Arrest van het Hof van 30 november 1972.
Arrest van het Hof van 30 november 1972.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 30 november 1972
Uitspraak
In de zaak 32-72
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de VII. Senat van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
Firma WASAKNÄCKE KNÄCKEBROTFABRIK GMBH, thans genaamd Wasa GMBH, te Celle,
enEINFUHR-UND VORRATSSTELLE FÜR GETREIDE UND FUTTERMITTEL, te Frankfurt/Main, om een prejudiciële beslissing inzake de uitlegging van artikel 3, tweede gedachtenstreepje, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 602/68 van de Commissie van 16 mei 1968 (PB nr. L 114, blz. 13) betreffende de voorwaarden voor het toekennen van de compenserende vergoedingen voor zachte tarwe en rogge voor broodbereiding die zich aan het einde van het verkoopseizoen 1967/1968 in opslag bevinden,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: R. Monaco (Kamerpresident), President, P. Pescatore, Kamerpresident, A. M. Donner, A. Trabucchi (rapporteur) en J. Mertens de Wilmars, Rechters,
Advocaat-Generaal: H. Mayras
Griffier: A. Van Houtte
het navolgende
ARREST
Ten aanzien van de feiten
I — De feiten en het procesverloop
Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:
Artikel 9 van verordening nr. 120/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967 (PB nr. 117) opent de mogelijkheid dat onder andere voor in de Gemeenschap geoogste zachte tarwe en rogge die aan het einde van het verkoopseizoen in voorraad zijn, een compenserende vergoeding wordt verleend. Hiertoe is in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 602/68 van de Commissie van 16 mei 1968 (PB nr. L 114) de volgende regeling getroffen:
„Om voor de compenserende vergoeding, die verleend wordt door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op welks gebied de voorraden zich bevinden, in aanmerking te komen, moet de aanvrager:
per op uiterlijk 7 juni 1968 verzonden aangetekende brief, telex of telegram aan de genoemde bevoegde autoriteit zijn voornemen kenbaar hebben gemaakt, dat hij eventueel voor een compenserende vergoeding in aanmerking wenst te komen, onder vermelding van elk van de in artikel 1 genoemde granen, die op 31 mei 1968 zijn eigendom waren en onder opgave van de depothouder en de opslagplaats, waar deze voorraden gecontroleerd kunnen worden;
per op uiterlijk 5 augustus 1968 verzonden aangetekende brief, telex of telegram een aanvraag tot het verlenen van een compenserende vergoeding bij dezelfde bevoegde autoriteit hebben ingediend onder opgave van de voornoemde voorraden granen, die op 31 juli 1968 zijn eigendom waren. Deze aanvraag moet tenminste de in de bijlage genoemde gegevens en verklaringen bevatten.”
Luidens artikel 5, lid 1, van bovengenoemde verordening oefent de bevoegde autoriteit van de Lid-Staten de noodzakelijke controles op de voorraden uit. Lid 2 van dit artikel bepaalt voorts: „De bevoegde autoriteit van de Lid-Staten stelt alle noodzakelijke aanvullende maatregelen vast om rekening te houden met bijzondere omstandigheden op zijn gebied en stelt met name de tijdstippen vast, waarop de voorraden en de mutaties hierin aan een controle zullen worden onderworpen.”
Op 22 mei 1968 en 19 juli 1968 verschenen officiële mededelingen van de Bundesminister für Ernährung, Landwirtschaft und Forsten, waarin deze regeling werd uiteengezet en een uitvoeringsbesluit (Rechtsverordnung) werd aangekondigd. Dit besluit, dat werd vastgesteld op 3 augustus 1968 en bekendgemaakt op 6 augustus 1968 (Bundesanzeiger 1968, nr. 144), bepaalde dat de aanvraag op een bepaald formulier moest worden gedaan en kon worden gedeponeerd tot en met 12 augustus 1968, voor zover de aanvragen althans tijdig per telex of telegram waren ingediend.
Bij brief van 6 juni 1968 had verzoekster in het hoofdgeding, een maalbedrijf, het „Niedersachsische Landesverwaltungs-amt” haar voornemen kenbaar gemaakt dat zij eventueel voor een compenserende vergoeding in aanmerking wenste te komen. Bij brief van 31 juli 1968 verstrekte zij genoemd bureau de maandopgave van de graanvoorraden der maalbedrijven. Op 7 augustus 1968 diende zij haar aanvragen om compenserende vergoeding in; deze aanvragen kwamen op 9 augustus 1968 bij de bevoegde autoriteit binnen.
Verweerster in het hoofdgeding wees deze aanvragen echter bij beschikking van 15 november 1968 af, omdat zij niet binnen de in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 602/68 gestelde termijn waren ingediend.
Het Verwaltungsgericht wees de door verzoekster ingestelde vordering tot nietigverklaring van deze afwijzende beschikking en tot verlening van de compenserende vergoeding toe. In appel werd echter bij arrest van 1 maart 1971 deze uitspraak vernietigd en het beroep verworpen, met name op grond dat de betrokken onderneming haar verzoek na de in de EEG-verordening voorgeschreven termijn had ingediend en dat haar maandopgave van 31 juli 1968 niet kan worden beschouwd als een aanvraag van de vergoeding.
De betrokken vennootschap ging hiervan in cassatie bij het Bundesverwaltungsgericht dat op 21 april 1972 besloot het geding te schorsen en krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag de volgende vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor te leggen:
„Is de in artikel 3, tweede gedachten-streepje, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 602/68 der Commissie van 16 mei 1968 (PB nr. L 114, blz. 13) genoemde termijn, volgens welke de aanvrager uiterlijk op 5 augustus 1968 de aanvraag moest indienen, te beschouwen als een fatale termijn welke bij overschrijding steeds verval van de aanspraak op compenserende vergoeding meebrengt, of
mag een aanvraag die drie dagen na afloop van de termijn is verzonden en een dag nadien is binnengekomen, nog in aanmerking worden genomen, indien ondanks de te late indiening van de aanvraag op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval kan worden uitgesloten dat ten onrechte aanspraak op compenserende vergoeding wordt gemaakt en de behandeling bij de autoriteiten niet op bijzondere moeilijkheden stuit? Is het voor de vraag of een te laat ingediende aanvraag al dan niet kan worden geaccepteerd, van belang of bij de vertraging sprake is van schuld?”
De verwijzingsbeschikking is op 13 juni 1972 ingekomen ter griffie van het Hof. De verwijzende rechter merkt in de overwegingen van zijn beschikking op dat de onderhavige termijn wel zeer krap is gemeten, wanneer men bedenkt dat de op 31 juli 1968 aanwezige voorraden vóór 5 augustus, waarin nog een weekeinde viel, moesten worden medegedeeld.
Mocht het Hof van oordeel zijn dat het bij deze termijn niet slechts om een uitvoeringsmaatregel, maar om een eigenlijke vervaltermijn gaat, dan moet nog worden onderzocht in welke gevallen een overschrijding daarvan zou kunnen worden toegelaten. In dit verband merkt de Duitse rechter op:
„Niet omstreden is dat verzoeksters aanspraak ten gronde niet in twijfel kan worden getrokken en dat de aanvraag op het voorgeschreven formulier 4 dagen na afloop van de aanmeldingstermijn is binnengekomen, waarbij door verweerster voor de indiening van de formulieren een termijn tot en met 12 augustus 1968 was gegund, die verzoekster in acht heeft genomen. Derhalve kan worden aangenomen dat verweerster op het moment dat verzoeksters aanvraag binnenkwam de overige aanvragen nog niet had behandeld.”
De firma Wasaknäcke Knäckebrotfabrik, ten deze vertegenwoordigd door M. Luther, E. Jahn, W. Hofer en W. Happ, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Kalbe, hebben overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap schriftelijke opmerkingen ingediend.
Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 19 oktober 1972 hebben de firma Wasaknacke Knackebrotfabrik en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt. De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 8 november 1972 conclusie genomen.
II — Opmerkingen krachtens artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie
Overwegende dat de krachtens artikel 20 van het Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
1. Opmerkingen van de firma Wasaknäcke Knäckebrotfabrik
Verzoekster in het hoofdgeding, de firma Wasaknäcke Knäckebrotfabrik, is van mening dat de in artikel 3, tweede gedachtenstreepje, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 602/68 der Commissie bedoelde termijn niet moet worden beschouwd als een fatale termijn in technische zin, en wel om de volgende redenen:
-
de termijn is te kort, vooral omdat in casu daarin slechts twee of in het gunstigste geval drie werkdagen vielen; een fatale termijn zou hier in strijd zijn met de goede trouw en derhalve ongeldig moeten worden geacht;
-
de gemeenschapsregeling bepaalt niet uitdrukkelijk dat overschrijding van deze termijn te allen tijde en zonder enige uitzondering tot rechtsverwerking leidt. Gezien de uitzonderlijk korte duur van de termijn had dit uitdrukkelijk moeten ziin bepaald.
Verzoekster in het hoofdgeding merkt voorts op dat de bevoegde Duitse autoriteit de aanvraagformulieren pas op 7 augustus 1968 aan haar had toegezonden, dus twee dagen na het verstrijken van de termijn.
Subsidiair, voor geval het Hof zou oordelen dat hier sprake is van een fatale termijn, verwijst verzoekster in het hoofdgeding naar de rechtspraak van het Bundessozialgericht, volgens welke een in de wet vastgelegde fatale termijn mag worden verlengd, wanneer aan de overige voorwaarden voor het ontstaan van het recht is voldaan en wanneer de betrokkene met een geringe vertraging niet het doel waarvoor de termijn is gegeven, in gevaar brengt. Daar verweerster in het hoofdgeding volgens verzoekster de in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 602/68 bedoelde aanvragen op 12 augustus 1968 nog niet in behandeling had genomen, laat staan daarover had beslist, kon haar taak met betrekking tot de aanvragen van een compenserende vergoeding niet worden bemoeilijkt door de indiening van de aanvraag op 7 augustus 1968. Het doel van de onderhavige gemeenschapsregeling — te zorgen dat geen compenserende vergoedingen zouden worden toegekend voor granen van de nieuwe oogst — werd in geen enkel opzicht doorkruist door een zeer geringe termijnoverschrijding.
Deze uitlegging is in overeenstemming met het standpunt dat de bevoegde nationale autoriteit voor het volgende verkoopseizoen 1968/1969 had ingenomen, toen zii in een geheel analoge situatie de indieningstermijn feitelijk in het algemeen had verlengd tot 12 augustus 1969. Daaruit blijkt dat men door de ervaring tot het inzicht was gekomen dat het doel van de EEG-verordening slechts ten volle kon worden bereikt door een passende verlenging van de termijnen.
In casu is er bij de termijnoverschrijding geen sprake van schuld. Nadat de Bundesminister in zijn officiële bekendmaking van 22 mei 1968 had medegedeeld dat de termijn voor de kennisgeving van het voornemen overeenkomstig artikel 3, eerste gedachtenstreepje, van verordening (EEG) nr. 602/68 (welke termijn volgens dit artikel op 7 juni 1968 afliep) in bepaalde gevallen werd verlengd tot en met 12 juni 1968 en voorts had aangekondigd dat hij de nadere procedureregels bij Rechtsverordnung zou vaststellen, mocht verzoekster immers aannemen dat deze Rechtsverordnung tijdig vóór 5 augustus 1968 zou afkomen, althans dat de desbetreffende termijn dienovereenkomstig zou worden verlengd.
Nu verzoekster haar aanvraag had ingediend op 7 augustus 1968, dus een dag na de bekendmaking van de Verordnung, gaat het niet aan haar termijnoverschrijding te verwijten, te meer omdat zij reeds op 6 juni 1968 aan de bevoegde autoriteiten haar voornemen kenbaar had gemaakt compenserende vergoeding te zullen aanvragen voor de in haar kennisgeving vermelde hoeveelheden. Verzoekster in het hoofdgeding voert ten slotte aan dat zij door de kennisgeving van haar voornemen van 6 juni 1968 al een toekomstig recht had verkregen op toekenning van een compenserende vergoeding voor de granen die zij op 31 juli 1968 in haar opslagplaatsen in voorraad had. Dit recht kan haar niet worden ontzegd, omdat de Duitse autoriteiten de uitdrukkelijk aangekondigde Rechtsverordnung niet tijdig hebben bekendgemaakt.
2. Opmerkingen van de Commissie
De Commissie merkt allereerst op dat de onderhavige compenserende vergoeding ten doel heeft de neiging tot verkoop aan het interventiebureau van resterende seizoenvoorraden die nog op de markt konden worden afgezet, weg te nemen of althans te temperen. Deze neiging kon ontstaan, doordat de interventieprijzen in juni en juli niet worden verhoogd, daar in die periode reeds granen van de nieuwe oogst op de markt komen, waarvoor geen opslagkosten zijn gemaakt.
Om zoveel mogelijk het gevaar van misbruik, dat des te groter is naar mate men verderaf komt van de gestelde dag voor de voorraadbepaling, de kop in te drukken, moesten zo spoedig mogelijk na 31 juli de op die datum aanwezige voorraden worden geverifieerd. Dit verklaart waarom de betrokkenen moesten worden verplicht hun aanvraag op zeer korte termijn in te dienen. Een gewone beginseltermijn zou nauwelijks voldoende zijn geweest om de ondernemingen tot de gewenste spoed aan te zetten.
Uit de in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 602/68 gebruikte formulering blijkt dat men het recht op vergoeding alleen kon verkrijgen door de aanvraag binnen de gestelde termijn in te dienen. Het gaat hier dus om een fatale termijn, waarop geen enkele uitzondering was voorzien. Gezien de vereiste eenheid van gemeenschapsrecht, ook in het uitvoeringsstadium, kan er slechts sprake zijn van een bevoegdheid van de nationale autoriteiten om eenzijdig en naar eigen goeddunken af te wijken van de gemeenschapsregeling, wanneer het gemeenschapsrecht dit uitdrukkelijk toelaat. Bij de onderhavige regeling is dit echter geenszins het geval. Het tweede lid van artikel 5 van verordening nr. 602/68, waarin de Lid-Staten worden gemachtigd alle noodzakelijke aanvullende maatregelen vast te stellen om rekening te houden met de bijzondere omstandigheid op hun gebied, slaat alléén op het eerste lid van dit artikel, waarin de bevoegde autoriteiten wordt opgedragen de noodzakelijke controles uit te oefenen.
Men kan ook niet zeggen dat hogere constitutionale beginselen tot een andere uitlegging nopen. De eerbiediging van de onderhavige termijn vormt namelijk volstrekt geen onredelijke belasting voor de ondernemingen. De betrokkenen waren al lang tevoren op de hoogte van de mogelijkheid en de voorwaarden van een compenserende vergoeding en hadden dus maandenlang de tijd om hun aanvraag zodanig voor te bereiden dat op de vastgestelde dag nog slechts de in aanmerking komende hoeveelheid graan behoefde te worden medegedeeld. Daar voor de onderhavige uitkering uit belastinggelden slechts deze geringe inspanning en geen enkele tegenprestatie van de betrokkenen werd verlangd, kan men uit de grondrechten geen argument putten om uitzonderingen op artikel 3 te construeren voor het geval dat de indieningstermijn van de aanvraag zonder schuld was overschreden. De rechtspositie van verzoekster in het hoofdgeding verandert niet doordat de formulieren van de bevoegde Duitse instantie haar pas met vertraging hebben bereikt, want de geldigheid der aanvragen hing niet uitdrukkelijk van deze formulieren af.
Ten aanzien van het recht
1 Overwegende dat het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 21 april 1972, ingekomen ter griffie van het Hof op 13 juni 1972, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 602/68 der Commissie van 16 mei 1968 (PB nr. L 114, blz. 13) betreffende de voorwaarden voor het toekennen van de compenserende vergoedingen voor zachte tarwe en rogge voor broodbereiding die zich aan het einde van het verkoopseizoen 1967/1968 in opslag bevinden;
dat daarin onder meer wordt bepaald dat, om voor de compenserende vergoeding, bedoeld in artikel 9 van verordening nr. 120/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967 (PB nr. 117) in aanmerking te komen, de belanghebbende per op uiterlijk 5 augustus 1968 verzonden aangetekende brief, telex of telegram een aanvraag tot het verlenen van de compenserende vergoeding bij de bevoegde autoriteit moet hebben ingediend;
dat wordt gevraagd of het hier gaat om een fatale termijn die bij overschrijding steeds verval van de aanspraak op compenserende vergoeding meebrengt;
2 Overwegende dat artikel 3, dat de indiening van de aanvraag binnen een tevoren vastgestelde termijn als een voorwaarde stelt voor de verlening der vergoeding, ertoe bijdraagt aan deze termijn een strikt karakter toe te kennen;
dat dit karakter wordt bevestigd door de functie van deze termijn in het kader van het interventiemechanisme, ingesteld bij verordening nr. 120/67 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen;
dat, teneinde tijdens het gehele verkoopseizoen de prijsgarantie ten behoeve van de producenten in stand te houden, artikel 6 dezer verordening bepaalt dat op de interventieprijzen maandelijkse verhogingen worden toegepast, die over het gehele verkoopseizoen of over een gedeelte daarvan worden gespreid;
dat, teneinde een massaal aanbod van graan op het ogenblik dat de maandelijkse verhogingen van de interventieprijs aflopen, terwijl een groot deel van de opgeslagen granen vóór het nieuwe verkoopseizoen rechtstreeks op de markt zou kunnen worden afgezet, te voorkomen, artikel 9 van verordening nr. 120/67 bepaalt dat een compenserende vergoeding kan worden verleend voor in de Gemeenschap geoogste granen die in voorraad zijn;
3 dat, waar echter de nieuwe oogst van bepaalde granen reeds begint vóór het einde van het verkoopseizoen op 31 juli, de nodige maatregelen moesten worden genomen om te voorkomen dat over de op die datum opgeslagen produkten van de nieuwe oogst ten onrechte de in artikel 9 bedoelde vergoeding wordt verleend;
dat te dien einde artikel 3 van verordening nr. 602/68 der Commissie bepaalt dat, om voor bedoelde vergoeding in aanmerking te komen, de aanvrager uiterlijk op 7 juni 1968 aan de bevoegde autoriteit opgave van de voorraden per 31 mei 1968 moet doen en uiterlijk op 5 augustus 1968 bij dezelfde autoriteit een aanvraag tot het verlenen van de vergoeding moet indienen onder opgave van het restant dezer voorraden per 31 juli 1968;
dat anderzijds de termijn voor de aanvraag om vergoeding niet op grond van zijn korte duur geëigend is de werking van het mechanisme waarvan hij een essentieel onderdeel vormt, te belemmeren;
dat de noodzaak van gelijke voorwaarden voor de toekenning van de compenserende vergoeding meebrengt dat uniforme termijnen worden toegepast;
4 dat om deze redenen de bedoelde regeling in geen enkele mogelijkheid voorziet om de in artikel 3 van verordening nr. 602/68 gestelde termijnen te verlengen; dat de in artikel 5 dezer verordening aan de autoriteiten van elke Lid-Staat toegekende bevoegdheid „alle noodzakelijke aanvullende maatregelen vast (te stellen) om rekening te houden met bijzondere omstandigheden op zijn gebied” zich niet kan uitstrekken tot maatregelen die afwijken van een nauwkeurige gemeenschappelijke regel, zoals de duur van de betrokken termijn, die van wezenlijk belang is voor de werking van het interventiemechanisme;
dat derhalve noch het bewijs dat de aanvraag materieel gerechtvaardigd zou zijn, noch de omstandigheid dat bij de vertraging geen sprake zou zijn van schuld, toereikend zijn om de acceptatie van aanvragen om vergoeding, ingediend na afloop van de hiervoor in artikel 3 van verordening nr. 602/68 gestelde termijn, te rechtvaardigen;
Ten aanzien van de kosten
5 Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
Gezien de processtukken;
Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur;
Gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
Gehoord de conclusie van de Advocaat-Generaal;
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met name artikel 177;
Gelet op verordening nr. 120/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967 en verordening (EEG) nr. 602/68 van de Commissie van 16 mei 1968;
Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap, met name artikel 20;
Gelet op het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 21 april 1972 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
De in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 602/68 van de Commissie gestelde termijn voor de indiening van de aanvragen om de vergoeding, bedoeld in artikel 9 van verordening nr. 120/67/EEG van de Raad, is een fatale termijn.
-
Noch het bewijs dat de aanvraag materieel gerechtvaardigd zou zijn, noch de omstandigheid dat bij de vertraging geen sprake zou zijn van schuld, zijn toereikend om de acceptatie van aanvragen om vergoeding, ingediend na afloop van de in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 602/68 der Commissie gestelde termijn, te rechtvaardigen.
Monaco
Pescatore
Donner
Trabucchi
Mertens de Wilmars
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op dertig november negentienhonderdtweeënzeventig.
De Griffier
A. Van Houtte
De President
P. Pescatore
(Kamerpresident)