 28-67 bracht te dien aanzien niet voldoende duidelijkheid. De zinswendingen, waarmede het Hof het begrip „binnenlandse belastingen welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven” nader heeft willen bepalen (t.a.p., blz. 223 en 277), behoeven uitlegging; de firma Milchkontor wijst in dit verband met name op de woorden „daadwerkelijk en bepaaldelijk treffen”.

  2. De Bondsregering stelt allereerst vast, dat de door haar met betrekking tot de eerste vier vragen gehuldigde opvatting medebrengt, dat van beantwoording der onderhavige, slechts subsidair gestelde, vraag kan worden afgezien.

    Het Hof van Justitie heeft trouwens de thans wederom gestelde vragen in zijn arrest 28-67 duidelijk beantwoord. De Bondsregering wijst verder naar 's Raads richtlijn van 30 april 1968 houdende instelling van een gemeenschappelijke methode voor de berekening van de gemiddelde percentages, bedoeld in artikel 97 van het Verdrag (Publikatieblad no. L 115 van 18 mei 1968, blz. 14), waaruit duidelijk blijkt dat in de meest vergaande mate met iedere indirecte belasting rekening mag worden gehouden.

  3. De Commissie betoogt, dat de beantwoording van het eerste deel van vraag 5 achterwege kan blijven wanneer vraag 2 in de door de Commissie voorgestane zin wordt beantwoord.

    Voor wat het tweede deel van de vijfde vraag betreft verwijst de Commissie naar hetgeen zij in de zaak 25-67 heeft betoogd.

D — De uitlegging van de artikelen 7, alinea 1, en 40, alinea 3 (sub 2), van het E.E.G.-Verdrag

  1. De firma Milchkontor heeft met name betoogd :

    De burgers van de Lid-Staten mogen zich voor de nationale rechter op de desbetreffende voorschriften beroepen. Daarin zijn duidelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen omschreven en om die verplichtingen afdwingbaar te maken zijn geen maatregelen van de Lid-Staten of van organen der Gemeenschap nodig.

    In aansluiting hierop zet de firma Milchkontor uiteen waarom de Bondsrepubliek en de Commissie zich in casu aan discriminatie hebben schuldig gemaakt.

    De artikelen 95 en volgende sluiten toepassing van de artikelen 7 en 40 niet uit, omdat voor deze drie voorschriften verschillende criteria en voorschriften gelden.

  2. De Bondsregering verdedigt met betrekking tot artikel 7 de opvatting, dat deze bepaling weliswaar rechtstreeks bindt, doch in casusposities als de onderhavige toepassing mist; immers in de Duitse wetgeving betreffende de omzetbelasting wordt nimmer naar de nationaliteit der belastingplichtigen onderscheiden. Op artikel 40, alinea 3, sub 2, kan door particulieren niet rechtstreeks een beroep worden gedaan; het is namelijk gericht tot de gemeenschapsorganen die bevoegd zijn een gemeenschappelijke organisatie der landbouwmarkten in het leven te roepen. Overigens komt aan de artikelen 95 en volgende als leges speciales voorrang ten opzichte van genoemde bepaling toe.

  3. De Commissie is eveneens van mening, dat artikel 7 rechtstreeks bindend is, doch slechts toepassing mag vinden voor zoveel elders in het Verdrag geen bijzondere regeling voorkomt. Bedoeld voorschrift van artikel 40 kan niet rechtstreeks door particulieren worden ingeroepen.

Ten aanzien van het recht

1 Overwegende dat het Finanzgericht van Saarland bij op 29 november 1968 ter Griffie van het Hof van Justitie ingekomen beschikking van 4 oktober 1968 krachtens artikel 177 van het E.E.G.-Verdrag het Hof een aantal vragen betreffende de uitlegging van artikel 97 van het Verdrag heeft voorgelegd;

I — Ten aanzien van 's Hofs bevoegdheid

2

  1. Overwegende dat de regering van de Bondsrepubliek Duitsland de ontvankelijkheid der vragen la, 1b, 2a, 2b, 2c en 5 heeft betwist, stellende:

    dat het Hof deze vragen heeft beantwoord in zijn prejudicieel arrest van 4 april 1968, in de zaak 25-67 gewezen op een door dezelfde rechterlijke instantie in hetzelfde bodemgeschil gedaan verzoek;

    dat een krachtens artikel 177 door het Hof gewezen arrest voor alle van het bodemgeschil kennis nemende nationale rechterlijke instanties bindend is;

3 Overwegende dat 's Hofs uitlegging voor genoemde instanties weliswaar bindend is, doch dat zij zelve hebben te beoordelen of 's Hofs prejudiciële uitspraak hun voldoende klaarheid heeft verschaft dan wel of het noodzakelijk is het Hof andermaal te adiëren;

dat voormelde exceptie derhalve dient te worden verworpen;

4

  1. Overwegende dat de Duitse Regering voorts heeft betoogd dat sommige opgeworpen vragen slechts de toepassing van het Verdrag dan wel de uitlegging en toepassing van het nationale recht betreffen;

    dat waar in voormeld arrest voor recht werd verklaard dat „… in Lid-Staten welke van de in artikel 97 geboden mogelijkheid gebruik hebben gemaakt volgens de thans geldende communautaire voorschriften als „gemiddeld percentage” is te beschouwen elk als zodanig door de betrokken Lid-Staten vastgesteld percentage”, zulks volgens de Duitse Regering wil zeggen dat de betekenis van de term „gemiddeld percentage” en de voorwaarden waaronder zodanige gemiddelde percentages dienen te worden vastgesteld, naar nationaal recht zullen moeten worden bepaald;

5 Overwegende dat de term „gemiddeld percentage” in artikel 97 van het Verdrag in gemeenschapsrechtelijke zin wordt gebezigd;

dat het een andere vraag is of dit artikel geheel of ten dele naar het nationale recht der Lid-Staten verwijst;

dat wanneer het Hof van Justitie mocht vaststellen dat dit het geval is, zodanige vaststelling niettemin uit een uitlegging van het Verdrag zou voortvloeien en derhalve binnen het raam van artikel 177 zou blijven;

6 dat de exceptie derhalve moet worden verworpen;

II — Ten aanzien van de hoofdzaak

7 Overwegende dat artikel 95 weliswaar aan particulieren door de nationale rechter te waarborgen rechten verleent, doch dat zulks met artikel 97 niet het geval is;

8 dat de nationale rechter derhalve, wanneer hij zich gesteld ziet voor de vraag of er al dan niet sprake is van een binnenlandse belasting ten aanzien waarvan moet worden nagegaan of zij met het Verdrag in overeenstemming is, in staat dient te zijn te onderkennen, of de betrokken Lid-Staat al dan niet artikel 97 heeft toegepast;

dat de gestelde vragen dan ook uitsluitend in verband met deze noodzaak moeten worden beoordeeld;

Ten aanzien van vraag la

9 Overwegende dat de verwijzende rechter in vraag la het Hof van Justitie heeft verzocht uit te spreken hoe de bewoordingen van artikel 97, eerste alinea, van het Verdrag — volgens hetwelk de Lid-Staten gemiddelde percentages mogen vaststellen, zonder evenwel inbreuk te maken op de in artikel 95 genoemde beginselen — moeten worden uitgelegd;

10 Overwegende dat voormelde bevoegdheid — toegekend als zij is aan Lid-Staten welke omzetbelasting heffen volgens het cumulatieve cascadesysteem — dient te worden gezien in verband met de moeilijkheden waartoe toepassing van de bepalingen van artikel 95 in het kader van zodanig stelsel had geleid;

11 dat immers in zulk een systeem het gecumuleerd bedrag der achtereenvolgens al dan niet rechtstreeks op nationale produkten geheven omzetbelasting, dat de maximaal toelaatbare belasting op het ingevoerde produkt vormt, van geval tot geval kan verschillen, met name in verband met het aantal verkoophandelingen welke van het ene of het andere produkt van een zelfde soort plaatsvinden tot het moment van aflevering aan de uiteindelijke verbruiker;

dat in verband hiermede de in artikel 97 voorziene bevoegdheid inhoudt, dat aan de betrokken Staten wordt toegestaan op een bepaald ingevoerd produkt een uniform percentage toe te passen, dat geacht wordt met de gecumuleerde belastingdruk op de nationale produkten overeen te stemmen;

12 Overwegende dat het derhalve voor de beslissing van de nationale rechter, of artikel 97 in het hem voorgelegde geval toepasselijk is, noodzakelijk — doch tevens voldoende — is wanneer hij enerzijds kan nagaan of van een volgens het cumulatieve cascadesysteem geheven belasting sprake is en anderzijds of de Lid-Staat ook van de hem in dit artikel geboden mogelijkheid gebruik gemaakt heeft;

dat, zodra de nationale rechter kan vaststellen dat beide elementen gegeven zijn, het alleen op de weg van de Commissie en van de andere Lid-Staten ligt om met gebruikmaking van de hun ingevolge de artikelen 97, alinea 2, 169, 170 en 173 ten dienste staande middelen de wettigheid der genomen maatregelen na te gaan c.q. te doen nagaan;

13 dat wanneer in een bepaald geval gegronde vrees voor schending van artikel 97 blijkt te bestaan, het krachtens het stelsel van het Verdrag tot de verantwoordelijkheid der Commissie behoort de rechtsbescherming der justitiabelen te verzekeren en daarbij te meer waakzaamheid te betrachten nu de bevoegdheid tot zodanige controle aan de nationale rechter is ontzegd;

14 dat de bepalingen van genoemd artikel derhalve slechts dienen te worden uitgelegd ten einde het de nationale rechter mogelijk te maken om vast te stellen of de betrokken Lid-Staat van bedoelde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, bij welke uitlegging dient te worden gelet op die bepalingen, welke voor dit onderzoek noodzakelijk en voldoende zijn;

15 dat de vraag of in een bepaald geval van de in artikel 97 voorziene mogelijkheid gebruik werd gemaakt, naar gemeenschapsrecht een vraag is welke door de nationale rechter in het kader van het nationale recht moet worden beantwoord;

16 Overwegende dat wanneer een Lid-Staat van de hem in artikel 97 verleende mogelijkheid gebruik gemaakt heeft, de door die staat vastgestelde percentages onder genoemde bepaling vallen, zelfs als mocht blijken dat zij niet met de gecumuleerde belastingdruk op nationale produkten overeenkomen;

dat zulks volgt uit de tweede alinea van artikel 97, waarin sprake is van het geval dat „de … gemiddelde percentages niet in overeenstemming zijn met bovengenoemde beginselen”;

17 dat zulks echter niet wil zeggen dat de Lid-Staten aan artikel 97 het recht ontlenen om tot een willekeurige schatting van de belastingdruk op nationale produkten over te gaan;

dat het derhalve met name aan de Commissie staat de juistheid van bedoelde schatting na te gaan en, zo nodig, de in de tweede alinea van artikel 97 bedoelde maatregelen te nemen, waarop dan door het Hof van Justitie controle kan worden uitgeoefend;

Ten aanzien van vraag lb

18 Overwegende dat het er in deze vraag om gaat of het in het cumulatieve cascadesysteem mogelijk is een vóór inwerkingtreding van het E.E.G.-Verdrag vastgesteld belastingpercentage, dat op één enkele handelsfase van toepassing is, tot een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag te verklaren;

19 Overwegende dat in de staten welke van de in artikel 97 geboden mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, als „gemiddeld percentage” is te beschouwen elk door deze staten als zodanig vastgesteld percentage, ook al heeft die vaststelling vóór de inwerkingtreding van het Verdrag plaatsgevonden;

dat men immers anders de uitoefening van bedoelde bevoegdheid van nieuwe maatregelen afhankelijk zou stellen, óók voor gevallen waarin eerder vastgestelde percentages met de beginselen van artikel 95 verenigbaar zijn;

20 Overwegende voor wat het tweede gedeelte der vraag betreft, dat het blijkens voormelde overwegingen niet uitgesloten moet worden geacht dat — doch van geval tot geval moet worden beoordeeld of — een percentage voor één enkele handelsfase een „gemiddeld percentage” in de zin van artikel 97 kan opleveren;

dat schending van de artikelen 95 en 97, van het standpunt van de nationale rechter bezien, aan het litigieuze percentage niet de hoedanigheid van „gemiddeld percentage” zou ontnemen, doch aanleiding zou geven daarop de maatregelen bedoeld in artikel 97, tweede alinea, toe te passen;

21 Overwegende dat op grond van al deze overwegingen vraag lb bevestigend moet worden beantwoord;

Ten aanzien van de vragen 2a, 2b en 2c

22 Overwegende dat het Finanzgericht wenst te weten (vraag 2a) of het ter vast; telling van een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag voldoende is dat het daartoe krachtens de rechtsorde van een Lid-Staat bevoegd orgaan verklaart dat een bestaand belastingpercentage een gemiddeld percentage is;

23 Overwegende dat zodanige verklaring, naar gemeenschapsrecht, genoegzaam zou doen vaststaan dat de Lid-Staat van bedoelde bevoegdheid gebruik heeft willen maken;

24 Overwegende dat het antwoord op vraag 2a derhalve bevestigend moet luiden, zodat op de alternatief gestelde vragen 2b en 2c niet behoeft te worden ingegaan;

Ten aanzien van de vragen 3 en 4

25 Overwegende dat het Finanzgericht met de derde vraag verlangt te weten wat onder „groepen van produkten” in de zin van artikel 97 van het Verdrag is te verstaan;

dat het voorts met de vierde vraag het Hof verzoekt uit te spreken of alle waren waartegenover identieke of vergelijkbare nationale waren staan en waarvoor niet een van het algemeen percentage afwijkend UASt-percentage bestaat, een groep van produkten in de zin van artikel 97 kunnen vormen;

26 Overwegende dat waar in het Verdrag aan de Lid-Staten wordt toegestaan gemiddelde percentages voor groepen van produkten vast te stellen, zulks alleen betekent dat bedoelde staten niet voor ieder produkt afzonderlijke percentages behoeven vast te stellen;

dat artikel 97 geenszins de conclusie wettigt, dat het van de samenstelling der onder het betrokken percentage gebrachte groepen afhangt of van een „gemiddeld percentage” kan worden gesproken;

27 dat het derhalve op grond van artikel 97 niet uitgesloten moet worden geacht dat waren waarvoor geen van het algemeen percentage afwijkend UASt-percentage bestaat, een groep van produkten in de zin van dat artikel 97 kunnen vormen;

Ten aanzien van vraag 5

28 Overwegende dat de vijfde vraag, waarin sommige door dezelfde rechterlijke instantie in haar vorig verzoek opgeworpen vragen worden herhaald, slechts werd gesteld voor het geval dat het Hof hetzij vraag 2a hetzij vraag 4 ontkennend zou beantwoorden;

29 dat nu zulks niet is geschied, bedoelde vragen geen beantwoording meer behoeven;

Ten aanzien van de vragen betreffende artikelen 7 en 40 van het Verdrag

30 Overwegende dat het Finanzgericht voor het geval dat het Hof mocht oordelen dat de Duitse wetgever door vaststelling van het litigieuze percentage de artikelen 7 en 40 van het Verdrag heeft geschonden, bepaalde vragen betreffende de uitlegging dezer artikelen heeft gesteld;

31 Overwegende dat het Hof ter beoordeling van de vraag of termen aanwezig zijn deze vragen te beantwoorden, zich eerst zou hebben uit te spreken over de overeenstemming van een binnenlandse rechtsmaatregel met het Verdrag, waartoe het evenwel in het kader van artikel 177 niet bevoegd is;

32 dat van deze vragen derhalve geen kennis kan worden genomen;

III — Ten aanzien van de kosten

33 Overwegende dat ter zake van de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland wegens indiening hunner opmerkingen aan het Hof van Justitie gemaakt, geen last tot terugbetaling kan worden gegeven;

dat de procedure ten aanzien van partijen als een in de loop van het geding voor het Finanzgericht van Saarland gerezen incident moet worden beschouwd, zodat deze laatste rechterlijke instantie over de kosten van het geding zal hebben te beslissen;

Gezien de processtukken;

Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur;

Gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het bodemgeschil, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met name de artikelen 95, 97, 169, 170, 173 en 177;

Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap, met name artikel 20;

Gelet op het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de bij beschikking van het Finanzgericht van Saarland van 4 oktober 1968 gestelde vragen, verklaart voor recht:

in antwoord op vraag 1 a :

  1. De in artikel 97 van het E.E.G.-Verdrag voorziene mogelijkheid houdt in, dat het aan de betrokken Lid-Staten is toegestaan op een ingevoerd produkt een uniform percentage toe te passen, dat geacht wordt met de gecumuleerde belastingdruk op nationale produkten overeen te stemmen;

  2. De vraag of in een bepaald geval van deze mogelijkheid inderdaad gebruik gemaakt werd is, naar gemeenschapsrecht, een door de nationale rechter in het kader van zijn nationale recht te beantwoorden vraag;

  3. Wanneer een Lid-Staat van deze mogelijkheid gebruik gemaakt heeft, vallen de door die staat vastgestelde percentages onder artikel 97, zelfs al mocht blijken dat zij niet met de gecumuleerde belastingdruk op het nationale produkt overeenkomen;

in antwoord op vraag 1 b:

In het cumulatieve cascadesysteem is het mogelijk dat een voor de inwerkingtreding van het E.E.G.-Verdrag vastgesteld belastingpercentage een „gemiddeld percentage” in de zin van artikel 97 oplevert en is het niet uitgesloten, dat een percentage voor één enkele handelsfase een „gemiddeld percentage” als in dat artikel bedoeld kan opleveren;

in antwoord op vraag 2 a :

Ter vaststelling van een gemiddeld percentage in de zin van artikel 97 is het voldoende, dat het daartoe krachtens de rechtsorde van een Lid-Staat bevoegd orgaan verklaart dat een bestaand belastingpercentage zulk een gemiddeld percentage is;

in antwoordt op de vragen 3 en 4 :

Het is op grond van artikel 97 niet uitgesloten, dat de waren waarvoor geen van het algemeen percentage afwijkend UASt-percentage bestaat, een groep van produkten in de zin van voormeld artikel 97 kunnen vormen.

Aldus gewezen te Luxemburg op vierentwintig juni negentienhonderdnegenenzestig.

Lecourt

Trabucchi

Mertens de Wilmars

Donner

Strauß

Monaco

Pescatore

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op vierentwintig juni negentienhonderdnegenenzestig.

De Griffier

A. Van Houtte

De President

R. Lecourt