[...]
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 november 2004.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 november 2004.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 11 november 2004
Uitspraak
Arrest van het Hof (Eerste kamer)
11 november 2004(*)
In zaak C-171/03,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,
ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) bij uitspraak van 13 april 2003, ingekomen bij het Hof op 14 april 2003, in de procedure:
Maatschap Toeters,
M. C. Verberk, handeldrijvend onder de naam „firma Verberk-Voeten”,
tegenProductschap Vee en Vlees,
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas (rapporteur) en R. Silva de Lapuerta, rechters,
advocaatgeneraal: M. Poiares Maduro,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
-
Maatschap Toeters en C. Verberk, handeldrijvend onder de naam „firma Verberk-Voeten”, vertegenwoordigd door J. Hulshuizen, advocaat,
-
Productschap Vee en Vlees, vertegenwoordigd door C. M. den Hoed als gemachtigde,
-
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster als gemachtigde,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 8 juni 2004,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltermijnen (PB L 124, blz. 1), en op de uitlegging en de geldigheid van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89 (PB L 391, blz. 20), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2311/96 van de Commissie van 2 december 1996 (PB L 313, blz. 9).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van gedingen tussen Maatschap Toeters (hierna: „Toeters”) en M. C. Verberk, handeldrijvend onder de naam firma Verberk-Voeten (hierna: „Verberk”) enerzijds, en het Productschap Vee en Vlees (hierna: „Productschap”) anderzijds, naar aanleiding van het besluit van het Productschap houdende afwijzing van de aanvragen van Toeters en Verberk om een premie voor het vervroegd op de markt brengen van kalveren.
Toepasselijke regelgeving
Communautaire regelgeving
3 Verordening nr. 1182/71 bevat uniforme algemene regels inzake de termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden die worden vastgesteld in de rechtshandelingen van de Raad van de Europese Unie en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
4 Artikel 1 van verordening nr. 1182/71 bepaalt:
„Behoudens andersluidende bepalingen, is deze verordening van toepassing op dooide Raad en de Commissie krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde of vast te stellen rechtshandelingen.”
5 Artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr. 1182/71 luidt als volgt:
„1.Wanneer een in dagen, weken, maanden of jaren omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, wordt de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn inbegrepen.
2.Behoudens het bepaalde in de leden 1 en 4:
[...]
gaat een in weken, maanden of jaren omschreven termijn in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag van de termijn en loopt deze termijn af bij het einde van het laatste uur van de dag die — in de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar — dezelfde naam of cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat. [...]”
6 Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, biz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2222/96 van de Raad van 18 november 1996 (PB L 296, biz. 50; hierna: „verordening nr. 805/68”), voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten premieregelingen vast te stellen, onder meer teneinde het marktevenwicht in de sector rundvlees na de verstoringen als gevolg van de epidemie boviene spongiforme encefalopathie (BSE) te herstellen en tegelijkertijd de steunregelingen in deze sector werkbaar te houden.
7 Artikel 4i, leden 2, 5 en 6, van verordening nr. 805/68 bepaalt onder meer het volgende:
„2. De lidstaten kunnen tot en met 30 november 1998 een premie voor het vervroegd op de markt brengen van kalveren toekennen. Deze premie wordt toegekend bij het slachten in een lidstaat van elk kalf:
waarvan het slachtgewicht gelijk is aan of lager dan het gemiddelde slachtgewicht van geslachte kalveren in de betrokken lidstaat, verminderd met 15%. Het gemiddelde slachtgewicht per lidstaat is het gewicht dat blijkt uit de statistieken van Eurostat die zijn opgesteld voor het jaar 1995 of van elke andere statistische informatie voor dat jaar die officieel bekendgemaakt is en door de Commissie is aanvaard;
dat onmiddellijk vóór de slacht in de lidstaat waar het wordt geslacht, wordt aangehouden gedurende een vast te stellen periode.
[...]
5. Volgens de procedure van artikel 27:
[...]
stelt de Commissie het bedrag van de premie voor het vervroegd op de markt brengen vast op een passend niveau om de slacht van een voldoende aantal kalveren naar gelang van de marktbehoeften mogelijk te maken,
mag de Commissie, op verzoek van een lidstaat, toestaan dat de premie voor het vervroegd op de markt brengen binnen die lidstaat gedifferentieerd naar regio wordt toegepast, mits de dieren onmiddellijk vóór de slacht gedurende een nog vast te stellen periode in de slachtregio werden gehouden,
kan de Commissie de toekenning van de ene en/of de andere van de in dit artikel bedoelde premies schorsen.
6. De Commissie controleert of de in dit artikel bedoelde regelingen, wanneer die zes maanden zijn toegepast, bevredigende resultaten hebben opgeleverd.
Zo niet, dan dient de Commissie bij de Raad een passend voorstel in, waarover de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen beslist, met name rekening houdend met de wijze waarop de aanpassingsinspanningen over de lidstaten zijn verdeeld en met eventuele handelsdistorsies.”
8 Verordening nr. 3886/92 bevat de uitvoeringsbepalingen van de in verordening nr. 805/68 bedoelde premieregelingen.
9 Artikel 50, lid 1, daarvan, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2311/96, bepaalt:
„Toekenningsvoorwaarden
1. Een lidstaat mag de premie voor het vervroegd op de markt brengen (hierna ‚de premie’ te noemen) alleen toekennen voor dieren die op zijn grondgebied geslacht zijn en waarvan het geslacht gewicht kleiner is dan of gelijk aan het in bijlage IV aangegeven gewicht.
Het dier moet worden geslacht in een abattoir dat zich er tegenover de bevoegde instantie toe heeft verbonden mee te werken aan de correcte toepassing van de premieregeling, zoals die met name is bepaald in de artikelen 50 bis en 50 ter.”
10 Artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92, ingelast bij verordening nr. 2311/96, bepaalt:
„Premieaanvraag
1. De premieaanvraag moet uiterlijk drie weken na het slachten bij de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat worden ingediend.
Een premieaanvraag kan betrekking hebben op verschillende dieren, mits voor elk dier overeenkomstig lid 2 de vereiste gegevens worden verstrekt.
2. De aanvraag moet voor elk dier vergezeld gaan van alle documenten die de bevoegde instantie nodig heeft om na te gaan of de betrokken dieren voor de premie in aanmerking komen.
[...]”
11 Artikel 52 van verordening nr. 3886/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2311/96, luidt als volgt:
„Mededelingen
De lidstaten delen de Commissie mee:
[...]
wat de premie voor het vervroegd op de markt brengen van mestkalveren betreft:
welke maatregelen met het oog op de toepassing van de premie zijn genomen;
uiterlijk op 2 december 1996, welke karkasspecificatie voor geslachte kalveren in 1995 is gehanteerd voor de mededeling van de productiestatistiek aan het Bureau voor de Statistiek van de Gemeenschap;
elke woensdag:
voor hoeveel dieren de premie is aangevraagd in de loop van de voorafgaande week en sinds de inwerkingtreding van de regeling,
hoeveel dieren voor de toekenning van de premie zijn aanvaard sinds de inwerkingtreding van de regeling,
hoeveel mestkalveren elke week zijn geslacht sinds 1 december 1996;
elk kwartaal, wat het totale geslachte gewicht is, verdeeld in groepen van 10 kilogram, van:
de kalveren waarvoor een premieaanvraag is ontvangen,
andere kalveren.”
Nationale regelgeving
12 Het indienen van een aanvraag voor een premie als bedoeld in artikel 50 van verordening nr. 3886/92 is geregeld in de op 11 december 1996 door het Productschap vastgestelde Verordening kalverslachtpremie (PBO-blad 1997, nr. 25). De artikelen 2 en 3 van deze verordening luiden als volgt:
„Artikel 2
1.Op aanvraag van de eigenaar van de kalveren wordt overeenkomstig de voorwaarden gesteld in de commissieverordening en de bij of krachtens deze verordening gestelde voorwaarden een premie toegekend voor een kalf:
dat is geslacht op of na 1 december 1996 [...]
[...]
Artikel 3
1.De aanvraag wordt gedaan door toezending aan het productschap van een volledig en naar waarheid ingevuld, door het productschap verstrekt, formulier.
2.De aanvraag wordt alleen in behandeling genomen indien hij, vergezeld van alle documenten waaruit blijkt dat het betrokken kalf voor de premie in aanmerking komt, binnen 3 weken na de datum van slachting bij het productschap is ingediend.
[]”
13 Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht van 4 juni 1992 (Stbl. 1998, blz. 1) luidt als volgt:
„1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.”
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
De zaak Toeters
14 Met een op 3 april 1998 gedateerd formulier heeft Toeters bij het Productschap een slachtpremie aangevraagd voor 209 kalveren, onder de vermelding dat deze op 12, 13 en 16 maart 1998 waren geslacht. Dit formulier is op 7 april 1998 per post verzonden en op 8 april 1998 door het Productschap ontvangen.
15 Bij brief van 26 mei 1998 heeft het Productschap de aanvraag van Toeters geheel afgewezen, omdat het formulier niet binnen de termijn van drie weken na het slachten van de dieren bij hem was ingediend. Volgens het Productschap waren de termijnen voor het indienen van de aanvragen op respectievelijk 3, 6 en 7 april 1998 verstreken.
16 Bij besluit van 21 januari 1999 heeft het Productschap het bezwaar van Toeters tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
17 Op 8 februari 1999 heeft Toeters tegen dit besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
18 Toeters voert onder meer aan, dat de algehele afwijzing van zijn premieaanvraag ten belope van ongeveer 11 300 euro niet in verhouding staat tot de geringe termijnoverschrijding bij de indiening van de aanvraag.
De zaak Verberk
19 Verberk heeft met drie, op 18 februari 1998 gedateerde formulieren een slachtpremie bij het Productschap aangevraagd voor respectievelijk 68, 49 en 102 kalveren, onder de vermelding dat deze op respectievelijk 28, 27 en 27 januari 1998 waren geslacht. Blijkens de poststempel zijn deze formulieren op 19 februari 1998 verzonden. Zij zijn op 20 februari 1998 door het Productschap ontvangen.
20 Bij brief van 24 februari 1998 heeft het Productschap de drie aanvragen van Verberk afgewezen, omdat de formulieren niet binnen de termijn van drie weken na het slachten waren ingediend. Volgens het Productschap waren de termijnen voor het indienen van de aanvragen op respectievelijk 19, 18 en 18 februari 1998 verstreken.
21 Bij besluit van 15 april 1999 heeft het Productschap het bezwaar van Verberk tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
22 Op 27 mei 1999 heeft Verberk tegen dit besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
23 Verberk stelt dat één van de door hem ingediende aanvragen, namelijk die met betrekking tot de 68 kalveren die op 28 januari 1998 zijn geslacht, wel tijdig was ingediend, omdat hij deze aanvraag binnen de wettelijke termijn van drie weken ter post had bezorgd.
24 Voorts acht Verberk het in strijd met het evenredigheidsbeginsel, dat zijn aanvragen wegens een geringe termijnoverschrijding in hun geheel zijn afgewezen.
25 Voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven is onder meer gesteld dat het geïntegreerde beheers- en controlesysteem dat bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 (PB L 355, blz. 1) is ingevoerd voor bepaalde communautaire steunregelingen, volgens deze verordening mede van toepassing is op de premieregelingen voor rundvleesproducenten, bedoeld in artikel 4, sub a tot en met h, van verordening nr. 805/68. Volgens artikel 8 van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, biz. 36) leidt te late indiening van een aanvraag, behoudens overmacht, tot een verlaging van het aangevraagde steunbedrag die evenredig is aan het aantal dagen van de termijnoverschrijding. Een dergelijke regel zou stroken met het evenredigheidsbeginsel. De litigieuze kalverslachtpremie van artikel 4i van verordening nr. 805/68 zou echter niet onder deze regeling vallen.
26 Het College van Beroep voor het bedrijfsleven vraagt zich af hoe artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1182/71 moet worden uitgelegd. Indien bijvoorbeeld een premieaanvraag binnen drie weken na de slacht moet worden ingediend, gaat de termijn volgens artikel 3, lid 1, van deze verordening in op de dag van de slacht, zonder dat het resterende deel van die dag in de beschouwing hoeft te worden betrokken. Indien echter artikel 3, lid 2, van deze verordening zou moeten worden toegepast, loopt de termijn vanaf de dag na de slacht tot aan het einde van het laatste uur van de dag die, in de laatste week, dezelfde naam heeft als de dag na de slacht. In het laatste geval telt de termijn altijd één dag meer dan het aantal dagen dat deze weken omvatten.
27 In zijn verwijzingsuitspraak merkt het College van Beroep verder op dat, indien de datum van indiening van een aanvraag wordt vastgesteld aan de hand van de nationale procedureregels, te weten artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht, de onderhavige aanvragen als conform artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 ingediend zijn aan te merken. Zij zijn immers voor het einde van de termijn ter post bezorgd en binnen een week na afloop van de termijn door de geadresseerde ontvangen.
28 De verwijzende rechter is van oordeel, dat het als tijdig ingediend beschouwen van deze aanvragen geen afbreuk zou doen aan de effectieve controle met het oog waarop de Commissie de termijn heeft bepaald, of aan de controlemaatregelen die zij hiertoe bij artikel 50 ter van verordening nr. 3886/92 heeft vastgesteld. Ook de goede werking van de regeling zou hierdoor niet worden verstoord.
29 Gelet op het voorgaande heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
Dient artikel 3, tweede lid, [...] [sub] c, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 aldus te worden uitgelegd dat een in weken omschreven termijn als bepaald bij artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 afloopt aan het einde van de dag die in de laatste week dezelfde naam heeft als de dag volgend op de dag waarop de slacht heeft plaatsgevonden?
Staat het een lidstaat bij de toepassing van artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 vrij het tijdstip waarop een premieaanvraag is ingediend, vast te stellen met toepassing van nationale procedureregels die in de interne rechtsorde van die lidstaat gelden voor vergelijkbare, nationale aanvraag-termijnen?
Zo nee, moet artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 in die zin worden uitgelegd, dat een premieaanvraag ook tijdig is ‚ingediend’ indien deze vóór afloop van de termijn van drie weken aantoonbaar ter post is bezorgd en op een zodanig tijdstip na deze termijn door de bevoegde instantie is ontvangen, dat deze de desbetreffende gegevens aan de Commissie heeft kunnen mededelen op dezelfde dag als het geval zou zijn geweest indien de premieaanvraag binnen deze termijn door de bevoegde instantie zou zijn ontvangen?
Is artikel 50 bis, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 3886/92 geldig, voorzover dit aanvragers volledig van premie uitsluit bij iedere overschrijding van de aanvraagtermijn, ongeacht aard en omvang van de termijnoverschrijding?”
De vragen
De eerste vraag, sub a
30 Met zijn eerste vraag sub a wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1182/71 aldus moet worden uitgelegd, dat een in weken uitgedrukte termijn, zoals de termijn bedoeld in artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92, afloopt bij het einde van het laatste uur van de dag die, in de laatste week, dezelfde naam heeft als de dag volgend op de dag waarop de slacht heeft plaatsgevonden.
31 Artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1182/71 preciseert, dat wanneer een in dagen, weken, maanden of jaren omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn wordt inbegrepen. Deze bepaling brengt het Latijnse adagium „dies a quo non computatur in termino” tot uitdrukking, welke rechtsregel in tal van rechtsstelsels van de lidstaten wordt gehanteerd.
32 De dies a quo, ofwel de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, is dus de dag waarop de termijn ingaat en vanaf welke het wettelijk vastgelegde tijdvak — in de hoofdgedingen drie weken — wordt berekend.
33 Volgens artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1182/71 loopt een in weken omschreven termijn af bij het einde van het laatste uur van de dag die, in de laatste week, dezelfde naam of cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat. Deze bepaling, aan de hand waarvan de dies ad quem ofwel de dag waarop de termijn afloopt, kan worden vastgesteld, moet worden uitgelegd in samenhang met artikel 3, lid 1, tweede alinea, van de verordening, volgens welke bepaling de termijn ingaat op de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Met andere woorden, indien een gebeurtenis die een termijn van een week doet ingaan, op een maandag plaatsvindt, loopt de termijn af op de daaropvolgende maandag, die dan de dies ad quern is.
34 Deze uitlegging van verordening nr. 1182/71 is in overeenstemming met de regel van artikel 4, lid 1, van het op 16 mei 1972 te Bazel ondertekende Europese Verdrag betreffende de berekening van termijnen (hierna: „Verdrag van Bazel”): wanneer een termijn is omschreven in weken, is de dies ad quem de dag van de laatste week die dezelfde naam heeft als de dies a quo.
35. Zij strookt eveneens met de regel die bij de berekening van procestermijnen wordt gehanteerd. Volgens artikel 80, lid 1, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof loopt een in weken omschreven termijn af bij het einde van de dag die, in de laatste week, dezelfde naam heeft als de dag waarop de gebeurtenis of de handeling heeft plaatsgevonden die de termijn doet ingaan (zie in die zin arrest van 15 januari 1987, Misset/Raad, 152/85, Jurispr. blz. 223, punten 7 en 8).
36 Aangezien deze regel volstaat om te kunnen bepalen op welke wijze de termijn wordt berekend en op welke dag het wettelijk vastgelegde tijdvak afloopt, is het niet van belang om te bepalen op welke dag de termijn is ingegaan en gedurende hoeveel dagen de termijn heeft gelopen. Het maakt namelijk niet uit of de termijn op de dies a quo op het tijdstip van de gebeurtenis of om middernacht is ingegaan (zie in die zin artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Bazel), dan wel op het eerste uur van de dag volgend op de dies a quo, zoals zou kunnen voortvloeien uit een uitlegging van artikel 3, lid 2, sub c, begin van de zin, van verordening nr. 1182/71. Waar het om gaat, is dat de dies a quo niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het wettelijk vastgelegde tijdvak (non computatur in termino).
37 Bovendien zou een al te restrictieve letterlijke uitlegging van artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1182/71, begin van de zin, volgens welke de termijn pas ingaat op de dag volgend op de dies a quo, in gevallen als de onderhavige tot gevolg kunnen hebben dat een premieaanvraag die op de dag van de slacht van de kalveren zeli; dus op de dies a quo, wordt ingediend, als buiten de termijn gedaan nict-ontvankelijk is. Dit was stellig niet de bedoeling van de gemeenschapswetgever, die met de vaststelling van termijnregels uitsluitend heeft willen bepalen op welke wijze een periode wordt berekend, aan de niet-inachtneming waarvan een regeling bepaalde rechtsgevolgen verbindt.
38 Gelet op deze verschillende elementen luidt het antwoord op de eerste vraag sub a, dat artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1182/71 aldus moet worden uitgelegd dat een in weken omschreven termijn, zoals de termijn bedoeld in artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92, afloopt bij het einde van het laatste uur van de dag die, in de laatste week, dezelfde naam heeft als de dag waarop de slacht heeft plaatsgevonden.
De eerste vraag, sub b
39 Met de eerste vraag sub b wenst de verwijzende rechter te vernemen of het een lidstaat bij de toepassing van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 vrij staat het tijdstip waarop een premieaanvraag is ingediend, vast te stellen met toepassing van nationale procedureregels die in zijn interne rechtsorde gelden voor vergelijkbare, nationale aanvraagtermijnen.
40 Artikel 50 bis bevat een duidelijke regel die op uniforme wijze binnen de Gemeenschap moet worden toegepast, zodat alle marktdeelnemers gelijk worden behandeld.
41 Derhalve moet de gestelde vraag aldus worden beantwoord, dat het een lidstaat bij de toepassing van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 niet vrij staat het tijdstip waarop een premieaanvraag is ingediend, vast te stellen met toepassing van nationale procedureregels die in zijn interne rechtsorde gelden voor vergelijkbare, nationale aanvraagtermijnen.
De eerste vraag, sub c
42 Met de eerste vraag sub c wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 aldus moet worden uitgelegd, dat een premieaanvraag ook tijdig is „ingediend” indien deze vóór afloop van de termijn van drie weken aantoonbaar ter post is bezorgd en op een zodanig tijdstip na deze termijn door de bevoegde instantie is ontvangen, dat deze de relevante gegevens aan de Commissie heeft kunnen mededelen op dezelfde dag als het geval zou zijn geweest indien de premieaanvraag binnen deze termijn zou zijn ontvangen.
43 Zoals de advocaatgeneraal in punt 33 van zijn conclusie onderstreept, is artikel 50 bis duidelijk, in die zin dat een aanvraag eerst is „ingediend” wanneer de geadresseerde haar heeft ontvangen. Het is dus niet voldoende dat een aanvraag binnen de termijn ter post is bezorgd.
44 Bovendien is het feit dat de bevoegde autoriteit in staat was bepaalde gegevens aan de Commissie te verstrekken, niet relevant voor de berekening van een termijn die op uniforme wijze in de gehele Gemeenschap moet worden toegepast teneinde onder meer de gelijke behandeling van marktdeelnemers te verzekeren.
45 Het antwoord dient dan ook te luiden, dat artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 aldus moet worden uitgelegd dat een premieaanvraag slechts tijdig is „ingediend” indien zij vóór de afloop van de termijn door de bevoegde instantie is ontvangen.
De tweede vraag
46 De tweede vraag van de verwijzende rechter komt erop neer of artikel 50 bis, lid 1, van verordening nr. 3886/92 geldig is voorzover deze bepaling aanvragers volledig van premie uitsluit bij iedere overschrijding van de aanvraagtermijn, ongeacht de aard en de omvang van de termijnoverschrijding.
47 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat wanneer de gemeenschapswetgever een dwingende termijn voor de indiening van een aanvraag vaststelt, het verval van recht bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is maar het normale gevolg van de niet-inachtneming van wettelijke voorwaarden (zie in die zin arrest van 22 januari 1986, Denkavit, 266/84, Jurispr. blz. 149, punt 21).
48 Wanneer de wetgever bijvoorbeeld bepaalt dat elke te late indiening van een aanvraag aanleiding geeft tot een verlaging met 1 % per werkdag van de aangevraagde steunbedragen waarop de exploitant recht zou hebben gehad indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, zoals in het voor de verwijzende rechter ingeroepen artikel 8 van verordening nr. 3886/92, regelt hij niet in algemene zin welke sancties de niet-inachtneming van een termijn meebrengt, maar bepaalt hij welke rechtsgevolgen, variërend naar de datum van indiening van de aanvraag, in het concrete geval zijn verbonden aan de te late indiening van de aanvraag.
49 Verlaging van het toe te kennen bedrag in geval van te late indiening van een premieaanvraag is derhalve geen algemeen beginsel dat altijd van toepassing is wanneer de landbouwregeling een termijn stelt voor het indienen van een aanvraag, maar een doelbewuste keuze van de wetgever, die de inachtneming van een termijn niet van wezenlijk belang heeft geacht voor het beheer van een bepaalde premieregeling.
50 In casu moet worden getoetst of de gemeenschapswetgever een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door niet te voorzien in een graduele verlaging van het toe te kennen premiebedrag naar gelang van de datum van indiening van de aanvragen. Deze toetsing dient plaats te vinden aan de hand van het evenredigheidsbeginsel.
51 Volgens het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, mogen handelingen van gemeenschapsinstellingen niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie onder meer arresten van 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a., C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Jurispr. blz. I-4863, punt 41; 5 mei 1998, National Farmers' Union e.a., C-157/96, Jurispr. blz. I-2211, punt 60, en 29 oktober 1998, Zaninotto, C-375/96, Jurispr. blz. I-6629, punt 63).
52 Wat de rechterlijke toetsing van voormelde voorwaarden betreft, beschikt de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een discretionaire bevoegdheid, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 34 EG tot en met 37 EG toegekende politieke verantwoordelijkheid. Een op dit gebied vastgestelde maatregel kan derhalve slechts onwettig zijn, wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie reeds aangehaalde arresten Crispoltoni e.a., punt 42, en National Farmers' Union e.a., punt 61).
53 Zoals de Nederlandse regering en de Commissie in hun bij het Mof ingediende opmerkingen hebben onderstreept, is de in het hoofdgeding centraal staande premie een conjuncturele maatregel die bestemd is om enerzijds het overaanbod aan rundvlees op de markt als gevolg van de BSE-crisis te verminderen, en anderzijds de prijzen voor de producenten op peil te houden.
54 Het belang van de inachtneming van de termijnen voor de indiening van de premieaanvragen blijkt duidelijk uit de negende, de tiende en de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 2311/96, welke luiden als volgt:
„Overwegende dat het met het oog op een effectieve controle op de regeling nodig is dat de aanvragen uiterlijk drie weken na het slachten worden ingediend; dat een aanvraag vergezeld moet gaan van alle voor een deugdelijke verificatie van het dossier noodzakelijke informatie;
Overwegende dat doeltreffende controlemaatregelen moeten worden vastgesteld; dat die maatregelen met name gebaseerd moeten zijn op controles van documenten en op fysieke controles in de betrokken abattoirs en in de mestinrichtingen;
Overwegende dat met het oog op een goede werking van de regeling, de lidstaten regelmatig bepaalde gegevens moeten meedelen met betrekking tot de premieaanvragen, de aanvaarde premies en de geslachte kalveren.”
55 Gelet op de doelstellingen van controle op de regeling en van controle van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van premies, heeft de wetgever het evenredigheidsbeginsel niet kennelijk geschonden door niet te voorzien in een graduele verlaging van het toe te kennen premiebedrag naar gelang van de datum van indiening van de aanvraag.
56 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat bij onderzoek daarvan niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 50 bis, lid 1, van verordening nr. 3886/92 kunnen aantasten, voorzover deze bepaling de aanvrager volledig van premie uitsluit bij iedere overschrijding van de aanvraagtermijn, ongeacht de aard en de omvang van de termijnoverschrijding.
Kosten
57 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
-
-
Artikel 3, Iid 2, sub c, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltermijnen, moet aldus worden uitgelegd dat een in weken omschreven termijn als de termijn bedoeld in artikel 50 bis van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2311/96 van de Commissie van 2 december 1996, afloopt bij het einde van het laatste uur van de dag die, in de laatste week, dezelfde naam heeft als de dag waarop de slacht heeft plaatsgevonden.
-
Het staat een lidstaat bij de toepassing van artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 niet vrij, het tijdstip waarop een premieaanvraag is ingediend, vast te stellen met toepassing van nationale procedureregels die in zijn interne rechtsorde gelden voor vergelijkbare, nationale aanvraagtermijnen.
-
Artikel 50 bis van verordening nr. 3886/92 moet aldus worden uitgelegd dat een premieaanvraag slechts tijdig is „ingediend” indien zij vóór de afloop van de termijn door de bevoegde instantie is ontvangen.
-
-
Bij onderzoek van de tweede vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 50 bis, lid 1, van verordening nr. 3886/92 kunnen aantasten, voorzover deze bepaling de aanvrager volledig van premie uitsluit bij iedere overschrijding van de aanvraagtermijn, ongeacht de aard en de omvang van de termijnoverschrijding.
Ondertekeningen