Home

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 19 november 2015

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 19 november 2015

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
19 november 2015

Uitspraak

Beschikking van het Hof (Zesde kamer)

19 november 2015(*)

"Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Bescherming van de consument - Richtlijn 93/13/EEG - Artikelen 1, lid 1, en 2, onder b) - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Borgtochtovereenkomst en hypotheekovereenkomst die zijn gesloten tussen een kredietinstelling en natuurlijke personen die handelen voor doeleinden die buiten hun bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen en die geen functionele band hebben met de vennootschap waarvoor zij zekerheid stellen"

In zaak C‑74/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curtea de Apel Oradea (hof van beroep te Oradea, Roemenië) bij beslissing van 5 februari 2015, ingekomen bij het Hof op 18 februari 2015, in de procedure

Dumitru Tarcău,

Ileana Tarcău

tegen

Banca Comercială Intesa Sanpaolo România SA e.a.,

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, waarnemend kamerpresident, M. Berger (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • D. en I. Tarcău, vertegenwoordigd door C. Herţa, avocat,

  • Banca Comercială Intesa Sanpaolo România SA e.a., vertegenwoordigd door L. Bercea, avocat,

  • de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. H. Radu, R. I. Haţieganu en A.‑G. Văcaru als gemachtigden,

  • de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

  • de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

  • de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Gheorghiu en D. Roussanov als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen,

de navolgende

Beschikking

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, lid 1, en 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen D. en I. Tarcău en Banca Comercială Intesa Sanpaolo România SA e.a. over een hypotheekovereenkomst en een borgtochtovereenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De negende en de tiende overweging van richtlijn 93/13 luiden als volgt:

„[...] kopers van goederen of dienstenontvangers moeten worden beschermd tegen misbruik van de machtspositie van de verkoper respectievelijk de dienstverrichter, in het bijzonder tegen toetredingsovereenkomsten en de oneerlijke uitsluiting van rechten in overeenkomsten;

[...] door het vaststellen van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen [kan] een doeltreffender bescherming van de consument [...] worden bewerkstelligd; [...] deze voorschriften [moeten] van toepassing [...] zijn op alle overeenkomsten tussen verkopers en consumenten; [...] bijgevolg [zijn] met name van deze richtlijn [...] uitgesloten arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten betreffende erfrechten, overeenkomsten met betrekking tot de gezinssituatie en overeenkomsten met betrekking tot de oprichting en de statuten van vennootschappen”.

4 In artikel 1, lid 1, van deze richtlijn is bepaald:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

5 In artikel 2 van de richtlijn worden de begrippen „consument” en „verkoper” als volgt gedefinieerd:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

  1. consument: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen;

  2. verkoper: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.”

Roemeens recht

6 Legea nr. 193/2000 privind clauzele abuzive din contractele încheiate între comercianţi şi consumatori (wet nr. 193/2000 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen handelaars en consumenten), zoals opnieuw bekendgemaakt (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 305, van 18 april 2008), strekt tot omzetting van richtlijn 93/13 in nationaal recht.

7 Artikel 1, lid 1, van die wet luidt:

„Elke overeenkomst tussen handelaars en consumenten betreffende de verkoop van goederen of het verrichten van diensten moet contractuele bedingen bevatten die duidelijk en ondubbelzinnig zijn en geen specifieke kennis vereisen om te worden begrepen.”

8 Artikel 2, lid 1, van die wet bepaalt het volgende:

„Onder ‚consument’ wordt verstaan iedere natuurlijke persoon of vereniging van natuurlijke personen die op grond van een binnen de werkingssfeer van deze wet vallende overeenkomst handelt voor doeleinden buiten zijn industriële activiteit, handels- of productieactiviteit, artisanale activiteit of activiteit in het kader van een vrij beroep.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9 Op 24 oktober 2008 is een kredietovereenkomst gesloten tussen Banca Comercială Intesa Sanpaolo România SA (hierna: „Sanpaolo”) als kredietverlener en SC Crisco SRL (hierna: „Crisco”), een als kredietnemer optredende vennootschap. Crisco werd vertegenwoordigd door C. Tarcău, in zijn hoedanigheid van enig vennoot en bedrijfsleider.

10 Op verzoek van hun zoon, C. Tarcău, die een verhoging van de aan Crisco verleende kredietlijn wenste te verkrijgen, hebben D. en I. Tarcău op 7 augustus 2009 een aanvullende overeenkomst bij de kredietovereenkomst tussen die vennootschap en Sanpaolo gesloten. In die aanvullende overeenkomst waren de voornaamste bedingen van de aanvankelijke kredietovereenkomst overgenomen en werden de reeds bij het sluiten van die overeenkomst gestelde zekerheden aangevuld met twee nieuwe, door D. en I. Tarcău gestelde zekerheden.

11 De nieuwe zekerheden, die ertoe strekten de terugbetaling van het aan Crisco verleende krediet te waarborgen, zijn door D. en I. Tarcău gesteld in de vorm van een hypotheekovereenkomst, gedateerd op 7 augustus 2009, waarbij zij ten gunste van Sanpaolo een hypotheek hebben gevestigd op een onroerende zaak waarvan zij eigenaar zijn, en in de vorm van een borgtochtovereenkomst, die eveneens op 7 augustus 2009 was gedateerd, waarbij zij zich borg hebben gesteld voor de betaling van alle bedragen die Crisco verschuldigd was in het kader van de uitvoering van de kredietovereenkomst.

12 D. en I. Tarcău hebben verklaard dat zij er slechts mee hebben ingestemd het aan Crisco verleende krediet te garanderen omdat hun zoon enig vennoot en bedrijfsleider van die vennootschap was.

13 Van mening dat zij hadden gehandeld als consumenten en dat de bepalingen van wet nr. 193/2000 op hen van toepassing waren, hebben D. en I. Tarcău voor het Tribunalul Satu Mare (rechtbank te Satu Mare) de nietigverklaring gevorderd van de aanvullende overeenkomst van 7 augustus 2009, de hypotheekovereenkomst en de borgtochtovereenkomst, of, subsidiair, de nietigverklaring van een aantal van de bedingen van die overeenkomsten die volgens hen oneerlijk zijn.

14 Bij vonnis van 8 mei 2014 heeft het Tribunalul Satu Mare die vordering afgewezen omdat wet nr. 193/2000 volgens artikel 1, lid 1, ervan alleen van toepassing is op overeenkomsten die de verkoop van een goed aan of de verrichting van een dienst ten behoeve van een consument betreffen, aan welke voorwaarde niet is voldaan in het hoofdgeding aangezien de kredietnemer de vennootschap Crisco is. Voornoemde rechterlijke instantie was tevens van oordeel dat het feit dat de hypotheekovereenkomst en de borgtochtovereenkomst accessoir zijn aan de kredietovereenkomst het evenmin mogelijk maakt hen onder de werkingssfeer van wet nr. 193/2000 te brengen, aangezien de kredietnemer een vennootschap is die niet de hoedanigheid van consument heeft.

15 D. en I. Tarcău hebben tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

16 Daarop heeft de Curtea de Apel Oradea besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

  • Moet de omschrijving van ‚consument’ in artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat daaronder ook natuurlijke personen vallen die in hoedanigheid van borg aanvullende akten hebben getekend en overeenkomsten (borgtocht of hypotheek op onroerende zaken) hebben gesloten die accessoir zijn aan de kredietovereenkomst die een vennootschap heeft gesloten voor de uitoefening van haar activiteit, wanneer deze natuurlijke personen geen enkele band hebben met de activiteit van de vennootschap en niet hebben gehandeld in de uitoefening van hun bedrijfs- of beroepsactiviteit?

  • Moet artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat alleen overeenkomsten tussen handelaren en consumenten over de verkoop van goederen of de verrichting van diensten binnen de werkingssfeer ervan vallen of ook overeenkomsten (zekerheidstelling, borgtocht) die accessoir zijn aan een kredietovereenkomst met een vennootschap als kredietnemer, gesloten door natuurlijke personen die geen enkele band hebben met de activiteit van de vennootschap en niet hebben gehandeld in de uitoefening van hun bedrijfs- of beroepsactiviteit?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

17 Overeenkomstig artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer over het antwoord op een prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.

18 Deze bepaling dient in het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing te worden toegepast.

19 Met zijn vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1, lid 1, en 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing kan zijn op een hypotheek- of borgtochtovereenkomst die tussen een natuurlijke persoon en een kredietinstelling is gesloten ter waarborging van de verplichtingen die een vennootschap in een kredietovereenkomst jegens die instelling is aangegaan, wanneer die natuurlijke persoon met die vennootschap geen enkele bedrijfs- of beroepsmatige band heeft.

20 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat die richtlijn blijkens de artikelen 1, lid 1, en 3, lid 1, ervan betrekking heeft op in „overeenkomsten tussen een verkoper en een consument” opgenomen bedingen „waarover niet afzonderlijk is onderhandeld” (zie arrest Šiba, C‑537/13, EU:C:2015:14, punt 19 ).

21 Volgens de tiende overweging van richtlijn 93/13 moeten de eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen van toepassing zijn op „alle overeenkomsten” tussen verkopers en consumenten, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder b) en c), van die richtlijn (zie arresten Asbeek Brusse en De Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 29 , en Šiba, C‑537/13, EU:C:2015:14, punt 20 ).

22 Het voorwerp van de overeenkomst is bijgevolg, onder voorbehoud van de in de tiende overweging van richtlijn 93/13 vermelde uitzonderingen, irrelevant voor de vaststelling van de werkingssfeer van deze richtlijn. Op dit punt wijkt die richtlijn af van met name richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48), die slechts van toepassing is op overeenkomsten waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent, hetgeen het Hof ertoe heeft gebracht de borgtochtovereenkomst uit te sluiten van de werkingssfeer van die laatste richtlijn (arrest Berliner Kindl Brauerei, C‑208/98, EU:C:2000:152, punten 17‑23 ).

23 Richtlijn 93/13 bepaalt de overeenkomsten waarop zij van toepassing is dus aan de hand van de hoedanigheid van de contractpartijen, naargelang zij al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen (zie arresten Asbeek Brusse en De Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 30 , en Šiba, C‑537/13, EU:C:2015:14, punt 21 ).

24 Dit criterium strookt met de gedachte waarop het beschermingsstelsel van deze richtlijn berust, namelijk dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper tevoren opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (zie arresten Asbeek Brusse en De Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 31 , en Šiba, C‑537/13, EU:C:2015:14, punt 22 ).

25 Die bescherming is bijzonder belangrijk in geval van een overeenkomst tot zekerheidsstelling of een borgtochtovereenkomst tussen een bank en een consument. Een dergelijke overeenkomst is immers gebaseerd op een persoonlijke verbintenis van de verstrekker van de zekerheid of de borg om de door een derde aangegane schuld te betalen. Die verbintenis brengt voor degene die haar aangaat zware verplichtingen mee die tot gevolg hebben dat een vaak moeilijk meetbaar financieel risico rust op zijn eigen vermogen.

26 Wat de vraag betreft of een natuurlijke persoon die er zich toe verbindt de verplichtingen te waarborgen die een vennootschap in een kredietovereenkomst jegens die een bankinstelling is aangegaan, kan worden beschouwd als een „consument” in de zin artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13, moet worden opgemerkt dat een dergelijke overeenkomst tot zekerheidsstelling of borgtochtovereenkomst, wat het voorwerp ervan betreft weliswaar kan worden omschreven als een overeenkomst die accessoir is aan de hoofdovereenkomst die aanleiding heeft gegeven tot de door hem gewaarborgde schuld [zie, in de context van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31), het arrest Dietzinger, C‑45/96, EU:C:1998:111, punt 18 ], maar vanuit het oogpunt van de contractpartijen een afzonderlijke overeenkomst vormt aangezien zij wordt gesloten tussen andere personen dan de partijen bij de hoofdovereenkomst. Bijgevolg dient met betrekking tot de partijen bij de overeenkomst tot zekerheidsstelling of de borgtochtovereenkomst te worden beoordeeld in welke hoedanigheid zij hebben gehandeld.

27 In dat verband zij eraan herinnerd dat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 een objectief begrip is (zie arrest Costea, C‑110/14, EU:C:2015:538, punt 21 ). Dit begrip moet aan de hand van een functioneel criterium worden beoordeeld, namelijk of de betrokken contractuele band deel uitmaakt van activiteiten die niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf.

28 Het staat aan de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over een overeenkomst die binnen de werkingssfeer van die richtlijn kan vallen, om, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en met alle bewijselementen, na te gaan of de betrokken contractant kan worden aangemerkt als „consument” in de zin van die richtlijn (zie in die zin arrest Costea, C‑110/14, EU:C:2015:538, punten 22 en 23 ).

29 In het geval van een natuurlijke persoon die de nakoming van de verplichtingen van een vennootschap heeft gewaarborgd, staat het bijgevolg aan de nationale rechter om vast te stellen of die persoon heeft gehandeld in het kader van zijn beroeps- of bedrijfsactiviteit of op grond van functionele banden die hij met die vennootschap heeft, zoals het beheer daarvan of een niet onaanzienlijke deelneming in het maatschappelijk kapitaal ervan, dan wel heeft gehandeld voor privédoeleinden.

30 In die omstandigheden moet op de vragen worden geantwoord dat de artikelen 1, lid 1, en 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing kan zijn op een hypotheek- of borgtochtovereenkomst die tussen een natuurlijke persoon en een kredietinstelling is gesloten ter waarborging van de verplichtingen die een vennootschap in een kredietovereenkomst jegens die instelling is aangegaan, wanneer die natuurlijke persoon heeft gehandeld voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen en geen functionele band heeft met die vennootschap.

Kosten

31 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 1, lid 1, en 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing kan zijn op een hypotheek- of borgtochtovereenkomst die tussen een natuurlijke persoon en een kredietinstelling is gesloten ter waarborging van de verplichtingen die een vennootschap in een kredietovereenkomst jegens die instelling is aangegaan, wanneer die natuurlijke persoon heeft gehandeld voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen en geen functionele band heeft met die vennootschap.

ondertekeningen