[...]
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 24 februari 2022
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 24 februari 2022
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 24 februari 2022
Uitspraak
Arrest van het Hof (Negende kamer)
24 februari 2022(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 92/13/EEG - Procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie - Artikel 1, leden 1 en 3 - Toegang tot beroepsprocedures - Artikel 2 quater - Termijnen voor het instellen van een beroep - Berekening - Beroep tegen een besluit tot toelating van een inschrijver”"
In zaak C‑532/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 12 juni 2020, ingekomen bij het Hof op 20 oktober 2020, in de procedure
Alstom Transport SA
tegenCompania Naţională de Căi Ferate CFR SA,
Strabag AG – Sucursala Bucureşti,
Swietelsky AG Linz – Sucursala Bucureşti,
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Negende kamer, S. Rodin (rapporteur) en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
Alstom Transport SA, vertegenwoordigd door O. Gavrilă, C. Ciolan en I. Nedelcu, avocați,
-
Compania Naţională de Căi Ferate CFR SA, vertegenwoordigd door I. Pintea,
-
Strabag AG – Sucursala Bucureşti, vertegenwoordigd door S. Neagu, A. Viespe, Ş. Dinu en L. Savin, avocați,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wils, P. Ondrůšek en L. Nicolae als gemachtigden,
-
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, leden 1 en 3, en artikel 2 quater van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1992, L 76, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB 2014, L 94, blz. 1) (hierna: „richtlijn 92/13”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Alstom Transport SA enerzijds en Compania Națională de Căi Ferate CFR SA (hierna: „CFR”), Strabag AG – Sucursala Bucureşti (hierna: „Strabag”) en Swietelsky AG Linz – Sucursala București anderzijds, over de berekening van de termijn voor het instellen van beroep tegen een besluit dat is genomen in het kader van een aanbestedingsprocedure inzake een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, van richtlijn 92/13 bepaalt:
„1.De lidstaten nemen met betrekking tot opdrachten die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/25/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG (PB 2014, L 94, blz. 243)] of richtlijn 2014/23/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten] vallen, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen door de aanbestedende instanties genomen besluiten op doeltreffende wijze en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 2 septies van deze richtlijn, op grond van het feit dat door die besluiten het Unierecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat Unierecht is omgezet, geschonden zijn.
[...]
3.De lidstaten dragen er zorg voor dat beroepsprocedures, volgens modaliteiten die de lidstaten kunnen bepalen, op zijn minst toegankelijk zijn voor eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde inbreuk is of dreigt te worden geschaad.”
4 Artikel 2 bis, lid 2, vierde alinea, van richtlijn 92/13 luidt als volgt:
„2. [...]
De kennisgeving van het gunningsbesluit aan iedere betrokken inschrijver en gegadigde gaat vergezeld van:
een samenvattende beschrijving van de relevante redenen als bedoeld in artikel 75, lid 2, van richtlijn [2014/25] behoudens artikel 75, lid 3, van die richtlijn of in artikel 40, lid 1, [tweede alinea,] van richtlijn [2014/23], behoudens de bepalingen van artikel 40, lid 2, van die richtlijn,
[...]”
5 Artikel 2 quater van richtlijn 92/13 luidt:
„Wanneer een lidstaat bepaalt dat beroep tegen een besluit van een aanbestedende dienst dat is genomen in het kader van of met betrekking tot een onder richtlijn [2014/25] of richtlijn [2014/23] vallende gunningsprocedure, binnen een bepaalde termijn moet worden ingesteld, bedraagt deze termijn ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit van de aanbestedende dienst per faxbericht of langs elektronische weg aan de inschrijver of gegadigde is gezonden of, indien van andere communicatiemiddelen gebruik wordt gemaakt, bedraagt deze termijn, hetzij ten minste 15 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit van de aanbestedende dienst aan de inschrijver of gegadigde is gezonden, hetzij ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit tot gunning van de opdracht is ontvangen. De kennisgeving van dat besluit van de aanbestedende dienst aan iedere inschrijver of gegadigde gaat vergezeld van een samenvattende beschrijving van de relevante redenen. In het geval dat beroep wordt ingesteld tegen besluiten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van deze richtlijn waarvoor geen specifieke kennisgeving is gegeven, bedraagt de termijn ten minste 10 kalenderdagen, ingaande vanaf de datum van bekendmaking van het betreffende besluit.”
Roemeens recht
6 Artikel 2, lid 1, van Legea nr. 101/2016 privind remediile și căile de atac în materie de atribuire a contractelor de achiziție publică, a contractelor sectoriale și a contractelor de concesiune de lucrări și concesiune de servicii, precum și pentru organizarea și funcționarea Consiliului Național de Soluționare a Contestațiilor [wet nr. 101/2016 betreffende de beroepsmogelijkheden op het gebied van het plaatsen van overheidsopdrachten, sectorspecifieke opdrachten en concessieovereenkomsten voor werken en diensten, alsmede betreffende de organisatie en het functioneren van de Consiliu Național de Soluționare a Contestațiilor (nationale raad voor de beslechting van geschillen)] luidt als volgt:
„Eenieder die meent dat een van zijn rechten of legitieme belangen is geschonden door een handeling van een aanbestedende dienst of door een verzuim om binnen de wettelijke termijn uitspraak te doen op een verzoek, kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet [bij de Consiliu Național de Soluționare a Contestațiilor of bij een rechterlijke instantie] vorderen dat die handeling nietig wordt verklaard, dat de aanbestedende dienst wordt verplicht een handeling vast te stellen of corrigerende maatregelen te nemen, of dat het gestelde recht of legitieme belang wordt erkend.”
7 Artikel 3 van deze wet bepaalt:
„(1)Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
[...]
eenieder die zich gelaedeerd acht – iedere marktdeelnemer die voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
een belang hebben of hebben gehad in een aanbestedingsprocedure; en
schade hebben geleden, lijden of dreigen te lijden als gevolg van een handeling van de aanbestedende dienst die rechtsgevolgen teweeg kan brengen of als gevolg van een verzuim om binnen de wettelijke termijn te reageren op een verzoek met betrekking tot een aanbestedingsprocedure.
[...]
(3)Voor de toepassing van lid 1, onder f), i), wordt een persoon geacht een belang te hebben of te hebben gehad in een aanbestedingsprocedure indien hij nog niet definitief van die procedure is uitgesloten. Een uitsluiting is definitief wanneer de betrokken gegadigde/inschrijver daarvan in kennis is gesteld en wanneer de uitsluiting hetzij rechtmatig is bevonden door de Consiliu [Național de Soluționare a Contestațiilor] of door een rechterlijke instantie, hetzij niet langer vatbaar is voor beroep.”
8 Artikel 8 van die wet luidt:
„(1)Degene die zich door een handeling van de aanbestedende dienst benadeeld acht, kan zich wenden tot de Consiliu [Național de Soluționare a Contestațiilor] opdat die handeling nietig wordt verklaard, de aanbestedende dienst de verplichting wordt opgelegd om een handeling of corrigerende maatregelen vast te stellen of het gestelde recht of legitieme belang wordt erkend, binnen de volgende termijnen:
10 kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na kennisneming van de als onrechtmatig beschouwde handeling van de aanbestedende dienst, wanneer de geraamde waarde van de overheidsopdracht, sectorspecifieke opdracht of concessieovereenkomst gelijk is aan of hoger is dan de drempelwaarden waarboven de toezending met het oog op de bekendmaking van aankondigingen van overheidsopdrachten in het Publicatieblad van de Europese Unie verplicht is, overeenkomstig de wetgeving inzake overheidsopdrachten, de wetgeving inzake sectorspecifieke opdrachten of de wetgeving inzake concessieovereenkomsten voor werken en diensten;
[...]”
9 Artikel 49, lid 1, van voornoemde wet bepaalt:
„Met het oog op een gerechtelijke beslechting van zijn beroep kan degene die zich benadeeld acht, zich wenden tot de bevoegde rechter, overeenkomstig de bepalingen van deze wet.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 De CFR heeft een aanbesteding uitgeschreven in het kader van een procedure voor het plaatsen van een sectorspecifieke overheidsopdracht voor werken met betrekking tot de renovatie van een spoorlijn.
11 Op 13 maart 2018 is de inschrijving van het consortium RailWorks, dat wordt geleid door Alstom Transport, ontvankelijk verklaard, waarna de CFR die inschrijving echter op 5 juli 2018 heeft uitgesloten op grond van overwegingen in verband met het vermogen van RailWorks om de opdracht uit te voeren.
12 Bij vonnis van 19 oktober 2018 heeft de Tribunal Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) het beroep van Alstom Transport tegen het besluit van de CFR tot uitsluiting van de inschrijving van RailWorks en tot gunning van de opdracht aan het consortium BraSig verworpen. Bij arrest van 20 december 2018 heeft de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) het door Alstom Transport tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep toegewezen en het besluit van de CFR nietig verklaard. Hij heeft tevens vastgesteld dat de inschrijving van RailWorks ontvankelijk was en dat de CFR de inschrijving van BraSig opnieuw moest beoordelen in het licht van de door RailWorks ter zake geformuleerde bezwaren.
13 Op 12 februari 2019 is de inschrijving van RailWorks na de door de Curte de Apel București gelaste nieuwe beoordeling ontvankelijk verklaard en bij brief van 19 juni 2019 is Alstom Transport aangewezen als begunstigde van de betrokken opdracht.
14 Op 5 juli 2019 heeft Alstom Transport bij de Tribunal București opnieuw een beroep ingesteld, dat met name strekte tot nietigverklaring van het besluit van de CFR waarbij de inschrijving van BraSig ontvankelijk en conform werd verklaard, alsmede tot nietigverklaring van het verslag van de aanbestedingsprocedure en van alle handelingen betreffende de wijze waarop die inschrijving was beoordeeld. Bovendien heeft Alstom Transport deze rechter verzocht om de CFR te verplichten deze inschrijving uit te sluiten op grond dat BraSig herhaaldelijk had getracht de leden van het evaluatiecomité van de CFR te beïnvloeden teneinde de inschrijving van RailWorks te benadelen.
15 Bij vonnis van 8 augustus 2019 heeft de Tribunal București dit beroep verworpen omdat het te laat was ingesteld. In dit verband was deze rechter van oordeel dat de in artikel 8, lid 1, onder a), van wet nr. 101/2016 gestelde termijn van 10 kalenderdagen niet inging op de datum waarop Alstom Transport kennis had genomen van het verslag van de aanbestedingsprocedure, maar op de datum waarop haar de uitkomst van deze procedure was meegedeeld.
16 Alstom Transport heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Curte de Apel București. Ter ondersteuning van dit hoger beroep heeft zij erop gewezen dat zij bij de in punt 13 van het onderhavige arrest genoemde brief van 19 juni 2019 betreffende de uitkomst van de aanbestedingsprocedure enkel in kennis was gesteld van de beoordeling van haar eigen inschrijving en dat daaruit geen informatie bleek over de wijze waarop de inschrijving van BraSig was beoordeeld. Alstom Transport heeft aangevoerd dat zij pas op 25 juni 2019, de datum waarop zij toegang kreeg tot het aanbestedingsdossier nadat zij daar op 20 juni 2019 om had verzocht, kennis heeft genomen van het verslag van de aanbestedingsprocedure en, impliciet, van de wijze waarop de inschrijving van BraSig was beoordeeld. Bijgevolg is de in het vorige punt bedoelde termijn van 10 kalenderdagen volgens haar ingegaan op 25 juni 2019.
17 Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten artikel 1, lid 1, derde alinea, en lid 3, alsmede artikel 2 quater van richtlijn [92/13] aldus worden uitgelegd dat de termijn waarbinnen de gekozen inschrijver in het kader van een aanbestedingsprocedure beroep kan instellen tegen het besluit van de aanbestedende dienst waarbij de inschrijving van een lager geklasseerde inschrijver ontvankelijk is verklaard, berekend moet worden uitgaande van de datum waarop het belang van de gekozen inschrijver is ontstaan als gevolg van het beroep dat de afgewezen inschrijver heeft ingesteld tegen de uitkomst van de aanbestedingsprocedure?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 Vooraf moet worden opgemerkt dat uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat de verwijzende rechter het Hof geen vraag stelt over de uitlegging van artikel 1, lid 1, derde alinea, van richtlijn 92/13, maar over die van artikel 1, lid 1, vierde alinea, van deze richtlijn.
19 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, alsmede artikel 2 quater van richtlijn 92/13 aldus moeten worden uitgelegd dat de termijn waarbinnen de begunstigde van een opdracht beroep kan instellen tegen een besluit van de aanbestedende dienst waarbij de inschrijving van een afgewezen inschrijver ontvankelijk is verklaard, kan worden berekend uitgaande van de datum waarop die begunstigde dat besluit heeft ontvangen, zelfs al had op die datum enerzijds de afgewezen inschrijver (nog) geen beroep ingesteld tegen de uitkomst van de aanbestedingsprocedure voor die opdracht en anderzijds de begunstigde ervan niet de relevante informatie ontvangen betreffende de wijze waarop de inschrijving van de afgewezen inschrijver was beoordeeld.
20 Artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, alsmede artikel 2 quater van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB 1989, L 395, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/23, komen respectievelijk overeen met artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, en artikel 2 quater van richtlijn 92/13, zodat de rechtspraak inzake die bepalingen van richtlijn 89/665, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/23, ook relevant is voor de uitlegging van de betrokken bepalingen van richtlijn 92/13.
21 Artikel 1, lid 1, vierde alinea, van richtlijn 92/13 verplicht de lidstaten om met betrekking tot opdrachten die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/25 of richtlijn 2014/23 vallen, ervoor te zorgen dat tegen door de aanbestedende instanties genomen besluiten op doeltreffende wijze en zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld. De vaststelling van op straffe van verval bepaalde beroepstermijnen maakt het mogelijk om het door richtlijn 92/13 nagestreefde doel van voortvarendheid te verwezenlijken, door de marktdeelnemers ertoe te verplichten in het kader van een aanbestedingsprocedure genomen voorbereidende maatregelen en tussentijdse besluiten binnen korte termijnen te betwisten (zie naar analogie beschikking van 14 februari 2019, Cooperativa Animazione Valdocco, C‑54/18, EU:C:2019:118, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 De vaststelling van redelijke beroepstermijnen op straffe van verval voldoet in beginsel aan het uit richtlijn 92/13 voortvloeiende vereiste van doeltreffendheid, daar zij de toepassing vormt van het fundamentele rechtszekerheidsbeginsel en deze vaststelling verenigbaar is met het fundamentele recht op effectieve rechterlijke bescherming (zie naar analogie beschikking van 14 februari 2019, Cooperativa Animazione Valdocco, C‑54/18, EU:C:2019:118, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Derhalve bepaalt artikel 2 quater van richtlijn 92/13 dat wanneer een lidstaat termijnen vaststelt voor het instellen van beroep tegen een besluit van een aanbestedende dienst dat is genomen in het kader van of met betrekking tot een onder richtlijn 2014/25 of richtlijn 2014/23 vallende aanbestedingsprocedure, de termijnen voor het instellen van beroep tegen dat besluit worden bepaald op basis van de wijze waarop het besluit van de aanbestedende dienst ter kennis van de inschrijvers is gebracht.
24 Aldus moet de termijn ten minste 10 kalenderdagen bedragen, ingaande op de dag na de datum waarop dat besluit per faxbericht of langs elektronische weg aan de inschrijver of gegadigde is gezonden. Indien gebruik wordt gemaakt van andere communicatiemiddelen, bedraagt deze termijn, hetzij ten minste 15 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop dat besluit aan de inschrijver of gegadigde is gezonden, hetzij ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop dit besluit is ontvangen. In het geval dat beroep wordt ingesteld tegen in artikel 2, lid 1, onder b), van richtlijn 92/13 bedoelde besluiten waarvoor geen specifieke kennisgeving is gegeven, bedraagt de termijn ten minste 10 kalenderdagen, ingaande vanaf de datum van bekendmaking van het betreffende besluit.
25 In casu bepaalt het Roemeense recht dat de termijn van 10 kalenderdagen voor alle inschrijvers, ook de begunstigde, ingaat op de dag na kennisneming van de handeling van de aanbestedende dienst. Aldus moet de begunstigde die wenst op te komen tegen een besluit waarbij de inschrijving van een afgewezen inschrijver ontvankelijk is verklaard, zijn beroep binnen die termijn instellen, ten eerste, los van de vraag of dan wel, in voorkomend geval, wanneer de betrokken afgewezen inschrijver beroep heeft ingesteld tegen dat besluit en, ten tweede, ongeacht het feit dat die begunstigde geen enkele informatie heeft over de wijze waarop de inschrijving van die inschrijver is beoordeeld.
26 Hoewel zowel de verwijzende rechter, in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, als de partijen in het hoofdgeding en de Europese Commissie, in hun respectieve schriftelijke opmerkingen, de voorwaarde van procesbelang aansnijden, dient te worden vastgesteld dat deze rechter ervoor heeft gekozen om zijn vraag te beperken tot de kwestie van de aanvang van de beroepstermijn.
27 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 1, lid 3, van richtlijn 92/13 de lidstaten verplicht er zorg voor te dragen dat beroepsprocedures, volgens modaliteiten die de lidstaten kunnen bepalen, op zijn minst toegankelijk zijn voor eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde inbreuk is of dreigt te worden geschaad.
28 Deze bepaling dient met name te worden toegepast op de situatie van inschrijvers die van mening zijn dat een besluit over de toelating van een concurrent tot een gunningsprocedure voor een overheidsopdracht onrechtmatig is en hun schade kan berokkenen, aangezien dit risico volstaat als grondslag van een onmiddellijk procesbelang voor het instellen van een beroep tegen dat besluit, ongeacht de schade die daarnaast kan voortvloeien uit de gunning van de overheidsopdracht aan een andere gegadigde (zie naar analogie beschikking van 14 februari 2019, Cooperativa Animazione Valdocco, C‑54/18, EU:C:2019:118, punt 36 ).
29 Richtlijn 92/13 verzet zich dus in beginsel niet tegen een nationale regeling die bepaalt dat tegen een besluit van de aanbestedende dienst binnen een daartoe gestelde termijn beroep moet worden ingesteld en dat elke tot staving van het beroep aangevoerde onregelmatigheid van de aanbestedingsprocedure op straffe van verval van dit recht binnen diezelfde termijn moet worden opgeworpen, zodat het na het verstrijken van deze termijn niet langer mogelijk is tegen een dergelijk besluit op te komen of een dergelijke onregelmatigheid op te werpen, mits de betrokken termijn redelijk is (zie naar analogie beschikking van 14 februari 2019, Cooperativa Animazione Valdocco, C‑54/18, EU:C:2019:118, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Hieruit volgt dat van een begunstigde kan worden verlangd dat hij een termijn in acht neemt voor het instellen van beroep tegen een besluit van de aanbestedende dienst waarbij een afgewezen inschrijver is toegelaten tot een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht, zelfs indien dat besluit deel uitmaakt van het besluit waarbij de begunstigde als zodanig is aangewezen, en zelfs indien de afgewezen inschrijver op die datum (nog) geen beroep tegen laatstgenoemd besluit heeft ingesteld.
31 Desalniettemin kan niet worden uitgesloten dat de toepassing van de nationale vervalregels in het kader van bijzondere omstandigheden of gelet op bepaalde modaliteiten ervan in strijd kan zijn met de door het Unierecht aan particulieren toegekende rechten, in het bijzonder met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie naar analogie beschikking van 14 februari 2019, Cooperativa Animazione Valdocco, C‑54/18, EU:C:2019:118, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat een doeltreffend beroep tegen schendingen van de toepasselijke bepalingen voor het plaatsen van overheidsopdrachten slechts wordt verwezenlijkt indien de termijnen voor het instellen van dat beroep pas beginnen te lopen vanaf de datum waarop de verzoeker kennis had of had moeten hebben van de gestelde schending van die bepalingen (zie naar analogie beschikking van 14 februari 2019, Cooperativa Animazione Valdocco, C‑54/18, EU:C:2019:118, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Daartoe moet het aan inschrijvers meegedeelde besluit van de aanbestedende dienst overeenkomstig artikel 2 quater van richtlijn 92/13 vergezeld gaan van een samenvattende beschrijving van de relevante redenen.
34 Met deze samenvattende beschrijving van de relevante redenen, waarvan zowel de besluiten van aanbestedende diensten die specifiek aan inschrijvers ter kennis worden gebracht als de gepubliceerde besluiten waarvoor geen specifieke kennisgeving is gegeven, vergezeld dienen te gaan, wordt beoogd te waarborgen dat de betrokken inschrijvers kennis hebben of kunnen hebben van een eventuele schending van de op aanbestedingsprocedures toepasselijke regels.
35 In casu konden – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – de relevante redenen van het besluit van de aanbestedende dienst om BraSig toe te laten tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanbestedingsprocedure worden afgeleid uit het in de punten 14 tot en met 16 van het onderhavige arrest bedoelde verslag van de aanbestedingsprocedure, dat krachtens het Roemeense recht voor de betrokken inschrijvers toegankelijk moet worden gemaakt door middel van raadpleging ter plaatse.
36 Een dergelijke wettelijke garantie van toegang tot de motivering van de besluiten van aanbestedende diensten staat echter niet gelijk aan een mededeling, bij de bekendmaking of kennisgeving van deze besluiten, van de relevante redenen ervan aan de inschrijvers.
37 In dergelijke omstandigheden, waarin de relevante redenen van een besluit van de aanbestedende dienst noch door middel van een bekendmaking noch bij de kennisgeving van dit besluit ter kennis van de inschrijvers zijn gebracht, gaat de termijn waarbinnen de begunstigde beroep kan instellen tegen een besluit van de aanbestedende dienst waarbij de inschrijving van een afgewezen inschrijver ontvankelijk is verklaard, dus niet in op de datum van ontvangst van dat besluit, maar op die van de mededeling – aan die begunstigde – van de relevante redenen van dat besluit, waardoor wordt gewaarborgd dat de begunstigde kennis had of kon hebben van eventuele schendingen van het Unierecht door dat besluit.
38 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, alsmede artikel 2 quater van richtlijn 92/13 aldus moeten worden uitgelegd dat de termijn waarbinnen de begunstigde van een opdracht beroep kan instellen tegen een besluit van de aanbestedende dienst waarbij, in het kader van het besluit tot gunning van deze opdracht, de inschrijving van een afgewezen inschrijver ontvankelijk is verklaard, kan worden berekend uitgaande van de datum waarop die begunstigde dat gunningsbesluit heeft ontvangen, zelfs al had de afgewezen inschrijver op die datum (nog) geen beroep daartegen ingesteld. Indien bij de kennisgeving of de bekendmaking van dit besluit een samenvattende beschrijving van de relevante redenen ervan, zoals informatie over de wijze waarop die inschrijving is beoordeeld, niet ter kennis van de begunstigde is gebracht overeenkomstig dat artikel 2 quater, moet die termijn daarentegen worden berekend uitgaande van de datum van mededeling van een dergelijke beschrijving aan die begunstigde.
Kosten
39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 1, lid 1, vierde alinea, en lid 3, alsmede artikel 2 quater van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014, moeten aldus worden uitgelegd dat de termijn waarbinnen de begunstigde van een opdracht beroep kan instellen tegen een besluit van de aanbestedende dienst waarbij, in het kader van het besluit tot gunning van deze opdracht, de inschrijving van een afgewezen inschrijver ontvankelijk is verklaard, kan worden berekend uitgaande van de datum waarop die begunstigde dat gunningsbesluit heeft ontvangen, zelfs al had de afgewezen inschrijver op die datum (nog) geen beroep daartegen ingesteld. Indien bij de kennisgeving of de bekendmaking van dit besluit een samenvattende beschrijving van de relevante redenen ervan, zoals informatie over de wijze waarop die inschrijving is beoordeeld, niet ter kennis van de begunstigde is gebracht overeenkomstig dat artikel 2 quater, moet die termijn daarentegen worden berekend uitgaande van de datum van mededeling van een dergelijke beschrijving aan die begunstigde.
ondertekeningen