Home

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 4 oktober 2018

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 4 oktober 2018

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
4 oktober 2018

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vijfde kamer)

4 oktober 2018(*)

"„Richtlijn 2007/64/EG - Betalingsdiensten in de interne markt - Begrip ,betaalrekening’ - Eventuele toepasselijkheid op een spaarrekening waarop respectievelijk waarvan de gebruiker geld kan storten of opnemen via een op zijn naam geopende rekening-courant”"

In zaak C‑191/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 28 maart 2017, ingekomen bij het Hof op 13 april 2017, in de procedure

Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte

tegen

ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG,

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet, M. Berger en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • de Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte, vertegenwoordigd door W. Reichholf, Rechtsanwalt,

    • ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG, vertegenwoordigd door A. Zahradnik, Rechtsanwalt,

    • de Duitse regering, vertegenwoordigd door D. Klebs en T. Henze als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe en T. Scharf als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juni 2018,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1; hierna: „richtlijn betalingsdiensten”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte (federale kamer voor arbeiders en andere werknemers), die de bevoegdheid heeft om in rechte op te treden met het oog op de verdediging van de belangen van consumenten, en ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG (hierna: „ING-DiBa Direktbank Austria”) over de rechtmatigheid van de algemene voorwaarden in de door deze bank aangeboden overeenkomsten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn betalingsdiensten

3 Volgens artikel 2, lid 1, van de richtlijn betalingsdiensten is „[d]eze richtlijn […] van toepassing op betalingsdiensten uitgevoerd in de Gemeenschap”.

4 In artikel 4 van dezelfde richtlijn is bepaald:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

  1. ,betalingsdienst’: elke bedrijfswerkzaamheid als vermeld in de bijlage;

[…]

  1. ,betalingstransactie’: een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;

[…]

  1. ,betaalrekening’: op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;

[…]”

5 In de bijlage bij de richtlijn betalingsdiensten worden onder meer als „betalingsdienst” aangemerkt:

  • Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn.

  • Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder:

    • uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

    • uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

    • uitvoering van overmakingen, met inbegrip van automatische betalingsopdrachten.”

Richtlijn betaalrekeningen

6 In overweging 12 van richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB 2014, L 257, blz. 214; hierna: „richtlijn betaalrekeningen”) staat te lezen:

  • „De bepaling van deze richtlijn betreffende de vergelijkbaarheid van de vergoedingen en het overstappen naar een andere betaalrekening moet van toepassing zijn op alle betalingsdienstaanbieders als omschreven in [de richtlijn betalingsdiensten]. […] Alle bepalingen van deze richtlijn dienen betrekking te hebben op betaalrekeningen waarmee consumenten de volgende transacties kunnen uitvoeren: geldmiddelen storten, contanten opnemen en betalingstransacties van derden ontvangen en naar derden uitvoeren, daaronder begrepen de uitvoering van overmakingen. […] Rekeningen zoals spaarrekeningen […] zijn in beginsel van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten. Worden deze rekeningen echter gebruikt voor alledaagse betalingstransacties en hebben zij alle bovengenoemde functies, dan vallen zij wel onder deze richtlijn. […]”

  • 7 Overweging 14 van deze richtlijn is als volgt verwoord:

  • „De in deze richtlijn vervatte definities dienen zo veel mogelijk afgestemd te zijn op die welke zijn opgenomen in andere wetgeving van de Unie, en met name die van [de richtlijn betalingsdiensten] […].”

  • 8 Artikel 1, lid 6, van de richtlijn betaalrekeningen bepaalt:

    „Deze richtlijn is van toepassing op betaalrekeningen waarmee consumenten ten minste:

    1. geldmiddelen op een betaalrekening kunnen plaatsen;

    2. contanten van een betaalrekening kunnen opnemen;

    3. betalingstransacties, met inbegrip van overmakingen van en naar derden, kunnen ontvangen, respectievelijk uitvoeren.

    […]”

    9 In artikel 2 van deze richtlijn is bepaald:

    „Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

    […]

    1. ,betaalrekening’: een op naam van één of meer consumenten aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;

    […]”

    Oostenrijks recht

    10 In § 3 van het Zahlungsdienstegesetz (wet betalingsdiensten) (BGBl. I, nr. 66/2009; hierna: „ZaDiG”) staat te lezen:

    „Voor de toepassing van deze federale wet wordt verstaan onder:

    […]

    5.

    ,betalingstransactie’: een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;

    6.

    ,betalingssysteem’: geldovermakingssysteem met formele en gestandaardiseerde regelingen en gemeenschappelijke regels voor de verwerking, clearing of afwikkeling van betalingstransacties;

    7.

    ,betaler’: hetzij een persoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat dan wel daartoe opdracht geeft, hetzij bij ontstentenis van een betaalrekening, een persoon die een betalingsopdracht geeft;

    8.

    ,begunstigde’: persoon die de beoogde uiteindelijke ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;

    […]

    10.

    ,betalingsdienstgebruiker’: persoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt;

    11.

    ,consument’: een natuurlijke persoon die, in betalingsdienstcontracten welke onder deze federale wet vallen, voor doeleinden buiten zijn bedrijfs‑ of beroepswerkzaamheden handelt;

    […]

    13.

    ,betaalrekening’: op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt”.

    11 In § 31 van het Bankwesengesetz (wet betreffende het bankwezen) (BGBl., nr. 532/1993) in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, nr. 118/2016, is bepaald:

    „(1)

    Spaardeposito’s zijn bij kredietinstellingen in bewaring gegeven geldbedragen die niet zijn bestemd voor het betalingsverkeer, maar als belegging zijn bedoeld en als zodanig enkel in ontvangst mogen worden genomen tegen afgifte van bijzondere certificaten (spaarcertificaten). […]”

    Hoofdgeding en prejudiciële vraag

    12 ING-DiBa Direktbank Austria biedt onlinespaarrekeningen aan waarop respectievelijk waarvan haar klanten via telebanking geld kunnen storten of opnemen. Deze overmakingen moeten steeds worden uitgevoerd via op naam van die klanten geopende tussenrekeningen. Deze tussenrekeningen zijn rekeningen-courant die de betrokken klanten ook bij een andere bank dan ING-DiBa Direktbank Austria mogen aanhouden. De verwijzende rechter preciseert dat voor de overmakingen van of naar de onlinespaarrekeningen geen beroep hoeft te worden gedaan op een betalingsdienstaanbieder.

    13 De tegoeden op deze onlinespaarrekeningen zijn dadelijk beschikbaar, met andere woorden de klanten kunnen te allen tijde over de op deze rekeningen gestorte bedragen beschikken zonder negatieve gevolgen voor de ontvangen rente.

    14 Het hoofdgeding heeft betrekking op de bedingen in de algemene voorwaarden die worden gebruikt in de overeenkomsten van ING-DiBa Direktbank Austria. Volgens de federale kamer voor arbeiders en andere werknemers zijn sommige van deze bedingen onrechtmatig omdat zij in strijd zijn met het ZaDiG, waarbij de richtlijn betalingsdiensten in het nationale recht is omgezet.

    15 De verwijzende rechter, het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), is van oordeel dat hij eerst de kwestie van de toepasselijkheid van het ZaDiG moet behandelen om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van die bedingen. In dit verband moet deze rechter bepalen of onlinespaarrekeningen zoals die welke door ING-DiBa Direktbank Austria worden aangeboden, moeten worden aangemerkt als „betaalrekeningen” in de zin van de richtlijn betalingsdiensten, zodat zij binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen.

    16 De verwijzende rechter wijst er met name op dat een dergelijke rekening niet van de werkingssfeer van die richtlijn kan worden uitgesloten op basis van het enkele feit dat zij „spaarrekening” wordt genoemd. Hij vraagt zich evenwel af of onlinespaarrekeningen – gelet op het gebruik waarvoor zij bestemd zijn, namelijk de storting van spaargeld – kunnen worden geacht te dienen voor betalingsverkeer.

    17 In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

    „Dient artikel 4, punt 14, van [de richtlijn betalingsdiensten] aldus te worden uitgelegd dat ook een onlinespaarrekening waarop respectievelijk waarvan de betrokken klant – dadelijk en zonder specifieke medewerking van de bank – via telebanking geld kan storten en opnemen vanaf een op zijn naam aangehouden tussenrekening, te weten een in Oostenrijk geopende rekening-courant, een ,betaalrekening’ in de zin van die bepaling is en bijgevolg binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt?”

    Beantwoording van de prejudiciële vraag

    18 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, punt 14, van de richtlijn betalingsdiensten aldus moet worden uitgelegd dat een spaarrekening waarbij de mogelijkheid wordt geboden dadelijk over de gestorte bedragen te beschikken en waarop respectievelijk waarvan uitsluitend geld gestort en opgenomen kan worden via een rekening-courant, die „tussenrekening” wordt genoemd, onder het begrip „betaalrekening” valt.

    19 Vooraf zij erop gewezen dat bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet enkel rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arresten van 2 september 2015, Surmačs, C‑127/14, EU:C:2015:522, punt 28 , en  16 november 2016, DHL Express (Austria), C‑2/15, EU:C:2016:880, punt 19 ].

    20 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 4, punt 14, van de richtlijn betalingsdiensten een betaalrekening definieert als een „op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt”.

    21 Een betalingstransactie wordt in artikel 4, punt 5, van die richtlijn omschreven als „een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn”.

    22 In artikel 4, punt 3, van de richtlijn betalingsdiensten wordt een betalingsdienst gedefinieerd als „elke bedrijfswerkzaamheid als vermeld in de bijlage” bij die richtlijn. In punt 2 van deze bijlage staat namelijk te lezen dat „diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn” betalingsdiensten zijn. Volgens punt 3 van die bijlage valt onder het begrip „betalingsdiensten” ook de uitvoering van betalingstransacties – daaronder begrepen geldovermakingen – op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder, hetgeen zich mede uitstrekt tot de uitvoering van automatische debiteringen, van betalingstransacties via een betaalkaart en van overmakingen.

    23 Zoals de advocaat-generaal in de punten 28, 30 en 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan louter op basis van de bewoordingen van die bepalingen niet worden vastgesteld of het begrip „betaalrekening” ook ziet op rekeningen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarbij de uitvoering van een betalingstransactie een tussenstap vereist die behelst dat geldmiddelen worden overgeboekt tussen de spaarrekening en de rekening-courant van de gebruiker.

    24 Gelet op deze vaststelling dient in de tweede plaats de wettelijke context van de richtlijn betalingsdiensten te worden onderzocht.

    25 Daarvoor is het met name van belang de richtlijn betaalrekeningen in aanmerking te nemen.

    26 Hoewel deze richtlijn niet rechtstreeks toepasselijk is op het hoofdgeding, moet zij volgens overweging 12 ervan worden toegepast op alle betalingsdienstaanbieders in zin van de richtlijn betalingsdiensten. Tevens wordt in overweging 14 van de richtlijn betaalrekeningen gepreciseerd dat de in deze richtlijn vervatte definities zo veel mogelijk afgestemd dienen te zijn op die welke zijn opgenomen in andere wetgeving van de Unie, en met name die van de richtlijn betalingsdiensten.

    27 Wat het begrip „betaalrekening” betreft, dient allereerst te worden opgemerkt dat de definitie in artikel 2, punt 3, van de richtlijn betaalrekeningen vrijwel identiek is aan de definitie in artikel 4, punt 14, van de richtlijn betalingsdiensten. Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wijst het enige verschil tussen beide definities – te weten dat in de eerstgenoemde definitie de uitdrukking „consument” wordt gebruikt, terwijl in de laatstgenoemde definitie de uitdrukking „betalingsdienstgebruiker” wordt gebezigd – niet op een wezenlijk onderscheid met betrekking tot de definitie van het genoemde begrip, maar is dat verschil veeleer het gevolg van het feit dat de twee richtlijnen in kwestie een verschillend onderwerp hebben.

    28 Voorts zij beklemtoond dat in overweging 12 van de richtlijn betaalrekeningen onder meer staat te lezen dat spaarrekeningen van de werkingssfeer van die richtlijn zijn uitgesloten omdat het geen betaalrekeningen zijn, tenzij zij kunnen worden gebruikt voor alledaagse betalingstransacties.

    29 Hoewel spaarrekeningen in beginsel niet onder de definitie van het begrip „betaalrekening” vallen, is deze uitsluiting dus niet absoluut. Uit bovengenoemde overweging 12 volgt immers dat het enkele feit dat een rekening „spaarrekening” wordt genoemd, onvoldoende is om een rekening niet aan te merken als „betaalrekening”, en dat het beslissende criterium voor de kwalificatie als „betaalrekening” wordt gevormd door de mogelijkheid om alledaagse betalingstransacties te verrichten vanaf de betreffende rekening.

    30 In dit verband moet artikel 1, lid 6, van de richtlijn betaalrekeningen in aanmerking worden genomen. Daarin is bepaald dat deze richtlijn van toepassing is op betaalrekeningen waarmee consumenten ten minste geldmiddelen op een betaalrekening kunnen plaatsen, contanten van een betaalrekening kunnen opnemen en betalingstransacties – daaronder begrepen overmakingen van en naar derden – kunnen ontvangen respectievelijk uitvoeren.

    31 Hieruit volgt dat de mogelijkheid om vanaf een rekening betalingstransacties van en naar derden te kunnen ontvangen respectievelijk uitvoeren een wezenlijk bestanddeel van het begrip „betaalrekening” vormt.

    32 Indien dergelijke betalingstransacties niet rechtstreeks kunnen worden uitgevoerd vanaf de rekening in kwestie, maar enkel kunnen worden verricht via een tussenrekening, kan die rekening dan ook niet worden aangemerkt als een „betaalrekening” in de zin van de richtlijn betaalrekeningen en dus in zin van de richtlijn betalingsdiensten.

    33 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4, punt 14, van de richtlijn betalingsdiensten aldus moet worden uitgelegd dat een spaarrekening waarbij de mogelijkheid wordt geboden dadelijk over de gestorte bedragen te beschikken en waarop respectievelijk waarvan uitsluitend geld gestort en opgenomen kan worden via een rekening-courant, niet onder het begrip „betaalrekening” valt.

    Kosten

    34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

    Artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG moet aldus worden uitgelegd dat een spaarrekening waarbij de mogelijkheid wordt geboden dadelijk over de gestorte bedragen te beschikken en waarop respectievelijk waarvan uitsluitend geld gestort en opgenomen kan worden via een rekening-courant, niet onder het begrip „betaalrekening” valt.

    ondertekeningen