Het recht om duurzaam verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat bezit:
-
de werknemer die, op het tijdstip dat hij zijn werkzaamheid staakt, de leeftijd heeft bereikt waarop overeenkomstig de wetgeving van die staat aanspraak op ouderdomspensioen kan worden gemaakt en die ten minste gedurende de twaalf voorafgaande maanden in dat land een betrekking heeft vervuld en aldaar meer dan drie jaren voortdurend heeft gewoond;
-
de werknemer die sedert meer dan twee jaren voortdurend op het grondgebied van die lidstaat woont en aldaar als gevolg van een blijvende arbeidsongeschiktheid ophoudt een betrekking te vervullen.
[…]
-
de werknemer die, nadat hij op het grondgebied van die lidstaat drie jaren bij voortduring heeft gewerkt en gewoond, een betrekking in loondienst vervult op het grondgebied van een andere lidstaat, maar woonachtig blijft op het grondgebied van de eerste staat, waarheen hij in beginsel dagelijks of ten minste éénmaal per week terugkeert.