„[…] iedere instelling […]:
-
die is opgericht met het specifieke doel in andere behoeften van algemeen belang te voorzien dan die van industriële of commerciële aard [te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn],
-
die rechtspersoonlijkheid heeft [bezit], en
waarvan ofwel de activiteiten in hoofdzaak door de staat, [door] [de] territoriale lichamen of [door] andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd, ofwel het beheer onderworpen is aan het toezicht van [door] deze laatste, ofwel de leden van het bestuurs-, het leidinggevende of het toezichthoudende orgaan [het bestuursorgaan, het leidinggevend of het toezichthoudend orgaan] voor meer dan de helft door de staat, de territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen”.