Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 juni 1996.
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 juni 1996.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 20 juni 1996
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vijfde kamer)
20 juni 1996(*)
In de gevoegde zaken C-418/93, C-419/93, C-420/93, C-421/93, C-460/93, C-461/93, C-462/93, C-464/93, C-9/94, C-10/94, C-ll/94, C-14/94, C-15/94, C-23/94, C-24/94 en C-332/94,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 1 77 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Castelnuovo di Porto, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Semeraro Casa Uno Srl
enSindaco del Comune di Erbusco (C-418/93),
en tussen
Semeraro Mobili SpA
enSindaco del Comune di Erbusco (C-419/93),
en tussen
RB Arredamento Srl
enSindaco del Comune di Stezzano (C-420/93),
en tussen
Città Convenienza Milano Srl
enSindaco del Comune di Trezzano sul Naviglio (C-421/93),
en tussen
Città Convenienza Bergamo Srl
enSindaco del Comune di Stezzano (C-460/93),
en tussen
Centro Italiano Mobili Sri
enSindaco del Comune di Pineto (C-461/93),
en tussen
Il 3C Centro Convenienza Casa Sri
enSindaco del Comune di Roveredo in Piano (C-462/93),
en tussen
Benelli Confezioni SNC
enSindaco del Comune di Capena (C-464/93),
en tussen
M. Quattordici Srl
enCommissario straordinario del Comune di Terlizzi (C-9/94),
en tussen
Società Italiana Elettronica Srl (SIEL)
enSindaco del Comune di Dozza (C-10/94),
en tussen
Modaffari Sri
enSindaco del Comune di Trezzano sul Naviglio (C-ll/94),
en tussen
Modaffari Sri
enComune di Cinisello Balsamo (C-I4/94),
en tussen
Cologno Sri
enSindaco del Comune di Cologno Monzese (C-15/94),
en tussen
Modaffari Sri
enSindaco del Comune di Osio Sopra (C-23/94),
en tussen
M. Dieci Srl
enSindaco del Comune di Madignano (C-24/94),
en tussen
Consorzio Centro Commerciale „Il Porto”
enSindaco del Comune di Adria (C-332/94),
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur), P. Jann, L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
-
Scmeraro Casa Uno Sri, Semeraro Mobili SpA, Città Convenienza Bergamo Sri en Il 3C Centro Convenienza Casa Sri, respectievelijk verzoeksters in het hoofdgeding in de zaken C-418/93, C-419/93, C-460/93 en C-462/93, vertegenwoordigd door F. di Maria, G. Maestosi, F. Tedeschini en A. Mancini, advocaten te Rome,
-
Consorzio Centro Commerciale „Il Porto”, verzoekster in het hoofdgeding in zaak C-332/94, vertegenwoordigd door F. di Maria, G. Maestosi en F. Tedeschini, advocaten te Rome,
-
Comune di Terlizzi, verweerster in het hoofdgeding in zaak C-9/94, vertegenwoordigd door G. Serini, advocaat te Bari, en A. Mancini, advocaat te Rome,
-
de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en C. Sitara, procesgemachtigde bij deze dienst, als gemachtigden,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright, juridisch hoofdadviseur, en A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Semeraro Casa Uno Sri, Semeraro Mobili SpA, Città Convenienza Bergamo Sri, Il 3C Centro Convenienza Casa Sri en Consorzio Centro Commerciale „Il Porto”, vertegenwoordigd door G. Maestosi en F. Tedeschini, Sindaco del Comune di Adria, vertegenwoordigd door G. Ricapito, advocaat te Rome, de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, en de Commissie, vertegenwoordigd door A. Aresu, ter terechtzitting van 23 november 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 januari 1996,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikkingen van 18 juli, 28 oktober, 11 november, 2 en 16 december 1993, alsmede van 10 oktober 1994, ingekomen bij het Hof tussen 13 oktober 1993 en 13 december 1994, heeft de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Castelnuovo di Porto, krachtens artikel 177 EG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30, 36 en 52 van het Verdrag, van richtlijn 64/223/EEG van de Raad van 25 februari 1964 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren (PB 1964, blz. 863), en van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB 1988, L 81, blz. 75; hierna: „richtlijn 83/189”).
2 Die vragen zijn gerezen naar aanleiding van overheidsmaatregelen tegen exploitanten van grote winkelcentra wegens overtreding van de Italiaanse regeling inzake de sluiting van detailhandelszaken op zon- en feestdagen.
3 De Italiaanse wet nr. 558 van 28 juli 1971 regelt de winkelopeningstijden en de verkoopactiviteiten voor de detailhandel. Artikel 1, lid 2, sub a, van deze wet schrijft een algehele winkelsluiting op zon- en feestdagen voor, behoudens de in diezelfde wet genoemde uitzonderingen. De bijzondere bepalingen inzake de openingstijden worden door de regio's vastgesteld. Artikel 10 van deze wet voorziet in administratieve sancties in geval van overtreding. De controle op de naleving van de geldende bepalingen is opgedragen aan de burgemeesters van de gemeenten, die sancties kunnen opleggen.
4 Verzoeksters in de hoofdgedingen (hierna: „verzoeksters”) exploiteren grote winkelcentra op het grondgebied van verschillende gemeenten. Daar deze winkelcentra gedurende bepaalde zon- en feestdagen open waren gebleven, legden de burgemeesters van de betrokken gemeenten verzoeksters administratieve sancties op.
5 Verzoeksters wendden zich daarop tot de verwijzende rechter met het betoog, dat een belangrijk deel van de in de betrokken winkelcentra gemaakte omzet wordt behaald met produkten afkomstig uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap. Huns inziens zijn de betrokken nationale bepalingen derhalve onverenigbaar met het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder met artikel 30 van het Verdrag.
6 In deze omstandigheden heeft de nationale rechter de behandeling van de zaken geschorst en in de gevoegde zaken C-418/93, C-419/93, C-420/93, C-421/93, C-460/93, C-461/93, C-462/93, C-464/93, C-9/94, C-10/94, C-11/94, C-14/94, C-15/94, C-23/94 en C-24/94 de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
Vormt een bepaling van nationaal recht, die kleinhandelaars het verbod oplegt op zon- en feestdagen te verkopen (uitgezonderd bepaalde produkten), maar niet verbiedt dat op die dagen in het winkelpand werkzaamheden worden verricht, en waarbij aan de overtreders van die bepaling de sanctie van gedwongen sluiting van de winkel wordt opgelegd, waardoor de verkoop in die winkels, mede de verkoop van in andere Lid-Staten van de Gemeenschap geproduceerde goederen, aanzienlijk daalt, met als gevolg een daling van de invoer uit die Lid-Staten,
een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag en de later overeenkomstig de beginselen van dat artikel vastgestelde communautaire bepalingen;
dan wel een middel tot willekeurige discriminatie of verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten;
dan wel een onevenredige of niet passende maatregel, gelet op het sociale en/of morele doel dat eventueel met de bepaling van nationaal recht wordt nagestreefd;
nu
de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie (waartoe verzoeksters behoren) gemiddeld meer uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten verkopen dan de kleine en middelgrote winkels;
de omzet van de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie op zondag niet kan worden gecompenseerd door andere aankopen tijdens de overige weekdagen, daar de klanten zich dan voor hun aankopen tot een verkoopcircuit wenden dat zich in het algemeen bij de nationale producenten bevoorraadt?
In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag: valt de in de betrokken nationale bepaling vastgestelde maatregel onder de in artikel 36 EEG-Verdrag voorziene afwijkingen van artikel 30, of onder andere in het gemeenschapsrecht voorziene afwijkingen?”
7 In zaak C-332/94 heeft de nationale rechter de navolgende vragen gesteld:
„In overweging genomen dat
de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie, waarvan de vestigingen grotendeels in de periferie van of buiten de stad gelegen zijn, gemiddeld meer uit andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap ingevoerde produkten aanbieden en verkopen dan de kleine en middelgrote winkels, die — anders dan eerstgenoemde winkels — binnen en buiten het stedelijk gebied zijn verspreid;
de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie in de korte perioden waarin zondags verkoop wel is toegestaan, alleen al op zondag een hogere omzet behalen dan op alle weekdagen te zamen;
de omzet die de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie op feestdagen moeten missen, niet wordt goedgemaakt door de verkoop op werkdagen, waardoor de onbevredigd gebleven vraag zich richt tot andere handelscircuits (de kleine en middelgrote winkels die voor de consument dichterbij en ook op werkdagen gemakkelijk bereikbaar zijn), die zich in het algemeen enkel bij de nationale producenten bevoorraden;
vormt dan een bepaling van nationaal recht, die kleinhandelaars het verbod oplegt op zon- en feestdagen te verkopen (uitgezonderd bepaalde produkten), maar niet verbiedt dat op die dagen in het winkelpand werkzaamheden worden verricht, en waarbij aan de overtreders van die bepaling de sanctie van gedwongen sluiting en intrekking van de vergunning wordt opgelegd,
een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag en de later overeenkomstig de beginselen van dat artikel vastgestelde communautaire bepalingen;
dan wel een middel tot willekeurige discriminatie of verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten;
dan wel een onevenredige of niet passende maatregel, gelet op het sociale en/of morele doel dat eventueel met de bepaling van nationaal recht wordt nagestreefd;
dan wel een schending van de bepalingen van artikel 52 EEG-Verdrag, betreffende de vrijheid van vestiging, en van de later overeenkomstig dat beginsel vastgestelde communautaire regeling;
of althans een schending van artikel 2, lid 2, van richtlijn 64/223/EEG betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren;
dan wel een schending van de richtlijnen 83/189/EEG en 88/182/EEG, betreffende de verwijdering van technische belemmeringen voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, gelet op het feit dat de verplichte winkelsluiting op zondag slechts in schijn algemeen geldt, maar in werkelijkheid uitzonderingen kent voor een aantal produkten die — afgezien van enkele onvermijdelijke, schaarse uitzonderingen — uitsluitend van binnenlandse oorsprong zijn?
In geval van een bevestigend antwoord op enig onderdeel van de eerste vraag: valt de in de betrokken nationale bepaling vastgestelde maatregel onder de in artikel 36 EEG-Verdrag voorziene afwijkingen van artikel 30, of onder andere in het gemeenschapsrecht voorziene afwijkingen?”
8 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 10 november 1993, 27 januari en 23 februari 1994 zijn sommige van deze zaken gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling alsmede voor het arrest. Bij beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Hof van 19 oktober 1995 zijn alle zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
Artikel 30 van het Verdrag
9 Vooraf zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 2 juni 1994 (gevoegde zaken C-69/93 en C-258/93, Punto Casa en PPV, Jurispr. 1994, blz. I-2355) heeft geantwoord op vragen van dezelfde nationale rechterlijke instantie die in wezen gelijkluidend waren aan de in de onderhavige zaken gestelde vragen, behalve, in zaak C-332/94, wat betreft de eerste vraag, sub d tot en met f.
10 In het arrest Punto Casa en PPV paste het Hof zijn rechtspraak Keek en Mithouard (arrest van 24 november 1993, gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Jurispr. 1993, blz. I-6097) toe.
11 In het arrest Keek en Mithouard, waarin het ging om een nationale wettelijke regeling houdende een algemeen verbod van wederverkoop met verlies, stelde het Hof vast, dat een dergelijke regeling de omvang van de verkoop en, bijgevolg, die van de verkoop van produkten uit andere Lid-Staten kon beperken, doordat zij de ondernemers een methode van verkoopbevordering ontnam. Het Hof vroeg zich evenwel af, of die eventualiteit volstond om de in geding zijnde regeling aan te merken als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag (r. o. 13).
12 Dienaangaande overwoog het Hof, dat als een maatregel die de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren in de zin van het arrest Dassonville (arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Jurispr. 1974, blz. 837, r. o. 5), niet kan worden beschouwd de toepassing op produkten uit andere Lid-Staten van nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten (r. o. 16).
13 Het Hof verklaarde, dat wanneer aan die voorwaarden is voldaan, de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, niet tot gevolg heeft, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is. Die regelingen vallen derhalve niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag (r. o. 17).
14 In het arrest Punto Casa en PPV stelde het Hof om te beginnen vast, dat met betrekking tot een regeling als toentertijd aan de orde was, die de omstandigheden betrof waaronder de goederen aan de consument mochten worden verkocht, was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het arrest Keek en Mithouard (r. o. 13). Vervolgens stelde het vast, dat de betrokken regeling, zonder onderscheid naar de herkomst van de produkten, voor alle betrokken marktdeelnemers gold en de verhandeling van produkten uit andere Lid-Staten niet anders trof dan die van nationale produkten (r. o. 14).
15 In deze omstandigheden verklaarde het Hof voor recht, dat artikel 30 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale winkelsluitingsregeling die geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en die, rechtens en feitelijk, de verhandeling van nationale produkten en die van produkten uit andere Lid-Staten gelijkelijk treft.
16 Na de uitspraak van het arrest Punto Casa en PPV vroeg het Hof de nationale rechter, of hiermee de door hem gestelde vragen in de zaken C-418/93, C-419/93, C-420/93, C-421/93, C-460/93, C-461/93, C-462/93, C-464/93, C-9/94, C-10/94, C-11/94, C-14/94, C-15/94, C-23/94 en C-24/94, waarvan de behandeling was geschorst in afwachting van het arrest Punto Casa en PPV, genoegzaam waren beantwoord.
17 In zijn antwoord verzocht de nationale rechter de bij het Hof aanhangige zaken te handhaven en wees hij er, zakelijk weergegeven, op, dat de in geding zijnde regeling wegens de bijzonderheden van de Italiaanse handelsmarkt, een indirecte discriminatie van ingevoerde goederen behelst.
18 De nationale rechter wees er met name op, dat de Italiaanse markt wordt gekenmerkt door een groot aantal kleine winkels die zich tot een zeer beperkt publiek richten, enerzijds, en grote winkelcentra in de periferie van of buiten de stad, anderzijds. Daar de consument op werkdagen weinig tijd heeft, zijn deze grote centra alleen op zondag gemakkelijk bereikbaar voor de klanten. Wanneer deze centra niet voldoende gemakkelijk en frequent kunnen worden bereikt, zal de consument zich voor zijn vraag tot de dichterbij gelegen kleine winkels wenden, en dus tot binnenlandse produkten, aangezien in deze kleine winkels in het algemeen niet dezelfde verscheidenheid aan en hetzelfde aanbod van buitenlandse produkten zijn te vinden.
19 In deze omstandigheden was de nationale rechter van oordeel, dat de in geding zijnde regeling de verhandeling van nationale produkten en die van produkten uit andere Lid-Staten in feite niet gelijkelijk trof.
20 Vanuit dezelfde gedachtengang motiveerde en formuleerde de nationale rechter zijn vragen in zaak C-332/94.
21 Volgens verzoeksters brengt de nationale wettelijke regeling wel degelijk de door de nationale rechter beschreven gevolgen teweeg en is derhalve niet voldaan aan de in het arrest Keek en Mithouard genoemde voorwaarden.
22 Volgens de Comune di Terlizzi, verweerster in zaak C-9/94, de Griekse regering en de Commissie daarentegen wordt de door de nationale rechter met betrekking tot artikel 30 gestelde vraag door het arrest Punto Casa en PPV genoegzaam en juist beantwoord.
23 Dienaangaande zij erop gewezen, dat in de onderhavige zaken de opmerkingen van de nationale rechter over de gevolgen van de in geding zijnde nationale regeling in wezen identiek zijn aan hetgeen hij had opgemerkt in de zaken die tot het arrest Punto Casa en PPV hebben geleid.
24 De litigieuze regeling lijkt er niet toe te strekken het handelsverkeer tussen de Lid-Staten te regelen, of zij lijkt, in haar geheel beschouwd, geen ongelijke behandeling van binnenlandse en ingevoerde produkten met betrekking tot de toegang tot de markt te kunnen meebrengen. Dienaangaande zij opgemerkt, dat nationale regelingen die in het algemeen de handel in een produkt, en bijgevolg de invoer ervan, beperken, niet op deze enkele grond kunnen worden geacht de mogelijkheid van toegang tot de markt voor deze ingevoerde produkten in sterkere mate te beperken dan voor gelijksoortige binnenlandse produkten het geval is. Zoals het Hof in rechtsoverweging 13 van het arrest Keek en Mithouard heeft opgemerkt, volstaat het feit dat een nationale wettelijke regeling in het algemeen de omvang van de verkoop en, bijgevolg, die van de verkoop van produkten uit andere Lid-Staten kan beperken, niet om deze wettelijke regeling als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking aan te merken.
25 Bovendien heeft het Plof herhaaldelijk erkend, dat een nationale regeling als die welke in het geding is, een doel nastreeft dat naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is. Immers, in nationale regelingen die de openstelling van winkels op zondag beperken, komen bepaalde keuzen tot uiting die verband houden met nationale of regionale sociaal-culturele eigenheden. Plet staat aan de Lid-Staten om die keuzen te maken met inachtneming van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende vereisten (zie onder meer arrest van 16 december 1992, zaak C-169/91, Council of the City of Stoke-on-Trent, Jurispr. 1992, blz. I-6635, r. o. 11).
26 Dienaangaande heeft het Hof in het arrest Council of the City of Stoke-on-Trent voor recht verklaard, dat het in artikel 30 vervatte verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt hun winkels op zondag open te stellen.
27 Ten slotte moet worden vastgesteld, dat in de loop van de onderhavige procedure geen nieuw feit is aangevoerd dat eventueel een andere beoordeling zou kunnen rechtvaardigen dan die welke het Hof in de arresten Punto Casa en PPV, en Council of the City of Stoke-on-Trent heeft gegeven.
28 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 30 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale winkelsluitingsregeling die geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en die, rechtens en feitelijk, de verhandeling van nationale produkten en die van produkten uit andere Lid-Staten gelijkelijk treft.
Artikel 52 van het Verdrag en richtlijn 64/223
29 In zaak C-332/94 vraagt de nationale rechter voorts, of artikel 52 van het Verdrag dan wel richtlijn 64/223 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren, in de weg staan aan een nationale winkelsluitingsregeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
30 Richtlijn 64/223 beoogt op het gebied van werkzaamheden die onder de groothandel ressorteren, de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging, zoals die, met rechtstreekse werking sedert het verstrijken van de overgangsperiode, door artikel 52 van het Verdrag wordt gewaarborgd (zie in die zin arrest van 12 november 1987, zaak 198/86, Conradi, Jurispr. 1987, blz. 4469, r. o. 8).
31 Bijgevolg dient richtlijn 64/223 in de onderhavige zaak niet los van artikel 52 van het Verdrag te worden onderzocht.
32 Met betrekking tot artikel 52 kan worden volstaan met de vaststelling dat, zoals reeds is opgemerkt, de betrokken wettelijke regeling geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, dat zij overigens niet tot doel heeft, de vestigingsvoorwaarden voor de betrokken ondernemingen te regelen, en ten slotte dat de beperkingen die zij voor de vrijheid van vestiging teweeg zou kunnen brengen, zo onzeker en indirect zijn, dat van de in de regeling vervatte verplichting niet kan worden gezegd, dat zij deze vrijheid belemmert.
33 Bijgevolg staat artikel 52 van het Verdrag noch richtlijn 64/223 in de weg aan een nationale winkelsluitingsregeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
Richtlijn 83/189
34 In zaak C-332/94 wenst de nationale rechter ten slotte te vernemen, of richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182, van toepassing is op een nationale winkelsluitingsregeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
35 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat, los van de toepasselijkheid van de richtlijn ten tijde van de litigieuze feiten, deze richtlijn ratione materiae niet van toepassing is op een nationale winkelsluitingsregeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
36 Volgens artikel 8 van de richtlijn geldt de verplichting tot voorafgaande mededeling namelijk voor ieder ontwerp voor een technisch voorschrift.
37 Het begrip „technisch voorschrift” wordt in artikel 1, sub 5, van richtlijn 83/189 omschreven als „technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een Lid-Staat of in een groot deel van deze staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld”. Overeenkomstig artikel 1, sub 1, wordt onder „technische specificatie” verstaan „specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een produkt, zoals kwaliteitsniveaus, prestatie, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voorschriften inzake terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, zoals die op het produkt van toepassing zijn”.
38 Derhalve geldt de in de richtlijn voorziene mededelingsplicht niet voor een nationale regeling waarin niet de vereiste kenmerken van een produkt, doch slechts de winkelsluitingstijden worden geregeld.
39 Bijgevolg is richtlijn 83/189 niet van toepassing op een nationale winkelsluitingsregeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
Kosten
40 De kosten door de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Castelnuovo di Porto, bij beschikkingen van 18 juli, 28 oktober, 11 november, 2 en 16 december 1993, alsmede van 10 oktober 1994, gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
Artikel 30 EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale winkelsluitingsregeling die geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en die, rechtens en feitelijk, de verhandeling van nationale produkten en die van produkten uit andere Lid-Staten gelijkelijk treft.
-
Artikel 52 EG-Verdrag en richtlijn 64/223/EEG van de Raad van 25 februari 1964 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren, staan niet in de weg aan een nationale winkelsluitingsregeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
-
Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988, is niet van toepassing op een nationale winkelsluitingsregeling als die waarom het in het hoofdgeding gaat.
Edward
Gulmann
Jann
Sevón
Wathelet
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 juni 1996.
De griffier
R. Grass
De president van de Vijfde kamer
D. A. O. Edward