Home

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 11 juni 2015

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 11 juni 2015

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
11 juni 2015

Uitspraak

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 11 juni 2015 –

Banco Bilbao Vizcaya Argentaria

(Zaak C‑602/13)1(1)

"Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 93/13/EEG - Contractuele betrekking tussen een handelaar en een consument - Hypotheekovereenkomst - Beding inzake vertragingsrente - Beding inzake vervroegde aflossing - Procedure van hypothecair beslag - Matiging van de rente - Bevoegdheden van de nationale rechter"

1. Bescherming van de consumentOneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenRichtlijn 93/13Vaststelling van het oneerlijke karakter van een bedingDraagwijdteHerziening van de inhoud van een oneerlijk beding door de nationale rechterOntoelaatbaarheidVervanging, door de nationale rechter, van een oneerlijk beding door een nationale bepaling van aanvullend rechtToelaatbaarheidVoorwaarden (Richtlijn 93/13 van de Raad, vierentwintigste overweging en art. 6, lid 1, en 7, lid 1) (cf. punten 33‑38, 49)

2. Bescherming van de consumentOneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenRichtlijn 93/13Vaststelling van het oneerlijke karakter van een bedingDraagwijdteProcedure van hypothecair beslagNationale regeling die voorziet in matiging van de vertragingsrente in het kader van een overeenkomst van hypothecaire leningToelaatbaarheidVoorwaarden (Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 3, lid 1, 4, lid 1, 6, lid 1, en 7, lid 1) (cf. punten 40‑42, 45, 46, dictum 1)

3. Bescherming van de consumentOneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenRichtlijn 93/13Oneerlijk beding in de zin van artikel 3Beoordeling van het oneerlijke karakter door de nationale rechterCriteria (Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 3, lid 1, en 4, lid 1) (cf. punten 43, 44, 51)

4. Bescherming van de consumentOneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenRichtlijn 93/13Vaststelling van het oneerlijke karakter van een bedingDraagwijdteVerplichting voor de nationale rechter om ambtshalve alle uit die vaststelling voortvloeiende consequenties te trekkenOneerlijk beding dat niet is uitgevoerdGeen invloed (Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 3, lid 1, en 7, lid 1) (cf. punten 52‑54, dictum 2)

Dictum

1) De artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen die voorzien in matiging van de vertragingsrente in het kader van een overeenkomst van hypothecaire lening, voor zover die nationale bepalingen:

  • niet vooruitlopen op het oordeel van de nationale rechter bij wie een procedure van hypothecaire executie van deze overeenkomst aanhangig is, over het „oneerlijke” karakter van het beding inzake vertragingsrente, en

  • niet eraan in de weg staan dat deze rechter dat beding buiten toepassing laat indien hij tot de conclusie komt dat het „oneerlijk” is in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn.

2) Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer de nationale rechter heeft vastgesteld dat een beding in een tussen een consument en een handelaar gesloten overeenkomst „oneerlijk” is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, de omstandigheid dat dit beding niet is uitgevoerd, op zichzelf niet eraan in de weg staat dat de nationale rechter alle consequenties trekt uit het „oneerlijke” karakter van dat beding.