„Bij deze richtlijn worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de productie, de transmissie, de distributie en de levering van elektriciteit. De richtlijn stelt de regels vast met betrekking tot de organisatie en de werking van de elektriciteitssector, de toegang tot de markt, de criteria en procedures voor aanbestedingen, de verlening van vergunningen en het beheer van netten.”
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 22 mei 2008.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 22 mei 2008.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 22 mei 2008
Uitspraak
Arrest van het Hof (Derde kamer)
22 mei 2008(*)
"Interne markt voor elektriciteit - Richtlijn 2003/54/EG - Artikel 20, lid 1 - Vrije toegang van derden tot transmissie- en distributiesystemen voor elektriciteit"
citiworks AG
in tegenwoordigheid van:Sächsisches Staatsministerium für Wirtschaft und Arbeit als Landesregulierungsbehörde,
Flughafen Leipzig/Halle GmbH,
Bundesnetzagentur,
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, J. Klučka, P. Lindh (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: J. Swedenborg, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 september 2007,
gelet op de opmerkingen van:
-
citiworks AG, vertegenwoordigd door C. Haellmigk, Rechtsanwalt,
-
Sächsisches Staatsministerium für Wirtschaft und Arbeit als Landesregulierungsbehörde, vertegenwoordigd door R. Huber als gemachtigde,
-
Flughafen Leipzig/Halle GmbH, vertegenwoordigd door R. Wagner en J. Kloos, Rechtsanwälte,
-
de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en J. Möller als gemachtigden,
-
de Poolse regering, vertegenwoordigd door E. Ośniecka-Tamecka als gemachtigde,
-
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Jackson als gemachtigde, bijgestaan door A. Henshaw, barrister,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Schima als gemachtigde,
-
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 2007,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (PB L 176, blz. 37).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure inzake het door citiworks AG (hierna: „citiworks”) ingestelde hoger beroep tegen het besluit waarbij het Sächsische Staatsministerium für Wirtschaft und Arbeit als Landesregulierungsbehörde (ministerie voor Economie en Werkgelegenheid van de deelstaat Sachsen, in zijn hoedanigheid van regulerende instantie van deze deelstaat; hierna: „regulerende instantie”) het door Flughafen Leipzig/Halle GmbH (hierna: „FLH”) beheerde energievoorzieningssysteem heeft gekwalificeerd als „particulier energievoorzieningssysteem” in de zin van § 110, lid 1, punt 1, van de wet inzake de elektriciteits- en gasvoorziening, de zogenoemde „wet rationeel energiegebruik” [Gesetz über die Elektrizitäts- und Gasversorgung (Energiewirtschaftsgesetz)], van 7 juli 2005 (BGBl. 2005 I, blz. 1970; hierna: „EnWG”).
Rechtskader
Gemeenschapsregeling
3 Artikel 1 van richtlijn 2003/54 luidt als volgt:
4 De punten 4 tot en met 7 en 26 van de considerans van richtlijn 2003/54 luiden als volgt:
„(4) Met de rechten die de Europese burgers in het EG-Verdrag worden gegarandeerd op het gebied van het vrij verkeer van goederen, de vrijheid van dienstverlening en de vrijheid van vestiging, is evenwel alleen een volledig opengestelde markt in overeenstemming waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle aanbieders vrijelijk aan hun klanten leveren.
(5) De voornaamste hinderpalen voor de totstandbrenging van een volledig operationele en competitieve interne markt betreffen o.a. de toegang tot het netwerk, de tarifering en een van lidstaat tot lidstaat uiteenlopende mate van openstelling van de markt.
(6) Voor een goed werkende concurrentie is vereist dat de toegang tot het netwerk niet-discriminerend en transparant is en tegen redelijke prijzen kan geschieden.
(7) Voor de voltooiing van de interne elektriciteitsmarkt is niet-discriminerende toegang tot het netwerk van de transmissie- of de distributiesysteembeheerder van het grootste belang. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder kan één of meer bedrijven omvatten.
[…]
(26) Naleving van de eisen inzake openbaredienstverlening is een fundamentele eis van deze richtlijn en het is belangrijk dat in deze richtlijn gemeenschappelijke, door alle lidstaten nageleefde minimumnormen worden vastgesteld waarbij rekening wordt gehouden met de doelstellingen op het gebied van algemene bescherming, leverings- en voorzieningszekerheid, milieubescherming en gelijkwaardige mededingingsniveaus in alle lidstaten. Het is belangrijk dat de voorschriften inzake openbaredienstverlening op nationale basis kunnen worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de nationale omstandigheden en met inachtneming van de gemeenschapswetgeving.”
5 Artikel 2 van richtlijn 2003/54, met als titel „Definities”, luidt als volgt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
‚transmissie’: transport van elektriciteit langs het extra hoogspannings- en hoogspanningskoppelnet met het oog op de belevering van eindafnemers of distributiemaatschappijen, de levering zelf niet inbegrepen;
‚transmissiesysteembeheerder’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, zo nodig, de ontwikkeling van het transmissiesysteem en, indien van toepassing, de interconnecties met andere systemen en die ervoor moet zorgen dat het systeem op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar transport van elektriciteit;
‚distributie’: transport van elektriciteit langs hoog-, midden- en laagspanningsdistributiesystemen met het oog op de belevering van afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;
‚distributiesysteembeheerder’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, zo nodig, de ontwikkeling van het distributiesysteem en, indien van toepassing, de interconnecties met andere systemen en die ervoor moet zorgen dat het systeem op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar distributie van elektriciteit;
‚afnemers’: grootafnemers en eindafnemers van elektriciteit;
‚grootafnemers’: natuurlijke personen of rechtspersonen die elektriciteit kopen voor doorverkoop binnen of buiten het systeem waarop zij aangesloten zijn;
‚eindafnemers’: afnemers die elektriciteit kopen voor eigen gebruik;
[…]
‚levering’: verkoop, wederverkoop daaronder begrepen, van elektriciteit aan afnemers;
[…]
‚klein geïsoleerd systeem’: systeem met een verbruik van minder dan 3 000 GWh in 1996 en waarvan minder dan 5 % van het jaarverbruik via interconnectie met andere systemen wordt verkregen;
‚geïsoleerd microsysteem’: systeem met een verbruik van minder dan 500 GWh in 1996, zonder interconnectie met andere systemen;
[…]”
6 Artikel 3, lid 8, van richtlijn 2003/54, met als titel „Openbaredienstverplichtingen en bescherming van de afnemer”, luidt als volgt:
„De lidstaten kunnen besluiten de bepalingen van de artikelen 6, 7, 20 en 22 niet toe te passen, voor zover de toepassing daarvan de elektriciteitsbedrijven in feite of in rechte verhindert zich van de hun in het algemeen economisch belang opgelegde verplichtingen te kwijten en mits de ontwikkeling van het handelsverkeer niet wordt beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de Gemeenschap. De belangen van de Gemeenschap omvatten onder meer mededinging met betrekking tot de in aanmerking komende afnemers overeenkomstig deze richtlijn en artikel 86 van het Verdrag.”
7 Artikel 20 van de genoemde richtlijn, met als titel „Toegang van derden”, luidt als volgt:
„1.De lidstaten dragen zorg voor de invoering van een systeem voor toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen, gebaseerd op gepubliceerde tarieven die voor alle in aanmerking komende afnemers gelden en die objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen gebruikers van het systeem. De lidstaten zorgen ervoor dat deze tarieven of de aan de berekening daarvan ten grondslag liggende methoden voorafgaand aan hun toepassing worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 23 en dat deze tarieven en, wanneer alleen de methoden zijn goedgekeurd, de methoden worden gepubliceerd voordat zij in werking treden.
2.De beheerder van een transmissie- of distributiesysteem kan de toegang weigeren wanneer hij niet over de nodige capaciteit beschikt. De weigering moet naar behoren met redenen worden omkleed waarbij met name het bepaalde in artikel 3 in acht moet worden genomen. De lidstaten zorgen ervoor dat, waar van toepassing en wanneer de toegang wordt geweigerd, de transmissie- of distributiesysteembeheerder relevante informatie verstrekt over de voor de versterking van het net vereiste maatregelen. Aan degene die om dergelijke informatie verzoekt, kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht die de aan de verstrekking van die informatie verbonden kosten weerspiegelt.”
8 Artikel 26 van dezelfde richtlijn, met als titel „Ontheffingen”, bepaalt:
„1.De lidstaten die na de inwerkingtreding van deze richtlijn kunnen aantonen dat zich wezenlijke beheersproblemen voordoen voor hun kleine geïsoleerde netten, kunnen om ontheffingen vragen van de desbetreffende bepalingen van de hoofdstukken IV, V, VI en VII, alsmede, voor geïsoleerde microsystemen, hoofdstuk III met het oog op het opknappen, verbeteren en vergroten van de bestaande capaciteit. De Commissie kan hun die ontheffingen verlenen. De Commissie stelt de lidstaten van dergelijke verzoeken in kennis alvorens een besluit te nemen, en houdt daarbij rekening met de eerbiediging van de vertrouwelijkheid. Het besluit wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. […]
[…]”
Nationale regeling
9 Richtlijn 2003/54 is uitgevoerd in het EnWG.
10 § 3, punten 16 en 17, EnWG deze wet definieert de energievoorzieningssystemen als „elektriciteits- en gasvoorzieningssystemen die passeren via één of meerdere spannings- of drukniveaus” en de energievoorzieningssystemen voor algemene voorziening als de „energievoorzieningssystemen voor de levering van energie aan derden en die naar omvang niet bij voorbaat enkel op de voorziening van bepaalde, reeds bij de aanleg ervan vaststaande of bepaalbare eindafnemers zijn gericht, maar in beginsel voor de voorziening van elke eindafnemer kunnen dienen”.
11 § 3, punt 18, EnWG definieert de onderneming die energievoorzieningssystemen beheert als een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een energievoorzieningssysteem exploiteert.
12 Deel 3 EnWG bevat met name de §§ 20 en 21. Krachtens genoemde § 20, lid 1, eerste volzin, dienen de beheerders van energievoorzieningssystemen „eenieder volgens objectief gerechtvaardigde criteria op niet-discriminerende wijze toegang tot het systeem te verlenen, alsmede de voorwaarden — inclusief modelcontracten en de vergoedingen — voor deze toegang op het internet openbaar te maken”.
13 § 21, lid 1, EnWG bepaalt:
„De voorwaarden en de vergoedingen voor de toegang tot het systeem dienen redelijk, niet-discriminerend, transparant en niet ongunstiger te zijn dan die welke door de beheerders van energievoorzieningssystemen in vergelijkbare gevallen voor leveringen binnen hun onderneming of aan verbonden of geassocieerde ondernemingen worden toegepast en feitelijk of rekenkundig worden gefactureerd.”
14 § 110, lid 1, EnWG gebruikt de volgende bewoordingen om de voorwaarden voor de verkrijging van het statuut van particulier energievoorzieningssysteem vast te stellen en om de juridische gevolgen van dit statuut uiteen te zetten:
„De delen 2 en 3 alsmede de §§ 4, 52 en 92 van de onderhavige wet zijn niet van toepassing op het beheer van energievoorzieningssystemen die zich bevinden op
een bedrijvenpark dat een ruimtelijk geheel vormt, en die overwegend voor het transport van energie binnen de eigen onderneming of naar verbonden ondernemingen in de zin van § 3, punt 38, dienen;
een particulier terrein dat een ruimtelijk geheel vormt en door de systeembeheerder of een gemachtigde worden gebruikt om, door middel van een gemeenschappelijk, overkoepelend ondernemingsdoel dat
verder gaat dan een enkele huur- of pachtrelatie, en
door de toepassing van de in het begin van lid 1 genoemde bepalingen onredelijke hinder zou ondervinden,
aan bepaalbare eindafnemers energie te leveren, of
een ruimtelijk nauw samenhangend gebied en die overwegend dienen voor zelfvoorziening,”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
15 Citiworks is een vennootschap naar Duits recht die actief is op het gebied van energievoorziening. Zij levert sinds begin 2004 elektriciteit aan het op de luchthaven Leipzig/Halle gelegen aansluitpunt van DFS Deutsche Flugsicherung GmbH. Deze vennootschap is volledig in handen van de federale staat en is belast met de controle van het luchtverkeer in Duitsland.
16 FLH is de vennootschap die de luchthaven Leipzig/Halle exploiteert. In deze hoedanigheid houdt zij een energievoorzieningssysteem in stand waarmee zij voorziet in haar eigen elektriciteitsbehoeften, alsook in die van 93 andere op de luchthaven gevestigde ondernemingen (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem”). Dit systeem heeft in 2004 in totaal ongeveer 22 200 MWh geleverd, waarvan 85,4 % door FLH zelf werd verbruikt.
17 FLH heeft verzocht om erkenning van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem als particulier energievoorzieningssysteem in de zin van § 110 EnWG. In het kader van het onderzoek van dit verzoek heeft de regulerende instantie citiworks op 20 januari 2006 verzocht te interveniëren.
18 Bij besluit van 12 juli 2006 heeft de regulerende instantie het verzoek van FLH gegrond verklaard. Citiworks heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Dresden.
19 Citiworks heeft voor deze rechter aangevoerd dat § 110 EnWG onverenigbaar is met artikel 20 van richtlijn 2003/54.
20 Daarop heeft het Oberlandesgericht Dresden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is § 110, lid 1, punt 1, [EnWG] verenigbaar met artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54/EG […], voor zover onder de in § 110, lid 1, punt 1, EnWG genoemde voorwaarden de algemene bepalingen inzake de toegang tot het systeem (§§ 20 tot en met 28a EnWG) zelfs dan niet van toepassing zijn op een zogenoemd bedrijvensysteem, wanneer een vrije toegang tot het systeem geen onredelijke hinder zou opleveren?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat ofschoon het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing niet bevoegd is zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het gemeenschapsrecht, het wel bevoegd is de nationale rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het gemeenschapsrecht te verschaffen welke die rechter in staat kunnen stellen die verenigbaarheid te beoordelen met het oog op de beslissing in de voor hem aanhangige zaak (zie met name arresten van 21 september 2000, Borawitz, C-124/99, Jurispr. blz. I-7293, punt 17; 8 juni 2006, WWF Italia e.a., C-60/05, Jurispr. blz. I-5083, punt 18, en 24 januari 2008, Roby Profumi, C-257/06, Jurispr. blz. I-189, punt 11).
22 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54 aldus dient te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling als § 110, lid 1, punt 1, EnWG, die bepaalde beheerders van energievoorzieningssystemen vrijstelt van de verplichting om derden vrije toegang tot deze systemen te verlenen, op grond dat zij zich bevinden in een bedrijvenpark dat een functioneel geheel vormt, en overwegend voor het transport van energie binnen de eigen onderneming of naar verbonden ondernemingen dienen, zonder dat moet worden aangetoond dat de vrije toegang van derden tot deze systemen onredelijke hinder zou veroorzaken.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
23 Citiworks meent dat artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54 in de weg staat aan § 110, lid 1, punt 1, EnWG. Een van de voornaamste doelstellingen van deze richtlijn bestaat er immers in dat energieleveranciers vrije toegang tot de energievoorzieningssystemen krijgen, opdat de klanten hun leveranciers vrijelijk zouden kunnen kiezen.
24 De nationale bepaling die afwijkt van het beginsel van vrije toegang van derden tot de energievoorzieningssystemen, is in strijd met deze doelstelling. Geen enkele bepaling van richtlijn 2003/54 biedt de lidstaten de mogelijkheid vrij te bepalen in welke gevallen zij mogen afwijken van dit beginsel.
25 Citiworks betoogt bovendien dat § 110, lid 1, punt 1, EnWG automatisch van toepassing is zodra is voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling.
26 Om te beginnen stelt FLH dat de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is omdat zij hypothetisch is. Deze vraag verwijst immers naar een onbestaande versie van § 110, lid 1, punt 1, EnWG, aangezien deze bepaling geen melding maakt van het begrip „onredelijke hinder”. Bovendien is deze vraag irrelevant voor de beslechting van het hoofdgeding.
27 Ten gronde menen FLH, de regulerende instantie alsook de Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem noch een transmissiesysteem, noch een distributiesysteem is, en dat het derhalve niet valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/54. Een dergelijk systeem is een intern systeem dat door ondernemingen werd opgericht voor hun eigen energievoorziening, een gering verbruik heeft en de mededinging niet aantast. § 110, lid 1, punt 1, EnWG is louter de uitdrukking van de discretionaire bevoegdheid die de nationale wetgever had bij de omzetting van richtlijn 2003/54. Bovendien is de levering van elektriciteit een bijkomstige activiteit ten opzichte van de hoofdactiviteit van FLH, die bestaat in de exploitatie van een luchthaven.
28 De Duitse regering voert aan dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem een „afnemerinstallatie” is die energie distribueert binnen een gesloten installatie. De onderneming die deze afnemerinstallatie exploiteert, is niet onderworpen aan de verplichtingen die richtlijn 2003/54 aan de beheerders van distributiesystemen oplegt.
29 De Poolse regering meent dat § 110, lid 1, punt 1, EnWG onverenigbaar is met richtlijn 2003/54. Deze richtlijn bevat een stelsel van ontheffingen voor bijzondere omstandigheden, dat geen ruimte laat voor algemene ontheffingen.
30 De Commissie meent dat artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54 in de weg staat aan § 110, lid 1, punt 1, EnWG. Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem is immers een distributiesysteem in de zin van genoemde richtlijn, en de vrije toegang tot dit systeem dient dus te worden verzekerd. De Commissie herinnert eraan dat het beginsel van vrije toegang van derden tot de energievoorzieningssystemen essentieel is, en dat ontheffingen van dit beginsel slechts kunnen worden toegestaan in duidelijk omschreven omstandigheden. In dat opzicht wordt de grootte van het systeem alleen in aanmerking genomen voor vragen betreffende de juridische scheiding van de beheerders van de distributiesystemen, zoals blijkt uit artikel 15, lid 2, in fine, van richtlijn 2003/54.
Antwoord van het Hof
Ontvankelijkheid
31 Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie met name arresten van 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59, en 15 juni 2006, Acereda Herrera, C-466/04, Jurispr. blz. I-5341, punt 47).
32 Het Hof kan het verzoek van een nationale rechter slechts weigeren wanneer duidelijk blijkt dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is (zie reeds aangehaalde arresten Bosman, punt 61, en Acereda Herrera, punt 48).
33 De in het hoofdgeding bij de nationale rechter aanhangige zaak betreft de betwisting van een elektriciteitsleverancier, die betoogt dat artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54 in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht die bepaalde beheerders van energievoorzieningssystemen vrijstelt van de verplichting om vrije toegang tot hun systeem te verlenen.
34 De nationale rechter is van oordeel dat genoemde vrijstelling krachtens de betrokken nationale bepaling toepasselijk is op energievoorzieningssystemen, zonder dat er sprake moet zijn van onredelijke hinder, ofschoon deze voorwaarde wel geldt voor de dienstverleningssystemen (Dienstleistungsnetze) waarvan sprake is in § 110, lid 1, punt 2, EnWG.
35 De verwijzende rechter vraagt zich bijgevolg af of artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54 in de weg staat aan deze afwijkende regeling, die bepaalde energievoorzieningssystemen vrijstelt van de verplichting om derden vrije toegang te verlenen zonder dat rekening wordt gehouden met de technische mogelijkheden van deze systemen.
36 Hieruit vloeit voort dat de prejudiciële vraag relevant, niet hypothetisch en, derhalve, ontvankelijk is.
Ten gronde
37 Voor de beantwoording van de vraag moet artikel 20 van richtlijn 2003/54 worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen en de bepalingen ervan, om na te gaan of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt en of het genoemde artikel 20 in de weg staat aan een bepaling als § 110, lid 1, punt 1, EnWG, die bepaalde energievoorzieningssystemen vrijstelt van de verplichting om derden vrije toegang te verlenen.
38 Er zij aan herinnerd dat richtlijn 2003/54 richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PB 1997, L 27, blz. 20) heeft ingetrokken en vervangen. Uit de punten 1 en 2 van de considerans van richtlijn 2003/54 blijkt dat deze werd vastgesteld naar aanleiding van de tekortkomingen van de werking van de markt, die ook na de inwerkingtreding van richtlijn 96/92 een hinderpaal bleven voor de totstandkoming van een interne markt voor elektriciteit. Richtlijn 2003/54 beoogt derhalve de werking van deze markt te verbeteren.
39 Volgens punt 5 van de considerans van richtlijn 2003/54 betreffen de voornaamste hinderpalen voor de totstandbrenging van een volledig operationele en competitieve interne markt onder andere de toegang tot het netwerk, de tarifering en een van lidstaat tot lidstaat uiteenlopende mate van openstelling van de markt.
40 Volgens de punten 6 en 7 van de considerans van genoemde richtlijn is voor de voltooiing van de interne elektriciteitsmarkt en voor een goed werkende concurrentie vereist dat de toegang tot het systeem niet discriminerend en transparant is, en tegen redelijke prijzen wordt verleend.
41 Richtlijn 96/92 voorzag in de artikelen 16 tot en met 20 ervan in een systeem van toegang via onderhandelingen tot de transmissie- en distributiesystemen voor elektriciteit. De gemeenschapswetgever heeft besloten om dit systeem stop te zetten, om zo tot een verder gaande openstelling van de interne markt voor elektriciteit te komen, zoals blijkt uit het door de Commissie op 13 maart 2001 ingediende voorstel voor een richtlijn [COM(2001) 125 def., PB C 240 E, blz. 60].
42 Er zij in dit opzicht aan herinnerd dat het Hof, in het kader van de uitlegging van de artikelen 7, lid 5, en 16 van richtlijn 96/92 heeft gewezen op het algemene karakter van het verbod van discriminatie tussen de gebruikers van het systeem (zie in die zin arrest van 7 juni 2005, VEMW e.a., C-17/03, Jurispr. blz. I-4983, punten 42-46).
43 In punt 4 van de considerans van richtlijn 2003/54 wordt verklaard dat in een volledig opengestelde markt de consumenten hun leveranciers vrijelijk moeten kunnen kiezen en de aanbieders vrijelijk aan hun klanten moeten kunnen leveren. Zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie terecht opmerkt, zijn deze twee rechten noodzakelijkerwijs gekoppeld. Willen de afnemers immers vrij hun leverancier kunnen kiezen, dan dienen de leveranciers het recht te hebben op toegang tot de verschillende transmissie- en distributiesystemen die de afnemers van elektriciteit voorzien.
44 Uit deze overwegingen volgt dat de vrije toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen één van de essentiële maatregelen is die door de lidstaten moeten worden toegepast voor de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit.
45 Het beginsel van vrije toegang is volgens artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54 toepasselijk op de transmissie- en distributiesystemen voor elektriciteit. Artikel 2, punten 3 en 5, van deze richtlijn bevat de definities van de begrippen „transmissie” en „distributie”. Transmissie wordt gedefinieerd als het transport van elektriciteit langs het extrahoogspannings- en hoogspanningskoppelnet met het oog op de belevering van eindafnemers of distributiemaatschappijen. Distributie is het transport van elektriciteit langs hoog-, midden- en laagspanningsdistributiesystemen met het oog op de belevering van afnemers. Bij transmissie en distributie is de levering niet inbegrepen. Het begrip „levering” wordt in artikel 2, punt 19, van richtlijn 2003/54 gedefinieerd als de verkoop van elektriciteit aan afnemers.
46 Uit deze definities vloeit voort, enerzijds, dat een transmissiesysteem een koppelnet is voor het transport van extrahoogspannings- en hoogspanningselektriciteit, met het oog op de verkoop ervan aan eindafnemers of distributiemaatschappijen en, anderzijds, dat een distributiesysteem een systeem is voor het transport van hoog-, midden- en laagspanningselektriciteit, met het oog op de verkoop ervan aan grootafnemers of eindafnemers.
47 Volgens een aantal aan het Hof overgelegde opmerkingen is het in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem noch een transmissiesysteem, noch een distributiesysteem, en valt het derhalve niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/54. Het is immers een intern particulier systeem, dat wegens zijn gering verbruik de mededinging niet aantast, en bovendien is de exploitatie van dit systeem slechts een bijkomstige activiteit ten opzichte van de hoofdactiviteit die bestaat in de exploitatie van een luchthaven.
48 Aangaande, ten eerste, de aard van de transmissie- en distributiesystemen in de zin van richtlijn 2003/54 en de hoeveelheid elektriciteit die via genoemde systemen wordt getransporteerd, zij opgemerkt dat het onderscheid tussen transmissie en distributie louter bestaat in de elektriciteitsspanning.
49 Volgens artikel 2, punten 3 en 5, van deze richtlijn betreft een transmissiesysteem immers extrahoogspannings- en hoogspanningselektriciteit, en dient een distributiesysteem voor het transport van hoog-, midden- en laagspanningselektriciteit. Richtlijn 2003/54 verwijst alleen naar het elektriciteitsverbruik om een definitie te geven van de begrippen „klein geïsoleerd systeem” en „geïsoleerd microsysteem”, waarvoor ontheffingen van een aantal in deze richtlijn opgenomen verplichtingen zijn gerechtvaardigd. De gemeenschapswetgever heeft dus niet de bedoeling gehad om bepaalde transmissie- of distributiesystemen wegens hun grootte of hun verbruik uit te sluiten van de werkingssfeer van richtlijn 2003/54.
50 § 110, lid 1, punt 1, EnWG definieert de binnen zijn werkingssfeer vallende systemen niet aan de hand van hun elektriciteitsverbruik. Deze bepaling betreft immers systemen die zijn gevestigd in „een bedrijvenpark dat een ruimtelijk geheel vormt, en die overwegend voor het transport van energie binnen de eigen onderneming of naar […] verbonden ondernemingen dienen”.
51 Aangaande, ten tweede, het beheer en het doel van de transmissie- en distributiesystemen, preciseert richtlijn 2003/54 voor beide typen van systemen dat de elektriciteit wordt getransporteerd met het oog op de levering ervan, zonder dat de levering zelf is inbegrepen, en dat de beheerder in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het systeem teneinde de capaciteit van het systeem op lange termijn te waarborgen.
52 Voor het overige legt artikel 13 van richtlijn 2003/54 de eigenaars of degenen die verantwoordelijk zijn voor de distributiesystemen de verplichting op om beheerders voor deze systemen aan te wijzen. Er blijkt dus noch uit deze bepaling, noch uit enige andere bepaling van deze richtlijn dat alleen de ondernemingen die als hoofdactiviteit het beheer van distributiesystemen hebben, verplicht zijn om vrije toegang tot de systemen te verlenen.
53 Dienaangaande zij opgemerkt dat § 110, lid 1, punt 1, EnWG voor de definitie van de binnen zijn werkingssfeer vallende systemen helemaal niet preciseert of de beheerder zijn activiteit als energievoorzieningssysteembeheerder als hoofd- of als nevenactiviteit dient te verrichten.
54 Uit de verwijzingsbeslissing en uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde systeem voorziet in de elektriciteitsbehoeften van FLH zelf en van nog 93 andere ondernemingen, welke allemaal gelegen zijn op de luchthaven Leipzig/Halle. Het verbruik van dit systeem bedroeg 22 200 MWh voor 2004, waarvan 3 800 MWh door andere ondernemingen dan FLH werd verbruikt. Volgens de verwijzingsbeslissing was er voor 2007 een stijging van het verbruik van deze ondernemingen voorzien tot 8 000 MWh. Hieruit vloeit voort dat FLH geen transmissiesysteem exploiteert, aangezien er geen extrahoogspannings- of hoogspanningselektriciteit wordt getransporteerd, maar een systeem dat elektriciteit transporteert met het oog op de belevering van afnemers, en dat welbeschouwd een distributiesysteem voor elektriciteit is in de zin van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2003/54.
55 Artikel 20, lid 1, van deze richtlijn laat het aan de lidstaten over om te zorgen voor de invoering van een systeem voor toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen. Hieruit vloeit voort dat, conform artikel 249 EG, de lidstaten bevoegd zijn om vorm en middelen te kiezen om deze invoering te verwezenlijken. Rekening houdend met het belang van het beginsel van vrije toegang tot de transmissie- en distributiesystemen, biedt deze speelruimte hun evenwel niet de mogelijkheid om genoemd beginsel opzij te zetten in andere gevallen als die waarvoor richtlijn 2003/54 in uitzonderingen of ontheffingen voorziet.
56 Een bepaling als § 110, lid 1, punt 1, EnWG kan dus alleen maar verenigbaar zijn met richtlijn 2003/54 in de hypothese dat zij binnen de werkingssfeer van deze uitzonderingen of ontheffingen valt.
57 In de eerste plaats bepaalt artikel 20, lid 2, van richtlijn 2003/54 dat een distributiesysteembeheerder de toegang tot zijn systeem kan weigeren wanneer hij niet over de nodige capaciteit beschikt, onder voorbehoud dat hij deze weigering met redenen omkleedt. Deze mogelijkheid om de toegang tot het systeem te weigeren wordt evenwel in elk concreet geval beoordeeld en staat de lidstaten niet toe om op algemene wijze in deze ontheffingen te voorzien, zonder dat voor iedere beheerder concreet wordt beoordeeld of het systeem technisch al dan niet in staat is om te voldoen aan een verzoek tot toegang van derden.
58 In de tweede plaats biedt artikel 3, lid 8, van richtlijn 2003/54 de lidstaten de mogelijkheid om de bepalingen van artikel 20 ervan niet toe te passen, wanneer deze toepassing zou verhinderen dat de elektriciteitsbedrijven de hun in het algemeen economisch belang opgelegde verplichtingen naleven en mits de ontwikkeling van het handelsverkeer niet wordt beïnvloed in een mate die strijdig is met de belangen van de Gemeenschap.
59 Artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 2003/54 verwijst immers naar de openbaredienstverplichtingen die de lidstaten de elektriciteitsbedrijven in het algemeen economisch belang kunnen opleggen. Uit punt 26 van de considerans van deze richtlijn blijkt dat de voorschriften inzake openbaredienstverlening op nationale basis worden geïnterpreteerd.
60 Uit artikel 3, lid 8, van richtlijn 2003/54 vloeit voort dat de lidstaten kunnen besluiten de toegang van derden tot de transmissie- en distributiesystemen te beperken, om zo de verrichting van een publieke elektriciteitsdienst te verzekeren. Hiertoe moeten de lidstaten evenwel nagaan, enerzijds, of het recht op onbeperkte toegang tot de systemen zou verhinderen dat de systeembeheerders hun openbaredienstverplichtingen naleven en, anderzijds, of genoemde verplichtingen niet kunnen worden nageleefd met andere middelen die niet afdoen aan het recht op toegang tot de systemen, dat een van de door richtlijn 2003/54 vastgelegde rechten is.
61 De in § 110, lid 1, punt 1, EnWG opgenomen ontheffing van het beginsel van vrije toegang tot de energievoorzieningssystemen is niet gerechtvaardigd door het risico dat beheerders van binnen de werkingssfeer van genoemde bepaling vallende systemen zich wegens deze vrije toegang niet langer hun openbaredienstverplichtingen zouden kunnen naleven. Deze ontheffing is immers alleen gerechtvaardigd door de geografische of juridische vorm van de zone waarin genoemde systemen worden geëxploiteerd. Evenmin beweert de Duitse regering dat de Duitse Bondsrepubliek § 110, lid 1, punt 1, EnWG heeft vastgesteld om uitvoering te geven aan artikel 3, lid 8, van richtlijn 2003/54.
62 In de derde plaats bepaalt artikel 26, lid 1, van genoemde richtlijn dat de lidstaten die kunnen aantonen dat zich wezenlijke beheersproblemen voordoen voor hun kleine geïsoleerde systemen, om ontheffingen kunnen vragen van een aantal bepalingen van richtlijn 2003/54, onder meer van artikel 20.
63 Voor deze ontheffingen is evenwel de instemming van de Commissie vereist, in de vorm van een besluit dat in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. Dergelijke ontheffingen werden toegekend aan de Republiek Cyprus bij besluit van 25 september 2006 (PB L 270, blz. 72) en aan de Republiek Malta bij besluit van 28 november 2006 (PB L 332, blz. 32). Vastgesteld moet worden dat de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie niet om enige ontheffing krachtens artikel 26, lid 1, van richtlijn 2003/54 heeft gevraagd en deze evenmin heeft gekregen.
64 Hieruit vloeit voort dat een bepaling als § 110, lid 1, punt 1, EnWG niet valt binnen de werkingssfeer van enige in richtlijn 2003/54 opgenomen uitzondering op of ontheffing van het beginsel van vrije toegang tot de transmissie- en distributiesystemen voor elektriciteit.
65 Uit een en ander volgt dat artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54 aldus dient te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling als § 110, lid 1, punt 1, EnWG, die bepaalde beheerders van energievoorzieningssystemen vrijstelt van de verplichting om derden vrije toegang tot deze systemen te verlenen, op grond dat zij zich bevinden in een bedrijvenpark dat een functioneel geheel vormt, en overwegend voor het transport van energie binnen de eigen onderneming of naar verbonden ondernemingen dienen.
Kosten
66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 20, lid 1, van richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG dient aldus te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling als § 110, lid 1, punt 1, van de wet inzake de elektriciteits- en gasvoorziening, de zogenoemde „wet rationeel energiegebruik” [Gesetz über die Elektrizitäts- und Gasversorgung (Energiewirtschaftsgesetz)], van 7 juli 2005, die bepaalde beheerders van energievoorzieningssystemen vrijstelt van de verplichting om derden vrije toegang tot deze systemen te verlenen, op grond dat zij zich bevinden in een bedrijvenpark dat een functioneel geheel vormt, en overwegend voor het transport van energie binnen de eigen onderneming of naar verbonden ondernemingen dienen.
ondertekeningen