Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 9 september 2021
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 9 september 2021
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 9 september 2021
Uitspraak
Arrest van het Hof (Tiende kamer)
9 september 2021(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 2003/88/EG - Organisatie van de arbeidstijd - Begrippen ‚arbeidstijd’ en ‚rusttijd’ - Arbeidspauze waarin een werknemer binnen twee minuten voor zijn werkgever beschikbaar moet zijn om uit te rukken voor een interventie - Voorrang van het Unierecht”"
In zaak C‑107/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Obvodní soud pro Prahu 9 (rechter in eerste aanleg Praag, stadsdeel 9, Tsjechië) bij beslissing van 3 januari 2019, ingekomen bij het Hof op 12 februari 2019, in de procedure
XR
tegenDopravní podnik hl. m. Prahy, akciová společnost,
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: E. Juhász, waarnemend voor de kamerpresident, C. Lycourgos (rapporteur) en I. Jarukaitis, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
Dopravní podnik hl. m. Prahy, akciová společnost, vertegenwoordigd door L. Novotná,
-
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en J. Pavliš als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en K. Walkerová als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 februari 2020,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen XR en Dopravní podnik hl. M. Prahy, akciová společnost (hierna: „DPP”) over de weigering van laatstgenoemde om XR een bedrag van 95 335 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 3 600 EUR), vermeerderd met vertragingsrente, te betalen als vergoeding voor de pauzes die XR heeft genomen tijdens het verrichten van zijn beroepswerkzaamheden tussen november 2005 en december 2008.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 4 en 5 van richtlijn 2003/88 luiden:
„(4) De verbetering van de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid van de werknemers op het werk is een doelstelling die niet aan overwegingen van zuiver economische aard ondergeschikt mag worden gemaakt.
(5) Voor alle werknemers moeten passende rusttijden gelden. Het begrip ‚rusttijd’ moet worden uitgedrukt in tijdseenheden, dat wil zeggen in dagen, uren en/of delen daarvan. De werknemers in de [Europese Unie] moeten – dagelijkse, wekelijkse en jaarlijkse – minimumrusttijden en voldoende pauzes genieten. [...]”
4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:
„1.2.Deze richtlijn is van toepassing op:
de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd, en
bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid en van het werkrooster.
[...]”
5 In artikel 2 van die richtlijn, met als opschrift „Definities”, staat te lezen:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
arbeidstijd: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;
rusttijd: de tijd die geen arbeidstijd is;
[...]
ploegenarbeid: een regeling van de arbeid in ploegen, waarbij de werknemers na elkaar op dezelfde werkplek werken, volgens een bepaald rooster, ook bij toerbeurt en al dan niet continu, met als gevolg dat de werknemers over een bepaalde periode van dagen of weken op verschillende tijden moeten werken;
[...]”
6 Artikel 4 van richtlijn 2003/88, met als opschrift „Pauzes”, luidt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers, wanneer de dagelijkse arbeidstijd meer dan zes uren bedraagt, een pauze hebben waarvan de praktische details, met name de duur en de voorwaarden voor de toekenning, worden vastgesteld bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners of, bij ontstentenis daarvan, bij de nationale wetgeving.”
Tsjechisch recht
7 In § 83 van de zákon č. 65/1965 Sb., zákoník práce (wet nr. 65/1965 houdende het arbeidswetboek), die tot en met 31 december 2006 van toepassing was, was bepaald:
„(1)De arbeidstijd is de tijd waarin de werknemer werkzaamheden dient uit te voeren voor de werkgever.
(2)Rusttijd is de tijd die geen arbeidstijd is.
[...]
(5)De beschikbaarheidsdienst is de tijd waarin de werknemer zich op grond van zijn arbeidsovereenkomst beschikbaar houdt voor een eventuele taak die in geval van dwingende noodzakelijkheid moet worden verricht buiten de werktijden van zijn werkploeg.
[...]”
8 § 89 van die wet had betrekking op „arbeidspauzes” en bepaalde:
„(1)Een werkgever dient zijn werknemers na ten hoogste zes uur ononderbroken arbeid een maaltijd‑ en rustpauze van ten minste dertig minuten toe te staan. Aan minderjarigen dient een dergelijke pauze te worden toegestaan na ten hoogste vierenhalf uur ononderbroken arbeid. Indien het werk niet kan worden onderbroken, moeten werknemers een toereikende periode om te rusten en te eten krijgen, met dien verstande dat de dienst of het werk niet wordt onderbroken. Aan minderjarigen moet altijd een maaltijd‑ en rustpauze als bedoeld in de eerste volzin worden toegestaan.
(2)De werkgever kan de duur van de maaltijdpauze op passende wijze bepalen na overleg met de bevoegde vakorganisatie.
(3)De werkgever bepaalt het begin en het einde van deze pauzes na overleg met de bevoegde vakorganisatie.
(4)De maaltijd‑ en rustpauzes worden niet toegestaan aan het begin of het einde van de werktijd.
(5)De maaltijd‑ en rustpauzes worden niet als arbeidstijd beschouwd.”
9 Deze bepalingen zijn ingetrokken en vervangen door zákon č. 262/2006 Sb., zákoník práce (wet nr. 262/2006 houdende het arbeidswetboek), die op 1 januari 2007 in werking is getreden. § 78 van deze wet luidt:
„(1)Voor de toepassing van de bepalingen inzake de arbeidstijd en de rusttijd wordt verstaan onder:
‚arbeidstijd’: de tijd waarin de werknemer werkzaamheden dient uit te voeren voor de werkgever en de tijd waarin de werknemer zich op de werkplek beschikbaar houdt om een taak te verrichten volgens de instructies van de werkgever;
[...]
‚beschikbaarheidsdienst’: de tijd waarin de werknemer zich op grond van zijn arbeidsovereenkomst beschikbaar houdt voor een eventuele taak die in geval van dwingende noodzakelijkheid moet worden verricht buiten de werktijden van zijn werkploeg. De beschikbaarheidsdienst kan uitsluitend worden verricht op een met de werknemer overeengekomen andere plaats dan de werkplekken van de werkgever;
[...]”
10 Met betrekking tot de pauze en de veiligheidspauze bepaalt § 88 van die wet het volgende:
„(1)Een werkgever dient zijn werknemers na ten hoogste zes uur ononderbroken arbeid een maaltijd‑ en rustpauze van ten minste dertig minuten toe te staan. Aan minderjarige werknemers dient een dergelijke pauze te worden toegestaan na ten hoogste vierenhalf uur ononderbroken arbeid. Indien het werk niet kan worden onderbroken, moeten werknemers een toereikende periode om te rusten en te eten krijgen, met dien verstande dat de dienst of het werk niet wordt onderbroken. Deze periode wordt als arbeidstijd beschouwd. Aan minderjarige werknemers moet altijd een maaltijd‑ en rustpauze als bedoeld in de eerste volzin worden toegestaan.
(2)Indien de maaltijd‑ en rustpauze moet worden opgesplitst, dient elk gedeelte van deze pauze ten minste vijftien minuten te duren. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Vanaf november 2005 tot en met december 2008 oefende XR bij DPP het beroep van bedrijfsbrandweerman uit.
12 XR werkte in een ploegensysteem, met een dagdienst van 6.45 uur tot 19:00 uur en een nachtdienst van 18.45 tot 07.00 uur. In zijn dagelijkse planning waren twee maaltijd- en rustpauzes van elk dertig minuten opgenomen.
13 Tussen 06.30 uur en 13.30 uur kon XR naar de personeelskantine gaan, die 200 meter van zijn werkplek was gelegen, mits hij een zender droeg die hem indien nodig waarschuwde dat het interventievoertuig hem binnen twee minuten voor de personeelskantine zou komen ophalen. In de opslagplaats waar XR werkzaam was, bevond zich bovendien een ruimte waarin buiten de openingstijden van de personeelskantine maaltijden konden worden bereid.
14 De pauzes werden enkel als arbeidstijd van XR in aanmerking genomen als zij werden onderbroken door een interventieoproep. Bijgevolg werden niet-onderbroken pauzes niet vergoed.
15 XR is tegen deze wijze van berekening van zijn vergoeding opgekomen. Aangezien hij van mening was dat de pauzes – zelfs de niet-onderbroken pauzes – arbeidstijd vormden, heeft hij een bedrag van 95 335 CZK, vermeerderd met vertragingsrente, gevorderd als vergoeding die hem zijns inziens verschuldigd was voor de twee dagelijkse pauzes die niet in aanmerking waren genomen bij de berekening van zijn loon voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode.
16 In eerste aanleg heeft de verwijzende rechter, de Obvodní soud pro Prahu 9 (rechter in eerste aanleg Praag, stadsdeel 9, Tsjechië), het verzoek van XR toegewezen bij vonnis van 14 september 2016. Dit vonnis is in hoger beroep is bevestigd bij arrest van 22 maart 2017.
17 DPP heeft tegen deze rechterlijke beslissingen beroep in cassatie ingesteld bij de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië), die ze bij arrest van 12 juni 2018 heeft vernietigd. Deze rechter oordeelde op grond van de relevante nationale bepalingen dat het weliswaar niet uitgesloten is dat de pauzes waren onderbroken wegens een interventieoproep, maar dat deze onderbrekingen zich slechts incidenteel voordeden en onvoorspelbaar waren, zodat zij niet kunnen worden geacht te behoren tot de gewone nakoming van de professionele verplichtingen. Derhalve kunnen volgens die rechter de pauzes in beginsel niet als arbeidstijd worden beschouwd.
18 De Nejvyšší soud heeft de zaak dan ook voor een uitspraak ten gronde terugverwezen naar de verwijzende rechter. Deze benadrukt dat hij volgens de nationale procedureregels gebonden is aan de door de Nejvyšší soud verrichte juridische beoordelingen.
19 De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat de omstandigheden waarin XR zijn pauzes moest nemen, aanleiding zouden kunnen zijn om deze pauzes als „arbeidstijd” in de zin van artikel 2 van richtlijn 2003/88 aan te merken.
20 Daarom heeft de Obvodní soud pro Prahu 9 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Dient een arbeidspauze waarin een werknemer in geval van een noodoproep binnen twee minuten voor zijn werkgever beschikbaar moet zijn, als, arbeidstijd’ in de zin van artikel 2 van [richtlijn 2003/88] te worden beschouwd?
Is het voor het beantwoorden van de [eerste vraag] relevant dat een dergelijke onderbreking [van de arbeidspauze] wegens een noodoproep zich slechts incidenteel en onvoorspelbaar voordoet, en hoe vaak een dergelijke onderbreking zich voordoet?
Kan een rechter in eerste aanleg die uitspraak doet nadat zijn beslissing is vernietigd door een hogere rechter en de zaak naar hem is terugverwezen voor [een uitspraak ten gronde], [de] voor hem bindende [juridische beoordeling] door de hogere rechter naast zich neerleggen indien [die beoordeling] in strijd is met het Unierecht?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede prejudiciële vraag
21 Met de eerste en de tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat de aan een werknemer tijdens zijn dagelijkse arbeidstijd toegestane pauze, waarin hij indien nodig binnen twee minuten moet kunnen uitrukken voor een interventie, dient te worden aangemerkt als „arbeidstijd” dan wel als „rusttijd” in de zin van die bepaling, en of het incidentele en onvoorspelbare karakter van de interventies alsook de frequentie waarmee deze zich voordoen, van invloed zijn op die kwalificatie.
22 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het hoofdgeding betrekking heeft op de vergoeding waarop een werknemer stelt recht te hebben voor de pauzes die hij gedurende zijn werkdag krijgt.
23 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat richtlijn 2003/88 – behalve in het bijzondere geval van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon als bedoeld in artikel 7, lid 1, van deze richtlijn – enkel bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd regelt ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers, zodat zij in beginsel niet van toepassing is op de beloning van de werknemers [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
24 Aangezien evenwel – zoals de verwijzende rechter opmerkt – in het hoofdgeding de kwestie van de vergoeding van de pauzes afhangt van de kwalificatie van deze perioden als „arbeidstijd” dan wel als „rusttijd” in de zin van richtlijn 2003/88, dienen de prejudiciële vragen, die betrekking hebben op die kwalificatie, te worden beantwoord.
25 In dit verband zij eraan herinnerd dat in artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 „arbeidstijd” wordt gedefinieerd als „de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent”. In artikel 2, punt 2, van deze richtlijn wordt het begrip „rusttijd” negatief omschreven als de tijd die geen arbeidstijd is.
26 Het tweede hoofdstuk van richtlijn 2003/88 is onder meer gewijd aan „minimumrusttijden”. Behalve op de dagelijkse en de wekelijkse rusttijd heeft dit hoofdstuk – meer bepaald in artikel 4 van deze richtlijn – betrekking op de „pauzes”, die alle werknemers moeten hebben indien de dagelijkse arbeidstijd meer dan zes uur bedraagt en waarvan de praktische details, met name de duur en de voorwaarden voor de toekenning, worden vastgelegd bij collectieve overeenkomst of bedrijfsakkoord tussen de sociale partners of, bij ontstentenis daarvan, bij de nationale wetgeving.
27 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat XR tijdens zijn pauzes niet werd vervangen op zijn werkplek en uitgerust was met een zender die hem waarschuwde wanneer hij zijn pauze diende te onderbreken wegens een noodoproep. Hieruit volgt dat verzoeker in het hoofdgeding tijdens zijn pauzes beschikbaarheidsdienst had. Deze term ziet in het algemeen op elke periode waarin de werknemer ter beschikking van zijn werkgever blijft om op diens verzoek een arbeidsprestatie te kunnen verrichten [zie in die zin arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 2 ].
28 In dit verband zij eraan herinnerd dat de begrippen „arbeidstijd” en „rusttijd” elkaar uitsluiten. De periode van beschikbaarheidsdienst van een werknemer moet dan ook ofwel als „arbeidstijd” ofwel als „rusttijd” worden aangemerkt voor de toepassing van richtlijn 2003/88, die niet voorziet in een tussencategorie [zie in die zin arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29 Voorts zijn de begrippen „arbeidstijd” en „rusttijd” Unierechtelijke begrippen die in het licht van het stelsel en de doelstelling van richtlijn 2003/88 moeten worden omschreven aan de hand van objectieve kenmerken. Slechts een dergelijke autonome uitlegging kan namelijk de volle werking van deze richtlijn en een uniforme toepassing van die begrippen in alle lidstaten waarborgen [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Wat meer specifiek de perioden van beschikbaarheidsdienst betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een periode waarin de werknemer niet daadwerkelijk activiteiten verricht voor zijn werkgever, niet noodzakelijk „rusttijd” vormt voor de toepassing van richtlijn 2003/88 [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 32 ].
31 Zo heeft het Hof om te beginnen in verband met perioden van beschikbaarheidsdienst op een werkplek die verschilt van de woonplaats van de werknemer, geoordeeld dat de beslissende factor om aan te nemen dat de kenmerken van het begrip „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 voorhanden zijn, wordt gevormd door het feit dat de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats en zich er tot diens beschikking moet houden teneinde indien nodig onmiddellijk zijn diensten te kunnen verlenen [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32 Het Hof heeft geoordeeld dat de werknemer tijdens een dergelijke periode van beschikbaarheidsdienst op zijn werkplek moet blijven om onmiddellijk beschikbaar te zijn voor zijn werkgever, en dus gescheiden is van zijn gezin en sociale omgeving alsook weinig vrijheid heeft om de tijd te besteden waarin er geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd. Derhalve moet deze periode integraal als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 worden aangemerkt, ongeacht welke arbeidsprestaties de werknemer daadwerkelijk verricht tijdens die periode [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33 Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat ook een periode van beschikbaarheidsdienst met permanente bereikbaarheid – dat wil zeggen een periode waarin de werknemer ter beschikking van zijn werkgever blijft om op diens verzoek een arbeidsprestatie te verrichten zonder dat hij verplicht is om op zijn werkplek te blijven – volledig als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 moet worden aangemerkt wanneer die periode, gelet op de objectieve en zeer aanzienlijke gevolgen die de aan de werknemer opgelegde beperkingen hebben voor zijn mogelijkheden om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden, verschilt van een periode waarin de werknemer zich slechts ter beschikking moet houden van zijn werkgever opdat deze hem kan bereiken [zie in die zin arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34 Daaruit volgt dat het begrip „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 ook ziet op alle perioden van beschikbaarheidsdienst – waaronder die tijdens welke de werknemer permanent bereikbaar moet zijn – waarin de aan de werknemer opgelegde beperkingen van dien aard zijn dat zij objectief gesproken en in zeer aanzienlijke mate gevolgen hebben voor zijn mogelijkheden om tijdens die perioden de tijd waarin er geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd vrijelijk in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden [zie in die zin arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 37 ].
35 Meer in het bijzonder heeft het Hof opgemerkt dat een periode van beschikbaarheidsdienst waarin een werknemer, gelet op de redelijke termijn die hij krijgt om zijn beroepsactiviteiten te hervatten, zijn persoonlijke en sociale activiteiten kan plannen, a priori geen „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 vormt. Omgekeerd moet een periode van beschikbaarheidsdienst waarin de werknemer slechts enkele minuten heeft om zijn werk te hervatten, in beginsel integraal worden beschouwd als „arbeidstijd” in de zin van die richtlijn, aangezien hem in dat geval in de praktijk sterk wordt ontraden om enige ontspanning – ook al duurt deze niet lang – te plannen [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 48 ].
36 Zoals het Hof heeft benadrukt, moet de impact van die reactietijd echter in concreto worden beoordeeld, in voorkomend geval rekening houdend met andere aan de werknemer opgelegde beperkingen en met de faciliteiten die hem worden geboden tijdens de periode waarin hij beschikbaarheidsdienst heeft [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 49 ].
37 In casu staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van alle relevante omstandigheden te beoordelen of de aan XR opgelegde beperking tijdens zijn pauzes – die voortvloeide uit de noodzaak om binnen twee minuten beschikbaar te zijn om uit te rukken voor een interventie – de mogelijkheden van deze werknemer om zijn tijd vrijelijk te beheren teneinde zich aan de activiteiten van zijn keuze te wijden objectief gesproken en in zeer aanzienlijke mate kon beknotten.
38 In dit verband moet, gelet op de bezwaren die DPP en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen hebben geformuleerd, in de eerste plaats nog worden opgemerkt dat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten volgens artikel 4 van richtlijn 2003/88 beschikken om de praktische details van de pauze – met name de duur en de voorwaarden voor de toekenning ervan – vast te stellen, niet relevant is voor de kwalificatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde perioden als „arbeidstijd” dan wel als „rusttijd” in de zin van artikel 2 van richtlijn 2003/88, aangezien deze twee begrippen autonome Unierechtelijke begrippen zijn, zoals reeds in punt 29 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
39 Aangezien de door XR genoten pauzes – zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt – van korte duur waren, namelijk telkens dertig minuten, zal de verwijzende rechter in het kader van zijn onderzoek om uit te maken of de tijdens die pauzes voor XR geldende beperkingen de mogelijkheden van deze werknemer om zich te ontspannen en zich te wijden aan de activiteiten van zijn keuze objectief gesproken en in zeer aanzienlijke mate konden beknotten, evenwel geen rekening hoeven te houden met de beperkingen van deze mogelijkheden die hoe dan ook zouden hebben bestaan, omdat deze noodzakelijkerwijs voortvloeien uit de duur van 30 minuten van elke pauze en losstaan van de beperkingen die verband houden met zijn verplichting om binnen twee minuten beschikbaar te zijn om uit te rukken voor een interventie.
40 In de tweede plaats heeft het Hof met betrekking tot het incidentele karakter en de onvoorspelbaarheid van de onderbrekingen van de pauzes reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat de betrokken werknemer bij elkaar genomen slechts zelden hoeft te interveniëren tijdens de perioden waarin hij beschikbaarheidsdienst heeft, niet tot gevolg kan hebben dat deze perioden als „rusttijd” in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2003/88 worden beschouwd, wanneer de termijn waarbinnen die werknemer zijn beroepsactiviteiten moet hervatten een zodanige impact heeft dat hij objectief gesproken en in zeer aanzienlijke mate wordt beperkt in zijn mogelijkheden om tijdens die perioden de tijd waarin er geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrijelijk in te vullen [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 54 ].
41 Hieraan moet worden toegevoegd dat de onvoorspelbaarheid van de mogelijke onderbrekingen van de pauzes een bijkomend beperkend effect kan hebben op de mogelijkheid waarover de betrokken werknemer beschikt om die tijd vrijelijk te beheren. De daaruit voortvloeiende onzekerheid kan namelijk tot gevolg hebben dat die werknemer in een permanente staat van paraatheid verkeert.
42 Ten slotte dient in herinnering te worden gebracht dat de wijze waarop werknemers voor perioden van beschikbaarheidsdienst worden vergoed – gelet op de in punt 23 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak – niet wordt geregeld door richtlijn 2003/88, maar door de relevante bepalingen van nationaal recht. Deze richtlijn staat er dan ook niet aan in de weg dat een regeling van een lidstaat, een collectieve arbeidsovereenkomst of een besluit van een werkgever wordt toegepast die voor de vergoeding van een beschikbaarheidsdienst de perioden waarin daadwerkelijk arbeidsprestaties worden verricht en die waarin geen daadwerkelijke arbeid wordt verricht, op verschillende wijze in aanmerking neemt, zelfs wanneer deze perioden voor de toepassing van die richtlijn integraal als „arbeidstijd” moeten worden beschouwd [arrest van 9 maart 2021, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, EU:C:2021:182, punt 58 ].
43 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 2 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat de aan een werknemer tijdens zijn dagelijkse arbeidstijd toegestane pauze, waarin hij indien nodig binnen een termijn van twee minuten moet kunnen uitrukken voor een interventie, „arbeidstijd” in de zin van die bepaling vormt wanneer uit een algehele beoordeling van alle relevante omstandigheden blijkt dat de aan die werknemer opgelegde beperkingen tijdens die pauze van dien aard zijn dat zij objectief gesproken en in zeer aanzienlijke mate gevolgen hebben voor zijn mogelijkheden om de tijd waarin er geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd vrijelijk in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.
Derde prejudiciële vraag
44 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale rechter die uitspraak doet nadat zijn beslissing is vernietigd door een hogere rechter, op grond van het nationale procesrecht gebonden is aan de door die hogere rechter verrichte juridische beoordelingen wanneer deze niet verenigbaar zijn met het Unierecht.
45 In herinnering moet worden gebracht dat wanneer de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht verplicht is om de volle werking van deze bepalingen te waarborgen en daarbij, indien nodig, op eigen gezag elke strijdige bepaling van de nationale wettelijke regeling buiten toepassing te laten, zelfs als deze bepaling van latere datum is, zonder dat hij de voorafgaande opheffing ervan via de wetgevings- of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (arrest van 24 juni 2019, Poplawski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In dit verband is de nationale rechter die de hem door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid heeft benut, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden aan de door het Hof gegeven uitlegging van de bepalingen in kwestie en moet hij de door de hogere rechter verrichte beoordelingen in voorkomend geval naast zich neer leggen indien deze volgens hem gelet op die uitlegging in strijd zijn met het Unierecht (arrest van 5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, EU:C:2010:581, punt 30 ).
47 Het vereiste om de volle werking van het Unierecht te waarborgen impliceert dan ook dat de nationale rechter verplicht is om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met het Unierecht onverenigbare uitlegging van het nationale recht (arrest van 5 juli 2016, Ognyanov, C‑614/14, EU:C:2016:514, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Hieruit volgt dat de verwijzende rechter in casu verplicht is om de volle werking van artikel 267 VWEU te waarborgen door, indien nodig, op eigen gezag de nationale procedurele bepalingen op grond waarvan hij het nationale recht moet toepassen overeenkomstig de uitlegging die de Nejvyšší soud aan dat recht heeft gegeven, buiten toepassing te laten wanneer deze uitlegging niet verenigbaar is met het Unierecht.
49 Gelet op een en ander dient op de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale rechter die uitspraak doet nadat zijn beslissing is vernietigd door een hogere rechter, op grond van het nationale procesrecht gebonden is aan de door die hogere rechter verrichte juridische beoordelingen wanneer deze niet verenigbaar zijn met het Unierecht.
Kosten
50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
-
Artikel 2 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat de aan een werknemer tijdens zijn dagelijkse arbeidstijd toegestane pauze, waarin hij indien nodig binnen een termijn van twee minuten moet kunnen uitrukken voor een interventie, „arbeidstijd” in de zin van die bepaling vormt wanneer uit een algehele beoordeling van alle relevante omstandigheden blijkt dat de aan die werknemer opgelegde beperkingen tijdens die pauze van dien aard zijn dat zij objectief gesproken en in zeer aanzienlijke mate gevolgen hebben voor zijn mogelijkheden om de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd vrijelijk in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.
-
Het beginsel van voorrang van het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale rechter die uitspraak doet nadat zijn beslissing is vernietigd door een hogere rechter, op grond van het nationale procesrecht gebonden is aan de door die hogere rechter verrichte juridische beoordelingen wanneer deze niet verenigbaar zijn met het Unierecht.
ondertekeningen