Home

Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 11 juni 2020

Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 11 juni 2020

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
11 juni 2020

Uitspraak

Arrest van het Hof (Tiende kamer)

11 juni 2020(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, leveringen en diensten - Richtlijn 2014/24/EU - Procedure voor de gunning van een opdracht voor diensten - Architectuur- en ingenieursdiensten - Artikel 19, lid 1, en artikel 80, lid 2 - Nationale wettelijke regeling waarin de mogelijkheid om deel te nemen is voorbehouden aan uitsluitend ondernemers met een bepaalde rechtsvorm”"

In zaak C‑219/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) bij beslissing van 16 januari 2019, ingekomen bij het Hof op 11 maart 2019, in de procedure

Parsec Fondazione Parco delle Scienze e della Cultura

tegen

Ministero delle Infrastrutture e dei Trasporti,

Autorità nazionale anticorruzione (ANAC),

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur) en M. Ilešič, rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Parsec Fondazione Parco delle Scienze e della Cultura, vertegenwoordigd door A. Pontenani en I. Cecchi, avvocati,

    • de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door C. Pluchino, avvocato dello Stato,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara, P. Ondrůšek en L. Haasbeek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van overweging 14, artikel 19, lid 1, en artikel 80, lid 2, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Parsec Fondazione Parco delle Scienze e della Cultura (hierna: „Parsec”), enerzijds, en de Ministero delle Infrastrutture e dei Trasporti (ministerie van Infrastructuur en Vervoer) en de Autorità nazionale anticorruzione (ANAC) (nationale autoriteit voor de bestrijding van corruptie, Italië), anderzijds, over het besluit waarbij de ANAC het verzoek om inschrijving van Parsec in het nationale register van vennootschappen van ingenieurs en beroepsbeoefenaren die gerechtigd zijn om architectuur- en ingenieursdiensten te verrichten, heeft afgewezen.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

3 Overweging 14 van richtlijn 2014/24 luidt:

  • „Verduidelijkt dient te worden dat het begrip ‚ondernemers’ in ruime zin dient te worden opgevat, zodat daar ook personen en/of entiteiten onder vallen die de uitvoering van werken, de levering van producten of de verrichting van diensten op de markt aanbieden, ongeacht de rechtsvorm die zij voor hun activiteiten hebben gekozen. Aldus moeten bedrijven, bijkantoren, dochterondernemingen, partnerschappen, coöperatieve vennootschappen, besloten vennootschappen, openbare of particuliere universiteiten en andere entiteiten dan natuurlijke personen alle onder de noemer ‚ondernemer’ vallen, ongeacht of deze onder alle omstandigheden ‚rechtspersonen’ zijn.”

  • 4 Artikel 2, „Definities”, van die richtlijn bepaalt in lid 1:

    „Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

    [...]

    1. ‚ondernemer’: elke natuurlijke of rechtspersoon of openbaar lichaam, of een combinatie van deze personen en/of lichamen, met inbegrip van alle tijdelijke samenwerkingsverbanden van ondernemingen, die de uitvoering van werken en/of een werk, de levering van producten en of het verlenen van diensten op de markt aanbiedt;

    [...]”

    5 Artikel 19, „Ondernemers”, van die richtlijn bepaalt in lid 1:

    „Ondernemers die krachtens de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, gerechtigd zijn de betrokken dienst te leveren, mogen niet worden afgewezen louter op grond van het feit dat zij krachtens de wetgeving van de lidstaat waar de opdracht wordt gegund, een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon moeten zijn.

    Met betrekking tot overheidsopdrachten voor diensten en werken alsmede overheidsopdrachten voor leveringen die bijkomende diensten of plaatsings- en installatiewerkzaamheden inhouden, kan van rechtspersonen echter worden geëist dat zij in de inschrijving of in het verzoek tot deelname de namen en de desbetreffende beroepskwalificaties vermelden van de personen die met de uitvoering van de opdracht worden belast.”

    6 Artikel 80 van deze richtlijn, met het opschrift „Regels voor de organisatie van prijsvragen en de selectie van deelnemers”, bepaalt:

    „1.

    Voor het organiseren van prijsvragen passen de aanbestedende diensten procedures toe die zijn aangepast aan de bepalingen van titel I en dit hoofdstuk.

    2.

    De toelating van deelnemers tot prijsvragen mag niet worden beperkt:

    1. tot het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan;

    2. op grond van het feit dat de deelnemers, ingevolge de wetgeving van de lidstaat waar de prijsvraag wordt uitgeschreven, hetzij natuurlijke personen hetzij rechtspersonen moeten zijn.

    3.

    Bij prijsvragen met een beperkt aantal deelnemers stellen de aanbestedende diensten duidelijke en niet-discriminerende selectiecriteria vast. In elk geval moet het aantal gegadigden die tot deelneming aan de prijsvraag worden uitgenodigd, toereikend zijn om daadwerkelijke mededinging te waarborgen.”

    Italiaans recht

    7 Decreto legislativo n. 50 – Attuazione delle direttive 2014/23/UE, 2014/24/UE e 2014/25/UE sull’aggiudicazione dei contratti di concessione, sugli appalti pubblici e sulle procedure d’appalto degli enti erogatori nei settori dell’acqua, dell’energia, dei trasporti e dei servizi postali, nonché per il riordino della disciplina vigente in materia di contratti pubblici relativi a lavori, servizi e forniture (wetgevingsdecreet nr. 50 ter omzetting van de richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten, overheidsopdrachten en de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, alsook tot herziening van de geldende wettelijke regeling inzake overheidsopdrachten voor werken, diensten en leveringen) van 18 april 2016 (gewoon supplement bij GURI nr. 91 van 19 april 2016) vormt de Codice dei contratti pubblici (wetboek overheidsopdrachten).

    8 Artikel 45 van dit wetboek definieert in algemene zin het begrip ondernemer die is toegelaten tot deelname aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, en artikel 46 behelst een bijzondere regeling voor architectuur- en ingenieursdiensten. Dat artikel 46 luidt:

    „1.

    De volgende personen zijn gerechtigd om deel te nemen aan procedures voor het plaatsen van architectuur- en ingenieursdiensten:

    1. verrichters van ingenieurs- en architectuurdiensten: beroepsbeoefenaren, individueel of in verenigde vorm, vennootschappen gevormd door beroepsbeoefenaren als bedoeld onder b), vennootschappen gevormd door ingenieurs als bedoeld onder c), consortia, Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV’s), tijdelijke combinaties van deze personen, die aan openbare en particuliere opdrachtgevers op de markt ingenieurs- en architectuurdiensten, technisch-administratieve diensten en daarmee verbonden onderzoeksdiensten over de economische en financiële haalbaarheid verlenen, met inbegrip van, wat betreft maatregelen voor de restauratie en het onderhoud van roerende goederen en gedecoreerde oppervlakken van architectonische goederen, personen met de kwalificatie van restaurateur van cultuurgoederen overeenkomstig de geldende regeling;

    2. vennootschappen gevormd door beroepsbeoefenaren: vennootschappen gevormd door uitsluitend beroepsbeoefenaren die zijn ingeschreven in de door de geldende beroepsvoorschriften bepaalde beroepsorde, in de vorm van de personenvennootschappen bedoeld in de hoofdstukken II, III en IV van titel V van boek V van de Codice civile (burgerlijk wetboek) en in de vorm van de coöperatieve vennootschappen bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van boek V van de Codice civile, die aan particuliere en openbare opdrachtgevers ingenieurs- en architectuurdiensten verlenen, zoals haalbaarheidsonderzoeken, andere onderzoekswerkzaamheden, adviesdiensten, plannen of leiden van bouwwerkzaamheden, evaluaties van de technische en economische haalbaarheid of milieueffectonderzoeken;

    3. ingenieursvennootschappen: de kapitaalvennootschappen bedoeld in de hoofdstukken V, VI en VII van titel V van boek V van de Codice civile, of in de vorm van coöperatieve vennootschappen als bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van boek V van de Codice civile, die niet voldoen aan de voorwaarden om te worden gekwalificeerd als vennootschappen gevormd door beroepsbeoefenaren, en die diensten verrichten als haalbaarheidsonderzoeken, andere onderzoekswerkzaamheden, adviesdiensten, plannen of leiden van bouwwerkzaamheden, evaluaties van de technische en economische haalbaarheid of effectonderzoeken, en eventuele productieactiviteiten in verband met de verrichting van deze diensten;

    4. verrichters van ingenieurs- en architectuurdiensten met de CPV-codes 74200000‑1 tot en met 74276400‑8, 74310000‑5 tot en met 74323100‑0 en 74874000‑6 die zijn gevestigd in andere lidstaten en zijn opgericht overeenkomstig de in dat land geldende wettelijke regeling;

    5. tijdelijke combinaties van de onder a) tot en met d) bedoelde personen;

    6. permanente consortia van vennootschappen gevormd door beroepsbeoefenaren en vennootschappen gevormd door ingenieurs, ook in gemengde vorm, gevormd door ten minste drie leden die actief zijn geweest in de sectoren ingenieursdiensten en architectuurdiensten.

    2.

    Met het oog op de deelname aan de in lid 1 bedoelde gunningsprocedures kunnen vennootschappen gedurende een periode van vijf jaar vanaf hun oprichting certificeren dat zij voldoen aan de economisch-financiële en technisch-organisatorische vereisten in de aankondiging van opdracht, met inbegrip van de voorwaarden voor de vennoten van de vennootschap, indien de vennootschap de vorm heeft van een personenvennootschap of een coöperatieve vennootschap, en van de voorwaarden voor de technisch directeuren of de beroepsbeoefenaren met een dienstverband van onbepaalde duur, indien de vennootschap de vorm heeft van een kapitaalvennootschap.”

    Hoofdgeding en prejudiciële vraag

    9 Parsec is een privaatrechtelijke stichting zonder winstoogmerk die is opgericht in overeenstemming met de Italiaanse Codice civile.

    10 Haar maatschappelijke zetel is in Prato (Italië) en volgens haar statuten houdt zij zich onder meer bezig met onderzoek naar natuurrampen, het voorspellen en voorkomen van risico-omstandigheden, de planning, het beheer en het monitoren van het milieu en het grondgebied, en de bescherming van mens en milieu. De stichting omvat een „observatorium” voor seismologie, dat op stabiele basis samenwerkt met de Istituto nazionale di geofisica e vulcanologia (nationaal instituut voor geofysica en vulkanologie, Italië). Door middel van dat observatorium beheert Parsec een netwerk van stations voor het meten van de seismische activiteit, werkt zij samen met universiteiten en onderzoeksinstellingen en levert zij aan talrijke gemeenten en lokale gemeenschappen diensten in verband met het beheer van seismische risico’s, burgerbescherming en planning van het grondgebied. Deze activiteiten oefent zij uit met hooggekwalificeerd personeel op dat gebied.

    11 Om deel te kunnen nemen aan aanbestedingen voor de gunning van de dienst van classificatie van het grondgebied op basis van het seismische risico heeft Parsec verzocht om inschrijving in het door de ANAC bijgehouden register van ondernemingen die gerechtigd zijn om ingenieurs- en architectuurdiensten te verrichten. Aangezien Parsec echter niet onder een van de categorieën ondernemers bedoeld in artikel 46, lid 1, van de Codice dei contratti pubblici valt, heeft de ANAC het verzoek om inschrijving bij besluit afgewezen. Parsec heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië).

    12 Voor deze rechter hebben de Ministero delle Infrastrutture e dei Trasporti en de ANAC in limine litis gesteld dat het ontbreken van een inschrijving in het door de ANAC bijgehouden register van de ondernemers bedoeld in artikel 46 van de Codice dei contratti pubblici zich er niet tegen verzet dat Parsec deelneemt aan aanbestedingen voor de gunning van de betrokken diensten.

    13 De verwijzende rechter merkt ten eerste op dat de diensten die aan de orde zijn in de bij hem aanhangige procedure, te weten seismologische diensten en de classificatie van het grondgebied op basis van het seismische risico, onder de architectuur- en ingenieursdiensten vallen die in de Codice dei contratti pubblici worden bedoeld. Op grond van artikel 46 van deze regeling kunnen echter enkel bepaalde categorieën ondernemers deelnemen aan aanbestedingsprocedures voor de verrichting van deze diensten. Organisaties zonder winstoogmerk, zoals Parsec, worden daaronder niet genoemd. Dat zou eraan liggen dat deze organisaties zich niet kunnen inschrijven in het register van de ANAC, zodat de aanbestedende dienst geen enkele mogelijkheid heeft om de professionele kenmerken van dergelijke aan inschrijving geïnteresseerde organisaties na te gaan.

    14 Ten tweede overweegt de verwijzende rechter dat deze bijzondere regel, die tot gevolg heeft dat de strekking van het begrip „ondernemer” in artikel 45 van de Codice dei contratti pubblici wordt beperkt, kan worden gerechtvaardigd door het hoge professionele niveau dat van de inschrijvers wordt vereist om de kwaliteit van de door hen te verrichten diensten te garanderen en door een „vermoeden” dat van personen die deze diensten op vaste basis, beroepshalve en tegen vergoeding verrichten, eerder kan worden verwacht dat zij hun activiteiten zonder onderbreking hebben uitgeoefend en hun vakkennis door middel van cursussen op peil hebben gehouden.

    15 Ten derde verwijst de verwijzende rechter naar het arrest van 23 december 2009, CoNISMa (C‑305/08, EU:C:2009:807 ), waarin het Hof de Italiaanse regeling op grond waarvan het verboden was om deel te nemen aan een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor lichamen die hoofdzakelijk andere doelstellingen dan winst nastreefden, hoewel dergelijke lichamen gerechtigd waren de diensten aan te bieden waarop die opdracht betrekking had, onverenigbaar met het recht van de Unie heeft verklaard. Volgens de verwijzende rechter heeft de Italiaanse wetgever in artikel 45 van de Codice dei contratti pubblici, waarin een algemene definitie wordt gegeven van het begrip ondernemer, weliswaar de ruime definitie hernomen die het Hof in dat arrest heeft gehanteerd, maar door de vaststelling van artikel 46 van die regeling heeft hij geopteerd voor een restrictievere definitie in het geval van architectuur- en ingenieursdiensten.

    16 Gelet op de algemene aard van de lering van dat arrest vraagt de verwijzende rechter zich af of het recht van de Unie de lidstaten niettemin de mogelijkheid laat om voor de diensten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, restrictievere definities vast te stellen. In dat verband merkt hij op dat de bewoordingen van artikel 19, lid 1, en die van artikel 80, lid 2, van richtlijn 2014/24 ogenschijnlijk, zij het impliciet, toestaan dat een lidstaat de deelname aan een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten beperkt tot enkel natuurlijke personen of tot bepaalde rechtspersonen. Hij zet nader uiteen dat ondernemers die in een andere lidstaat zijn gevestigd, niet worden geraakt door de restrictieve definitie in artikel 46 van de Codice dei contratti pubblici, aangezien op hen de algemene regel van artikel 45, lid 1, van die regeling van toepassing is. Op grond daarvan kunnen deze ondernemers, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 80, lid 2, van richtlijn 2014/24, deelnemen aan een procedure voor het plaatsen van opdrachten op grond van de regeling van de lidstaat waarin zij zijn gevestigd.

    17 Daarop heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

    „Staan overweging 14, artikel 19, lid 1, en artikel 80, lid 2, van richtlijn [2014/24], in samenhang gelezen, in de weg aan een bepaling als artikel 46 van [de Codice dei contratti pubblici], waarbij Italië de richtlijnen [2014/23], [2014/24] en [2014/25] in nationaal recht heeft omgezet, volgens welke uitsluitend ondernemers die een van de daarin genoemde rechtsvormen hebben, mogen deelnemen aan procedures voor de aanbesteding van ‚architectuur- en ingenieursdiensten’, met als gevolg dat ondernemers die deze prestaties in een andere rechtsvorm verlenen, van deelneming aan deze aanbestedingen zijn uitgesloten?”

    Beantwoording van de prejudiciële vraag

    18 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, en artikel 80, lid 2, van richtlijn 2014/24, gelezen in het licht van overweging 14 van die richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die uitsluit dat lichamen zonder winstoogmerk deelnemen aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor het verrichten van ingenieurs- en architectuurdiensten, hoewel deze lichamen krachtens nationaal recht gerechtigd zijn om de diensten te verrichten waarop de betrokken opdracht ziet.

    19 Vooraf moet worden opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat een stichting als Parsec, die met haar activiteiten geen winstoogmerk nastreeft, uit hoofde van de nationale regeling die op het hoofdgeding van toepassing is, niet is toegelaten tot deelname aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor ingenieurs- en architectuurdiensten, hoewel dit lichaam krachtens nationaal recht gerechtigd is de diensten te verrichten waarop de betrokken opdracht ziet.

    20 Het Hof heeft in de punten 47 tot en met 49 van het arrest van 23 december 2009, CoNISMa (C‑305/08, EU:C:2009:807 ), in verband met een nationale regeling waarbij richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114) in de nationale rechtsorde was omgezet, al geoordeeld dat de lidstaten inderdaad de mogelijkheid hebben om bepaalde categorieën ondernemers al dan niet te machtigen om bepaalde prestaties te leveren en met name lichamen zonder winstoogmerk met als voornaamste doel onderwijs en onderzoek het recht kunnen verlenen om op de markt actief te zijn indien de betrokken activiteit verenigbaar is met hun institutionele en statutaire doelstellingen, en hun dat recht kunnen weigeren wanneer zulks niet het geval is. Wanneer en voor zover dergelijke lichamen gerechtigd zijn om bepaalde diensten op de markt aan te bieden, kan het nationale recht hun evenwel niet verbieden om deel te nemen aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die betrekking hebben op het verrichten van die diensten.

    21 Deze uitspraak van het Hof is bevestigd voor zowel deze richtlijn (arresten van 19 december 2012, Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a., C‑159/11, EU:C:2012:817, punt 27 , en  6 oktober 2015, Consorci Sanitari del Maresme, C‑203/14, EU:C:2015:664, punt 35 ) als de richtlijn die door voornoemde richtlijn is vervangen, namelijk richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB 1992, L 209, blz. 1) (arrest van 18 december 2014, Data Medical Service, C‑568/13, EU:C:2014:2466, punt 36 ).

    22 Deze rechtspraak van het Hof heeft zijn belang niet verloren met de inwerkingtreding van richtlijn 2014/24, waarbij richtlijn 2004/18 is ingetrokken en waardoor zij is vervangen. Niet alleen is het begrip ondernemer in artikel 1, lid 8, van richtlijn 2004/18 zonder substantiële wijzigingen overgenomen in artikel 2, lid 1, punt 10, van richtlijn 2014/24, maar overweging 14 daarvan wijst er inmiddels ook uitdrukkelijk op dat dit begrip „in ruime zin” dient te worden opgevat, zodat alle personen of lichamen die actief zijn op de markt daaronder vallen „ongeacht de rechtsvorm die zij voor hun activiteiten hebben gekozen”. Evenzo bepalen artikel 19, lid 1, van deze richtlijn en artikel 80, lid 2, ervan uitdrukkelijk dat de inschrijving van een ondernemer niet mag worden afgewezen louter op de grond dat hij krachtens het nationale recht een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon moet zijn.

    23 Daaruit volgt dat het nationale recht, overeenkomstig de in de punten 20 en 21 van dit arrest genoemde rechtspraak van het Hof, een stichting zonder winstoogmerk die gerechtigd is op de nationale markt bepaalde diensten aan te bieden, niet kan verbieden deel te nemen aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die betrekking hebben op het verrichten van die diensten.

    24 Aan deze uitlegging kan niet worden afgedaan door het argument van de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is herhaald door de Italiaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen, dat de restrictieve definitie van het begrip ondernemer in artikel 46 van de Codice dei contratti pubblici in de context van architectuur- en ingenieursdiensten wordt gerechtvaardigd door het hoge professionele niveau dat nodig is om de kwaliteit van deze diensten te garanderen en door een vermeend vermoeden dat van personen die deze diensten op vaste basis, beroepshalve en tegen vergoeding verrichten, eerder kan worden verwacht dat zij hun activiteiten zonder onderbreking hebben uitgeoefend en hun vakkennis door middel van cursussen op peil hebben gehouden.

    25 In de eerste plaats heeft deze regering niet aangetoond dat er een bijzondere correlatie bestaat tussen het professionele niveau waarvan blijk is gegeven bij het verrichten van een dienst en de daaruit voortvloeiende kwaliteit van de verrichte dienst, enerzijds, en de rechtsvorm van de ondernemer die de dienst verricht, anderzijds, zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt.

    26 In de tweede plaats volstaat het in verband met het „vermoeden” dat van personen die beroepshalve en tegen vergoeding architectuur- en ingenieursdiensten verrichten, eerder kan worden verwacht dat zij hun activiteiten zonder onderbreking hebben uitgeoefend en hun vakkennis door middel van cursussen op peil hebben gehouden, op te merken dat een dergelijk vermoeden in het Unierecht niet kan opgaan, omdat het onverenigbaar is met de rechtspraak van de Unie die in punt 20 van dit arrest is uiteengezet. Daaruit vloeit namelijk voort dat een lichaam dat krachtens nationaal recht gerechtigd is op de markt van de betrokken lidstaat ingenieurs- en architectuurdiensten aan te bieden, niet het recht kan worden ontzegd om deel te nemen aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor deze diensten.

    27 Tot slot was de wetgever van de Unie gevoelig voor het argument dat het voor gegadigden voor en inschrijvers op overheidsopdrachten voor diensten en werken en bepaalde overheidsopdrachten voor leveringen van belang is te beschikken over een hoog professioneel niveau. Daarom heeft hij in artikel 19, lid 1, van richtlijn 2014/24 voorzien in de mogelijkheid om van rechtspersonen te eisen dat zij in de inschrijving of in het verzoek tot deelname de namen en de desbetreffende beroepskwalificaties vermelden van de personen die met de uitvoering van de opdracht worden belast. Daarentegen heeft de wetgever daartoe niet voorzien in een verschil in behandeling op grond van de rechtsvorm die deze gegadigden en inschrijvers hebben gekozen.

    28 Op de vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, en artikel 80, lid 2, van richtlijn 2014/24, gelezen in het licht van overweging 14 van die richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan lichamen zonder winstoogmerk worden uitgesloten van deelname aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor het verrichten van ingenieurs- en architectuurdiensten, hoewel deze lichamen krachtens nationaal recht gerechtigd zijn om de diensten te verrichten waarop de betrokken opdracht ziet.

    Kosten

    29 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

    Artikel 19, lid 1, en artikel 80, lid 2, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in het licht van overweging 14 van die richtlijn, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan lichamen zonder winstoogmerk worden uitgesloten van deelname aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor het verrichten van ingenieurs- en architectuurdiensten, hoewel deze lichamen krachtens nationaal recht gerechtigd zijn om de diensten te verrichten waarop de betrokken opdracht ziet.

    ondertekeningen