Home

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juni 2019

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juni 2019

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 juni 2019

Uitspraak

Arrest van het Hof (Derde kamer)

13 juni 2019(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Sociaal beleid - Richtlijn 2001/23/EG - Werkingssfeer - Overgang van een deel van een onderneming - Behoud van de rechten van de werknemers - Begrip overgang - Begrip ,economische eenheid’ - Overdracht van een deel van de economische activiteiten van een moedermaatschappij aan een nieuw opgerichte dochteronderneming - Identiteit - Autonomie - Voortzetting van een economische activiteit - Criterium van de duurzaamheid van de voortzetting van de economische activiteit - Beroep op productiefactoren van derden - Voornemen om de overgegane eenheid te vereffenen”"

In zaak C‑664/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Areios Pagos (hoogste rechterlijke instantie, Griekenland) bij beslissing van 8 november 2017, ingekomen bij het Hof op 27 november 2017, in de procedure

Ellinika Nafpigeia AE

tegen

Panagiotis Anagnostopoulos e.a.,

in tegenwoordigheid van:

Syllogos Ergazomenon Nafpigeion Skaramagka, I TRIAINA,

Panellinia Omospondia Ergatoÿpallilon Metallou (POEM),

Geniki Synomospondia Ergaton Ellados (GSEE),

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský (rapporteur), C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 november 2018,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Ellinika Nafpigeia AE, vertegenwoordigd door S. Andriopoulos en D. Zerdelis, dikigoroi,

    • P. Anagnostopoulos en 89 andere werknemers, Syllogos Ergazomenon Nafpigeion Skaramagka, I TRIAINA en Panellinia Omospondia Ergatoÿpallilon Metallou (POEM), vertegenwoordigd door V. Pittas, dikigoros,

    • D. Karampinis, vertegenwoordigd door M. Michalopoulos, dikigoros,

    • K. Priovolos en K. Kostopoulos, vertegenwoordigd door A. Tzellis, dikigoros,

    • Geniki Synomospondia Ergaton Ellados (GSEE), vertegenwoordigd door S. Kazakou, dikigoros,

    • de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Charitaki, S. Papaioannou en E.‑M. Mamouna als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis en M. Kellerbauer als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 februari 2019,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 2001, L 82, blz. 16).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Ellinika Nafpigeia AE enerzijds en Panagiotis Anagnostopoulos en 89 andere werknemers (hierna: „betrokken werknemers”) anderzijds, betreffende de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten die aanvankelijk tussen deze partijen waren gesloten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Bij richtlijn 2001/23, die in werking is getreden op 11 april 2001, is overgegaan tot de codificatie van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 1977, L 61, blz. 26), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 (PB 1998, L 201, blz. 88). Aangezien alle relevante gebeurtenissen inzake de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overgang hebben plaatsgevonden na 11 april 2001, is richtlijn 2001/23 ratione temporis toepasselijk op het hoofdgeding.

4 In de overwegingen 3 en 8 van richtlijn 2001/23 staat te lezen:

  • „(3) Voorzieningen zijn nodig om de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen.

  • [...]

  • (8) Het begrip overgang moet ter wille van de rechtszekerheid en de juridische transparantie verduidelijkt worden in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Een dergelijke verduidelijking vormt geen wijziging van de werkingssfeer van richtlijn 77/187/EEG zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.”

  • 5 Artikel 1, lid 1, onder a) en b), van genoemde richtlijn bepaalt:

    • Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.

    • Onder voorbehoud van het bepaalde onder a) en van de hiernavolgende bepalingen van dit artikel wordt in deze richtlijn als overgang beschouwd, de overgang, met het oog op voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt, waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt verstaan.”

    6 Artikel 2, lid 1, onder a) en b), van die richtlijn luidt als volgt:

    „In deze richtlijn wordt verstaan onder:

    1. vervreemder, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel van de onderneming of vestiging verliest;

    2. verkrijger, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel van de onderneming of vestiging verkrijgt.”

    7 In artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2001/23 is het volgende bepaald:

    „De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan door deze overgang op de verkrijger over.”

    8 Artikel 4, leden 1 en 2, van die richtlijn luidt:

    „1.

    De overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen.

    [...]

    2.

    Indien de arbeidsovereenkomst of de arbeidsbetrekking wordt verbroken omdat de overgang een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer ten gevolge heeft, wordt de arbeidsovereenkomst of de arbeidsbetrekking geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever.”

    9 Artikel 5, lid 1, van die richtlijn luidt:

    „Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de artikelen 3 en 4 niet van toepassing op een overgang van een onderneming, vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (die een door een overheidsinstantie gemachtigde curator mag zijn).”

    Grieks recht

    10 Volgens artikel 2, lid 1, onder a) en c), van de Proedrikó Diátagma 178/2002: Métra schetiká me tin prostasía ton dikaiomáton ton ergazoménon se períptosi metavívasis epicheiríseon, enkatastáseon í tmimáton enkatastáseon í epicheiríseon, se symmórfosi pros tin Odigía 98/50/EK tou Symvoulíou (presidentieel decreet 178/2002: Maatregelen met betrekking tot de bescherming van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen of van ondernemingen, in overeenstemming met richtlijn 98/50/EG) (FEK A’ 162/12.7.2002; hierna: „presidentieel decreet 178/2002”), zijn de bepalingen ervan van toepassing op elke overeengekomen of wettelijke overgang of fusie van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, die leidt tot een verandering van werkgever en betrekking kan hebben op publiek- of privaatrechtelijke lichamen die al dan niet met winstoogmerk economische activiteiten uitoefenen.

    11 In artikel 2, lid 1, onder b), van dit decreet wordt het begrip „overgang” gedefinieerd als de overgang, met het oog op voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt, waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt verstaan.

    12 In artikel 3, lid 1, onder a) en b), van dat decreet worden „vervreemder” en „verkrijger” respectievelijk omschreven als iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in voornoemde zin de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel van de onderneming of vestiging verliest, en als iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een dergelijke overgang de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel van de onderneming of vestiging verkrijgt.

    13 Volgens artikel 4, lid 1, eerste alinea, van presidentieel decreet 178/2002 gaan alle bestaande rechten en verplichtingen die de vervreemder heeft op grond van een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, op het tijdstip van de overgang over op de verkrijger.

    14 In artikel 4, lid 1, tweede alinea, van dit decreet is vastgelegd dat de vervreemder na de overgang tezamen met de verkrijger hoofdelijk en volledig aansprakelijk blijft voor de verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst of ‑verhouding, tot het tijdstip waarop de verkrijger zijn functie gaat vervullen.

    15 Uit artikel 4, lid 2, van dat decreet vloeit voort dat de verkrijger ook na de overgang de arbeidsvoorwaarden handhaaft die reeds vastlagen in een collectieve arbeidsovereenkomst, een arbitrale uitspraak, een regeling of een individuele arbeidsovereenkomst.

    16 Volgens artikel 5, lid 1, eerste alinea, van presidentieel decreet 178/2002 vormt de overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel van een onderneming op zich geen reden voor ontslag van de werknemers. Artikel 5, lid 1, tweede alinea, van dit decreet bepaalt echter dat alle ontslagen die om economische, technische of organisatorische redenen noodzakelijk blijken en waarbij personeelswijzigingen worden doorgevoerd, geoorloofd zijn, mits de ontslagbepalingen daarbij in acht worden genomen. Wel is in artikel 5, lid 2, van het decreet vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst of -verhouding moet worden geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever als de arbeidsovereenkomst of -verhouding wordt beëindigd doordat de overgang een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemers met zich meebrengt.

    17 Volgens artikel 6, lid 1, van presidentieel decreet 178/2002 zijn de gevolgen van een overgang, zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5 ervan, niet van toepassing wanneer de verkrijger is verwikkeld in een faillissementsprocedure of een andere, soortgelijke procedure.

    Hoofdgeding en prejudiciële vragen

    18 Ongeveer 30 jaar geleden werden de betrokken werknemers op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd door Ellinika Nafpigeia in dienst genomen om te werken in te Skaramangas (Griekenland) gevestigde vestigingen van deze onderneming.

    19 Die onderneming was sinds 1985 een overheidsbedrijf dat in 2002 is geprivatiseerd en waarbij werd vastgelegd dat het personeelsbestand niet mocht worden afgebouwd, tot 30 september 2008.

    20 Ten tijde van haar privatisering had Ellinika Nafpigeia vier activiteiten, namelijk de bouw van oorlogs- en handelsschepen, de reparatie van schepen, de bouw en reparatie van onderzeeboten en de bouw en reparatie van treinstellen. Deze activiteiten waren ondergebracht in vier „directies”, respectievelijk de directie oppervlakteschepen, de directie reparaties, de directie onderzeeboten en de directie rollend materieel. Naast deze directies omvatte de organisatiestructuur van Ellinika Nafpigeia ook vier „productieafdelingen”, namelijk een installatie voor plaatwerk, een installatie voor de vervaardiging van buizen, een timmerwerkplaats en een bewerkingscentrum. De bijdrage van deze „productieafdelingen” was onmisbaar voor de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van ieder van de hierboven genoemde, in directies ondergebrachte activiteiten.

    21 Kort na haar privatisering heeft Ellinika Nafpigeia een dochteronderneming in de sector van het rollend materieel opgericht, namelijk Etaireia Trochaiou Ylikou Ellados ΑΕ (hierna: „ΕΤΥΕ”), teneinde hieraan de lopende programmaovereenkomsten inzake de bouw en levering van treinstellen van verschillende typen over te dragen. Volgens de verwijzingsbeslissing hebben Ellinika Nafpigeia en ETYE op 28 september 2006 diverse overeenkomsten gesloten om het mogelijk te maken dat de „directie rollend materieel” van Ellinika Nafpigeia vanaf 1 oktober 2006 in het kader van een autonome onderneming haar werkzaamheden zou kunnen uitoefenen onder de naam ETYE.

    22 Deze overeenkomsten hadden onder meer betrekking op de handelshuur inzake een stuk land van Ellinika Nafpigeia, de verkoop en levering van roerende goederen door Ellinika Nafpigeia aan ETYE, de verlening van diensten van administratieve aard door Ellinika Nafpigeia aan ETYE en de toewijzing door Ellinika Nafpigeia aan ETYE van de uitvoering van lopende werkzaamheden zoals vastgelegd in drie programmaovereenkomsten.

    23 In de loop van 2007 hebben Ellinika Nafpigeia en ETYE andere overeenkomsten gesloten over onder meer het lenen van personeel van ETYE aan Ellinika Nafpigeia, de toewijzing door Ellinika Nafpigeia aan ETYE van de uitvoering van lopende werkzaamheden in het kader van een programmaovereenkomst, alsmede het verlenen van diensten door ETYE aan Ellinika Nafpigeia.

    24 Op 28 september 2007 hebben Ellinika Nafpigeia en ETYE een kaderovereenkomst gesloten die voorzag in de liquidatie van deze laatste op 30 september 2008. Bovendien werd overeengekomen dat Ellinika Nafpigeia alle liquidatiekosten op zich zou nemen tot een bedrag dat gelijk is aan de geraamde kosten voor het ontslag van de 160 werknemers van ETYE. De voorgenomen liquidatiedatum werd evenwel uitgesteld na een wijziging van de kaderovereenkomst op 10 september 2008.

    25 Op 1 oktober 2007 kwamen alle aandelen van ETYE in het bezit van INTEI Industriebeteiligungsgesellschaft mbH (ΙΝΤΕΙ) en Industriegesellschaft Waggonbau Ammendorf mbH (IGWA), een groep van Duitse vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.

    26 Bij mededeling van 8 oktober 2007 werden de betrokken werknemers op de hoogte gebracht van de overgang van ETYE aan deze vennootschapsgroep. Op 13 mei 2008 werd een collectieve arbeidsovereenkomst voor de onderneming gesloten over de belonings- en arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers van ETYE.

    27 In 2010 werd ETYE failliet verklaard door de Polymeles Protodikeio Athinon (rechter in eerste aanleg Athene, Griekenland).

    28 De betrokken werknemers hebben op 1 juni 2009 beroep ingesteld bij de Monomeles Protodikeio Athinon (alleensprekende rechter in eerste aanleg Athene, Griekenland) waarbij zij deze hebben verzocht vast te stellen dat zij nog steeds een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hadden met Ellinika Nafpigeia, dat Ellinika Nafpigeia verplicht was aan hen het wettelijk loon te betalen zolang hun arbeidsovereenkomsten bleven bestaan en dat Ellinika Nafpigeia verplicht was alle werknemers de wettelijke ontslagvergoedingen te betalen indien de arbeidsovereenkomsten werden opgezegd.

    29 Nadat de aangezochte rechter dat beroep had toegewezen, heeft Ellinika Nafpigeia hoger beroep ingesteld bij de Efeteio Athinon (rechter in tweede aanleg Athene, Griekenland). Deze rechter heeft het in eerste aanleg gewezen vonnis bekrachtigd, waarbij hij met name heeft geoordeelde dat ETYE nooit een autonome organisatorische eenheid had gevormd. In de eerste plaats heeft die rechter vastgesteld dat ETYE geen autonome productie-eenheid vormde, aangezien voor de productie en reparatie van rollend materieel de bijdrage van alle vier de productieafdelingen van Ellinika Nafpigeia noodzakelijk was, en dat het bouwen en repareren van treinmaterieel door ETYE onmogelijk zou zijn als Ellinika Nafpigeia zou stoppen met haar activiteiten. In de tweede plaats had ETYE geen eigen administratieve ondersteuning aangezien dit was uitbesteed aan Ellinika Nafpigeia, en in de derde plaats beschikte zij niet over financiële autonomie aangezien Ellinika Nafpigeia verder moest zorgen voor het financiële beheer. De Efeteio Athinon leidde hieruit af dat er geen sprake was van een overgang van een onderneming, vestiging of onderdelen van een vestiging, en dat Ellinika Nafpigeia bijgevolg de werkgever van de betrokken werknemers bleef.

    30 Ellinika Nafpigeia heeft op 29 augustus 2013 cassatieberoep tegen die beslissing aangetekend bij de Areios Pagos (hoogste rechterlijke instantie, Griekenland). Binnen de rechtsprekende formatie die zich over de zaak moet uitspreken bestaat verdeeldheid over de strekking van het begrip „economische eenheid” in artikel 1 van richtlijn 2001/23.

    31 Volgens drie leden van de formatie had ETYE namelijk niet de mogelijkheid om de ondernemingsactiviteit waarmee zij was belast voort te zetten, aangezien zij voorafgaand aan de betrokken overgang niet beschikte over de materiële infrastructuur of noodzakelijke techniek, en aangezien de directie rollend materieel die naar haar lijkt te zijn overgegaan, niet kon functioneren zonder de ondersteuning van de productieafdelingen van Ellinika Nafpigeia, en van haar administratieve en financiële diensten. Dit standpunt zou steun vinden in de geringe omvang van de door ETYE verrichte werkzaamheden, die tot het faillissement heeft geleid. Het voorgaande onderbouwt bovendien het standpunt van de betrokken werknemers dat met de overgang in kwestie werd beoogd de activiteit van bouw en reparatie van treinstellen van Ellinika Nafpigeia stop te zetten en de daarmee verbonden arbeidsplaatsen te laten verdwijnen zonder dat zij de negatieve financiële consequenties daarvan zou moeten dragen.

    32 Twee leden van de rechtsprekende formatie die uitspraak moet doen, zijn echter van mening dat de overgegane eenheid zowel vóór als ná de overgang in kwestie voldoende autonoom was om haar economische activiteit uit te oefenen. De onderdelen die het begrip „economische eenheid” vormen, kunnen volgens hen bij de overgang van een minder omvangrijke eenheid immers minder strikt worden opgevat dan bij de overgang van een gehele onderneming of een hoofdactiviteit. Het feit dat de verkrijger door de vervreemder bij de uitoefening van de overgenomen activiteit als dochteronderneming is ondersteund, zou niet uitsluiten dat er sprake is van een overgang, aangezien bij de uitlegging van het begrip „overgang” rekening moet worden gehouden met de huidige vormen van „ondernemen”, met name door gebruikmaking van goederen en diensten van derden. Tot slot zou het voornemen van de vervreemder en de verkrijger om de onderneming te vereffenen, er niet op duiden dat er geen sprake is van een overgang, maar een element zijn op basis waarvan in voorkomend geval zou kunnen geconcludeerd dat het naar nationaal recht gaat om een eenzijdige wijziging van de voorwaarden van de overeenkomst, en dus van een opzegging van deze overeenkomst door de overdragende werkgever.

    33 Daarop heeft de Areios Pagos de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

    • Moet, opdat er sprake is van overgang van een onderneming, vestiging of een onderdeel van een vestiging of onderneming in de zin van artikel 1 van richtlijn [2001/23], als ,economische eenheid’ worden opgevat een volledig autonome productie-eenheid, die haar economisch doel kan behalen zonder voor de productiefactoren (grondstoffen, arbeidskrachten, apparatuur en machines, onderdelen van het eindproduct, ondersteunende diensten, financiële middelen en andere) een beroep te moeten doen op derden (door koop, lening, huur of op een andere wijze)? Of is daarentegen ook sprake van een ,economische eenheid’, indien het doel van de activiteit duidelijk te onderscheiden is, het concreet mogelijk is dat dit doel door de economische onderneming wordt nagestreefd en kan worden bereikt dankzij een doeltreffende organisatie van de productiefactoren (grondstoffen, machines en andere voorzieningen, arbeidskrachten, ondersteunende diensten), zonder dat van belang is of de nieuwe ondernemer externe productiefactoren heeft aangeschaft of in het concrete geval het doel niet heeft bereikt?

    • Is volgens artikel 1 van richtlijn [2001/23] uitgesloten dat er sprake is van een overgang indien de vervreemder of de verkrijger of beiden niet alleen het succesvol voortzetten van de activiteit door de nieuwe ondernemer beogen, maar ook de toekomstige beëindiging ervan met het oog op de liquidatie van de onderneming?”

    Beantwoording van de prejudiciële vragen

    34 Met zijn twee vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2001/23, met name artikel 1, lid 1, onder a) en b) ervan, aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op de overgang van een productie-eenheid indien de vervreemder of de verkrijger of beiden samen niet alleen het voortzetten door de verkrijger van de activiteit van de vervreemder beogen, maar tevens de toekomstige verdwijning van de verkrijger zelf in het kader van een liquidatie, en voorts de betrokken eenheid niet volledig autonoom is, aangezien zij niet de mogelijkheid heeft om haar economisch doel te bereiken zonder een beroep te doen op productiefactoren van derden.

    35 Allereerst dient erop te worden gewezen dat volgens artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/23 deze richtlijn van toepassing is op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.

    36 Naast voornoemde voorwaarden moet de overgang tevens voldoen aan de in artikel 1, lid 1, onder b), van deze richtlijn bepaalde voorwaarden, namelijk dat het, met het oog op voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, moet gaan om een economische eenheid die haar identiteit behoudt, waaronder wordt verstaan een geheel van georganiseerde middelen.

    37 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te verschaffen, dient eerst te worden geantwoord op de vraag of richtlijn 2001/23, met name artikel 1, lid 1, onder b), ervan, toepasselijk kan zijn in een situatie waarin de vervreemder of de verkrijger of beiden samen niet alleen het voortzetten van de activiteit van de overgegane eenheid beogen, maar tevens de toekomstige liquidatie van de verkrijger zelf. Slechts bij een bevestigend antwoord op deze vraag kan vervolgens antwoord worden gegeven op de vraag of een overgegane eenheid, zoals die in het hoofdgeding, onder artikel 1, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2001/23 kan vallen.

    38 Om te beginnen bepaalt artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2001/23 weliswaar dat de overgang moet plaatsvinden „met het oog op voortzetting van een [...] economische activiteit”, maar uit deze bewoordingen volgt niet dat deze voortzetting onbeperkt in de tijd moet zijn en evenmin dat de vervreemder of de verkrijger of beiden samen niet ook van plan zouden kunnen zijn om later, nadat de verkrijger de betrokken activiteit heeft voortgezet, deze laatste zelf te laten verdwijnen.

    39 Uit geen enkele bepaling van richtlijn 2001/23 volgt dus dat de Uniewetgever de toepasselijkheid van deze richtlijn afhankelijk heeft willen maken van het voortbestaan van de verkrijger na een welbepaalde termijn.

    40 Vervolgens moet worden benadrukt dat een uitlegging op grond waarvan een overgang als in het hoofdgeding van de werkingssfeer van richtlijn 2001/23 is uitgesloten, zou indruisen tegen het hoofddoel van deze richtlijn.

    41 Richtlijn 2001/23 heeft immers tot doel, ook bij verandering van eigenaar de continuïteit van de in het kader van een economische eenheid bestaande arbeidsbetrekkingen te waarborgen (arrest van 6 maart 2014, Amatori e.a., C‑458/12, EU:C:2014:124, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    42 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde overgang lijkt met name te hebben plaatsgevonden met het oog op de voortzetting van de economische activiteit door de nieuwe exploitant, zodat het voortbestaan van de door richtlijn 2001/23 gewaarborgde arbeidsbetrekkingen in casu moet worden gewaarborgd.

    43 Ten slotte vindt deze uitlegging steun in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, dat een element vormt van de context waarvan artikel 1, lid 1, onder b), van deze richtlijn deel uitmaakt.

    44 Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 bepaalt namelijk dat de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn in beginsel niet van toepassing zijn wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder.

    45 Hieruit volgt dat de door de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2001/23 aan de werknemers geboden bescherming alleen kan ophouden wanneer de vervreemder op het tijdstip van de overgang verwikkeld is in een dergelijke procedure.

    46 In het hoofdgeding staat vast dat de vervreemder niet verwikkeld is in een dergelijke procedure en dat de beëindiging van de overgegane economische activiteit slechts voor de toekomst wordt overwogen in het kader van de liquidatie van de verkrijger.

    47 Hieruit volgt dat de door de overgang getroffen werknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet de bescherming mag worden ontnomen die hun door de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2001/23 wordt geboden.

    48 Uit het voorgaande volgt dat richtlijn 2001/23, en met name artikel 1, lid 1, onder b), ervan, in beginsel toepassing kan vinden op een situatie waarin de vervreemder of de verkrijger of beiden samen niet alleen de voortzetting van de activiteiten van de overgegane eenheid door de verkrijger, maar ook de toekomstige liquidatie van de verkrijger zelf voor ogen hebben.

    49 Zoals blijkt uit punt 31 van het onderhavige arrest, lijkt de verwijzende rechter echter te betwijfelen of in de bij hem aanhangige zaak de overgang niet door de vervreemder, de verkrijger of beiden samen wordt misbruikt om hun werkelijke bedoeling te verbergen, die erin zou bestaan de liquidatie van de overgegane eenheid te vergemakkelijken zonder de financiële gevolgen ervan te hoeven dragen.

    50 In dit verband zij herinnerd aan het algemene Unierechtelijke beginsel volgens hetwelk de Unieregelgeving niet zo ruim mag worden toegepast dat zij transacties zou dekken die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a., C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16, EU:C:2019:134, punten 96 en 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    51 Hieruit volgt dat de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen moet worden geweigerd indien zij niet worden ingeroepen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze bepalingen, maar om een Unierechtelijk voordeel te verkrijgen terwijl slechts formeel voldaan is aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen op dit voordeel (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a., C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16, EU:C:2019:134, punt 98 ).

    52 Het staat aan het Hof om de verwijzende rechter nuttige aanwijzingen te verstrekken aan de hand waarvan hij kan nagaan of de vervreemder en de verkrijger het in punt 50 van dit arrest vermelde beginsel al dan niet naleven.

    53 In dit verband zij opgemerkt dat artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2001/23 voor de toepassing ervan weliswaar als voorwaarde stelt dat de economische activiteit van de overgegane eenheid na de overgang wordt voortgezet, maar dat de loutere voortzetting van die activiteit op zich niet tot de conclusie kan leiden dat is voldaan aan die voorwaarde.

    54 Het Hof heeft immers geoordeeld dat de overgang alleen onder richtlijn 2001/23 valt wanneer deze het de verkrijger mogelijk maakt de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming op duurzame wijze voort te zetten (zie in die zin arrest van 2 december 1999, Allen e.a., C‑234/98, EU:C:1999:594, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    55 Het door het Hof neergelegde duurzaamheidsvereiste moet aldus worden begrepen dat het verwijst naar een coherent geheel van verschillende productiefactoren, met name materiële of immateriële activa en het noodzakelijke personeel, dat de overgegane eenheid in staat stelt een economische activiteit voort te zetten (zie in die zin arrest van 19 september 1995, Rygaard, C‑48/94, EU:C:1995:290, punt 21 ).

    56 Een geheel van productiefactoren dat vanaf de overgang erop is gericht een onevenwichtigheid tussen de inputs en de outputs in de productie te doen ontstaan, en dat aldus de productie kan doen vastlopen en geleidelijk maar onvermijdelijk kan resulteren in de verdwijning van de overgegane activiteit, kan niet alleen niet worden geacht te voldoen aan het stabiliteitsvereiste, maar kan met name ook wijzen op een als misbruik aan te merken voornemen van de betrokken marktdeelnemers om te ontkomen aan de negatieve financiële gevolgen van de toekomstige liquidatie van de overgegane eenheid, die normaal gesproken ten laste van de vervreemder zouden moeten komen en die de verkrijger niet op zich kan nemen.

    57 Dit zou ook het geval kunnen zijn indien de activiteit van de overgegane eenheid beperkt is tot de uitvoering van welbepaalde overeenkomsten of programma’s, zonder dat binnen de onderneming van de verkrijger een georganiseerd geheel van factoren, zoals die welke in punt 55 van dit arrest zijn vermeld, wordt opgezet (zie in die zin arrest van 19 september 1995, Rygaard, C‑48/94, EU:C:1995:290, punten 20‑22 ).

    58 Het staat aan de verwijzende rechter om aan de hand van de voorgaande criteria na te gaan of de vervreemder en de verkrijger in een situatie als die in het hoofdgeding het in punt 50 van het onderhavige arrest genoemde algemene Unierechtelijke beginsel in acht nemen en bijgevolg in aanmerking komen voor de voordelen waarin richtlijn 2001/23 voorziet in geval van overgang van een onderneming.

    59 Ten tweede dient, zoals in punt 37 van het onderhavige arrest reeds is aangegeven, te worden onderzocht of artikel 1, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2001/23 van toepassing kan zijn op de overgang van een eenheid zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding.

    60 Om onder die richtlijn te kunnen vallen moet de overgang betrekking hebben op een deel van de vervreemdende onderneming dat een economische eenheid vormt, waaronder wordt verstaan een georganiseerd geheel van personen en vermogensbestanddelen waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend en dat voldoende gestructureerd en autonoom is (zie in die zin arrest van 13 september 2007, Jouini e.a., C‑458/05, EU:C:2007:512, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    61 Teneinde onder richtlijn 2001/23 te vallen, moet de betrokken eenheid eveneens haar identiteit behouden na de overgang (zie in die zin arrest van 12 februari 2009, Klarenberg, C‑466/07, EU:C:2009:85, punt 39 ).

    62 Voor zover de identiteit van een economische eenheid bestaat uit meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden elementen, zoals de personeelssamenstelling, de leiding, de taakverdeling, de bedrijfsvoering of, in voorkomend geval, de beschikbare productiemiddelen (arrest van 20 juli 2017, Piscarreta Ricardo, C‑416/16, EU:C:2017:574, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak), vereist deze identiteit noodzakelijkerwijs, naast andere kenmerken, een functionele autonomie.

    63 Aangezien de functionele autonomie van een dergelijke eenheid inherent is aan haar identiteit, moet zij dus, zoals artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2001/23 verlangt, behouden blijven na de overgang.

    64 Die autonomie hoeft overigens niet volledig te zijn. Artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/23 bepaalt immers uitdrukkelijk dat deze richtlijn niet alleen van toepassing is op de overgang van een onderneming, maar ook in geval van overgang van een onderdeel van een onderneming.

    65 Bijgevolg kan een productie-eenheid van een onderneming, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarvan de activiteiten vóór de overgang binnen deze onderneming werden uitgeoefend en waarvan de autonomie binnen deze onderneming bijgevolg beperkt was, niet zonder meer worden uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 2001/23.

    66 In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de overgegane productie-eenheid mogelijk niet in staat is haar economisch doel te bereiken zonder dat zij een beroep doet op productiefactoren van een derde.

    67 Terwijl de delen van een onderneming profijt kunnen trekken uit de autonomie van deze laatste als geheel, bestaat immers het gevaar dat de autonomie die deze delen nodig hebben in hun eigen betrekkingen met derden, ontbreekt.

    68 In een vergelijkbare situatie heeft het Hof inzonderheid geoordeeld dat een uitlegging van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2001/23 volgens welke deze richtlijn niet van toepassing is wanneer de materiële activa die nodig zijn voor de uitoefening van de overgegane activiteit, steeds eigendom zijn gebleven van de vervreemder, de richtlijn gedeeltelijk haar nuttig effect zou ontnemen (zie arrest van 7 augustus 2018, Colino Sigüenza, C‑472/16, EU:C:2018:646, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    69 Zoals uit punt 21 van het onderhavige arrest blijkt, is in casu echter een productie-eenheid zoals die in het hoofdgeding, bestaande uit de „directie rollend materieel” van Ellinika Nafpigeia, overgegaan naar ETYE, een dochteronderneming van Ellinika Nafpigeia, zodat deze eenheid niet langer kan worden geacht te beschikken over de autonomie van de moedermaatschappij. Het behoud van de autonomie van een afgesplitste eenheid als die in het hoofdgeding, veronderstelt dus dat zij na de overgang over voldoende waarborgen beschikt dat zij toegang heeft tot de productiefactoren van de betrokken derde, en zij dus niet afhankelijk is van de economische keuzen die deze derde eenzijdig maakt.

    70 Deze garanties kunnen in het bijzonder de vorm aannemen van contracten of overeenkomsten tussen de overgegane eenheid en de betrokken derde, waarin de precieze en dwingende voorwaarden worden vastgelegd waaronder toegang tot de productiefactoren van deze derde zal worden geboden.

    71 Het staat uiteindelijk aan de nationale rechter om, in het licht van de in de punten 69 en 70 van dit arrest genoemde elementen en rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden van de betrokken transactie, te verifiëren of de overgegane productie-eenheid over voldoende garanties beschikt die haar toegang tot de productiefactoren van derden verzekeren.

    72 In die omstandigheden moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat richtlijn 2001/23, met name artikel 1, lid 1, onder a) en b), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op de overgang van een productie-eenheid wanneer de vervreemder of de verkrijger of beiden samen niet alleen het voortzetten door de verkrijger van de activiteit van de vervreemder beogen, maar tevens de toekomstige verdwijning van de verkrijger zelf in het kader van een liquidatie, en voorts de betrokken eenheid niet volledig autonoom is aangezien zij niet de mogelijkheid heeft om haar economisch doel te bereiken zonder een beroep te doen op de productiefactoren van derden, mits, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan, ten eerste het algemene Unierechtelijke beginsel dat de vervreemder en de verkrijger niet mogen trachten op frauduleuze en onrechtmatige wijze de voordelen te verkrijgen die voor hen uit richtlijn 2001/23 zouden kunnen voortvloeien, in acht wordt genomen, en ten tweede de betrokken productie-eenheid over voldoende garanties beschikt dat zij toegang heeft tot de productiefactoren van een derde en zij dus niet afhankelijk is van de economische keuzen die deze derde eenzijdig maakt.

    Kosten

    73 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

    Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, met name artikel 1, lid 1, onder a) en b), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op de overgang van een productie-eenheid wanneer de vervreemder of de verkrijger of beiden samen niet alleen het voortzetten door de verkrijger van de activiteit van de vervreemder beogen, maar tevens de toekomstige verdwijning van de verkrijger zelf in het kader van een liquidatie, en voorts de betrokken eenheid niet volledig autonoom is aangezien zij niet de mogelijkheid heeft om haar economisch doel te bereiken zonder een beroep te doen op de productiefactoren van derden, mits, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan, ten eerste het algemene Unierechtelijke beginsel dat de vervreemder en de verkrijger niet mogen trachten op frauduleuze en onrechtmatige wijze de voordelen te verkrijgen die voor hen uit richtlijn 2001/23 zouden kunnen voortvloeien, in acht wordt genomen, en ten tweede de betrokken productie-eenheid over voldoende garanties beschikt dat zij toegang heeft tot de productiefactoren van een derde en zij dus niet afhankelijk is van de economische keuzen die deze derde eenzijdig maakt.

    ondertekeningen