Home

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 juni 2021

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 juni 2021

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
17 juni 2021

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vijfde kamer)

17 juni 2021(*)

"„Hogere voorziening - Europees Sociaal Fonds (ESF) - Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) - Gedeeltelijke nietigverklaring van steun voor operationele programma’s in Tsjechië - Richtlijn 2004/18/EG - Artikel 16, onder b) - Specifieke uitsluiting - Overheidsopdrachten voor diensten betreffende programmamateriaal bestemd voor uitzendingen”"

In zaak C‑862/19 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 26 november 2019,

Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek, O. Serdula, J. Vláčil en I. Gavrilová als gemachtigden,

rekwirante, andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek en P. Arenas als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Republiek Polen,

interveniënte in eerste aanleg,

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič, E. Juhász (rapporteur), C. Lycourgos en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 oktober 2020,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Tsjechische Republiek om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 september 2019, Tsjechië/Commissie (T‑629/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:596 ; hierna: „bestreden arrest”) waarbij haar beroep werd verworpen dat strekte tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C(2017) 4682 final van de Commissie van 6 juli 2017 strekkende tot nietigverklaring van een gedeelte van de steun uit het Europees Sociaal Fonds voor het operationele programma Opleidingen ten behoeve van concurrentievermogen in het kader van de doelstellingen „Convergentie” en „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” in Tsjechië, alsmede een gedeelte van de steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor de operationele programma’s Onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van innovatie in het kader van de doelstelling „Convergentie” in Tsjechië en Technische bijstand in het kader van de doelstellingen „Convergentie” en „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” in Tsjechië (hierna: „litigieus besluit”).

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 92/50

2 Artikel 1, onder a), iv), van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB 1992, L 209, blz. 1), die is ingetrokken bij richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114), bepaalde:

„In de zin van deze richtlijn:

  1. wordt onder ‚overheidsopdrachten voor dienstverlening’ verstaan: schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel, die zijn gesloten tussen een dienstverlener enerzijds en een aanbestedende dienst anderzijds, met uitsluiting van:

    [...]

    1. opdrachten betreffende de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal door televisie-omroeporganisaties en overeenkomsten betreffende zendtijd”.

Richtlijn 2004/18

3 Overweging 25 van richtlijn 2004/18, die is ingetrokken bij richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18 (PB 2014, L 94, blz. 65), maar die in casu ratione temporis van toepassing is, luidde:

„Bij het plaatsen van overheidsopdrachten voor bepaalde audiovisuele diensten in de omroepsector moet rekening kunnen worden gehouden met overwegingen van cultureel en sociaal belang, waardoor toepassing van de aanbestedingsvoorschriften niet geschikt is. Om die redenen is het wenselijk te voorzien in een uitzondering voor overheidsopdrachten voor diensten die betrekking hebben op de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van gebruiksklaar programmamateriaal en van andere voorbereidende diensten, zoals die betreffende scenario’s of de artistieke prestaties die nodig zijn voor de totstandbrenging van het programmamateriaal, alsmede voor opdrachten betreffende de zendtijd. Deze uitzondering dient evenwel niet te gelden voor de levering van het technisch materiaal dat nodig is voor de productie, de coproductie en de uitzending van dat programmamateriaal. Onder uitzending dient te worden verstaan het uitzenden en verspreiden via enig elektronisch netwerk.”

4 In artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 was het volgende bepaald:

„Deze richtlijn is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten:

[...]

  1. betreffende de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal bestemd voor uitzendingen door radio-omroeporganisaties en overeenkomsten betreffende zendtijd”.

Richtlijn 2014/24

5 Artikel 10, onder b), van richtlijn 2014/24 luidt:

„Deze richtlijn is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten betreffende:

[...]

  1. de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal bestemd voor audiovisuele mediadiensten of radio-omroepdiensten, die worden gegund door aanbieders van audiovisuele mediadiensten of radio-omroepdiensten, of opdrachten betreffende zendtijd of betreffende de levering van programma’s die worden gegund aan aanbieders van audiovisuele mediadiensten of radio-omroepdiensten. [...]”

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

6 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 6 van het bestreden arrest uiteengezet. Deze kan in het kader van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.

7 Bij besluiten C(2007) 5113 van 12 oktober 2007, C(2007) 6920 van 27 december 2007 en C(2008) 5344 van 25 september 2008 heeft de Europese Commissie respectievelijk de operationele programma’s „Opleidingen ten behoeve van concurrentievermogen”, „Onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van innovatie” en „Technische bijstand” goedgekeurd, die Tsjechië heeft voorgesteld krachtens artikel 32 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006, L 210, blz. 25).

8 Van 14 tot en met 16 april 2014 heeft de Commissie in het kader van met name deze operationele programma’s een audit uitgevoerd van de overheidsopdrachten voor omroepdiensten die Tsjechië had medegefinancierd uit de middelen van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF). In het auditrapport heeft de Commissie opgemerkt dat vier van deze overheidsopdrachten onderhands, zonder openbare bekendmaking, waren gegund. Volgens de Commissie was een dergelijke onderhandse gunning niet toegestaan, aangezien de in artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 bedoelde uitsluiting „betreffende de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal bestemd voor uitzendingen door radio-omroeporganisaties” (hierna: „litigieuze uitsluiting”) niet kon worden toegepast op deze opdrachten. In het bijzonder waren de vier betrokken opdrachten gegund door het ministerie van Regionale Ontwikkeling en het ministerie van Onderwijs, Jeugd en Sport, terwijl deze uitsluiting volgens de Commissie enkel gold voor aanbestedende diensten die omroeporganisaties waren.

9 Na een door de Commissie op 17 juni 2016 ingeleide financiëlecorrectieprocedure, waarbij Tsjechië heeft aangevoerd dat de litigieuze uitsluiting niet alleen geldt voor omroeporganisaties, maar ook voor iedere andere aanbestedende dienst, is de Commissie met het litigieuze besluit overgegaan tot nietigverklaring van een gedeelte van de steun uit het ESF voor het operationele programma Opleidingen ten behoeve van concurrentievermogen in het kader van de doelstellingen „Convergentie” en „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” in Tsjechië, alsmede van een gedeelte van de steun uit het EFRO voor de operationele programma’s Onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van innovatie in het kader van de doelstelling „Convergentie” in Tsjechië en Technische bijstand in het kader van de doelstellingen „Convergentie” en „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” in Tsjechië. Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie ten aanzien van de Tsjechische Republiek financiële correcties vastgesteld.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

10 Bij een op 18 september 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Tsjechische Republiek beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld. De Commissie heeft het Gerecht verzocht het beroep te verwerpen. In het kader van de procedure voor het Gerecht heeft de Republiek Polen geïntervenieerd aan de zijde van de Tsjechische Republiek.

11 De Tsjechische Republiek heeft ter onderbouwing van haar beroep in eerste aanleg een enkel middel aangevoerd dat betrekking had op schending van artikel 99, lid 1, onder a), van verordening nr. 1083/2006, gelezen in samenhang met artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18. In het bijzonder heeft de Tsjechische Republiek gesteld dat de onderhandse gunning in overeenstemming was met artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 en dat de financiële correcties van de Commissie derhalve ongerechtvaardigd waren. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht dit enige middel afgewezen en bijgevolg het beroep van deze lidstaat verworpen.

Conclusies van partijen voor het Hof

12 De Tsjechische Republiek verzoekt het Hof:

  • het bestreden arrest te vernietigen;

  • het litigieuze besluit nietig te verklaren, en

  • de Commissie te verwijzen in de kosten.

13 De Commissie verzoekt het Hof:

  • de hogere voorziening af te wijzen, en

  • de Tsjechische Republiek te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

Argumenten van partijen

14 Ter ondersteuning van haar beroep voert de Tsjechische Republiek één enkel middel aan dat betrekking heeft op schending van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18. Dit middel strekt ertoe aan te tonen dat de litigieuze uitsluiting in deze bepaling niet alleen geldt voor overheidsopdrachten voor diensten die geplaatst worden door omroeporganisaties als aanbestedende diensten.

15 Het enige middel van de Tsjechische Republiek bestaat uit vier reeksen argumenten die respectievelijk betrekking hebben op de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling en op de letterlijke, teleologische en systematische uitlegging ervan.

16 Met de reeks argumenten betreffende de ontstaansgeschiedenis van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 stelt de Tsjechische Republiek om te beginnen dat het voorstel van 13 december 1990 voor een richtlijn van de Commissie betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening [COM(1990) 372 def.], dat heeft geleid tot de vaststelling van richtlijn 92/50, weliswaar een uitsluiting bevatte die enkel betrekking had op de aankoop van programmamateriaal door omroeporganisaties, maar dat de reikwijdte van deze uitsluiting tijdens het wetgevingsproces is uitgebreid opdat ook de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal door omroeporganisaties eronder zouden vallen. In dergelijke gevallen zorgt de omroeporganisatie zelf voor de ontwikkeling, productie of coproductie van programmamateriaal. Bijgevolg is artikel 1, onder a), iv), van richtlijn 92/50 ook van toepassing op overheidsopdrachten waarbij de omroeporganisatie niet de aanbestedende dienst was, maar de medecontractant van deze dienst.

17 Vervolgens voert de Tsjechische Republiek aan dat uit het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de vaststelling van richtlijn 2004/18 en dat begon toen de Commissie het voorstel indiende voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, diensten en werken van 11 juli 2000 [COM(2000) 275 definitief], blijkt dat de Uniewetgever bij de omschrijving van de litigieuze uitsluiting het begrip „programmamateriaal bestemd voor uitzendingen” heeft ingevoerd. Daardoor is de nadruk op het voorwerp van de opdracht en op het gebruik ervan gelegd, en niet op degene die bij die opdracht als aanbestedende dienst fungeert.

18 Ten slotte betoogt de Tsjechische Republiek dat de Commissie met het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten van 20 december 2011 [COM(2011) 896 definitief], dat heeft geleid tot de vaststelling van richtlijn 2014/24, heeft voorgesteld de litigieuze uitsluiting te beperken tot aanbestedende diensten die omroeporganisaties zijn. Volgens deze lidstaat is de Commissie er ook op dit punt niet in geslaagd haar voorstel te realiseren, aangezien de uitsluiting van artikel 10, onder b), van richtlijn 2014/24, zoals vastgesteld door de Uniewetgever, ruimer is dan de Commissie had voorgesteld, en het bij deze uitsluiting niet van belang is wie als aanbestedende dienst fungeert. Bovendien beweert de Tsjechische Republiek dat de uitlegging die het Gerecht in punt 73 van het bestreden arrest aan artikel 10, onder b), van richtlijn 2014/24 heeft gegeven, onjuist is.

19 De Tsjechische Republiek leidt daaruit af dat de al bijna dertig jaar geldende uitsluiting van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 nooit is beperkt tot uitsluitend overeenkomsten voor overheidsopdrachten die zijn gesloten door als aanbestedende dienst optredende omroeporganisaties. Volgens deze lidstaat is de uitlegging die het Gerecht in het bestreden arrest aan artikel 16, onder b), heeft gegeven dus in strijd met de uitkomst van het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de vaststelling van die richtlijn en de uitkomst van andere wetgevingsprocessen ter zake, alsook met de bedoeling van de Uniewetgever daarbij.

20 Met de reeks argumenten betreffende de letterlijke uitlegging van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 voert de Tsjechische Republiek aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te willen erkennen dat de werkingssfeer van deze bepaling niet is beperkt tot overeenkomsten voor overheidsopdrachten die zijn gesloten door als aanbestedende dienst optredende omroeporganisaties.

21 Ten eerste maakt deze lidstaat, in herinnering brengend dat in punt 41 van het bestreden arrest wordt erkend dat de woorden „door radio-omroeporganisaties” zowel betrekking kunnen hebben op de aanbestedende dienst als op het voorwerp van de opdracht en de uitzending, het Gerecht het verwijt in de punten 55 en 56 van dat arrest te hebben geoordeeld dat er slechts in de Duitse versie een verband bestaat tussen de term „omroeporganisatie” en de term „programmamateriaal bestemd voor uitzending”, terwijl de andere versies geen duidelijkheid geven, en dat de uitlegging van de betrokken bepaling niet mag worden gebaseerd op één enkele taalversie. Volgens deze lidstaat wordt het bestaan van deze band eveneens bevestigd in andere versies, namelijk in de Tsjechische, de Griekse, de Engelse, de Franse, de Kroatische, de Litouwse, de Hongaarse, de Nederlandse, de Poolse, de Roemeense en de Slowaakse taalversie.

22 Ten tweede is de litigieuze uitsluiting, gesteld dat de woorden „door radio-omroeporganisaties” in artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 werkelijk verband houden met de woorden „de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal”, evenwel niet beperkt tot overeenkomsten voor overheidsopdrachten die zijn gesloten door als aanbestedende dienst optredende omroeporganisaties. Deze bepaling vermeldt immers niet uitdrukkelijk dat de omroeporganisatie de aanbestedende dienst voor de betrokken overheidsopdracht moet zijn. Indien een omroeporganisatie de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal ter hand neemt en dus de dienst verricht, kan zij volgens de Tsjechische Republiek niet de aanbestedende dienst voor de overheidsopdracht zijn. Bijgevolg stelt de Tsjechische Republiek dat het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest haar betoog waarnaar in dit punt wordt verwezen, ten onrechte heeft afgewezen.

23 Met haar reeks argumenten betreffende de teleologische uitlegging van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 stelt de Tsjechische Republiek ten eerste dat het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest ten onrechte heeft vastgesteld dat overweging 25 van richtlijn 2004/18 geen steun biedt voor haar argument dat de litigieuze uitsluiting alleen geldt voor overheidsopdrachten voor diensten betreffende programmamateriaal bestemd voor uitzendingen, ongeacht wie de aanbestedende dienst is. Deze lidstaat benadrukt dat de reikwijdte van de litigieuze uitsluiting volgens deze overweging niet wordt afgebakend aan de hand van de vraag wie de aanbestedende dienst is maar ervan afhangt waarop de opdracht betrekking heeft. Voorts meent deze lidstaat dat deze vaststelling onvermijdelijk is omdat de omroeporganisaties in deze overweging niet worden genoemd.

24 Ten tweede heeft het Gerecht volgens de Tsjechische Republiek in punt 49 van het bestreden arrest ten onrechte vastgesteld dat de invoeging van de woorden „bestemd voor uitzendingen” in artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 strookt met de bedoeling van de Uniewetgever om „uitdrukkelijk te verwijzen naar door omroeporganisaties geplaatste overheidsopdrachten voor diensten betreffende programmamateriaal dat is bestemd om via enig elektronisch communicatienetwerk, met inbegrip van het internet, te worden uitgezonden”. De Tsjechische Republiek betoogt dat deze bepaling er zelfs zonder de toevoeging van de woorden „bestemd voor uitzendingen”, geen twijfel over laat bestaan dat de programma’s via elk elektronisch netwerk kunnen worden uitgezonden, en is van mening dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat deze vaststelling in overeenstemming is met de geest van de laatste volzin van overweging 25 van richtlijn 2004/18, waarin staat te lezen dat „[o]nder uitzending dient te worden verstaan het uitzenden en verspreiden via enig elektronisch netwerk”.

25 Ten derde is de Tsjechische Republiek van oordeel dat het Gerecht het doel van de litigieuze uitsluiting ten onrechte heeft afgeleid uit het arrest van 13 december 2007 in zaak C‑337/06, Bayerischer Rundfunk e.a./Commissie (C‑337/06, EU:C:2007:786 ). Om te beginnen had de zaak die tot dat arrest heeft geleid, zoals blijkt uit de punten 2, 23 en 29 ervan, immers betrekking op de vraag of de Duitse publiekrechtelijke omroeporganisaties, gelet op de wijze waarop zij worden gefinancierd, aanbestedende diensten in de zin van richtlijn 2004/18 waren en of de uitsluiting betreffende programmamateriaal ook betrekking had op schoonmaakdiensten. Deze lidstaat voert ten eerste aan dat het oordeel in punt 62 van dat arrest, waarin is vastgesteld dat de litigieuze uitsluiting betrekking had op overheidsopdrachten voor diensten die te maken hadden met de eigen functie van publiekrechtelijke omroeporganisaties, logischerwijs voortvloeide uit het feit dat het Hof een onderscheid maakte tussen schoonmaakwerkzaamheden en het produceren van programma’s en ten tweede dat het Hof naar het openbare karakter heeft verwezen zonder de bedoeling een nieuwe voorwaarde voor de toepassing van die uitsluiting te scheppen.

26 Voorts betoogt de Tsjechische Republiek dat de uiteenzetting van het Gerecht in de punten 38 en 39 van het bestreden arrest – namelijk dat de litigieuze uitsluiting haar grondslag vindt in de opdracht tot openbare dienstverlening van de publiekrechtelijke omroeporganisaties en dat de aanbestedende diensten die niet een dergelijke publieke taak vervullen, niet onder deze uitsluiting vallen – geen steun vindt in het arrest van 13 december 2007, Bayerischer Rundfunk e.a. (C‑337/06, EU:C:2007:786 ), zelfs al moet worden uitgegaan van de bevindingen van dat arrest. Daaruit volgt immers niet dat de opdracht tot openbare dienstverlening van de publiekrechtelijke omroeporganisaties, die de litigieuze uitsluiting rechtvaardigt, enkel moet worden beschermd wanneer de omroeporganisatie de aanbestedende dienst is. De litigieuze uitsluiting geldt dus ook voor de werkzaamheden van een omroeporganisatie die actief is als leverancier van programma’s zonder daarbij de aanbestedende dienst te zijn.

27 Met de reeks argumenten betreffende de systematische uitlegging van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 betoogt de Tsjechische Republiek dat de onjuistheid van de door het Gerecht aan deze bepaling gegeven uitlegging ook blijkt uit het feit dat in deze bepaling nog een andere uitsluiting is opgenomen, voor overheidsopdrachten inzake overeenkomsten betreffende zendtijd. Bij dergelijke opdrachten kan er geen twijfel over bestaan dat de omroeporganisatie niet de hoedanigheid van aanbestedende dienst kan hebben, maar de aanbieder moet zijn van de kenmerkende dienst, namelijk haar eigen zendtijd. Deze lidstaat benadrukt dat het Gerecht dit niet betwist en verwijst dienaangaande naar punt 61 van het bestreden arrest.

28 Volgens de Commissie moeten de door de Tsjechische Republiek in haar hogere voorziening aangevoerde argumenten in hun geheel worden verworpen en moet deze hogere voorziening worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

29 Met de reeks argumenten betreffende de letterlijke uitlegging van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18, die in de eerste plaats moet worden onderzocht, voert de Tsjechische Republiek aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te willen erkennen dat de litigieuze uitsluiting volgens de bewoordingen van deze bepaling niet beperkt is tot overeenkomsten voor overheidsopdrachten die zijn gesloten door als aanbestedende dienst optredende omroeporganisaties.

30 Wat om te beginnen de in punt 21 van het dit arrest aangevoerde argumenten betreft, moet worden opgemerkt dat de Tsjechische Republiek, gesteld al dat sommige door deze lidstaat genoemde taalversies van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 de door hem voorgestane letterlijke uitlegging van deze bepaling kunnen bevestigen, er hoe dan ook niet in slaagt aan te tonen dat er geen verschillen zijn tussen de taalversies van deze bepaling en evenmin de vaststelling in punt 41 van het bestreden arrest heeft kunnen weerleggen dat de uitdrukking „door radio-omroeporganisaties” zowel kan verwijzen naar „de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal” als naar „uitzendingen”.

31 Evenzo blijkt dat er onderling uiteenlopende taalversies van deze bepaling zijn ontstaan doordat de Uniewetgever de uitdrukking „bestemd voor uitzendingen” in de bewoordingen van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 heeft opgenomen, wat een bron van grammaticale dubbelzinnigheid vormt. Geen van de door de Tsjechische Republiek in dit verband aangevoerde argumenten ontkracht het feit dat door het gebruik van deze uitdrukking de meeste taalversies van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 grammaticaal gezien niet eenduidig zijn geworden, zoals het Gerecht in de punten 41 en 52 tot en met 54 van het bestreden arrest heeft opgemerkt.

32 Zoals de advocaat-generaal in de punten 77 tot en met 79 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, komt deze uitdrukking bovendien niet voor in de Bulgaarse en de Sloveense versie van deze bepaling en worden door dit verzuim de verschillen tussen de taalversies van die bepaling vergroot.

33 Het Gerecht heeft er in punt 55 van het bestreden arrest dan ook terecht aan herinnerd dat Unierechtelijke bepalingen uniform moeten worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de tekst in alle talen van de Unie (arrest van 6 juni 2018, Tarragó da Silveira, C‑250/17, EU:C:2018:398, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling in geval van verschillen tussen de taalversies ervan, moet worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie in die zin arrest van 7 juli 2016, Ambisig, C‑46/15, EU:C:2016:530, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 In die omstandigheden kan het Gerecht niet worden verweten dat het in punt 41 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat voor de uitlegging van die bepaling rekening moest worden gehouden met de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en met de context ervan, en evenmin valt het Gerecht zijn gevolgtrekking in punt 56 van het bestreden arrest te verwijten dat, gelet op de dubbelzinnigheid van verschillende versies van de betrokken bepaling, de argumenten die de Tsjechische Republiek aan de bewoordingen van deze bepaling ontleende, ongegrond waren en dus moesten worden verworpen.

35 Voorts moet om dezelfde redenen worden opgemerkt dat het in punt 22 van het onderhavige arrest vermelde betoog van de Tsjechische Republiek, voor zover het is gebaseerd op een van de mogelijke lezingen van de bewoordingen van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18, op zich niet kan afdoen aan de vaststellingen van het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest, die het Gerecht ertoe hebben gebracht de door deze lidstaat voorgestelde uitlegging van deze bepaling te verwerpen.

36 Hoe dan ook is de mogelijkheid dat omroeporganisaties als leverancier optreden, geenszins van invloed op de vraag of onder de aanbestedende diensten alleen omroeporganisaties gebruik mogen maken van de litigieuze uitsluiting.

37 In de tweede plaats moet de reeks argumenten van de Tsjechische Republiek betreffende de ontstaansgeschiedenis van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 worden onderzocht.

38 Wat het in punt 16 van dit arrest vermelde argument betreft, betwist de Tsjechische Republiek niet dat volgens het oorspronkelijke voorstel van de Commissie dat tot richtlijn 92/50 heeft geleid en waarin een uitsluiting voor de aankoop van programmamateriaal door omroeporganisaties was opgenomen, deze uitsluiting slechts zou gelden voor opdrachten waarbij de aanbestedende dienst een omroeporganisatie is.

39 Zoals de Commissie terecht aanvoert, hebben de amendementen waarmee het aanvankelijke voorstel van de Commissie tijdens deze wetgevingsprocedure is gewijzigd en waarop deze lidstaat zich beroept, de soorten diensten die onder de litigieuze uitsluiting vallen, verduidelijkt en aangevuld. Uit een dergelijke wijziging van de materiële werkingssfeer van deze uitsluiting kan echter niet worden afgeleid dat door deze amendementen meer instellingen voor deze uitsluiting in aanmerking komen.

40 Met betrekking tot het in punt 17 van dit arrest genoemde argument inzake het wetgevingsproces dat tot de vaststelling van richtlijn 2004/18 heeft geleid, moet worden opgemerkt dat de wijzigingen van de omschrijving van de litigieuze uitsluiting niet zijn aangebracht om meer nadruk te leggen op de voorwaarde inzake het voorwerp van de opdracht in plaats van op de vraag wie de aanbestedende dienst is. De Uniewetgever heeft de woorden „bestemd voor uitzendingen” immers in de formulering van deze uitsluiting opgenomen omdat er een aanpassing aan de technologische vooruitgang nodig was – namelijk de uitbreiding van de verspreiding via internet – zoals met name blijkt uit de laatste zin van overweging 25 van richtlijn 2004/18.

41 In dit verband zij eraan herinnerd dat in de aanbeveling van het Europees Parlement voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten van 19 juni 2003 (A5‑0242/2003 definitieve versie), wordt verwezen naar de invoeging van de woorden „bestemd voor uitzendingen” in artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18. In dit document wordt op bladzijde 22 voor amendement 25 de volgende motivering gegeven: „[d]e richtlijn sluit reeds om redactionele en creatieve redenen de verwerving, ontwikkeling, productie of coproductie van programma’s door omroeporganisaties en contracten voor zendtijd van het toepassingsgebied van de richtlijn uit. Dit amendement beoogt duidelijk te maken dat deze uitzondering om dezelfde creatieve en redactionele redenen eveneens betrekking heeft op internetinformatieactiviteiten van omroeporganisaties.”

42 Ook het advies van de Commissie over de amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 14 augustus 2003 [COM(2003) 503 definitief] bevat een verwijzing naar deze invoeging. Op bladzijde 4 van dit document wordt met betrekking tot amendement 25 uiteengezet dat dit amendement „volgens de motivering [ervan] artikel 16, onder b), [wijzigt] teneinde te verduidelijken dat de uitsluiting ook moet gelden voor radio-omroeporganisaties op het gebied van internet”.

43 Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de invoeging van de woorden „bestemd voor uitzendingen” in artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 niet duidt op de intentie om de reikwijdte van de litigieuze uitsluiting uit te breiden tot opdrachten die door een aanbestedende dienst worden gegund voor programmamateriaal dat bestemd is om door omroeporganisaties te worden uitgezonden.

44 Aangaande in de derde plaats de reeks argumenten betreffende de teleologische uitlegging van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18, moet worden opgemerkt dat het in punt 24 van het onderhavige arrest vermelde betoog van de Tsjechische Republiek om de in de punten 40 tot en met 43 uiteengezette redenen moet worden afgewezen.

45 De argumenten van deze lidstaat die in de punten 23, 25 en 26 van dit arrest zijn vermeld, kunnen evenmin slagen.

46 Vastgesteld moet immers worden dat het Gerecht in punt 31 van het bestreden arrest heeft opgemerkt dat artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 de toepassing van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten uitsluit voor bepaalde audiovisuele omroepdiensten, teneinde overeenkomstig overweging 25 van deze richtlijn rekening te houden met overwegingen van cultureel en sociaal belang waardoor een dergelijke toepassing niet geschikt is. In overweging 25 wordt weliswaar niet verwezen naar omroeporganisaties, zoals de Tsjechische Republiek opmerkt, maar die vaststelling kan de door het Gerecht gegeven uitlegging niet ontkrachten of bevestigen.

47 Bovendien, ook al verschillen de omstandigheden van de onderhavige zaak van die welke in het arrest van 13 december 2007, Bayerischer Rundfunk e.a. (C‑337/06, EU:C:2007:786 ) aan de orde waren, het Gerecht heeft in de punten 35 tot en met 38 van het bestreden arrest terecht in herinnering gebracht dat uit dat arrest, en in het bijzonder uit de punten 62 en 64 ervan, blijkt dat het Hof, gelet op met name voornoemde overweging 25, heeft verduidelijkt dat de uitsluiting van de toepassing van de richtlijn inzake overheidsopdrachten voor diensten uitsluitend betrekking heeft op overheidsopdrachten voor diensten die te maken hadden met de eigen functie van omroeporganisaties. Overheidsopdrachten voor diensten die niet in verband staan met activiteiten die betrekking hebben op de vervulling van de eigenlijke taak van de publiekrechtelijke omroeporganisaties tot het verlenen van een openbare dienst, zijn daarentegen volledig onderworpen aan de Unierechtelijke regels.

48 Opgemerkt moet worden dat artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18, gelet op het uitzonderingskarakter ervan, strikt moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 6 december 2017, Compania Naţională de Administrare a Infrastructurii Rutiere, C‑408/16, EU:C:2017:940, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De litigieuze uitsluiting moet dus aldus worden uitgelegd dat zij uitsluitend betrekking heeft op opdrachten die de omroeporganisaties in hun hoedanigheid van aanbestedende diensten plaatsen ter uitvoering van hun eigen taak inzake het verlenen van een openbare dienst.

49 Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 39 van het bestreden arrest vast te stellen dat de litigieuze uitsluiting alleen betrekking heeft op aanbestedende diensten die omroeporganisaties zijn, en in punt 57 van dat arrest het tegenargument van de Tsjechische Republiek te verwerpen.

50 Aangaande in de vierde en laatste plaats de door de Tsjechische Republiek aangevoerde en in punt 27 van dit arrest vermelde reeks argumenten waarmee deze lidstaat de systematische uitlegging betwist die het Gerecht aan artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 heeft gegeven, moet worden vastgesteld dat deze argumenten niet kunnen slagen.

51 Om te beginnen heeft het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest immers, zonder dat dit door de Tsjechische Republiek is betwist, over de uitsluitingen van artikel 16 vastgesteld dat die konden worden gedefinieerd op basis van het voorwerp van de betrokken opdrachten, op basis van de identiteit van de dienstverlener, of zowel op basis van het voorwerp ervan als op basis van de op de aanbestedende dienst toepasselijke voorwaarden. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat „niets eraan in de weg staat dat verschillende onder eenzelfde letter van artikel 16 van richtlijn 2004/18 vallende opdrachten, met name gelet op hun voorwerp, hun aanbestedende dienst of hun dienstverlener, verschillend worden omschreven”. Bij een systematische uitlegging is het derhalve denkbaar dat voor de toepassing van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 opdrachten voor zendtijd zowel door omroeporganisaties als door andere aanbestedende diensten kunnen worden geplaatst, terwijl de opdrachten voor programmamateriaal overeenkomstig het met de litigieuze uitsluiting nagestreefde doel enkel door omroeporganisaties kunnen worden geplaatst.

52 Vervolgens moet erop worden gewezen dat de Tsjechische Republiek, zoals de Commissie vaststelt, geen bezwaren uit over de punten 50 en 51 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op een ander aspect waarmee rekening moet worden gehouden bij een systematische uitlegging van artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18. Daaruit volgt dat de diensten waarop de in deze bepaling bedoelde opdrachten betrekking hebben, ook onder de uitzondering vallen die is opgenomen in voetnoot 3 van bijlage II B bij deze richtlijn, in de versie zoals gewijzigd bij verordening nr. 213/2008 van de Commissie van 28 november 2007 (PB 2008, L 74, blz. 1), en betrekking heeft op „overeenkomsten voor de aankoop, ontwikkeling, productie of coproductie van programmamateriaal door radio-omroeporganisaties en overeenkomsten betreffende zendtijd”. Omwille van de interne samenhang van richtlijn 2004/18 moeten de litigieuze uitsluiting en de uitsluiting in deze voetnoot 3 worden geacht dezelfde strekking te hebben. De formulering van voetnoot 3 bevestigt dat opdrachten voor zendtijd weliswaar zowel door omroeporganisaties als door andere aanbestedende diensten kunnen worden geplaatst, maar dat bij opdrachten voor programmamateriaal alleen de omroeporganisaties worden bedoeld.

53 Aangezien ten slotte geen van de partijen de vaststelling in de laatste zin van punt 73 van het bestreden arrest betwist waarin is geoordeeld dat richtlijn 2014/24 temporeel niet van toepassing was op de feiten van het geding, zoals de Tsjechische Republiek zelf voor het Gerecht heeft benadrukt, moet worden vastgesteld dat de argumenten die zijn ontleend aan de bepalingen van deze richtlijn en aan de wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, zoals de in punt 18 van dit arrest vermelde argumenten, de uitlegging die het Gerecht in casu aan artikel 16, onder b), van richtlijn 2004/18 heeft gegeven, niet kunnen ontkrachten.

54 Aangezien alle ter ondersteuning van het enige middel van de hogere voorziening aangevoerde argumenten zijn verworpen, moet dit middel worden verworpen en moet de hogere voorziening worden afgewezen.

Kosten

55 Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dit is gevorderd.

56 Aangezien de Tsjechische Republiek met betrekking tot haar enige middel in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
  1. De hogere voorziening wordt afgewezen.

  2. De Tsjechische Republiek draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.

ondertekeningen