„Onverminderd dit verdrag worden degenen die woonplaats hebben op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat.”
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 30 september 2021
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 30 september 2021
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 30 september 2021
Uitspraak
Arrest van het Hof (Zesde kamer)
30 september 2021(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen - Burgerlijke en handelszaken - Lugano II-Verdrag - Artikel 15, lid 1, onder c) - Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten - Overbrenging van de woonplaats van de consument naar een andere door het verdrag gebonden staat”"
In zaak C‑296/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 12 mei 2020, ingekomen bij het Hof op 3 juli 2020, in de procedure
Commerzbank AG
tegenE.O.,
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, C. Toader (rapporteur) en M. Safjan, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
Commerzbank AG, vertegenwoordigd door N. Tretter, Rechtsanwalt,
-
de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door M. Schöll als gemachtigde,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en I. Zaloguin als gemachtigden,
-
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2021,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend op 30 oktober 2007, waarvan de sluiting namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1; hierna: „Lugano II-Verdrag”), en met name artikel 15, lid 1, onder c), en artikel 16, lid 2, ervan.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Commerzbank AG en E.O. over de terugbetaling van een schuld wegens een negatief saldo op de rekening-courant van E.O.
Toepasselijke bepalingen
3 Zoals blijkt uit de „Informatie over de datum van inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007” (PB 2011, L 138, blz. 1), is het Lugano II-Verdrag tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat in werking getreden op 1 januari 2011.
4 Titel II van het Lugano II-Verdrag, met als opschrift „Bevoegdheid”, omvat onder afdeling 1, „Algemene bepalingen”, de artikelen 2 tot en met 4.
5 Artikel 2 bepaalt in lid 1:
6 Artikel 3 bepaalt in lid 1:
„Degenen die op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere door dit verdrag gebonden staat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van deze titel gegeven regels.”
7 Artikel 5 van het Lugano II-Verdrag is opgenomen in titel II, afdeling 2 („Bijzondere bevoegdheid”), en bepaalt in punt 1:
„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, kan in een andere door dit verdrag gebonden staat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
[...]
voor de verstrekking van diensten, de plaats in een door dit verdrag gebonden staat waar de diensten volgens de overeenkomst werden verstrekt of hadden moeten worden verstrekt;
punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;
[...]”
8 Titel II van het Lugano II-Verdrag heeft een afdeling 4, „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, waarvan artikel 15, lid 1, luidt als volgt:
„Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5, wanneer:
[...]
het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken;
in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de door dit verdrag gebonden staat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die staat, of op meerdere staten met inbegrip van die staat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.”
9 Artikel 16 van dit verdrag bepaalt in lid 2:
„De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de door dit verdrag gebonden staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”
10 Artikel 17 van dit verdrag luidt:
„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:
gesloten na het ontstaan van het geschil, of
die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of
waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde door dit verdrag gebonden staat hebben, de gerechten van die staat bevoegd verklaren, tenzij de wetgeving van die staat dergelijke overeenkomsten verbiedt.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Commerzbank, een vennootschap naar Duits recht, heeft haar hoofdkantoor in Frankfurt am Main (Duitsland).
12 In 2009 heeft E.O., die destijds woonachtig was in Dresden (Duitsland), een rekening-courant geopend bij een bijkantoor van Commerzbank, dat ook in Dresden was gevestigd. Commerzbank heeft aan E.O. een creditcard verstrekt.
13 In 2014 heeft E.O. zijn woonplaats naar Zwitserland overgebracht.
14 Uit de door de appelrechter vastgestelde feiten blijkt dat Commerzbank een negatief saldo op de rekening-courant van E.O. gedoogde.
15 In januari 2015 wilde E.O. de zakelijke relatie met Commerzbank beëindigen. De rekening-courant vertoonde op dat moment een negatief saldo van 6 283,37 EUR. E.O. weigerde dit saldo te betalen op grond dat derden zijn creditcard frauduleus hadden gebruikt.
16 Na E.O. verscheidene malen zonder succes te hebben aangemaand het betrokken debetsaldo terug te betalen, heeft Commerzbank in april 2015 de „kredietrelatie” tussen partijen met onmiddellijke ingang beëindigd en een in haar voordeel opeisbaar debetsaldo van 4 856,61 EUR vastgesteld.
17 E.O. heeft dit saldo niet terugbetaald, waarna Commerzbank in november 2016 bij het Amtsgericht Dresden (rechter in eerste aanleg Dresden, Duitsland) een vordering heeft ingesteld om E.O. te veroordelen tot betaling daarvan.
18 Die rechter heeft die vordering niet-ontvankelijk verklaard op grond dat hij niet bevoegd was, aangezien de verweerder inmiddels in Zwitserland woonde. Op 14 juni 2018 heeft het Landgericht Dresden (rechter in tweede aanleg Dresden, Duitsland) het vonnis van de rechter in eerste aanleg bevestigd.
19 Vervolgens heeft Commerzbank beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter.
20 Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) benadrukt dat de uitkomst van het bij hem ingestelde beroep afhangt van de uitlegging van artikel 15, lid 1, onder c), en artikel 16, lid 2, van het Lugano II-Verdrag.
21 Het Bundesgerichtshof herinnert aan de rechtspraak van het Hof waarin het artikel 15, lid 1, van het Lugano II-Verdrag heeft uitgelegd en drie cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling heeft vastgesteld: ten eerste moet een contractpartij de hoedanigheid hebben van „consument” die handelt in een kader dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, ten tweede moet de overeenkomst tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar daadwerkelijk zijn gesloten, en ten derde moet deze overeenkomst onder een van de in lid 1 van artikel 15 bedoelde categorieën vallen.
22 De verwijzende rechter is van mening dat de eerste twee voorwaarden in casu zijn vervuld. Wat de derde voorwaarde betreft, merkt hij op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst niet onder artikel 15, lid 1, onder a) en b), van het Lugano II-Verdrag valt, en dus enkel onder artikel 15, lid 1, onder c), van dit verdrag zou kunnen vallen.
23 De verwijzende rechter vraagt zich bijgevolg af of artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag vooronderstelt dat de contractpartner van de consument een grensoverschrijdende activiteit had op het moment dat de overeenkomst werd gesloten, met dien verstande dat op dat moment, te weten in 2009, zowel de consument als de beroepsbeoefenaar – via zijn bijkantoor – woonplaats had in Dresden.
24 In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Moet artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag aldus worden uitgelegd dat het ,ontplooien’ van commerciële of beroepsactiviteiten in de door [dit] verdrag gebonden staat waar de consument woonplaats heeft, vereist dat reeds bij de voorbereiding en de sluiting van de overeenkomst sprake is van grensoverschrijdende activiteiten van de contractpartner van de consument, of moet de bepaling tevens worden toegepast, teneinde het voor een vordering bevoegde gerecht te bepalen, wanneer de contractpartijen bij de sluiting van de overeenkomst hun woonplaats in de zin van de artikelen 59 en 60 van het Lugano II-Verdrag in dezelfde door [dit] verdrag gebonden staat hadden en de rechtsverhouding pas naderhand een internationaal aspect heeft gekregen doordat de consument later naar een andere door [dit] verdrag gebonden staat is verhuisd?
Voor zover een grensoverschrijdende activiteit op het tijdstip van de sluiting van de overeenkomst niet noodzakelijk is:
Sluit artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag juncto artikel 16, lid 2, daarvan algemeen uit dat het bevoegde gerecht overeenkomstig artikel 5, punt 1, van hetzelfde verdrag wordt bepaald wanneer de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en het instellen van de vordering naar een andere door het [Lugano II-Verdrag] gebonden staat is verhuisd, of is daarenboven vereist dat de contractpartner van de consument zijn commerciële of beroepsactiviteiten ook in de staat van de nieuwe woonplaats ontplooit of ze daarop richt en de overeenkomst onder die activiteiten valt?”
Procedure bij het Hof
25 Bij beslissing van de president van het Hof van 22 juli 2020 is de procedure bij het Hof geschorst in afwachting van de beschikking in zaak C‑98/20, mBank (beschikking van 3 september 2020, EU:C:2020:672 ).
26 De onderhavige procedure is hervat op 7 september 2020.
27 Na de uitspraak van die beschikking heeft de griffie bij de verwijzende rechter geïnformeerd of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
28 In antwoord daarop heeft het Bundesgerichtshof bij brief van 6 oktober 2020 laten weten dat het de tweede vraag, betreffende artikel 16, lid 2, van het Lugano II-Verdrag, introk, maar de eerste vraag van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, betreffende de uitlegging van artikel 15, lid 1, onder c), ervan, handhaafde.
29 Vervolgens is het verzoek om een prejudiciële beslissing samen met het antwoord van de verwijzende rechter betekend.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
30 De verwijzende rechter verduidelijkt meteen dat de Duitse gerechten enkel kunnen worden geacht internationaal bevoegd te zijn op grond van artikel 5, punt 1, van het Lugano II-Verdrag indien de toepassing van de bepalingen van titel II, afdeling 4, ervan uitgesloten is.
31 Inleidend zij er ten eerste aan herinnerd dat het Lugano II-Verdrag tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat in werking is getreden op 1 januari 2011, zoals het Hof in zijn arrest van 20 december 2017, Schlömp (C‑467/16, EU:C:2017:993, punt 37 ), heeft gepreciseerd.
32 De overeenkomst in het hoofdgeding is weliswaar vóór deze datum gesloten, maar de ontbinding ervan en de desbetreffende vordering in rechte dateren van daarná, zodat de toepasselijkheid van dit verdrag niet kan worden betwist.
33 Ten tweede is het vaste rechtspraak dat voor de bepalingen van het Lugano II-Verdrag die in wezen identiek zijn aan die van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), aan die van de voorganger daarvan, namelijk verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), en aan die van het daaraan nog voorafgaande Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), de rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van die Unierechtelijke bepalingen relevant blijft (beschikking van 15 mei 2019, MC, C‑827/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:416, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Ten derde omvat afdeling 4 van titel II van het Lugano II-Verdrag, met als opschrift „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, onder meer de artikelen 15 en 16.
35 Artikel 15 bevat de drie in punt 21 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden waaraan moet zijn voldaan wil afdeling 4 van toepassing zijn. Volgens de rechtspraak zijn dit cumulatieve voorwaarden, zodat de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld op basis van de regels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten wanneer aan één daarvan niet is voldaan (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C‑215/18, EU:C:2020:235, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Wat artikel 16 van het Lugano II-Verdrag betreft, heeft het Hof er in verband met artikel 18 van verordening nr. 1215/2012 – waarvan de bewoordingen in wezen identiek zijn aan die van dit artikel 16 – recentelijk aan herinnerd dat het begrip „woonplaats van de consument” aldus moet worden uitgelegd dat het verwijst naar de woonplaats van de consument op de datum waarop het beroep in rechte is ingesteld (beschikking van 3 september 2020, mBank, C‑98/20, EU:C:2020:672, punt 36 ).
37 Ten vierde mag in verband met de bijzondere bevoegdheidsregels voor door consumenten gesloten overeenkomsten niet worden vergeten dat wanneer de rechtsvordering door een beroepsbeoefenaar tegen een consument wordt ingesteld, zoals in casu, een regel als die in artikel 16, lid 2, van het Lugano II-Verdrag wordt aangemerkt als een „exclusieve bevoegdheidsregel”, op grond waarvan de rechtsvordering slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft (zie naar analogie beschikking van 3 september 2020, mBank, C‑98/20, EU:C:2020:672, punt 26 ).
38 De gestelde vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van deze overwegingen.
39 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling de bevoegdheid regelt ingeval de beroepsbeoefenaar en de consument – de partijen bij de overeenkomst – op het tijdstip van de sluiting van deze overeenkomst hun woonplaats in dezelfde door dit verdrag gebonden staat hadden en hun rechtsverhouding pas ná dat tijdstip een internationaal aspect heeft gekregen doordat de consument zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere door dit verdrag gebonden staat, dan wel of deze bepaling in een dergelijk geval vereist dat de beroepsbeoefenaar reeds bij de sluiting van de overeenkomst een grensoverschrijdende activiteit verrichtte.
40 Volgens vaste rechtspraak verlangen de uitleggingsmethoden van het Hof dat niet enkel rekening wordt gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arrest van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 In de eerste plaats luidt artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag dat de wederpartij van de consument „commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de door dit verdrag gebonden staat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die staat, of op meerdere staten met inbegrip van die staat, en [dat] de overeenkomst onder die activiteiten valt”.
42 Zoals de Europese Commissie aanvoert, blijkt noch expliciet noch impliciet uit de bewoordingen van deze bepaling dat de beroepsactiviteit ten tijde van de sluiting van de overeenkomst noodzakelijkerwijs op een andere staat moet zijn gericht dan die waar de beroepsbeoefenaar zijn zetel heeft. Evenzo wijst niets erop dat de staat waar de consument zijn woonplaats heeft, een andere lidstaat moet zijn dan die van de zetel van de professionele contractpartij.
43 Het enige dat dus uitdrukkelijk is vereist, is dat de professionele contractpartij haar activiteit uitoefent in de staat waar de consument zijn woonplaats heeft.
44 Deze visie vindt steun in de rechtspraak van het Hof over instrumenten die op gelijke voet staan met het Lugano II-Verdrag. Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uniforme bevoegdheidsregels van toepassing waren ondanks het feit dat de consument en de beroepsbeoefenaar bij de sluiting van de overeenkomst hun woonplaats in dezelfde staat hadden (zie in die zin arrest van 17 november 2011, Hypoteční banka, C‑327/10, EU:C:2011:745, punten 22, 29, 30 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In het arrest van 14 november 2013, Maletic (C‑478/12, EU:C:2013:735, punt 26 ), heeft het Hof zijn vaste rechtspraak herhaald dat de toepassing van de bevoegdheidsregels een internationaal aspect vereist en dat het internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding er niet noodzakelijkwijs uit hoeft voort te vloeien dat er, wegens de grond van de zaak of de respectieve woonplaats van de partijen bij het geding, meerdere verdragsluitende staten bij de zaak betrokken zijn.
46 Opgemerkt moet worden dat in de omstandigheden van de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 3 september 2020, mBank (C‑98/20, EU:C:2020:672 ), de bank weliswaar was gevestigd in een eerste staat en een bijkantoor had in de tweede staat, waar ook de consument ten tijde van de sluiting van de overeenkomst zijn woonplaats had, maar vaststaat dat de bank in die zaak geen enkele beroeps‑ of commerciële activiteit uitoefende in de derde staat waar de consument zijn woonplaats ondertussen had gevestigd, zonder dat dit in de weg stond aan de toepassing van artikel 17, lid 1, onder c), van verordening nr. 1215/2012, welke bepaling nagenoeg identiek is aan artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag.
47 De voorgaande overwegingen worden niet tegengesproken door de motivering van het arrest van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C‑585/08 en C‑144/09, EU:C:2010:740 ). De zaak die tot dat arrest heeft geleid, betrof namelijk de uitlegging van het zinsdeel „richten op” in een geval waarin de activiteit van de beroepsbeoefenaar op een internetsite werd voorgesteld, en de vraag of de loutere „toegankelijkheid” van de internetsite volstond. Aldus kan uit dat arrest niet worden afgeleid dat bij artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag de uitoefening van een beroeps‑ of commerciële activiteit ten tijde van de sluiting van de overeenkomst in principe noodzakelijkerwijs betrekking moet hebben op een andere verdragsluitende staat, en dat dit artikel niet kan worden toegepast wanneer de consument bij de sluiting van die overeenkomst zijn woonplaats in dezelfde staat als de professionele contractpartij heeft.
48 Wat in de tweede plaats de context betreft, suggereert de verwijzende rechter op basis van een vergelijkende lezing van de punten a) tot en met c) van artikel 15, lid 1, van het Lugano II-Verdrag dat punt c) van deze bepaling een internationaal aspect vereist bij de sluiting van de overeenkomst.
49 Zoals ook de Commissie heeft opgemerkt, wordt in geen van de drie in artikel 15, lid 1, van het Lugano II-Verdrag genoemde gevallen vermeld dat de uitgeoefende activiteit een internationaal aspect moet hebben op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten.
50 Wat de systematische uitlegging van artikel 15 van dit verdrag betreft, moet worden benadrukt dat uit artikel 17, punt 3, ervan blijkt dat bij forumkeuzebedingen „een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde door dit verdrag gebonden staat hebben, de gerechten van die staat bevoegd [kunnen] verklaren, tenzij de wetgeving van die staat dergelijke overeenkomsten verbiedt”.
51 Zoals de advocaat-generaal in de punten 76 en 77 van zijn conclusie aangeeft, vormt de omstandigheid dat partijen ten tijde van de sluiting van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst hun woonplaats in dezelfde staat hadden, dus geen belemmering voor de toepassing van de bepalingen van titel II, afdeling 4, van het Lugano II-Verdrag, zoals artikel 17, punt 3, ervan.
52 Uit een systematische uitlegging van de bepalingen van titel II, afdeling 4, van het Lugano II-Verdrag blijkt dus dat de beroepsbeoefenaar niet reeds bij de sluiting van de overeenkomst een grensoverschrijdende activiteit hoeft te hebben.
53 Wat in de derde plaats de doelstelling van het Lugano II-Verdrag betreft, en in antwoord op het tweede bezwaar van Commerzbank – over de voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregels en het gevaar dat de consument het beschermende forum „met zich meeneemt” –, mag niet uit het oog worden verloren dat dit verdrag niet tot doel heeft om de algemene opzet van de overeenkomst te regelen, maar om eenvormige regels voor de internationale rechterlijke bevoegdheid in te voeren (zie naar analogie arrest van 25 februari 2021, Markt24, C‑804/19, EU:C:2021:134, punten 30 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat deze regels pas worden bepaald wanneer de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter (zie in die zin beschikking van 3 september 2020, mBank, C‑98/20, EU:C:2020:672, punt 36 ).
54 Anders dan verzoekster in het hoofdgeding betoogt, moet immers worden vastgesteld dat de regel dat het gerecht van de woonplaats van de consument bevoegd is, niettegenstaande een eventuele verandering van die woonplaats, niet alleen het resultaat is van het normatieve integratieproces waarvan de regels van het Lugano II-Verdrag een van de uitingen zijn, maar ook overeenstemt met de algemene regel volgens welke de bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de woonplaats van de verweerder, die in artikel 2, lid 1, van dit verdrag is neergelegd.
55 In de vierde en laatste plaats beroept de verwijzende rechter zich op het rapport-Schlosser over het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71, punt 161), ter ondersteuning van zijn oordeel dat indien de consument zijn woonplaats na het sluiten van het contract overbrengt naar een andere staat, afdeling 4, „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, van titel II van het op 16 september 1988 te Lugano gesloten Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1988, L 319, blz. 9) (bekend als het „Lugano-Verdrag”) enkel van toepassing is op de gevallen van artikel 13, lid 1, punt 3, van dit verdrag [overgenomen in artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag] indien in de nieuwe woonstaat aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden is voldaan.
56 Er zij aan herinnerd dat in punt 161 van dit rapport wordt aangegeven dat deze regel niet absoluut is maar uitzonderingen kent. In dat punt wordt met name de bestaansreden van deze regel uiteengezet, die verband houdt met de moeilijkheden die inherent zijn aan de grensoverschrijdende publiciteit voor de sluiting van de overeenkomst.
57 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de communicatietechnologieën aanzienlijk zijn geëvolueerd sinds de bekendmaking van dit rapport.
58 Hoe dan ook kan een dergelijk rapport de analyse van de bepalingen die het Hof dient uit te leggen, weliswaar ondersteunen of bevestigen, maar het kan niet ingaan tegen de bewoordingen ervan.
59 Zoals uit de punten 43 tot en met 54 van het onderhavige arrest blijkt, volgt zowel uit de tekst van artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag als uit de context van deze bepaling en de doelstelling van dit verdrag dat de enige uitdrukkelijke voorwaarde voor de toepassing van deze bepaling is dat de professionele contractpartij op het moment van de sluiting van de overeenkomst haar activiteit uitoefent in de staat waar de consument zijn woonplaats heeft, en dat de omstandigheid dat de consument zijn woonplaats daarna naar een andere verdragsluitende staat overbrengt, de toepassing daarvan niet kan verhinderen.
60 Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling de bevoegdheid regelt ingeval de beroepsbeoefenaar en de consument – de partijen bij een consumentenovereenkomst – op het tijdstip van de sluiting van deze overeenkomst hun woonplaats in dezelfde door dit verdrag gebonden staat hadden en hun rechtsverhouding pas ná die sluiting een internationaal aspect heeft gekregen doordat de consument zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere door dit verdrag gebonden staat.
Kosten
61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 15, lid 1, onder c), van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend op 30 oktober 2007, waarvan de sluiting namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008, moet aldus worden uitgelegd dat die bepaling de bevoegdheid regelt ingeval de beroepsbeoefenaar en de consument – de partijen bij een consumentenovereenkomst – op het tijdstip van de sluiting van deze overeenkomst hun woonplaats in dezelfde door dit verdrag gebonden staat hadden en hun rechtsverhouding pas ná die sluiting een internationaal aspect heeft gekregen doordat de consument zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere door dit verdrag gebonden staat.
ondertekeningen