„In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:
[...]
-
‚publiekrechtelijke instellingen’: instellingen, ook in de rechtsvorm van een vennootschap, die gerekend worden tot de in bijlage IV opgenomen niet-uitputtende lijst en die voldoen aan alle volgende kenmerken:
-
zij zijn opgericht voor het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard;
-
zij bezitten rechtspersoonlijkheid,
en
-
de activiteiten die zij verrichten worden merendeels door de staats-, regionale of lokale overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke lichamen gefinancierd, of hun beheer staat onder toezicht van deze instanties of lichamen, of zij hebben een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan waarvan de leden voor meer dan de helft door de staat, de regionale of lokale overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen”.
-