Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 25 november 2021
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 25 november 2021
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 25 november 2021
Uitspraak
Arrest van het Hof (Zevende kamer)
25 november 2021(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 2003/88/EG - Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers - Artikel 7, lid 1 - Recht op financiële vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon vóór het einde van het dienstverband - Voortijdige beëindiging van het dienstverband door toedoen van de werknemer”"
In zaak C‑233/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 29 april 2020, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2020, in de procedure
WD
tegenjob-medium GmbH, in liquidatie
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: I. Ziemele (rapporteur), president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, T. von Danwitz en A. Kumin, rechters,
advocaat-generaal: G. Hogan,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
WD, vertegenwoordigd door G. Storch en R. Storch, Rechtsanwälte,
-
job-medium GmbH, in liquidatie, vertegenwoordigd door F. Marhold, Rechtsanwalt,
-
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en C. Leeb als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en C. Valero als gemachtigden,
-
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 april 2021,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9) en artikel 31 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen WD en zijn voormalige werkgever, job-medium GmbH, in liquidatie, over de weigering van job-medium om WD een financiële vergoeding te betalen voor de jaarlijkse vakantie die niet vóór het einde van het dienstverband was opgenomen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In de overwegingen 4 en 5 van richtlijn 2003/88 staat te lezen:
„(4) De verbetering van de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid van de werknemers op het werk is een doelstelling die niet aan overwegingen van zuiver economische aard ondergeschikt mag worden gemaakt.
(5) Voor alle werknemers moeten passende rusttijden gelden. Het begrip ‚rusttijd’ moet worden uitgedrukt in tijdseenheden, dat wil zeggen in dagen, uren en/of delen daarvan. De werknemers in de Gemeenschap moeten – dagelijkse, wekelijkse en jaarlijkse – minimumrusttijden en voldoende pauzes genieten. In dit verband dient ook een maximale duur voor de werkweek te worden vastgesteld.”
4 Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Doel en toepassingsgebied”, bepaalt:
„1.[…]”
5 Artikel 7 van die richtlijn, met als opschrift „Jaarlijkse vakantie”, bepaalt:
„1.De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
2.De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”
6 Artikel 23 van dezelfde richtlijn, met als opschrift „Beschermingsniveau”, luidt:
„Onverminderd het recht van de lidstaten om, in het licht van de ontwikkeling van de situatie, andersluidende wettelijke, bestuursrechtelijke en contractuele bepalingen aan te nemen op het gebied van de arbeidstijd en mits de hand wordt gehouden aan de minimumeisen van deze richtlijn, vormt de tenuitvoerlegging van deze richtlijn geen rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers.”
Oostenrijks recht
7 § 10 van het Urlaubsgesetz (wet betreffende vakanties; hierna: „UrlG”) van 7 juli 1976 (BGBl. I, 3/2013) luidt:
„(1)Op de datum van beëindiging van het dienstverband heeft de werknemer, voor het referentiejaar waarin het dienstverband wordt beëindigd, recht op een vervangende vergoeding ter compensatie van de vakantie naar rato van de diensttijd die gedurende het volledige referentiejaar is vervuld. Reeds opgenomen vakantie wordt in mindering gebracht op de pro rata temporis verschuldigde jaarlijkse vakantie. […]
(2)Er is geen vergoeding verschuldigd wanneer de werknemer het dienstverband zonder gewichtige reden voortijdig beëindigt.
(3)Voor niet-opgebouwde vakantie met betrekking tot vroegere referentiejaren heeft de werknemer, in plaats van de nog verschuldigde vakantievergoeding, recht op een vergoeding die overeenkomt met de volledige nog verschuldigde vakantievergoeding, voor zover het recht op vakantie niet is verjaard.
[…]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 WD was in dienst van job-medium van 15 juni 2018 tot en met 9 oktober 2018, de datum waarop WD door een voortijdige en onregelmatige ontslagname het dienstverband heeft beëindigd. In de loop van de diensttijd heeft WD 7,33 dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon opgebouwd, waarvan hij tijdens de diensttijd 4 dagen heeft opgenomen. Op de datum waarop het dienstverband is beëindigd, had WD nog recht op 3,33 vakantiedagen. Job-medium heeft op grond van § 10, lid 2, UrlG geweigerd om hem de financiële vergoeding voor deze niet-opgenomen dagen te betalen, wat overeenkwam met een bedrag van 322,06 EUR.
9 WD is van mening dat deze bepaling in strijd is met het Unierecht en heeft een beroep strekkende tot betaling van deze financiële vergoeding ingesteld.
10 Zijn beroep is in eerste aanleg en in hoger beroep op grond van § 10, lid 2, UrlG verworpen.
11 Het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), bij wie beroep in Revision tegen de in hoger beroep gewezen beslissing aanhangig is gemaakt, verduidelijkt dat het verlies van het recht op betaling van de vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie, neergelegd in § 10, lid 2, UrlG, beperkt is tot het geval waarin de werknemer tijdens de diensttijd zonder gewichtige reden ontslag neemt. In deze context vormt elke omstandigheid waarbij van de werknemer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij de arbeidsverhouding voortzet, een „gewichtige reden”.
12 De verwijzende rechter wijst erop dat deze bepaling enerzijds beoogt de werknemer een prikkel te verschaffen om hem ervan te weerhouden het dienstverband voortijdig en zonder reden te beëindigen en anderzijds een economisch doel heeft, namelijk de financiële lasten verlichten van een werkgever die wordt geconfronteerd met het onvoorzienbare vertrek van een zijn werknemers.
13 De verwijzende rechter betwijfelt evenwel of § 10, lid 2, UrlG verenigbaar is met artikel 7 van richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het Hof, en met artikel 31, lid 2, van het Handvest.
14 In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Is een nationale bepaling volgens welke geen financiële vergoeding voor niet-opgenomen vakantiedagen voor het lopende (laatste) dienstjaar verschuldigd is wanneer de werknemer zonder gewichtige reden voortijdig en eenzijdig het dienstverband beëindigt (‚ontslag neemt’) verenigbaar met artikel 31, lid 2, van het [Handvest] en artikel 7 van [richtlijn 2003/88]?
Zo neen, moet dan aanvullend worden onderzocht of het voor de werknemer onmogelijk was om zijn vakantie op te nemen? Aan de hand van welke criteria moet dit worden beoordeeld?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
15 Job-medium betoogt dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn omdat de verwijzende rechter niet verplicht was zich tot het Hof te wenden, aangezien de oplossing van het hoofdgeding duidelijk is in het licht van het Unierecht en de bestaande rechtspraak.
16 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie niet verplicht is om zich tot het Hof te wenden of dat het antwoord op een verzoek om een prejudiciële beslissing duidelijk zou zijn in het licht van het Unierecht, krachtens het Reglement voor de procesvoering van het Hof geen weerslag heeft op de ontvankelijkheid van een dergelijk verzoek.
17 Bovendien is het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend de taak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C‑510/19, EU:C:2020:953, punt 25 ].
18 Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren op een prejudiciële vraag van een nationale rechter te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te geven [arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C‑510/19, EU:C:2020:953, punt 26 ].
19 Volgens de verwijzende rechter is WD op grond van § 10, lid 2, UrlG de betaling geweigerd van de financiële vergoeding voor niet-opgenomen vakantie bij de beëindiging van zijn dienstverband met job-medium, omdat hij dat dienstverband zonder gewichtige reden voortijdig heeft beëindigd.
20 In het licht van deze omstandigheden betwijfelt de verwijzende rechter of deze bepaling verenigbaar is met artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 en artikel 31, lid 2, van het Handvest.
21 Het is bijgevolg duidelijk dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht en dat het antwoord op deze vragen nuttig en relevant is voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding.
22 De prejudiciële vragen zijn derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
Eerste vraag
23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 van richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van artikel 31, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht op grond waarvan voor het lopende (laatste) dienstjaar geen financiële vergoeding voor niet-opgenomen vakantiedagen verschuldigd is, wanneer de werknemer zonder gewichtige reden voortijdig en eenzijdig het dienstverband beëindigt.
24 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat het recht van elke werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon volgens vaste rechtspraak van het Hof moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in richtlijn 2003/88 (zie in die zin arrest van 12 juni 2014, Bollacke, C‑118/13, EU:C:2014:1755, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 weerspiegelt en concretiseert aldus het grondrecht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon, dat in artikel 31, lid 2, van het Handvest is neergelegd (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Commissie en Raad/Carreras Sequeros e.a., C‑119/19 P en C‑126/19 P, EU:C:2020:676, punt 115 ).
26 Derhalve mag het recht op jaarlijks betaald verlof niet restrictief worden uitgelegd (arresten van 8 november 2012, Heimann en Toltschin, C‑229/11 en C‑230/11, EU:C:2012:693, punt 23 , en 25 juni 2020, Varhoven kasatsionen sad na Republika Bulgaria en Iccrea Banca, C‑762/18 en C‑37/19, EU:C:2020:504, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Bovendien volgt uit de bewoordingen van richtlijn 2003/88 en uit de rechtspraak van het Hof dat het weliswaar aan de lidstaten staat om de voorwaarden voor de uitoefening en de tenuitvoerlegging van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vast te leggen, maar zij het ontstaan zelf van dit rechtstreeks uit deze richtlijn voortvloeiende recht niet van enigerlei voorwaarde afhankelijk mogen stellen (arrest van 25 juni 2020, Varhoven kasatsionen sad na Republika Bulgaria en Iccrea Banca, C‑762/18 en C‑37/19, EU:C:2020:504, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In dit verband zij eraan herinnerd dat het bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 aan elke werknemer toegekende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon tot doel heeft de werknemer in staat te stellen om uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken en om over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. Dit doel, dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon onderscheidt van andere soorten vakantie waarmee andere doelstellingen worden nagestreefd, is gebaseerd op de premisse dat de werknemer tijdens de referentieperiode daadwerkelijk heeft gewerkt (arresten van 4 oktober 2018, Dicu, C‑12/17, EU:C:2018:799, punten 27 en 28 , en 25 juni 2020, Varhoven kasatsionen sad na Republika Bulgaria en Iccrea Banca, C‑762/18 en C‑37/19, EU:C:2020:504, punten 57 en 58 ).
29 Hieraan dient te worden toegevoegd dat het recht op jaarlijkse vakantie slechts een van de twee aspecten uitmaakt van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon als wezenlijk beginsel van sociaal recht van de Unie. Dat grondrecht omvat aldus tevens een recht op het ontvangen van een geldbedrag alsook – als recht dat wezenlijk verbonden is met dat recht op jaarlijkse vakantie „met behoud van loon” – het recht op een financiële vergoeding voor de jaarlijkse vakantie die bij de beëindiging van het dienstverband niet is opgenomen (arrest van 25 juni 2020, Varhoven kasatsionen sad na Republika Bulgaria en Iccrea Banca, C‑762/18 en C‑37/19, EU:C:2020:504, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Wanneer de arbeidsverhouding eindigt, is daadwerkelijk opnemen van jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet langer mogelijk. Om te voorkomen dat de werknemer daardoor verstoken blijft van dit recht, zelfs in de vorm van een financiële vergoeding, bepaalt artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 dat de werknemer recht heeft op een financiële vergoeding (arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 56 ).
31 Uit vaste rechtspraak volgt tevens dat artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 voor het ontstaan van het recht op een financiële vergoeding geen andere voorwaarde stelt dan dat de arbeidsverhouding is beëindigd en de werknemer niet alle jaarlijkse vakantie heeft opgenomen waarop hij op de datum van de beëindiging van die verhouding recht had (arresten van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C‑569/16 en C‑570/16, EU:C:2018:871, punt 44 , en 25 juni 2020, Varhoven kasatsionen sad na Republika Bulgaria en Iccrea Banca C‑762/18 en C‑37/19, EU:C:2020:504, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 De reden voor de beëindiging van het dienstverband is bijgevolg irrelevant voor het in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 neergelegde recht op een financiële vergoeding (zie in die zin arrest van 20 juli 2016, Maschek, C‑341/15, EU:C:2016:576, punt 28 ).
33 In casu heeft de werknemer volgens de verwijzende rechter daadwerkelijk gewerkt gedurende de referentieperiode. Aldus heeft hij recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon opgebouwd, waarvan een deel bij de beëindiging van het dienstverband nog niet was opgenomen. De financiële vergoeding voor de niet-opgenomen verlofdagen is hem ontzegd op de enkele grond dat hij het dienstverband voortijdig en zonder gewichtige reden heeft beëindigd.
34 Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft de omstandigheid dat een werknemer op eigen initiatief een einde maakt aan zijn dienstverband geen enkele weerslag op zijn recht om in voorkomend geval een financiële vergoeding te ontvangen voor het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat hij voor het einde van zijn dienstverband niet volledig heeft kunnen benutten.
35 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 7 van richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van artikel 31, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht op grond waarvan voor het lopende (laatste) dienstjaar geen financiële vergoeding verschuldigd is voor niet-opgenomen vakantiedagen wanneer de werknemer zonder gewichtige reden voortijdig en eenzijdig het dienstverband beëindigt.
Tweede vraag
36 Met zijn tweede vraag die in punt 14 van het onderhavige arrest is vermeld en waarover het Hof zich dient uit te spreken indien zijn eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de nationale rechter in wezen te vernemen in hoeverre en volgens welke criteria hij dient te onderzoeken of het voor de werknemer onmogelijk was om zijn vakantie met behoud van loon op te nemen.
37 Aangezien uit de punten 30 tot en met 32, 34 en 35 van het onderhavige arrest volgt dat de werknemer hoe dan ook recht heeft op vergoeding voor de niet-opgenomen vakantiedagen met behoud van loon, ongeacht de reden waarom hij deze dagen niet heeft kunnen opnemen, hoeft de nationale rechter niet te onderzoeken of het voor deze werknemer onmogelijk was om deze vakantiedagen met behoud van loon op te nemen.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
-
Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, gelezen in het licht van artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht op grond waarvan voor het lopende (laatste) dienstjaar geen financiële vergoeding verschuldigd is voor niet-opgenomen vakantiedagen wanneer de werknemer zonder gewichtige reden voortijdig en eenzijdig het dienstverband beëindigt.
-
De nationale rechter hoeft niet te onderzoeken of het voor de werknemer onmogelijk was om de vakantiedagen met behoud van loon waarop hij recht had op te nemen.
ondertekeningen