„[De] bepalingen [van richtlijn 93/13] zijn van toepassing op alle overeenkomsten die na 31 december 1994 worden gesloten.”
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 3 juli 2014
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 3 juli 2014
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 3 juli 2014
Uitspraak
Beschikking van het Hof (Zesde kamer)
3 juli 2014(*)
"Prejudiciële verwijzing - Richtlijnen 93/13/EEG en 2008/48/EG - Toepassing ratione temporis en ratione materiae - Feiten daterend van vóór toetreding van Roemenië tot de Europese Unie - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Ten uitvoer brengen van Unierecht - Geen - Kennelijke onbevoegdheid - Artikelen 49 VWEU en 56 VWEU - Kennelijke niet-ontvankelijkheid"
In zaak C‑92/14,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Judecătoria Câmpulung (Roemenië) bij beslissing van 25 februari 2014, ingekomen bij het Hof op 5 maart 2014, in de procedure
Liliana Tudoran,
Florin Iulian Tudoran,
Ilie Tudoran
tegenSC Suport Colect SRL,
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, kamerpresident, E. Levits (rapporteur) en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU, van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), van de artikelen 3 en 10 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29), en van een aantal bepalingen van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133, blz. 66).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding van Liliana Tudoran, Florin Iulian Tudoran en Ilie Tudoran tegen SC Suport Colect SRL (hierna: „Suport Colect”) over de wijze waarop een schuld wordt ingevorderd die voortvloeit uit een kredietovereenkomst die is gesloten voor de verwerving van een onroerend goed en waaraan een hypotheek is verbonden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 10, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 93/13 bepaalt:
4 Artikel 2, lid 2, van richtlijn 2008/48 luidt als volgt:
„Deze richtlijn is niet van toepassing op:
kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of door een in een lidstaat gebruikelijke andere vergelijkbare zekerheid op een onroerend goed, of gewaarborgd worden door een recht op een onroerend goed;
kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw;
[...]”
Roemeens recht
5 Artikel 372 van het Roemeense wetboek burgerlijke rechtsvordering bepaalt:
„De gedwongen tenuitvoerlegging kan enkel plaatsvinden krachtens een rechterlijke uitspraak of een ander document dat volgens de wet een executoriale titel vormt.”
6 Artikel 379, lid 1, van dat wetboek luidt:
„Tenuitvoerlegging op roerende of onroerende goederen kan alleen plaatsvinden indien de schuldvordering zeker, liquide en opeisbaar is.”
7 Artikel 399 van het wetboek rechtsvordering bepaalt:
„Personen die belang hebben bij of schade hebben geleden door de tenuitvoerlegging kunnen opkomen tegen de gedwongen tenuitvoerlegging alsmede tegen alle tenuitvoerleggingshandelingen.”
8 In artikel 120 van wetsdecreet nr. 99 van 6 december 2006 inzake kredietinstellingen en kapitaaltoereikendheid (Monitorul Oficial al României, nr. 1027; hierna: „wetsdecreet nr. 99”) is bepaald:
„Door een kredietinstelling gesloten kredietovereenkomsten, daaronder begrepen overeenkomsten tot zakelijke of persoonlijke zekerheden, vormen executoriale titels.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 Op 5 oktober 2006 hebben verzoekers in het hoofdgeding met de Banca Comercială Română een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van 17 200 EUR voor de aankoop van een in Câmpulung (Roemenië) gelegen onroerend goed.
10 In die overeenkomst is bepaald dat de rentevoet gedurende het eerste jaar van de kredietverstrekking vast is. Daarna is dat de variabele rentevoet die wordt berekend op basis van een in de zetel van de bank aangeplakte rentevoet, vermeerderd met de variabele die wordt aangeduid als „schuldendienst van de kredietnemer”, die de capaciteit van de lener vertegenwoordigt om de aflossingen van de lening te doen, uitgedrukt in het aantal dagen vertraging bij de betaling vanaf de vervaldag.
11 Voorts voorziet die overeenkomst in een verhoging van de rentevoet tijdens de overeenkomst op basis van de capaciteit van de lener om de lening af te lossen. De herziene rentevoet wordt aldus verhoogd naar gelang van de mate van betalingsachterstand.
12 Op 11 oktober 2006 hebben Florin Iulian Tudoran en Liliana Tudoran bij diezelfde bank een categorie 1 hypotheek op het verworven onroerende goed gevestigd ter waarborging van de uit de kredietovereenkomst van 5 oktober 2006 voortvloeiende betalingsverplichtingen.
13 Op 12 mei 2009 heeft de bank verzoekers in het hoofdgeding een kennisgeving gezonden wegens de niet-nakoming van hun contractverplichtingen daar zij bepaalde aflossingen van de lening niet hadden gedaan. Van hen werd gevorderd dat zij binnen 7 dagen na die kennisgeving 233,91 EUR zouden betalen. Indien dat bedrag niet zou worden betaald, zou het volledige restant van de lening opeisbaar worden en zou de bank overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging.
14 De schuldvordering op verzoekers in het hoofdgeding is twee keer achter elkaar overgedragen. In laatste instantie is zij bij een cessieovereenkomst van 5 augustus 2009 overgedragen aan Suport Colect.
15 Op 18 mei 2012 heeft Suport Colect tegen verzoekers in het hoofdgeding een procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging ingeleid.
16 Op 15 maart 2013 heeft een door Suport Colect in de arm genomen gerechtsdeurwaarder op basis van de door verzoekers in het hoofdgeding gesloten en door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomst een betalingsbevel uitgevaardigd teneinde 16 980,75 EUR in te vorderen.
17 Dat bevel heeft als grondslag gediend voor de tenuitvoerleggingshandelingen bestaande in een loonbeslag en een beslag op het betrokken onroerende goed.
18 Op 13 juni 2013 hebben verzoekers in het hoofdgeding beroep ingesteld bij de Judecătoria Câmpulung om zich tegen alle tenuitvoerleggingshandelingen te verzetten. Zij vorderen nietigverklaring van die handelingen en van het betalingsbevel.
19 Ten gronde betogen verzoekers in het hoofdgeding dat de tenuitvoerlegging is gebaseerd op een schuldvordering die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 379, lid 1, van het wetboek burgerlijke rechtsvordering, daar deze niet zeker, liquide en opeisbaar is. Zo zou geen uitleg zijn gegeven over de exacte omvang van de bedragen waaruit die schuldvordering bestaat.
20 Na een boekhoudkundig onderzoek te hebben gelast om de exacte omvang van de schuldvordering vast te stellen, is bij de verwijzende rechter de vraag gerezen of de bedingen betreffende de bepaling van de rentevoeten, zoals deze zijn opgenomen in de kredietovereenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is, verenigbaar zijn met de richtlijnen 93/13 en 2003/48 en of artikel 120 van wetsdecreet nr. 99 verenigbaar is met de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU alsmede met artikel 47 van het Handvest.
21 Daarop heeft de Judecătoria Câmpulung de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Zijn de [richtlijnen 93/13 en 2008/48] ook van toepassing op een kredietovereenkomst die is gesloten op 5 oktober 2006, vóór de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie, maar waarvan de gevolgen tot op heden doorwerken, aangezien de bepalingen ervan op dit moment ten uitvoer worden gelegd na opeenvolgende overdrachten van de uit die overeenkomst voortvloeiende schuldvordering?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kunnen bedingen zoals die inzake de ‚schuldendienst van de kredietnemer’ die betrekking heeft op het bestaan van een betaalachterstand van de schuldenaar en die inzake de verhoging van de rentevoet na verloop van een jaar, waarna de rentevoet de variabele referentierentevoet van de Banca Comercială Română is, die is aangeplakt in de zetel van de bank, verhoogd met 1,90 [procentpunten], worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van richtlijn [93/13]?
Verzet het door artikel 47 van het Handvest [...] gewaarborgde beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, zich tegen een bepaling van nationaal recht als artikel 120 van wetsdecreet nr. 99 [...], krachtens hetwelk als executoriale titel wordt erkend een overeenkomst inzake een banklening die onderhands is gesloten en niet voorziet in de mogelijkheid voor de schuldenaar om te onderhandelen over de bedingen van die overeenkomst en op grond waarvan de gerechtsdeurwaarder na een summier onderzoek en na het verkrijgen van toestemming voor de gedwongen tenuitvoerlegging in het kader van een niet-contentieuze procedure die de rechter beperkte mogelijkheden biedt om de omvang van de schuldvordering te beoordelen, kan overgaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging op de goederen van de schuldenaar?
Moet richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn zich verzet tegen een regeling van een lidstaat als artikel 372 e.v. van het voormalige wetboek van burgerlijke rechtsvordering, die de schuldeiser toestaat de tenuitvoerlegging te vorderen van een verbintenis die volgt uit oneerlijke bedingen in een overeenkomst door, ondanks verzet van de consument, zonder beoordeling van de contractuele bedingen door een onafhankelijke rechter over te gaan tot tenuitvoerlegging op een als zekerheid gesteld goed door verkoop van het onroerende goed?
Is het bestaan in het nationale recht van een bepaling als artikel 120 van wetsdecreet nr. 99 [...], waarbij een overeenkomst inzake een bankkrediet als executoriale titel wordt erkend, in strijd met de in artikel 49 VWEU vervatte vrijheid van vestiging, alsmede met het in artikel [56] VWEU vervatte vrij verrichten van diensten, aangezien het de burgers van de Unie ervan weerhoudt zich te vestigen in een staat waarin aan een door een particuliere instelling met een bank gesloten overeenkomst dezelfde waarde wordt toegekend als aan een executoriale titel die uit een rechterlijke beslissing volgt?
Indien de vorige vragen bevestigend worden beantwoord, kan de nationale rechter dan ambtshalve de niet-executoriale aard opwerpen van een dergelijke titel op grond waarvan wordt overgegaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van een uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende schuldvordering?”
Procesverloop bij het Hof
22 De verwijzende rechter verzoekt in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing om toepassing van de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
23 Overeenkomstig artikel 53, lid 2, van dat reglement kan het Hof echter, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een zaak of wanneer een verzoek of een verzoekschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, te allen tijde, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.
24 Daar in casu toepassing dient te worden gegeven aan deze bepaling, hoeft niet te worden beslist op het verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste prejudiciële vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de richtlijnen 93/13 en 2008/48 in die zin moeten worden uitgelegd dat de bepalingen ervan van toepassing zijn op een overeenkomst betreffende een onroerend goed die is gesloten vóór de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie, maar die tot op heden nog effect sorteert, en in wezen of het Hof bevoegd is om de tweede en de vierde vraag te beantwoorden.
26 Wat in de eerste plaats richtlijn 93/13 betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst is gesloten op 5 oktober 2006 en dat de hypotheek ter waarborging daarvan op 11 oktober van dat jaar is gevestigd, dat wil zeggen vóór 1 januari 2007, datum waarop Roemenië is toegetreden tot de Unie.
27 Ten eerste is het Hof bevoegd om het Unierecht uit te leggen alleen wat de toepassing daarvan in een nieuwe lidstaat vanaf de datum van diens toetreding tot de Unie betreft (beschikking Pohotovosť, C‑153/13, EU:C:2014:264 , punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Daar, ten tweede, uit artikel 10, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 93/13 volgt dat zij uitsluitend van toepassing is op overeenkomsten die zijn gesloten na 31 december 1994, datum waarop de termijn voor omzetting van de richtlijn verstreek, moet rekening worden gehouden met de datum van de sluiting van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst om te bepalen of deze richtlijn van toepassing is op die overeenkomst, daar het tijdvak waarin die overeenkomst gevolgen teweeg brengt niet ter zake doet.
29 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst is gesloten op 5 oktober 2006, en daaraan een op 11 oktober 2006 gevestigde hypotheek is verbonden, moet dus worden vastgesteld dat richtlijn 93/13 niet van toepassing is op het hoofdgeding.
30 Wat in de tweede plaats richtlijn 2008/48 betreft, kan worden volstaan met vast te stellen dat krachtens artikel 2, lid 2, sub a en b, daarvan van haar werkingssfeer zijn uitgesloten kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek en kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende een bestaand of gepland gebouw.
31 Daar uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst bestemd is voor de verkrijging van een onroerend goed en wordt gewaarborgd door een hypotheek, is richtlijn 2008/48 niet van toepassing op de feiten van het hoofdgeding.
32 Bijgevolg is noch richtlijn 93/13 noch richtlijn 2008/48 van toepassing op het hoofdgeding.
Tweede en vierde prejudiciële vraag
33 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de tweede en de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Vijfde prejudiciële vraag
34 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een overeenkomst inzake een banklening als executoriale titel wordt aangemerkt.
35 Het staat aan het Hof om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, de omstandigheden te onderzoeken waaronder de nationale rechter zich tot het Hof heeft gewend (zie in die zin arresten Volker und Markus Schecke en Eifert, C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662 , punt 39, en Susisalo e.a., C‑84/11, EU:C:2012:374 , punt 16).
36 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het Hof niet bevoegd is op een prejudiciële vraag te antwoorden wanneer duidelijk is dat de Unierechtelijke bepaling waarvan het Hof om uitlegging wordt gevraagd, geen toepassing kan vinden (arrest Caixa d’Estalvis i Pensions de Barcelona, C‑139/12, EU:C:2014:174 , punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Wat de regels van het Unierecht betreft waarvan om uitlegging wordt verzocht, moet erop worden gewezen dat de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal niet van toepassing zijn op een situatie waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat voordoen (zie in die zin, met betrekking tot de vrijheid van vestiging, arrest Commissie/Frankrijk, C‑389/05, EU:C:2008:411 , punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en, met betrekking tot het vrij verrichten van diensten, arrest Omalet, C‑245/09, EU:C:2010:808 , punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 In bepaalde omstandigheden staat het zuiver interne karakter van de betrokken situatie er echter niet aan in de weg dat het Hof een krachtens artikel 267 VWEU gestelde vraag beantwoordt.
39 Dat kan met name het geval zijn wanneer het nationale recht de verwijzende rechter voorschrijft een burger van zijn lidstaat dezelfde rechten toe te kennen als een burger van een andere lidstaat in dezelfde situatie aan het Unierecht zou ontlenen (zie in die zin arresten Guimont, C‑448/98, EU:C:2000:663 , punt 23; Servizi Ausiliari Dottori Commercialisti, C‑451/03, EU:C:2006:208 , punt 29, en Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, EU:C:2006:758 , punt 30), of wanneer het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft op bepalingen van het Unierecht waarnaar het nationale recht van een lidstaat verwijst ter bepaling van de voorschriften die in een zuiver interne situatie van die staat van toepassing zijn (zie in die zin met name arresten Dzodzi, C‑297/88 en C‑197/89, EU:C:1990:360 , punt 36; Poseidon Chartering, C‑3/04, EU:C:2006:176 , punt 15, en Romeo, C‑313/12, EU:C:2013:718 , punt 21).
40 In casu moet worden vastgesteld dat alle feiten en omstandigheden van het hoofdgeding zich voordoen binnen één lidstaat, aangezien dat geding betrekking heeft op de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging van een schuldvordering die is ontstaan uit een tussen Roemeense onderdanen en een Roemeense bank gesloten kredietovereenkomst waaraan een hypothecaire waarborg is verbonden, welke procedure is ingeleid door de Roemeense vennootschap die deze schuldvordering bezit.
41 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter niet dat de verwijzende rechter krachtens het nationale recht gehouden is partijen in het hoofdgeding een behandeling te waarborgen die is afgestemd op die welke krachtens het Unierecht toekomt aan een in dezelfde situatie verkerende marktdeelnemer uit een andere lidstaat. Evenmin blijkt dat de verwijzende rechter de inhoud van het in casu toepasselijke nationale recht moet bepalen aan de hand van de uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen.
42 Daar de verwijzingsbeslissing klaarblijkelijk geen concrete gegevens bevat waarmee een verband kan worden aangetoond tussen de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU en de nationale wettelijke regeling die van toepassing is in de situatie van het hoofdgeding, waarvan alle aspecten zich binnen de betrokken lidstaat voordoen, volgt uit het voorgaande dat de vijfde vraag niet-ontvankelijk is.
Derde prejudiciële vraag
43 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het beginsel van rechterlijke bescherming van de door het Unierecht aan de justitiabelen toegekende rechten, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest, in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationaal voorschrift als artikel 120 van wetsdecreet nr. 99, waarin is bepaald dat een door een kredietinstelling gesloten kredietovereenkomst een executoriale titel vormt.
44 Wat de vereisten betreft die voortvloeien uit de bescherming van de grondrechten, is het vaste rechtspraak dat die vereisten de lidstaten binden in alle gevallen waarin zij het recht van de Unie moeten toepassen (zie beschikkingen Asparuhov Estov e.a., C‑339/10, EU:C:2010:680 , punt 13, en Chartry, C‑457/09, EU:C:2011:101 , punt 22).
45 Zo bepaalt ook artikel 51, lid 1, van het Handvest dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten gericht zijn uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Artikel 6, lid 1, VEU en artikel 51, lid 2, van het Handvest preciseren dat de in de Verdragen vastgelegde bevoegdheden van de Unie op generlei wijze door de bepalingen van het Handvest worden verruimd.
46 Ten eerste volgt uit de punten 32 en 42 van de onderhavige beschikking dat noch de richtlijnen 93/13 en 2008/48 noch de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU van toepassing zijn op het hoofdgeding.
47 Ten tweede bevat de verwijzingsbeslissing geen enkel concreet gegeven op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het hoofdgeding, vanwege het voorwerp ervan, kan aanknopen aan andere bepalingen van het Unierecht of dat het betrekking heeft op een nationale regeling waarmee het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
48 Bijgevolg is het Hof kennelijk onbevoegd om de derde vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden.
49 Zonder dat de zesde vraag hoeft te worden behandeld, volgt uit een en ander, ten eerste, dat het Hof ingevolge artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kennelijk onbevoegd is om de derde prejudiciële vraag te beantwoorden en, ten tweede, dat de vijfde vraag kennelijk niet-ontvankelijk is.
Kosten
50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad zijn niet van toepassing op het hoofdgeding.
Voorts is het Hof van Justitie van de Europese Unie kennelijk onbevoegd om de derde prejudiciële vraag die de Judecătoria Câmpulung (Roemenië) bij beslissing van 25 februari 2014 heeft gesteld, te beantwoorden en is de vijfde door die rechter gestelde prejudiciële vraag kennelijk niet-ontvankelijk.
ondertekeningen