Arrest van het Hof van 19 juni 1984.
Arrest van het Hof van 19 juni 1984.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 19 juni 1984
Uitspraak
In zaak 71/83,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 1 van het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Belgische Hof van Cassatie, in het aldaar aanhangig geding tussen
1. Partenreederei ms. Tilly Russ,
2. Ernest Russ,
en1. NV Haven- & Vervoerbedrijf Nova,
2. NV GoEMiNNE Hout,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: Mackenzie Stuart, president, T. Koopmans, K. Bahlmann en Y. Galmot, kamerpresidenten, P. Pescatore, A. O'Keeffe, G. Bosco, O. Due en U. Everling, rechters,
advocaat-generaal: Sir Gordon Slynn
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
het navolgende
ARREST
De feiten
Het verwijzingsarrest en de krachtens artikel 20 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
De Belgische NV Goeminne Hout had van een Amerikaans bedrijf een aantal bundels hout gekocht. De Duitse rederij Partenreederei ms. Tilly Russ werd belast met het vervoer van deze waar over zee van Toronto naar Antwerpen. Dit vervoer was gedekt door de cognossementen CT 108 en CT 118 van 16 augustus 1976, namens de vervoerder opgesteld door zijn Amerikaanse agent. Bij aflevering van de lading in Antwerpen op 7 september 1976 bleek dat de verpakking van twee bundels beschadigd was en dat een tiental planken ontbraken.
Goeminne Hout en de door haar aangestelde NV Haven- & Vervoerbedrijf Nova vorderden voor de Rechtbank van Koophandel van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen USD 304 aan schadevergoeding. Partenreederei ms. Tilly Russ en E. Russ wierpen echter de exceptie van onbevoegdheid van de Antwerpse rechter op, stellende dat op elk der cognossementen aan de keerzijde was vermeld: „4e) any dispute arising under this bill of lading shall be decided by the Hamburg Court”, en dat de Antwerpse rechter bijgevolg onbevoegd was krachtens artikel 17 EEG-Executieverdrag. Deze verklaarde zich bij vonnis van 31 oktober 1978 echter wel bevoegd en wees de vordering toe.
Op 7 oktober 1981 bevestigde het Hof van Beroep te Antwerpen dit vonnis. Daarop voorzagen Partenreederei ms. Tilly Russ en E. Russ zich op 1 maart 1982 in cassatie. Het Belgische Hof van Cassatie, van oordeel dat het opgeworpen middel een vraag over de uitlegging van artikel 17 EEG-Executieverdrag doet rijzen, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een uitspraak over de volgende vraag :
„Kan, rekening houdend met de ter zake algemeen geldende gebruiken, het door de zeevervoerder aan de inlader afgegeven cognossement beschouwd worden als een in artikel 17 van het Verdrag van 27 september 1968, betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, bedoelde ‚schriftelijke overeenkomst’ of ‚schriftelijk bevestigde overeenkomst’ tussen partijen en, zo ja, geldt zulks ook ten aanzien van de derdehouder van het cognossement?”
Het arrest van het Hof van Cassatie is op 28 april 1983 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 5, lid 1, van het Protocol van 3 juni 1971 en artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn op 5 juli 1983 schriftelijke opmerkingen ingediend dooide Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur E. Zimmermann als gemachtigde, bijgestaan door H. van Houtte, advocaat te Brussel; op 14 juli 1983 door de NV Haven- & Vervoerbedrijf Nova en NV Goeminne Hout, gerequireerden in cassatie, vertegenwoordigd door R. Wijffels, advocaat te Antwerpen; op 9 augustus 1983 door de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door O. Fiumara, avvocato dello Stato, als gemachtigde, en op 11 augustus 1983 door de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. D. Howes van het Treasury Solicitor's Department als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
a) Opmerkingen van gerequireerden in-cassatie
Gerequireerden in cassatie herinneren in de eerste plaats aan de rechtspraak van het Hof inzake artikel 17 EEG-Executieverdrag, met name de arresten van 14 december 1976 (zaak 24/76, Salotti, Jurispr. 1976, blz. 1831, en zaak 25/76, Segoura, Jurispr. 1976, blz. 1851, alsmede de conclusies van advocaat-generaal Capotorti in deze zaken). Uit deze rechtspraak kan worden afgeleid, dat een partij die met algemene voorwaarden werkt, niet gerechtigd is haar wederpartij te binden door een daarin opgenomen bevoegdheidsbeding, wanneer deze wederpartij niet schriftelijk heeft bevestigd dat zij ermee akkoord gaat. Een clausule tot aanwijzing van een bevoegde rechter kan dus geen effect sorteren zonder schriftelijke instemming of schriftelijke bevestiging van de instemming van partijen. Gerequireerden in cassatie wijzen er in dit verband op, dat in casu de derdehouder van het cognossement en de zeevervoerder partij zijn.
In afwijking van deze regel is mondelinge aanvaarding van een bevoegdheidsbeding ingevolge de rechtspraak van het Hof toegestaan, wanneer partijen een overeenkomst sluiten in het kader van een vaste zakenrelatie; door in zo'n geval het bestaan van dat beding te ontkennen, zou de wederpartij handelen in strijd met de goede trouw, zelfs indien hij er niet schriftelijk mee heeft ingestemd. Daarmee doelde het Hof op de theorie van misbruik van rechten uit overeenkomst; men mag een kennelijk bestaande overeenkomst niet ontkennen met een beroep op het ontbreken van een geschrift.
De wijziging van artikel 17, aangebracht bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: het Verdrag van 1978), alsmede het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hofvan Justitie (PB L 304 van 1978, blz. 1), is volgens gerequireerden niet relevant voor de beantwoording van de prejudiciële vraag, omdat de nieuwe versie nog niet in werking is getreden. De ingevoerde versoepeling, inhoudende dat het bevoegdheidsbeding in de internationale handel moet worden gesloten „in een vorm die wordt toegelaten door gebruiken op dit gebied en die de partijen kennen of geacht worden te kennen”, wijkt echter in geen enkel opzicht af van het absolute vereiste, dat het bestaan van wilsovereenstemming over de toepasselijkheid van een bevoegdheidsbeding dat deel uitmaakt van algemene voorwaarden, moet worden bewezen.
Gerequireerden gaan vervolgens in op het rechtskarakter van het cognossement en betogen dat dit niet de vervoerovereenkomst is. Volgens hen ontstaat de vervoerovereenkomst, wanneer de redervervoerder zich verbindt het vervoer van bepaalde goederen over zee te bewerkstelligen en de afzender of inlader aanvaardt hiervoor een bepaalde vracht te betalen, dat wil zeggen op het ogenblik van de boeking, die doorgaans per telex gebeurt. Bij de vaststelling van de vervoersvoorwaarden wordt derhalve nooit gesproken over bevoegdheidsbedingen die later in het cognossement kunnen voorkomen.
Na de sluiting van de vervoerovereenkomst wordt de inlader door de scheepsagent verzocht, de goederen aan te leveren; daarvoor ontvangt hij een „laadbrief”.
Pas nadat de door de inlader aangeleverde en op de kade gebrachte goederen aan boord van het schip zijn geladen en nadat de eerste officier de inlader een „mate's receipt” (document waarbij de scheepsstaf erkent de goederen aan boord te hebben) heeft afgegeven, geeft de scheepsagent de inlader een „shipped” cognossement af.
Tussen de inlader en de zeevervoerder is het cognossement bijgevolg niets anders dan een ontvangstbewijs en een bevestiging van de loutere verbintenis om de goederen waarop de overeenkomst betrekking heeft, te vervoeren en af te leveren op de overeengekomen plaats van bestemming. Dit blijkt overigens uit de rechtspraak, de nationale wetgevingen en de rechtsleer.
Het cognossement is evenmin een bewijs van de vervoerovereenkomst, tenzij het door de inlader uitdrukkelijk voor akkoord is ondertekend, hetgeen zelden het geval is. Dat op de achterzijde van het cognossement de voorwaarden — waaronder het bevoegdheidsbeding — zijn afgedrukt, vindt overigens zijn verklaring in de omstandigheid dat de inla-der-bevrachter die voorwaarden, die bij de totstandkoming van de vervoerovereenkomst niet ter sprake komen, niet kan bespreken of doen wijzigen. Weigering door de inlader van die voorwaarden is ondenkbaar, om de eenvoudige redenen dat op het ogenblik van afgifte van het cognossement de goederen reeds zijn ingeladen of zich tenminste in het bezit van de rederij bevinden, en geen enkele inlader ter wereld zich zou kunnen veroorloven, de goederen te doen lossen en het schip vertraging te doen ondergaan wegens weigering van een cognossement dat een niet-overeengekomen bevoegdheidsbeding bevat.
Deze situatie vormt slechts de weergave van een historische realiteit, waarin de rederijen ernaar streven in hun cognossementen zoveel mogelijk rechten en exoneratieclausules in te bouwen. Tot staving van hun opvatting citeren gerequireerden het artikel van G. van Bladel: „Connaissements et règles de La Haye”, waarin deze stelt dat het cognossement een document is geworden waarin de vervoerder iedere aansprakelijkheid heeft uitgesloten en dat iedere praktische waarde mist, daar de kapitein nog slechts de verplichting heeft zijn vracht in te laden, en dat de rechtswaarborg van de vervoerder volledig is verdwenen.
Gerequireerden herinneren er vervolgens aan, dat ieder cognossement uit twee delen bestaat: een blanco deel, waarop de vervoerovereenkomst zal worden ingevuld, en een voorgedrukt gedeelte, dat de vooraf door de rederij eenzijdig vastgestelde clausules bevat. De enige bewijskracht van het cognossement is gelegen in de invulling van het „blanco deel”, dat volgens artikel III, regel 4, van de „Hague-rules” de kracht van vermoeden heeft behoudens tegenbewijs. Bijgevolg vormt het cognossement niet het bewijs, dat de voorgedrukte voorwaarden op dit document de weergave vormen van wilsovereenstemming tussen inlader en vervoerder bij de totstandkoming van de overeenkomst.
Bovendien bestaan er in de internationale maritieme handel geen algemeen geldende gebruiken volgens welke de voorgedrukte voorwaarden op een cognossement gelden als een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst tussen inlader en zeevervoerder. Dit geldt temeer, omdat deze voorwaarden blijkens de rechtsleer en een omvangrijke rechtspraak steeds stof opleveren tot discussie en rechtsgedingen tussen partijen.
Vervolgens gaan gerequireerden in op de vraag, of een voorgedrukt bevoegdheidsbeding in een cognossement kan worden beschouwd als een schriftelijke overeenkomst tussen de zeevervoerder en de derdehouder van het cognossement. Zij wijzen erop, dat het cognossement onbeperkt verhandelbaar is en dat er derhalve vaak zelfs geen rechtstreekse relatie bestaat tussen de afzender en de derdehouder die de koopwaar in ontvangst neemt. Dit betekent, dat aan de in artikel 17 EEG-Executieverdrag voorziene voorwaarde inzake wilsovereenstemming tussen de procespartijen niet is voldaan, omdat de derdehouder nooit de minste gelegenheid heeft gehad om in te stemmen met enig bevoegdheidsbeding. Bovendien kan niet in alle ernst worden staande gehouden, dat tussen de houders van de cognossementen en de rederijen vaste handelsbetrekkingen bestaan. De enige handelsbetrekkingen die overdacht van het cognossement meebrengen, zijn die tussen de koper en de verkoper, van wie eerstgenoemde het cognossement ontvangt. Tussen de derdehouder van het cognossement en de zeevervoerder bestaat dus volstrekt geen betrekking die de veronderstelling kan wettigen, dat de derdehouder te kwader trouw is indien hij het bestaan ontkent van een wel degelijk bewezen wilsovereenstemming tussen hem en de rederij ten aanzien van de vooraf op het cognossement afgedrukte clausules.
Wat het onderhavige cognossement betreft, houden gerequireerden staande, dat dit werd opgesteld na het sluiten van de vervoerovereenkomst, na de lading van de waar in een veraf gelegen haven en zonder getekend te zijn door de inlader.
Dit document kan dus geen bewijs vormen, dat de inlader speciaal met het bevoegdheidsbeding heeft ingestemd. A fortiori kan de derdehouder niet aan dit beding gebonden zijn.
Voorts voorziet het litigieuze bevoegdheidsbeding niet in de verplichte toepassing door de vreemde rechter van artikel 91 van het Belgische Wetboek van Koophandel, waardoor de rechtsbescherming waarop de derdehouder vast moet kunnen rekenen, geheel wegvalt. Aldus zou artikel 17 EEG-Executieverdrag door de zeevervoerder kunnen worden misbruikt, daar hij via voorgedrukte cognossementsclausules voor goederen met bestemming Antwerpen bepalingen zou kunnen laten gelden die naar Belgisch recht nietig zijn.
Tenslotte citeren gerequireerden enkele schrijvers uit een groot aantal derde landen, om te concluderen dat bevoegdheidsbedingen in cognossementen in geen geval volgens algemeen gebruik als geldig worden erkend.
b) Opmerkingen van de Italiaanse regering
Met betrekking tot de eerste vraag merkt de Italiaanse regering op, dat blijkens de rechtspraak van het Hof de door artikel 17 EEG-Executieverdrag vereiste schriftelijke vorm moet waarborgen, dat de wilsovereenstemming tussen partijen die door aanwijzing van een bevoegde rechter afwijken van de algemene bevoegdheidsregels van de artikelen 2, 5 en 6 EEG-Executieverdrag, duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt en daadwerkelijk vaststaat. Indien een dergelijke clausule ondubbelzinnig en voor partijen gemakkelijk kenbaar is — de feitelijke vaststelling daarvan behoort uiteraard tot de bevoegdheid van de nationale rechter —, moet zij worden beschouwd als een schriftelijke overeenkomst in de zin van artikel 17 EEG-Executieverdrag. Het cognossement vertegenwoordigt de goederen en vormt een bewijs van de vervoerovereenkomst. Het wordt opgemaakt in twee originelen, waarvan het ene wordt ondertekend door de inlader of zijn vertegenwoordiger en het andere, dat wordt uitgereikt aan de inlader en doorgaans overdraagbaar is, door de vervoerder. Aldus is sprake van wilsovereenstemming tussen partijen en ondertekening van de overeenkomst door beide partijen.
De tweede vraag heeft betrekking op een situatie die een zekere gelijkenis vertoont met die welke in zaak 201/82 aan de orde was (arrest van 14. 7. 1983, Gerling, Jurispr. 1983, blz. 2503). In deze zaak, die betrekking had op een verzekeringsovereenkomst, verklaarde het Hof: „Door deze schriftelijke vorm voor te schrijven in de betrekkingen tussen partijen, heeft artikel 17 EEG-Executieverdrag echter niet tot doel of tot gevolg, dat dit vereiste van schriftelijkheid ook geldt voor de mogelijkheid van degene die geen partij is bij de overeenkomst doch begunstigde van het derden-beding, zich in een geding met de verzekeraar op de te zijnen gunste bedongen forumkeuze te beroepen.”
Bij een dergelijke overeenkomst ten behoeve van een derde verwerft de derde die aanspraak wil maken op het te zijnen behoeve opgenomen beding, de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten door de enkele afspraak tussen partijen, zonder dat hij die behoeft te aanvaarden.
Hetzelfde dient te gelden in het geval van de derdehouder van een cognossement, die immers terstond nadat het cognossement aan hem is overgedragen, het daarin vermelde recht kan uitoefenen en ook is onderworpen aan de uit het cognossement voortvloeiende verplichtingen, beperkingen en bedingen, mits deze duidelijk en ondubbelzinnig kenbaar zijn.
Mitsdien stelt de Italiaanse regering voor, de vragen van het Belgische Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
-
Het bevoegdheidsbeding in een cognossement kan worden beschouwd als een in artikel 17 EEG-Executieverdrag bedoelde schriftelijke overeenkomst, wanneer de inhoud ervan duidelijk, nauwkeurig en ondubbelzinnig is;
-
voor zover het beding geldig is tussen de partijen die haar hebben ondertekend, is zij dit ook ten aanzien van de derdehouder van het cognossement.
-
Opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk
De regering van het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Hof, de zaak in voltallige zitting te beslissen.
Met betrekking tot de eerste vraag merkt de regering van het Verenigd Koninkrijk op, dat de opvatting van het Hof van Beroep te Antwerpen, volgens welke het cognossement moet worden beschouwd als een document dat in essentie is bedoeld als ontvangstbewijs, geen rekening houdt met de aard en functie van een cognossement in de internationale handel. De internationale handel zou overigens ernstig worden geschaad, indien niet aan alle uitdrukkelijke bedingen in cognossementen volledige rechtskracht toekwam, zowel in de betrekkingen tussen de zeevervoerder en de oorspronkelijke inlader als in de betrekkingen met de derdehouder.
Het cognossement is niet alleen een bewijs van ontvangst van de goederen door de vervoerder, maar vormt tevens de overeenkomst die de vervoersvoorwaarden bevat, alsmede een titel van eigendom van de goederen. De juistheid van deze opvatting kan worden aangetoond aan de hand van het op 25 augustus 1924 te Brussel ondertekende Internationale Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende het cognossement, algemeen bekend als de „Hague-rules”, inzonderheid de artikelen I b, III c, V en VI.
In de internationale handel kan een cognossement slechts naar behoren zijn dubbele functie vervullen van document waarvan overdracht de rechten en verplichtingen uit de vervoerovereenkomst doet overgaan, en van document dat recht geeft op uitlevering van de goederen waarop de overeenkomst betrekking heeft, wanneer het wordt beschouwd als een stuk dat alle bedingen van de overeenkomst bevat, en wanneer aan deze laatste volledige werking wordt gegeven. In de praktijk is er bovendien geen ruimte voor een aanvullend document ten bewijze van een andere overeenkomst tussen partijen, zoals de uitdrukkelijke aanvaarding van een bevoegdheidsbeding. Overigens is er geen logische reden om in cognossementen onderscheid te maken tussen bevoegdheidsbedingen en andere bedingen, vooral omdat een forumkeuze van groot belang kan zijn voor het bepalen van de betekenis van een aantal andere bedingen in het cognossement. Zo kan bij voorbeeld aanwijzing van de Engelse rechter zeer wel zijn ingegeven door het feit, dat de uitlegging die deze rechter aan bepaalde specifieke termen uit het zeerecht geeft, in maritieme leringen goed bekend is.
De Britse regering erkent dat de vraag, of een cognossement veeleer tot de schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomsten moet worden gerekend dan wel tot de schriftelijke overeenkomsten in eigenlijke zin, in de doctrine in het Verenigd Koninkrijk nog niet definitief is beslist. Dit doet echter niet af aan bovenstaand betoog, want krachtens artikel 17 EEG-Executieverdrag zijn cognossementen in beide gevallen geldig. Bovendien blijkt uit artikel 10 van de Hague-Rules, dat het cognossement een schriftelijke dan wel een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst kan zijn.
Zo het Hof deze uitlegging niet mocht aanvaarden, vestigt de Britse regering de aandacht van het Hof op de door het Verdrag van 1978 aangebrachte wijziging, die, wanneer zij van kracht wordt, zonder meer tot gevolg heeft dat een bevoegdheidsbeding in een cognossement voldoet aan de vormvereisten van artikel 17 EEG-Executieverdrag. In dit verband wijst zij er voorts op, dat de vraag van het Hof van Cassatie uitdrukkelijk verwijst naar de „ter zake algemeen geldende gebruiken”.
Met betrekking tot de tweede vraag betoogt de Britse regering in de eerste plaats, dat volgens een grondbeginsel van het overeenkomstenrecht degene aan wie een overeenkomst is overgedragen, gehouden is aan dezelfde bedingen als zijn rechtsvoorganger. Indien derhalve een bevoegdheidsbeding de oorspronkelijke partijen bindt, bindt het ook hun rechtsopvolgers, vooral omdat het cognossement vrij overdraagbaar is. Aangezien bovendien duidelijk is dat de vervoerder geen partij kan zijn bij de overdracht van het cognossement van de ene houder aan de andere, zou ongeldigverklaring van in cognossementen vervatte bevoegdheidsbedingen betekenen, dat vervoerders niet kunnen vertrouwen op een — niettemin bindende — overeenkomst houdende aanwijzing van een bevoegde rechter.
De Britse regering is zich ervan bewust, dat artikel 17 EEG-Executieverdrag volgens de rechtspraak van het Hof eng moet worden uitgelegd; zij wil dit beginsel overigens niet ter discussie stelleri. Het betreft hier echter een enge uitlegging van de vormvoorwaarden voor de geldigheid van clausules tot aanwijzing van een bevoegde rechter. In handelsaangelegenheden is het van bijzonder belang, dat partijen bij overeenkomst de bevoegde rechter kunnen aanwijzen. Zoals Jénard uitdrukkelijk verklaarde in zijn rapport over het EEG-Executieverdrag, is het derhalve zeer belangrijk dat het Hof bij de uitlegging van artikel 17 rekening houdt met de handelspraktijk. Artikel 17 zou zijn betekenis in de handelsbetrekkingen goeddeels verliezen, wanneer de derdehouder niet aan het bevoegdheidsbeding gebonden was. Blijkens de bewoordingen van artikel 17 worden met partijen weliswaar de partijen bij het geding bedoeld en moeten zij het bevoegdheidsbeding hebben ondertekend, maar artikel 17 verlangt niet dat dit beding tussen partijen zelf tot stand is gekomen; er is geen bezwaar tegen dat de overeenkomst via een of meer derden tot stand komt. In het arrest-Gerling, inzonderheid r.o. 18, is het Hof overigens reeds in die richting gegaan in verband met een verzekeringsovereenkomst.
Tot staving van haar opvatting beroept de Britse regering zich voorts op de artikelen 8 en 9 van het Verdrag van 1978, ingevolge welke een bevoegdheidsbeding in een verzekeringsovereenkomst tegen schade aan de goederen tijdens het vervoer geldig is. Aangezien analoge beginselen gelden voor de verplichtingen van de verkoper met betrekking tot het cognossement en de verzekeringsovereenkomst, zou de internationale handel worden geschaad indien het EEG-Executieverdrag niet ook de geldigheid van een bevoegdheidsbeding in een cognossement zou erkennen.
Concluderend is de regering van het Verenigd Koninkrijk van oordeel, dat een bevoegdheidsbeding in een cognossement zowel ten aanzien van de oorspronkelijke partijen bij het cognossement als ten aanzien van een derdehouder van het cognossement aan de vormvereisten van artikel 17 voldoet.
d) Opmerkingen van de Commissie
De Commissie merkt ter inleiding op, dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de onbetwiste voorrang van artikel 17 EEG-Executieverdrag op de nationale bevoegdheidsregels, met name artikel 91 van het Wetboek van Koophandel, boek II (Zeevaart). De Belgische rechter heeft deze voorrang sinds september 1976 aanvaard, doch in cognossementen opgenomen bevoegdheidsbedingen steeds afgewezen op grond dat zij niet beantwoorden aan de vereisten gesteld door artikel 17 EEG-Executieverdrag.
Evenals verweersters is de Commissie van oordeel, dat artikel 17 blijkens de rechtspraak van het Hof eng moet worden uitgelegd, te meer daar bij in cognossementen opgenomen bevoegdheidsbedingen in het algemeen de rechter wordt aangewezen van de plaats waar de rederij is gevestigd, en de rederij doorgaans geen wezenlijke band met het vervoer en dus met het geding heeft.
In afwijking van het verzoek van het Hof van Cassatie, moet bij de uitlegging van artikel 17 geen rekening worden gehouden met „ter zake algemeen geldende gebruiken”. Een akkoord waarvan het bestaan op grond van gebruiken wordt aangenomen, kan geen „overeenkomst” zijn in de zin van artikel 17, omdat daarvoor een duidelijke en nauwkeurige wilsovereenstemming is vereist. Bovendien kunnen de strikte vormvereisten — schriftelijke of schriftelijk bevestigde overeenkomsten — niet door gebruiken worden versoepeld; zij moeten onafhankelijk daarvan autonoom worden uitgelegd. Uit de onderhandelingsgeschiedenis van het Toetredingsverdrag van 1978 blijkt overigens, dat artikel 17 niet toestaat het bestaan van een schriftelijke overeenkomst door geldende gebruiken te bewijzen: dit artikel is aangevuld met een bepaling, dat de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in het internationale handelsverkeer kan worden gesloten „in een vorm die wordt toegelaten door de gebruiken op dit gebied en die de partijen kennen of geacht worden te kennen”. Het Verdrag van 1978 is echter nog niet in werking getreden.
Bij het cognossement gaat het om een in het zeevervoer universeel gebruikt document, dat wordt afgegeven door de vervoerder en het bewijs vormt van een akkoord tussen de inlader en de zeevervoerder, doch niet het akkoord zelf behelst. Het cognossement is vaak een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst in de zin van artikel 17 EEG-Executieverdrag. Derhalve moeten de door het Hof in de zaken Segoura en Salotti geformuleerde beginselen worden toegepast. In nagenoeg alle gevallen kent de inlader bij het sluiten van de vervoerovereenkomst de cognossementsvoorwaarden niet. Bijgevolg is het bevoegdheidsbeding krachtens artikel 17 slechts geldig, indien de inlader daarmee uitdrukkelijk schriftelijk heeft ingestemd. In de praktijk tekent de inlader het cognossement zelden; in casu is dat overigens ook niet geschied.
Voor de geldigheid van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de zin van artikel 17 EEG-Executieverdrag is derhalve vereist dat partijen, indien de clausule op de achterzijde van het cognossement is opgenomen, ofwel die achterzijde ondertekenen ofwel op de voorzijde uitdrukkelijk verklaren, dat zij alle in het cognossement vervatte clausules en voorwaarden aanvaarden. Slechts bij uitzondering, namelijk wanneer de inlader en de vervoerder lopende handelsbetrekkingen hebben, zou de inlader in strijd handelen met de goede trouw, indien hij het bestaan van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter loochende, zelfs bij ontbreken van een schriftelijke aanvaarding zijnerzijds (arrest-Segoura).
Met betrekking tot de tweede vraag onderzoekt de Commissie verschillende mogelijkheden:
-
Het cognossement is een verhandelbaar en beleenbaar waardepapier dat het eigendomsrecht van de goederen belichaamt. In dat geval eist het handelsverkeer dat de bepalingen van het cognossement die de inlader binden, ook aan de derdehouder kunnen worden tegengeworpen. Het bevoegdheidsbeding vormt dan echter geen „overeenkomst” in de zin van artikel 17 EEG-Executieverdrag.
-
Het bevoegdheidsbeding moet worden beschouwd als een contractuele clausule. In dat geval is het bevoegdheidsbeding, wanneer het cognossement door de derdehouder is ondertekend, geldig in de zin van artikel 17 onder dezelfde voorwaarden als hiervóór gesteld bij het onderzoek van de eerste vraag. Voor het geval de derdehouder het cognossement niet heeft getekend, bestaan in de nationale rechtssystemen verschillende rechtstheorieën volgens welke de derdehouder contractueel gebonden is aan de cognossementsbedingen. Het staat aan de nationale rechter te onderzoeken, of op grond van een van deze theorieën sprake is van een contractuele grondslag. De Commissie noemt drie van deze theorieën:
-
Cessie: de inlader cedeert zijn rechten en plichten aan de derdehouder. Tegen deze opvatting bestaat uitgebreide kritiek, op grond dat de derdehouder op grond van een eigen recht handelt en niet als rechtsopvolger van de inlader, en derhalve niet de verweermiddelen van de inlader kan inroepen. Zo de rechtbank deze constructie mocht aanvaarden, zou het bevoegdheidsbeding krachtens artikel 17 jegens de derdehouder gelden, mits het jegens de inlader geldt en de cessie contractueel geldig is.
-
Stilzwijgende overeenkomst: het feit dat de derdehouder op grond van het cognossement afgifte van de goederen verlangt, vormt aanvaarding van het aanbod van de zeevervoerder. Deze overeenkomst wordt echter door de derdehouder noch schriftelijk bevestigd noch aanvaard en voldoet bijgevolg in geen geval aan de vereisten van artikel 17.
-
Beding ten behoeve van een derde: het cognossement bevat door de inlader ten gunste van de derdehouder overeengekomen bedingen. In dat geval zou de derdehouder zich kunnen beroepen op het bevoegdheidsbeding, doch dit kan hem niet worden tegengeworpen indien hij verkiest te verschijnen voor de krachtens artikelen 2, 5 en 6 EEG-Executieverdrag bevoegde rechter.
-
Concluderend is de Commissie van mening, dat de door het Belgische Hof van Cassatie gestelde vragen kunnen worden beantwoord als volgt:
Vraag 1
Het door de zeevervoerder aan de inlader afgegeven cognossement kan worden beschouwd als een in artikel 17 bedoelde „schriftelijk bevestigde overeenkomst” tussen deze partijen. Het bevoegdheidsbeding geldt indien de partijen het cognossement hebben ondertekend. Indien het bevoegdheidsbeding is vervat in algemene voorwaarden, moet de inlader deze uitdrukkelijk schriftelijk hebben aanvaard. De tekst van het door beide partijen ondertekende cognossement moet uitdrukkelijk verwijzen naar deze algemene voorwaarden. Indien de zeevervoerder en inlader evenwel in lopende handelsbetrekkingen staan, die in hun geheel worden beheerst door de cognossementsvoorwaarden van de zeevervoerder, geldt het bevoegdheidsbeding zelfs bij ontbreken van een schriftelijke aanvaarding.
Vraag 2
Het door de zeevervoerder aan de inlader afgegeven cognossement kan slechts worden beschouwd als een in artikel 17 bedoelde „schriftelijk bevestigde overeenkomst” jegens de derdehouder, indien de derdehouder krachtens het toepasselijke nationale recht door een overeenkomst met de zeevervoerder gebonden is en het cognossement als „schriftelijke bevestiging van deze overeenkomst” beantwoordt aan de vormvereisten van artikel 17.
III — Mondelinge behandeling
Gerequireerden in cassatie, vertegenwoordigd door R. Wijffels, de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O. Fiumara, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Donaldson en M. Muttukumaru, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Houtte en E. Zimmermann, hebben ter terechtzitting van 31 januari 1984 mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord.
De Italiaanse regering heeft haar standpunt ten aanzien van de eerste vraag genuanceerd. Zij heeft erop gewezen, dat haars inziens het cognossement een document is dat het bestaan van de vervoerovereenkomst bewijst en tevens de goederen vertegenwoordigt; het bevoegdheidsbeding is in zekere zin een schriftelijk bevestigd mondeling beding, mits de partij tegen wie het wordt ingeroepen, haar handtekening heeft geplaatst, en een dergelijke clausule een onderdeel is van de algemene voorwaarden van de overeenkomst. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, indien dus het bevoegdheidsbeding een schriftelijk bevestigd, door de inlader hetzij de scheepsagent ondertekend mondeling beding vormt dat een onderdeel is van de algemene voorwaarden van de overeenkomst, kan het worden geacht aan de vereisten van artikel 17 EEG-Executieverdrag te voldoen. Het staat echter uitsluitend aan de nationale rechter om te verifiëren, of bovenbedoelde ondertekening inderdaad heeft plaatsgevonden en op welke wijze de clausule in het cognossement is opgenomen.
De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft gewezen op het fundamenteel belang van het onderhavige probleem, met name daar de oplossing van een geschil kan variëren al naar gelang het gekozen forum. Daar die keuze voor de internationale handel van essentieel belang is, dienen partijen zich aan een gemaakte keuze te houden. Het betreft hier derhalve niet slechts een rechtspolitieke kwestie.
De strekking van het eerste onderdeel van de gestelde vraag moet volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk worden afgebakend. Het gaat haars inziens niet om het cognossement, maar alleen om het bevoegdheidsbeding zodat deze vraag zou moeten worden geformuleerd als volgt: is het in het cognossement opgenomen bevoegdheidsbeding op zodanige wijze overeengekomen, dat blijkt van daadwerkelijke wilsovereenstemming tussen partijen, mede gelet op het beginsel van de goede trouw? De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, die in casu niet nauwkeurig zijn komen vast te staan. Bijgevolg kan alleen de nationale rechter de aard van het cognossement bepalen, op de grondslag van de betrokken feitelijke omstandigheden. Eerst daarna, in een tweede stadium, komt het gemeenschapsrecht aan de orde. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk kan deze vraag derhalve niet in het algemeen worden beantwoord, aangezien verschillende oplossingen mogelijk zijn.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 21 maart 1984 conclusie genomen.
In rechte
1 Bij arrest van 8 april 1983, ingekomen ter griffie van het Hof op 28 april 1983, heeft het Belgische Hof van Cassatie krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag), een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 17 van dat Verdrag.
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de Belgische naamloze vennootschap Goeminne Hout (verweerster in cassatie) en de Duitse rederij Partenreederei ms. Tilly Russ en E. Russ, beiden te Hamburg (eisers tot cassatie), inzake de geldigheid van een bevoegdheidsbeding in de cognossementen CT 108 en CT 118 van 16 augustus 1976. Blijkens het dossier waren de cognossementen namens de vervoerder opgesteld door Tolmar International Inc., Cleveland, handelend als agent van Europe Canada Lakes Line Ernst Russ North America Inc., aan de order van de inlader, American Lumber International Inc., Union City, Pennsylvania, terwijl verweerster in cassatie was vermeld als „notify party” en eiser tot cassatie als „exporting carrier”.
3 Bij aflevering van de lading in Antwerpen op 7 september 1976 bleek dat de verpakking van twee bundels hout was beschadigd en dat een tiental planken ontbraken. Daarop vorderde Goeminne Hout voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen USD 304 aan schadevergoeding.
4 Russ betwistte de bevoegdheid van de Antwerpse rechter onder verwijzing naar een op de achterzijde van elk der betrokken cognossementen opgenomen bevoegdheidsbeding, luidende: „any dispute arising under this bill of lading shall be decided by the Hamburg courts” (ieder uit dit cognossement voortvloeiend geschil zal worden beslecht door de rechter te Hamburg).
5 Bij vonnis van 31 oktober 1978 verklaarde de Rechtbank te Antwerpen zich niettemin bevoegd en wees zij de vordering van Goeminne Hout toe. Dit vonnis werd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 7 oktober 1981 bevestigd, waarna Russ op 1 maart 1982 beroep tot cassatie instelde.
6 In dit verband heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :
„Kan, rekening houdend met de ter zake algemeen geldende gebruiken, het door de zeevervoerder aan de inlader afgegeven cognossement beschouwd worden als een in artikel 17 van het Verdrag van 27 september 1968, betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, bedoelde ‚schriftelijke overeenkomst’ of ‚schriftelijk bevestigde overeenkomst’ tussen partijen en, zo ja, geldt zulks ook ten aanzien van de derdehouder van het cognossement?”
7 Deze vraag moet aldus worden opgevat, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of het in de cognossementen opgenomen bevoegdheidsbeding voldoet aan de voorwaarden van artikel 17 Executieverdrag, in de eerste plaats in de betrekkingen tussen de inlader en de vervoerder en in de tweede plaats in de betrekkingen tussen de vervoerder en de derdehouder.
Het eerste onderdeel van de vraag
8 Volgens verweerster in cassatie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen moet artikel 17 Executieverdrag aldus worden uitgelegd, dat een bevoegdheidsbeding niet een geldig beding in de zin van dat artikel is, wanneer het niet uitdrukkelijk door de inlader en de vervoerder is aanvaard.
9 De Commissie voegt hier evenwel aan toe, dat een dergelijk beding, ook wanneer de inlader het niet heeft ondertekend, niettemin geldig kan zijn in de zin van artikel 17 Executieverdrag, indien er sprake is van lopende handelsbetrekkingen tussen partijen.
10 Volgens de Italiaanse regering is het cognossement het document dat het bestaan van de vervoerovereenkomst bewijst, en vormt het bevoegdheidsbeding derhalve een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst. Indien het is ondertekend door de partij tegen wie het wordt ingeroepen, kan het worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 17 Executieverdrag. De nationale rechter dient echter te verifiëren, of bovenbedoelde ondertekening heeft plaatsgevonden en onder welke omstandigheden het bevoegdheidsbeding in het cognossement is opgenomen.
11 De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft ter terechtzitting gewezen op het fundamentele belang van het onderhavige probleem en voorgesteld de vraag van de nationale rechter te formuleren als volgt: is het in het cognossement opgenomen bevoegdheidsbeding op zodanige wijze overeengekomen, dat blijkt van daadwerkelijke wilsovereenstemming tussen partijen, mede gelet op het beginsel van de goede trouw? Beantwoording van deze vraag is volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk slechts mogelijk, indien de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten precies bekend zijn; nu deze in casu niet zijn komen vast te staan, dient deze vraag, waarvoor meer dan één oplossing mogelijk is, niet in het algemeen te worden beantwoord, en moet het aan de nationale rechter worden overgelaten de vraag betreffende de precieze aard van het cognossement te beantwoorden.
12 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag thans als volgt luidt: „Indien bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, partijen van wie er tenminste één woonplaats heeft in het gebied van een verdragsluitende staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd.”
13 Artikel 17 Executieverdrag is dus slechts van toepassing, indien tenminste één der partijen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat. Of dit zo is, zal door de nationale rechter moeten worden vastgesteld.
14 Gelijk het Hof heeft beslist in de arresten van 14 december 1976 (zaak 24/76, Salotti, en zaak 25/76, Segoura, Jurispr. 1976, blz. 1831 en 1851) en 6 mei 1980 (zaak 784/79, Porta-Leasing, Jurispr. 1980, blz. 1517), moeten de in artikel 17 gestelde voorwaarden voor de geldigheid van bedingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter strikt worden uitgelegd, aangezien dit artikel tot doel heeft te waarborgen, dat de wilsovereenstemming tussen partijen bij een dergelijk beding, die door aanwijzing van een bevoegde rechter afwijken van de algemene bevoegdheidsregels van de artikelen 2, 5 en 6 Executieverdrag, daadwerkelijk vaststaat en duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt.
15 Om te beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 17 is voldaan, moet worden onderzocht, of de wilsovereenstemming tussen partijen over de aanwijzing van de bevoegde rechter tot uitdrukking is gekomen hetzij in een schriftelijke hetzij in een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst.
16 Een bevoegdheidsbeding dat deel uitmaakt van de voorwaarden die op een door de vervoerder ondertekend cognossement zijn gedrukt, voldoet slechts aan het in artikel 17 Executieverdrag gestelde vereiste van een „schriftelijke overeenkomst”, indien de inlader schriftelijk heeft verklaard in te stemmen met de voorwaarden die dat beding bevatten, hetzij op het betrokken document zelf, hetzij bij afzonderlijk geschrift. Aan de voorwaarden van artikel 17 is niet voldaan indien het bevoegdheidsbeding eenvoudig op de achterzijde van het cognossement is gedrukt, want in dat geval ontbreekt iedere waarborg dat de wederpartij daadwerkelijk met de van de algemene bevoegdheidsregeling van het Verdrag afwijkende clausule heeft ingestemd.
17 Indien komt vast te staan dat een bevoegdheidsbeding in de op een cognossement gedrukte voorwaarden onderwerp is geweest van een eerdere mondelinge overeenkomst tussen partijen, die uitdrukkelijk betrekking had op dat beding en waarvan het door de vervoerder ondertekende cognossement moet worden aangemerkt als de schriftelijke bevesting, dan voldoet dit beding aan de voorwaarden van artikel 17 Executieverdrag, ook indien het niet is ondertekend door de inlader en dus alleen de handtekening van de vervoerder draagt. Zulks is immers niet enkel in overeenstemming met de letter van artikel 17, dat uitdrukkelijk de mogelijkheid van een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst noemt, maar ook met de functie van dat artikel, namelijk te waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen partijen daadwerkelijk vaststaat.
18 Tenslotte kan een niet door de inlader ondertekend bevoegdheidsbeding — ook wanneer een eerdere mondelinge overeenkomst daaromtrent ontbreekt — aan de vereisten van artikel 17 Executieverdrag voldoen, indien het cognossement een onderdeel vormt van de lopende handelsbetrekkingen tussen de inlader en de vervoerder en voorzover daarbij blijkt, dat de betrekkingen in hun geheel worden beheerst door algemene voorwaarden van de auteur van de schrifteljke bevestiging (in casu de vervoerder) die dat bevoegdheidsbeding bevatten (vgl. voornoemd arrest-Segoura), en dat de cognossementen steeds zijn opgesteld op voorgedrukte formulieren waarop steeds een dergelijk bevoegdheidsbeding voorkomt. Het zou in een dergelijk geval in strijd zijn met de goede trouw, het bestaan van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter te ontkennen.
19 Bijgevolg moet op het eerste onderdeel van de gestelde vraag worden geantwoord, dat een bevoegdheidsbeding in op een cognossement gedrukte voorwaarden voldoet aan de vereisten van artikel 17 Executieverdrag:
indien partijen schriftelijk hebben ingestemd met de voorwaarden van het cognossement, die bedoeld beding bevatten, of
indien het bevoegdheidsbeding onderwerp is geweest van een eerdere mondelinge overeenkomst tussen partijen, die uitdrukkelijk betrekking had op dat beding en waarvan het door de vervoerder ondertekende cognossement moet worden aangemerkt als de schriftelijke bevestiging, of
indien het cognossement een onderdeel vormt van de lopende handelsbetrekkingen tussen partijen en voor zover daarbij blijkt, dat de betrekkingen worden beheerst door algemene voorwaarden die dat beding bevatten.
Het tweede onderdeel van de vraag
20 Wat de geldigheid van het bevoegdheidsbeding in de betrekkingen tussen de vervoerder en de derdehouder betreft, zijn verweerster in cassatie en de Commissie van oordeel, dat indien de derdehouder het cognossement niet heeft ondertekend, het erin vervatte bevoegdheidsbeding hem niet kan worden tegengeworpen, op grond dat de wilsovereenstemming tussen partijen niet vaststaat.
21 Volgens de Commissie kan van deze regel slechts worden afgeweken, indien volgens het toepasselijke nationale recht de derdehouder, uit hoofde van de overdracht, treedt in de rechten en verplichtingen van de inlader.
22 De regering van de Italiaanse Republiek en de Britse regering zijn van oordeel, dat wanneer het bevoegdheidsbeding geldig is tussen de inlader en de vervoerder, het ook moet worden geacht te gelden tegenover de derdehouder van het cognossement, voornamelijk op grond dat deze laatste als verkrijger van het cognossement stellig de eraan verbonden rechten kan uitoefenen, maar daartegenover dan ook gebonden is aan de eruit voortvloeiende verplichtingen en beperkingen. Beide regeringen baseren zich voor hun standpunt op het arrest van het Hof van 14 juli 1983 (zaak 201/82, Gerling, Jurispr. 1983, blz. 2503).
23 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat het arrest-Gerling betrekking had op de vraag, of een derde bij een verzekeringsovereenkomst, die de begunstigde is van een door de verzekeringnemer overeengekomen derden-beding, zich tegenover de verzekeraar kan beroepen op een bevoegdheidsbeding, welk beding, aldus het Hof, is bedoeld ter bescherming van de verzekerde, die „economisch gezien in de zwakste positie verkeert”. Deze overwegingen behoeven niet noodzakelijkerwijs te gelden op het gebied van het zeevervoer.
24 Wanneer, in de betrekkingen tussen de inlader en de vervoerder, een bevoegdheidsbeding in een cognossement een geldig beding is in de zin van artikel 17 Executieverdrag, en de derdehouder bij de verkrijging van het cognossement volgens het toepasselijke nationale recht de inlader in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd, dan kan men niet met een beroep op het doel van artikel 17 — dat er immers in bestaat, de gevolgen te neutraliseren van clausules in overeenkomsten, die gemakkelijk onopgemerkt blijven — de derdehouder toestaan zich aan de verplichting voortvloeiend uit de in het cognossement vervatte forumkeuze, te onttrekken met het argument dat hij niet met dat cognossement heeft ingestemd.
25 In bovenbedoeld geval immers kunnen voor de derdehouder, wanneer hij het cognossement verkrijgt, niet meer rechten ontstaan dan de inlader aan dat document ontleende. Op de derdehouder gaan zowel alle rechten als alle verplichtingen uit het cognossement over, waaronder ook die welke verband houden met de aanwijzing van een bevoegde rechter.
26 Uit het voorgaande volgt, dat het tweede onderdeel van de gestelde vraag aldus moet worden beantwoord, dat een bevoegdheidsbeding in een cognossement aan de voorwaarden van artikel 17 Executieverdrag voldoet, indien dat beding als geldig is erkend in de betrekkingen tussen de inlader en de vervoerder en de derdehouder bij de verkrijging van het cognossement volgens het toepasselijke nationale recht de inlader in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd.
Kosten
27 De kosten door de regering vande Italiaanse Republiek, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Belgische Hof van Cassatie bij arrest van 8 april 1983 gestelde vraag, verklaart voor recht:
-
Een bevoegdheidsbeding in op een cognossement gedrukte voorwaarden voldoet aan de vereisten van artikel 17 Executieverdrag:
-
indien partijen schriftelijk hebben ingestemd met de voorwaarden van het cognossement, die bedoeld beding bevatten, of
-
indien het bevoegdheidsbeding onderwerp is geweest van een eerdere mondelinge overeenkomst tussen partijen, die uitdrukkelijk betrekking had op dat beding en waarvan het door de vervoerder ondertekende cognossement moet worden aangemerkt als de schriftelijke bevestiging, of
-
indien het cognossement een onderdeel vormt van de lopende handelsbetrekkingen tussen partijen en voor zover daarbij blijkt, dat die betrekkingen worden beheerst door algemene voorwaarden die dat beding bevatten.
-
In de betrekkingen tussen de vervoerder en de derdehouder is aan de voorwaarden van artikel 17 Executieverdrag voldaan, indien het bevoegdheidsbeding als geldig is erkend in de betrekkingen tussen de inlader en de vervoerder en de derdehouder bij de verkrijging van het cognossement volgens het toepasselijke nationale recht de inlader in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd.
-
Mackenzie Stuart
Koopmans
Bahlmann
Galmot
Pescatore
O'Keeffe
Bosco
Due
Everling
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 juni 1984.
De griffier
P. Heim
De president van de Vierde kamer
T. Koopmans