Home

Arrest van het Hof van 2 maart 1982.

Arrest van het Hof van 2 maart 1982.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
2 maart 1982

Uitspraak

ARREST VAN 2-3-1982 — ZAAK 6/81 INDUSTRIE DIENSTEN GROEP / BEELE

In zaak 6/81,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Gerechtshof te VGravenhage, in het aldaar aanhangig geding tussen

BV Industrie Diensten Groep, te 's-Gravenhage,

en

J. A. Beele Handelmaatschappij BV, te Hoorn,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: J. Mertens de Wilmars, president, G. Bosco, a. Touffait en O. Due, kamerpresidenten, P. Pescatore, Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe, t. Koopmans, U. Everling, A. Chloros en F. Grévisse, rechters,

advocaatgeneraal: P. VerLoren van Themaat

griffier: P. Heim

het navolgende

ARREST

De feiten

De feiten van de zaak, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

1. Het geding voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage betreft twee systemen voor kabeldoorvoeringen:

  1. MCT (Multi Cable Transit), een Zweeds produkt vervaardigd door AB Lickeaborgs Bruk en sinds 1963 in Nederland in de handel gebracht; exclusief importeur is sedert 1973 geïntimeerde Beele;

  2. SVT, vervaardigd door de Duitse firma System- und Verfahrenstechnik en sinds 1978 in Nederland in de handel gebracht door appellante, BV Industrie Diensten Groep (hierna IDG).

De MCT-kabeldoorvoeringen worden vervaardigd op basis van een procédé waarop, onder meer in de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland, octrooi was verkregen. Deze octrooien zijn in 1975 vervallen, waarna System- und Verfahrenstechnik volgens hetzelfde procédé SVT-kabeldoorvoeringen is gaan vervaardigen.

Beide systemen zijn brand-, water- en gasdicht. Zij bestaan uit een rechthoekig raam, dat in beton kan worden ingestort, in muren kan worden ingemetseld en aan metalen wanden kan worden gelast. Het raam is voorzien van een schroefhuis, waardoorheen verscheidene kabels van verschillende dikte kunnen worden geleid, die met rubber passtukjes en -blokjes kunnen worden omklemd en vastgeklemd. Beide systemen omvatten verder diverse accessoires, zoals vuistukken, verankeringsschijven, een persplaat en een veiligheidsafdichting.

2. Beide systemen worden in dezelfde afmetingen vervaardigd en zijn nagenoeg identiek in die zin, dat zowel de raamwerken als de overige onderdelen onderling uitwisselbaar zijn.

3. Beele heeft van de president van de Arrondissementsrechtbank te's-Gravenhage een bij voorraad uitvoerbaar vonnis verkregen, waarbij aan IDG de verhandeling van SVT-kabeldoorvoeringen in Nederland op straffe van een dwangsom werd verboden. De president was van oordeel dat de SVT-doorvoering op andere wijze kon worden vervaardigd zonder dat aan de kwaliteit of gebruiksmogelijkheden afbreuk werd gedaan, en nam derhalve voorshands aan dat het om een slaafse nabootsing ging.

Van dit vonnis heeft IDG hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te's-Gravenhage. Ondersteund door een rapport van een deskundige (wiens conclusies worden tegengesproken door een door Beele geraadpleegde deskundige), voerde IDG met name aan, dat teneinde een produkt te verkrijgen dat technisch en commercieel gelijkwaardig is aan het MCT-systeem, het nodig was dezelfde maten voor het raam en de hulpstukken te gebruiken als in het MCT-systeem worden toegepast. Voorts betoogde IDG dat de vordering van Beele in strijd was met de artikelen 30-36 EEG-Verdrag, omdat de SVT-produkten in de Bondsrepubliek worden vervaardigd en daar rechtmatig in de handel worden gebracht.

Het Gerechtshof te's-Gravenhage sloot zich aan bij het voorlopig oordeel van de president van de Arrondissementsrechtbank, doch hield zijn uitspraak aan teneinde het Hof de navolgende vraag voor te leggen:

„Aangenomen dat:

  1. een handelaar produkten in Nederland in de handel brengt, die niet meer door enig octrooi worden bestreken en die zonder noodzaak vrijwel identiek zijn aan reeds gedurende geruime tijd door een andere handelaar in Nederland in de handel gebrachte en van andere soortgelijke waren afwijkende produkten, en eerstgenoemde handelaar daardoor nodeloos verwarring, sticht;

  2. volgens de Nederlandse wet eerstgenoemde handelaar zich aldus uit hoofde van oneerlijke mededinging onrechtmatig jegens laatstgenoemde handelaar gedraagt;

  3. de Nederlandse wet aan laatstgenoemde handelaar het recht geeft op die grond een rechterlijk verbod te verkrijgen, waarbij het aan eerstgenoemde handelaar wordt verboden die produkten verder in Nederland in de handel te brengen;

  4. de produkten van laatstgenoemde handelaar in Zweden worden gefabriceerd en die van eerstgenoemde handelaar in de Duitse Bondsrepubliek;

  5. eerstgenoemde handelaar zijn produkten invoert uit de Duitse Bondsrepubliek, waarbinnen die produkten rechtmatig in de handel worden gebracht door een ander dan laatstgenoemde handelaar, de Zweedse fabrikant, iemand die met een hunner verbonden is of van een van deze daartoe toestemming heeft,

verhinderen dan de in het EEG-Verdrag opgenomen regels betreffende het vrije verkeer van goederen, niettegenstaande het in artikel 36 bepaalde, dat laatstgenoemde handelaar een zodanig rechterlijk verbod jegens de eerstgenoemde handelaar verkrijgt?”

4. De verwijzingsbeschikking is op 14 januari 1981 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door

  • IDG, te dezen vertegenwoordigd door C. E. M. van Nispen tot Sevenaer, advocaat te 's-Gravenhage;

  • de regering van het Verenigd Koninkrijk, te dezen vertegenwoordigd door G. Dagtoglou, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde; en

  • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haàr juridisch hoofdadviseur B. van der Esch, bijgestaan door Th. van Rijn, lid van de juridische dienst van de Commissie.

5. Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaatgeneraal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft evenwel de partijen bij de prejudiciële procedure verzocht, vóór de mondelinge behandeling schriftelijk enkele vragen te beantwoorden.

II — Samenvatting van de ingediende schriftelijke opmerkingen

1. In de uiteenzetting van de feiten, vervat in haar schriftelijke opmerkingen, wijst IDG erop, dat de MCT-doorvoering tot het moment waarop de octrooien verliepen, een exclusieve positie innam op de wereldmarkt van kabeldoorvoeringen. Dankzij de octrooien hadden de fabrikanten van MCT het produkt ten aanzien van de basismaten geperfectioneerd, waardoor een optimale toepassing mogelijk werd. Zij hadden een internationale — zij het ook niet formele of officiële — normalisatie van de afmetingen weten te bereiken, zodat een fabrikant van doorvoeringen, die op de wereldmarkt met het MCT-produkt wilde concurreren, gedwongen was dezelfde afmetingen te gebruiken. Juist dit heeft de fabrikant van SVT-doorvoeringen gedaan, en wel met zoveel succes, dat MCT en SVT thans de enige systemen ter wereld zijn van geperfectioneerde doorvoeringen met veiligheidsafdichting, en dat de bestekken op basis waarvan aannemers en onderaannemers worden uitgenodigd hun offertes uit te brengen, immers de gebruikelijke maten vermelden of eenvoudig naar het MCT- of SVT-produkt verwijzen. Waar voorts in enig bouwbestek een merk wordt genoemd, is het gebruikelijk dat ook aan de eisen kan worden voldaan door gebruikmaking van een produkt van een ander merk, mits dit gelijkwaardig is. Het zou economisch dus onverantwoord en zinloos zijn om het SVT-produkt in afwijkende maten aan te bieden.

Het tegen IDG uitgesproken rechterlijk verbod heeft de volgende consequenties:

  1. SVT zou uitsluitend voor de Nederlandse markt een aparte produktielijn moeten opzetten voor een produkt met afwijkende maten;

  2. wanneer SVT-installaties op elders gebouwde schepen in Nederland worden gerepareerd of aangevuld, zouden de Nederlandse werven gedwongen zijn daarvoor MCT-produkten te gebruiken;

  3. wanneer het erom gaat een met MCT-onderdelen opgebouwd systeem aan te vullen, zou het zelfs niet mogelijk zijn concurrerende offertes gebaseerd op SVT-onderdelen, uit te brengen;

  4. wanneer internationaal opererende bedrijven het SVT-systeem standaard voorschrijven, dan zou in Nederland slechts aan die eis kunnen worden voldaan door levering van MCT-produkten.

Zo gezien, leidt het vonnis van de Nederlandse rechter binnen de EEG tot een afgrendeling van de Nederlandse markt voor de betrokken doorvoeringen. Op grond hiervan komt IDG tot de volgende conclusies:

Het tegen IDG uitgesproken verbod, dat een afgrendeling van de markt tot gevolg heeft, is te beschouwen als een nationale maatregel die het intracommunautaire handelsverkeer rechtstreeks en daadwerkelijk belemmert en mitsdien principieel in strijd is met artikel 30 van het Verdrag.

Het verbod kan niet worden beschouwd als een redelijke maatregel, die moet worden aanvaard wegens een dringende behoefte verband houdende met de eerlijkheid in het handelsverkeer, en die zozeer een doel van algemeen belang betreft, dat hij voorrang moet hebben boven de regels van het vrije goederenverkeer (arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, „Cassis de Dijon”, Jurispr. 1979, blz. 649).

Ofschoon bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling artikel 30 niet als effect of ten doel heeft met betrekking tot een uit een Lid-Staat geïmporteerd produkt de toepassing van de in de invoerende Lid-Staat geldende regels betreffende de oneerlijke mededinging te verhinderen, geldt dit slechts voor zover de invoer zelf niet als een daad van oneerlijke mededinging is te beschouwen (arrest van 22 januari 1981, zaak 58/80, Dansk Supermarked, Jurispr. 1981, blz. 181). In casu richt het verwijt zich tegen het produkt zelf. IDG is uitsluitend importeur en bootst zelf niets na. Het is dus de invoer zelf die door de Nederlandse rechter als een daad van oneerlijke mededinging wordt beschouwd.

Het verbod vindt zijn rechtvaardiging evenmin in de door artikel 36 voorziene uitzonderingen. Om bescherming van de openbare orde kan het in casu niet gaan, terwijl er ook geen sprake kan zijn van bescherming van industriële en commerciële eigendom, aangezien de octrooien immers zijn verlopen; daarbij komt dat het begrip industriële en commerciële eigendom restrictief moet worden uitgelegd in die zin, dat het niet de normen op het gebied van de oneerlijke mededinging omvat.

IDG geeft bijgevolg in overweging, de vraag van het Gerechtshof te's-Gravenhage te beantwoorden als volgt:

„Iņ de omstandigheden als aangenomen door het Gerechtshof te's-Gravenhage sub a t/m c verbieden de in het EEG-Verdrag opgenomen regels betreffende het vrije verkeer van goederen, niettegenstaande het in artikel 36 EEG-Verdrag bepaalde, dat laatstgenoemde handelaar' een zodanig verbod jegens de ‚eerstgenoemde handelaar’ verkrijgt.

Dit geldt met name:

  • indien de desbetreffende produkten in vrije concurrentie met elkaar worden verhandeld in één of meer Lid-Staten van de EEG, althans in de Lid-Staat van waaruit de desbetreffende produkten worden geïmporteerd,

    en

  • indien de vervaardiging en het in de handel brengen in die Lid-Staten of Lid-Staat evenzeer is onderworpen aan de regels terzake van de eerlijke mededinging”.

2. De regering van het Verenigd Koninkrijk geeft in overweging, de vraag van het Gerechtshof te's-Gravenhage ontkennend te beantwoorden. Verder wijst zij erop, dat naar algemene opvatting het in strijd is met goed koopmansgebruik wanneer een handelaar goederen verpakt, aanprijst of uitstalt op een wijze die potentiële kopers nodeloos in verwarring kan brengen en kan doen geloven dat de waar die van een andere handelaar is. Waar de Nederlandse wettelijke regeling gelijkelijk van toepassing is op binnenlandse en geïmporteerde produkten, is toepassing ervan geen maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen en valt zij volgens de overwegingen van 's Hofs arrest in zaak 58/80 (Dansk Supermarked) dus niet onder het verbod van artikel 30.

Mocht dit anders zijn, dan is het Verenigd Koninkrijk van mening dat een dergelijke beperking, die bescherming biedt tegen slaafse navolging, gerechtvaardigd kan zijn krachtens artikel 36. In zijn arrest-Terrapin (zaak 119/75, Jurispr. 1976, blz. 1039) heeft het Hof immers overwogen dat „krachtens een recht van industriële en commerciële eigendom, dat in een Lid-Staat rechtmatig is verkregen, ingevolge artikel 36, eerste zin, kan worden opgekomen tegen de invoer van produkten die onder een verwarringwekkende benaming door verschillende en van elkaar onafhankelijke gerechtigden krachtens verschillende nationale wettelijke regelingen zijn gevestigd”.

3. De schriftelijke opmerkingen van de Commissie bevatten een rechtsvergelijkende studie, waaruit blijkt dat het recht van alle in die studie besproken Lid-Staten bescherming biedt tegen slaafse najvolging. Richt die bescherming zich te-~gèn~produkten uit andere Lid-Staten, dan is zij in. beginsel strijdig met artikel 30, tenzij zij kan worden gerechtvaardigd met een beroep op artikel 36 als regel betreffende ongeoorloofde mededinging. In zoverre zou die bescherming geoorloofd zijn, mits zij beperkt blijft tot wat werkelijk noodzakelijk is voor het specifieke voorwerp van de bescherming tegen slaafse nabootsing, namelijk het voorkomen van nodeloze verwarring omtrent de herkomst van het produkt.

De Commissie stelt derhalve het volgende antwoord voor:

„De in het EEG-Verdrag opgenomen regels betreffende het vrije verkeer van goederen verhinderen niet dat een handelaar een wegens slaafse nabootsing van een bestaand produkt uitgesproken rechterlijk verbod van afzet binnen een Lid-Staat van een ingevoerd produkt verkrijgt, mits bij de beoordeling of bij de vervaardiging van dit produkt evengoed een andere weg had kunnen worden ingeslagen zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid ervan afbreuk te doen, ervan wordt uitgegaan dat alle marktdeelnemers zich van alle voor een produkt gebruikelijke maten kunnen bedienen”.

III — Vragen van het Hof

In antwoord op vragen van het Hof heeft Beele meegedeeld dat de omzet van het MCT-produkt in Nederland in 1979 HFL 1 769 000 bedroeg, in 1980 HFL 1 781 000 en in 1981 (tot en met juli) HFL 1 606 115. De omzetcijfers van MCT-doorvoeringen in de andere Lid-Staten zijn Beele onbekend. Evenmin is haar bekend of in andere Lid-Staten door belanghebbenden bij MCT-produkten procedures tegen belanghebbenden bij SVT-produkten aanhangig zijn gemaakt.

Volgens IDG bedroeg de totale omzet van de fabrikant van het SVT-produkt in 1980 ongeveer DM 2 500 000 (met inbegrip van Oostenrijk en Griekenland). Een belangrijk deel van de omzet betrof verkopen in de Bondsrepubliek Duitsland; relatief niet onbelangrijke omzetten werden behaald in Frankrijk en Denemarken. Na het verbod van de president van de Arrondissementsrechtbank hebben in de Benelux geen verkopen meer plaatsgevonden.

IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 6 oktober 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Rayner James, barrister van Lincoln's Inn; IDG, vertegenwoordigd door C. E. M. van Nispen tot Sevenaer, advocaat te 's-Gravenhage; Beele Handelmaatschappij, vertegenwoordigd door J. Plantenga, advocaat te Amsterdam; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn als gemachtigde.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 25 november 1981 conclusie genomen.

In rechte

1 Bij arrest van 11 december 1980, ingekomen ten Hove op 14 januari 1981, heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de regels van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen.

2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen een Nederlandse onderneming, alleenimporteur van in Zweden vervaardigde en sedert 1963 in Nederland in de handel gebrachte kabeldoorvoeringen, en een andere Nederlandse onderneming, die sedert 1978 in de Bondsrepubliek Duitsland vervaardigde kabeldoorvoeringen in Nederland in de handel brengt. Blijkens het dossier waren de Zweedse kabeldoorvoeringen vroeger onder meer in de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland beschermd door octrooien en is de fabricage van de Duitse doorvoeringen en de invoer ervan in Nederland eerst begonnen na afloop van de geldigheidsduur van die octrooien.

3 Eerstbedoelde onderneming had voor de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage een kort geding tegen de tweede aangespannen, waarin zij stelde dat de Duitse kabeldoorvoeringen een slaafse nabootsing waren van het Zweedse produkt, en de president verzocht verweerster te verbieden de Duitse kabeldoorvoeringen in Nederland in de handel te brengen of te doen brengen.

4 Na toewijzing van deze vordering door de president van de Arrondissementsrechtbank stelde de tweede onderneming beroep in bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Volgens het verwijzingsarrest is deze rechterlijke instantie tot het voorlopig oordeel gekomen dat de Duitse fabrikant een van het Zweedse afwijkend systeem van kabeldoorvoeringen had kunnen ontwerpen zonder dat zijn produkt economisch of technisch aan kwaliteit zou inboeten, en dat hij, door dit niet te doen, verwarring tussen de twee produkten had gesticht. Het Gerechtshof meent dan ook, dat de president van de Arrondissementsrechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Duitse produkt naar Nederlands recht een slaafse nabootsing van de Zweedse kabeldoorvoeringen is. Gelet op appellantes stelling dat de door haar verkochte doorvoeringen in een andere Lid-Staat rechtmatig in het verkeer waren gebracht en dat geanimeerde met zijn vordering mitsdien in strijd kwam met de artikelen 30-36 EEG-Verdrag, heeft het Gerechtshof besloten het Hof de volgende vraag te stellen:

„Aangenomen dat:

  1. een handelaar produkten in Nederland in de handel brengt, die niet meer door enig octrooi worden bestreken en die zonder noodzaak vrijwel identiek zijn aan reeds gedurende geruime tijd door een andere handelaar in Nederland in de handel gebrachte en van andere soortgelijke waren afwijkende produkten, en eerstgenoemde handelaar daardoor nodeloos verwarring sticht;

  2. volgens de Nederlandse wet eerstgenoemde handelaar zich aldus uit hoofde van oneerlijke mededinging onrechtmatig jegens laatstgenoemde handelaar gedraagt;

  3. de Nederlandse wet aan laastgenoemde handelaar het recht geeft op die grond een rechterlijk verbod te verkrijgen, waarbij het aan eerstgenoemde handelaar wordt verboden die produkten verder in Nederland in de handel te brengen;

  4. de produkten van laatstgenoemde handelaar in Zweden worden gefabriceerd en die van eerstgenoemde handelaar in de Duitse Bondsrepubliek;

  5. eerstgenoemde handelaar zijn produkten invoert uit de Duitse Bondsrepubliek, waarbinnen die produkten rechtmatig in de handel worden gebracht door een ander dan laatstgenoemde handelaar, de Zweedse fabrikant, iemand die met een hunner verbonden is of van een van deze daartoe toestemming heeft,

verhinderen dan de in het EEG-Verdrag opgenomen regels betreffende het vrije verkeer van goederen, niettegenstaande het in artikel 36 bepaalde, dat laatstgenoemde handelaar een zodanig rechterlijk verbod jegens de eerstgenoemde handelaar verkrijgt?”

5 Uit het dossier blijkt dat de regel van Nederlands recht, waarnaar in de vraag wordt verwezen, evenals overigens de bescherming tegen slaafse nabootsing in het recht van de meeste andere Lid-Staten, hoofdzakelijk door de rechtspraak is ontwikkeld. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zijn op communautair vlak tot nu toe geen pogingen gedaan de nationale regelingen ter zake van slaafse nabootsing te harmoniseren. Daarom dient het onderzoek of die bescherming zich verdraagt met de verdragsregels betreffende het vrije goederenverkeer, zich te beperken tot de wijze waarop, volgens de beschrijving in het verwijzingsarrest van het Gerechtshof, die bescherming in het Nederlandse recht wordt geëffectueerd.

6 Naar uit dat arrest blijkt, is het Gerechtshof, behoudens het antwoord dat op de gestelde vraag zal worden gegeven, geneigd het verbod om de produkten — waarvan het aanneemt dat zij in een andere Lid-Staat rechtmatig in het verkeer zijn gebracht — in Nederland te verhandelen, te bekrachtigen.

7 Een dergelijk verbod vormt een belemmering voor het vrije goederenverkeer tussen de Lid-Staten, dat in beginsel wordt beheerst door artikel 30 dat alle maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen verbiedt. Het Hof'heeft evenwel herhaaldelijk overwogen (onder meer in de arresten van 20 februari 1979, zaak 120/78, „Cassis de Dijon”, Jurispr. 1979, blz. 649, en 17 juni 1981, zaak 113/80, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1981, nog niet gepubliceerd), dat bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de produktie en verhandeling van produkten, belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale regelingen moeten worden aanvaard, voor zover een dergelijke regeling zonder onderscheid van. toepassing is op nationale en ingevoerde produkten en haar rechtvaardiging vindt in de noodzaak te voldoen aan dwingende eisen onder meer verband houdend met de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties. Onderzocht moet dus worden of de bescherming tegen nabootsing, op de wijze als in het verwijzingsarrest beschreven, aan deze voorwaarden voldoet.

8 Ofschoon het in dit geval in het hoofdgeding gaat om de bescherming van een in een derde land vervaardigd produkt tegen de verhandeling van een produkt dat in een Lid-Staat is vervaardigd, hangt de toepassing van de rechtspraak volgens de uiteenzetting van de nationale rechter niet af van het land van oorsprong van respectievelijk het nagebootste produkt en de na-, bootsing. Bovendien bevat het verwijzingsarrest niets op grond waarvan men zou kunnen zeggen dat de wijze van toepassing van die rechtspraak wordt aangepast aan de specifieke behoeften van de nationale produktie, in dier voege dat ingevoerde produkten in feite worden benadeeld. Men dient er derhalve van uit te gaan, dat de door de nationale rechter bedoelde rechtspraak zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten.

9 Een nationale rechtspraak die de slaafse, verwarring stichtende nabootsing van eens anders produkt verbiedt, kan inderdaad dienen ter bescherming van de consumenten en ter bevordering van de eerlijkheid van de handelstransacties, doelstellingen van algemeen belang die, volgens bovenaangehaalde rechtspraak van het Hof, het bestaan kunnen rechtvaardigen van belemmeringen voor het intracommunautaire verkeer, welke het gevolg zijn van dispariteiten van de nationale regelingen inzake de verhandeling van produkten. Dat een dergelijke norm metterdaad aan dwingende eisen beantwoordt, vindt bovendien bevestiging in het feit dat zij overeenkomt met de grondgedachte van artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967, dat alle daden, welke ook, die verwarring zouden kunnen verwekken ten opzichte van de waren van een concurrent, verbiedt, alsook in het feit dat deze norm in de rechtspraak van het merendeel der Lid-Staten in beginsel wordt erkend.

10 Ter beantwoording van de vraag of een rechtspraak als in het verwijzingsarrest beschreven, ter verwezenlijking van bovengenoemde doelstellingen noodzakelijk is dan wel verder gaat dan uit dien hoofde gerechtvaardigd kan zijn, dient de in het arrest beschreven wijze van toepassing nader te worden onderzocht.

11 Dienaangaande blijkt al uit de tekst van de vraag, dat in de eerste plaats naar het voorlopig oordeel van de nationale rechter de produkten ten aanzien waarvan hij een verhandelingsverbod overweegt, zonder noodzaak vrijwel identiek zijn aan de nagebootste produkten en dat appellante in het hoofdgeding daardoor nodeloos verwarring sticht. Bovendien is blijkens het verwijzingsarrest de noodzaak of de nodeloosheid van die nabootsing niet slechts vanuit technisch, doch ook vanuit economisch en commercieel gezichtspunt beoordeeld.

12 In de tweede plaats volgt uit de bewoordingen van de vraag alsook uit het dossier, dat niets wijst op het bestaan van een overeenkomst of een afhankelijkheidsverhouding tussen de Zweede fabrikant van het oorspronkelijke produkt en de Duitse fabrikant van het als nabootsing beschouwde produkt, waarvan de verhandeling in Nederland in geschil is.

13 Wanneer aan de in het verwijzingsarrest genoemde voorwaarden is voldaan, kan een rechtspraak ter zake van slaafse nabootsing van eens anders produkt niet worden geacht te treden buiten het kader van de dwingende eisen verband houdend met de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties.

14 Appellante in het hoofdgeding heeft voor het Hof het probleem van de reserveonderdelen aan de orde gesteld. Zij wees erop, dat de kabeldoorvoeringen niet enkel in gebouwen, doch ook in schepen worden geïnstalleerd, en dat een verbod om het Duitse produkt in Nederland te verhandelen, ertoe zou dwingen reparaties in schepen in Nederland te verrichten met Zweedse reserveonderdelen zelfs indien het schip met Duitse kabeldoorvoeringen is uitgerust. Aangezien de nationale rechter dit probleem niet heeft aangeroerd en geïntimeerde in het hoofdgeding tijdens de procedure voor het Hof te kennen heeft gegeven dat het door hem gevorderde verbod geen betrekking heeft op reserveonderdelen voor het repareren van Duitse kabeldoorvoeringen, behoeft dit probleem, waarvoor de voorgaande overwegingen niet noodzakelijkerwijs beslissend zijn, niet te worden opgelost.

15 Op de vraag van het Gerechtshof te's-Gravenhage moet mitsdien worden geantwoord, dat de regels van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen niet verhinderen dat een handelaar die al gedurende geruime tijd in een Lid-Staat een produkt in de handel brengt dat zich van andere soortgelijke waren onderscheidt, op grond van een nationale rechtsregel, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde goederen, een rechterlijk verbod kan verkrijgen jegens een andere handelaar om in die Lid-Staat verder een produkt in de handel te brengen, afkomstig uit een andere Lid-Staat waar het rechtmatig in het verkeer is gebracht, doch dat zonder noodzaak vrijwel identiek is aan het eerste produkt en daardoor nodeloos verwarring sticht tussen de twee produkten.

Kosten

16 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding 18 de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 11 december 1980 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De regels van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen verhinderen niet dat een handelaar die al gedurende geruime tijd in een Lid-Staat een produkt in de handel brengt dat zich van andere soortgelijke waren onderscheidt, op grond van een nationale rechtsregel, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde goederen, een rechterlijk verbod kan verkrijgen jegens een andere handelaar om in die Lid-Staat verder een produkt in de handel te brengen, afkomstig uit een andere Lid-Staat waar het rechtmatig in het verkeer is gebracht, doch dat zonder noodzaak vrijwel identiek is aan het eerste produkt en daardoor nodeloos verwarring sticht tussen de twee produkten.

Mertens de Wilmars

Bosco

Touffait

Due

Pescatore

Mackenzie Smart

O'Keeffe

Koopmans

Everling

Chloros

Grévisse

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 maart 1982.

De griffier

P. Heim

De president

J. Mertens de Wilmars