Home

Arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 1 oktober 2025

Arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 1 oktober 2025

Gegevens

Instantie
Gerechtshof EU
Datum uitspraak
1 oktober 2025

Uitspraak

Arrest van het Gerecht (Derde kamer)

1 oktober 2025(*)

"„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) - Persbericht - Verwerking van persoonsgegevens - Vermoeden van onschuld - Beginsel van behoorlijk bestuur - Zorgvuldigheidsplicht - Vertrouwelijkheid van de onderzoeken van OLAF - Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent - Causaal verband - Schade”"

In zaak T‑384/20 RENV,

OC, vertegenwoordigd door I. Ktenidis en P. Yatagantzidis, advocaten,

verzoekster, tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Adamopoulos, J. Baquero Cruz, F. Blanc en A. Bouchagiar als gemachtigden,

verweerster,

HET GERECHT (Derde kamer),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: P. Škvařilová-Pelzl, president, I. Nõmm en R. Meyer (rapporteur), rechters,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 10 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 268 VWEU vordert verzoekster, OC, vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van het op 5 mei 2020 gepubliceerde persbericht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (hierna: „litigieus persbericht”), doordat daarin haar persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt en onjuiste informatie over haar is verstrekt.

I. Voorgeschiedenis van het geding

A. Feiten voorafgaand aan het beroep

2 Verzoekster bezit de Griekse nationaliteit en is academisch onderzoekster op het gebied van toepassingen in de nanotechnologie, energieopslag en biomedische wetenschappen.

3 In 2007 diende zij bij de Europese Onderzoeksraad een onderzoeksvoorstel voor een project in.

4 Op 30 september 2008 hebben de Commissie van de Europese Gemeenschappen en een Griekse universiteit (hierna: „betrokken Griekse universiteit”) een subsidieovereenkomst (hierna: „overeenkomst”) betreffende het project ondertekend.

5 De overeenkomst voorzag in een subsidie van maximaal 1 128 400 EUR voor de verwezenlijking van het project. Deze subsidie werd toegekend aan de betrokken Griekse universiteit als hoofdbegunstigde, aan verzoekster als hoofdonderzoekster en aan een andere onderzoeksinstelling. Het project werd uitgevoerd in een laboratorium van de betrokken Griekse universiteit, dat onder leiding stond van verzoeksters vader.

6 Nadat het project was voltooid, heeft de betrokken Griekse universiteit bij het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA), dat de Commissie als medecontractant had vervangen, uitgaven gedeclareerd voor een totaalbedrag van 1 116 189,21 EUR, met inbegrip van personeelskosten ten bedrage van 255 219,37 EUR en reiskosten ten bedrage van 15 020,54 EUR. Zij heeft verzocht om betaling van dit bedrag op grond van de overeenkomst.

7 Na een financiële audit achteraf kwam ERCEA tot de slotsom dat de personeelskosten voor 245 525,43 EUR niet subsidiabel waren en besloot het terugbetaling van dit bedrag te vorderen bij de betrokken Griekse universiteit. Daartoe werd aan die universiteit een debetnota uitgereikt.

8 Aangezien ERCEA ook OLAF in kennis had gesteld van de resultaten van zijn audit, heeft de directeur-generaal van OLAF op 29 mei 2015 overeenkomstig artikel 5 van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door [OLAF] en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1) besloten een onderzoek te openen naar eventuele onregelmatigheden of fraude bij de uitvoering van het project.

9 In het kader van dat onderzoek heeft OLAF op 6 en 7 maart 2019 onder meer vragenlijsten verstuurd aan 18 onderzoekers, van wie er slechts tien de vragenlijsten hebben beantwoord, teneinde verduidelijkingen te krijgen over hun deelname en vergoeding met betrekking tot het project.

10 In zijn eindverslag van het betreffende onderzoek van 11 november 2019 heeft OLAF een aantal bevindingen uiteengezet. Op basis van deze bevindingen heeft OLAF ERCEA aanbevolen passende maatregelen te nemen om de als onverschuldigd beschouwde bedragen van de betrokken Griekse universiteit terug te vorderen. Voorts heeft OLAF dit verslag naar de nationale gerechtelijke autoriteiten gestuurd en hun aanbevolen om procedures in te leiden tegen verzoekster, haar vader en bepaalde personeelsleden van de universiteit wegens fraude en valsheid in geschrifte.

11 Op 5 mei 2020 heeft OLAF het litigieuze persbericht op zijn website gepubliceerd.

B. Vernietigde arrest

12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 16 juni 2020, heeft verzoekster krachtens artikel 268 VWEU beroep ingesteld strekkende tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de immateriële schade die zij door het litigieuze persbericht zou hebben geleden.

13 Ter ondersteuning van haar beroep heeft verzoekster aangevoerd dat OLAF, door het persbericht te publiceren, op flagrante wijze de bepalingen van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39) had geschonden, alsmede het beginsel van het vermoeden van onschuld dat is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013, het recht op behoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 41 van het Handvest en het evenredigheidsbeginsel, en dat OLAF hierdoor de verplichting niet was nagekomen om het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken te eerbiedigen, zoals vereist door artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013.

14 Bij arrest van 4 mei 2022, OC/Commissie (T‑384/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:273 ; hierna: „vernietigde arrest”), heeft het Gerecht onder meer geoordeeld dat verzoekster er niet in was geslaagd aan te tonen dat OLAF artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 op voldoende gekwalificeerde wijze had geschonden. Het was met name van oordeel dat, om te kunnen spreken van schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, degene die zich op een dergelijke schending beroept, door het publiek is of moet kunnen worden geïdentificeerd als schuldig aan een strafbaar feit voordat zijn schuld onherroepelijk in rechte komt vast te staan. Verzoekster was er echter niet in geslaagd aan te tonen dat het litigieuze persbericht op zichzelf, maar ook met behulp van middelen waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat zij zouden worden gebruikt, het mogelijk had gemaakt om haar te identificeren overeenkomstig artikel 3, punt 1, van verordening 2018/1725.

15 Daarnaast heeft het geoordeeld dat OLAF geen onzorgvuldig en onvoorzichtig gedrag kon worden verweten, aangezien de conclusies waartoe OLAF tijdens het onderzoek was gekomen getrouw en op algemene, neutrale en onpartijdige wijze in het litigieuze persbericht waren weergegeven, zonder dat er al te veel details werden onthuld. Om tot dat oordeel te komen, heeft het Gerecht met name vastgesteld dat OLAF, door in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht de woorden „[g]een enkele van [die onderzoekers] wist” te hanteren om te verwijzen naar „een aantal onderzoekers”, geen onjuiste informatie openbaar had gemaakt waardoor de conclusies van zijn eindverslag werden verdraaid.

16 Het Gerecht heeft geoordeeld dat, aangezien verzoekster niet had kunnen aantonen dat er sprake was van onrechtmatig handelen door OLAF, het beroep in zijn geheel moest worden verworpen, zonder dat hoefde te worden onderzocht of aan de overige voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie was voldaan.

C. Arrest in hogere voorziening

17 Verzoekster heeft op 14 juli 2022 een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingesteld, welke hogere voorziening heeft geleid tot het vernietigde arrest. Ter ondersteuning van die hogere voorziening heeft zij drie middelen aangevoerd. Het eerste middel was ontleend aan een onjuiste uitlegging van het begrip „identificeerbare natuurlijke persoon” in de zin van artikel 3, punt 1, van verordening 2018/1725. Het tweede middel was ontleend aan een onjuiste uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013 en artikel 48, lid 1, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wat de reikwijdte van het vermoeden van onschuld betreft. Het derde middel was ontleend aan een onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal inzake de schending van artikel 41 van het Handvest, dat betrekking heeft op het recht op behoorlijk bestuur.

18 Bij arrest van 7 maart 2024, OC/Commissie (C‑479/22 P, EU:C:2024:215 ; hierna: „arrest in hogere voorziening”), heeft het Hof de eerste twee middelen en een deel van het derde middel gegrond verklaard. Het heeft in dat arrest met name geoordeeld dat het Gerecht bij de juridische kwalificatie van de feiten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verzoekster aan de hand van de identificatiemiddelen in het litigieuze persbericht redelijkerwijs niet kon worden geïdentificeerd. Het Hof was ook van oordeel dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de gegevens in het litigieuze persbericht niet onder het begrip „persoonsgegevens” in de zin van artikel 3, punt 1, van verordening 2018/1725 vielen en dat deze verordening in casu niet van toepassing was. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat het Gerecht eveneens blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verzoekster niet was geïdentificeerd en evenmin identificeerbaar was in het persbericht en daardoor niet kon aantonen dat het beginsel van het vermoeden van onschuld was geschonden. Voorts heeft het Hof ook het derde middel toegewezen voor zover het Gerecht de grief van verzoekster inzake schending van het recht op behoorlijk bestuur met betrekking tot de vijfde alinea van het litigieuze persbericht heeft afgewezen.

19 Bijgevolg is het Hof overgegaan tot vernietiging voor zover het Gerecht de vordering van het beroep had afgewezen die ertoe strekte dat de Commissie de schade zou vergoeden die voortvloeide uit de niet-nakoming door OLAF van zijn verplichtingen krachtens verordening 2018/1725 en uit de schending door OLAF van het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht op behoorlijk bestuur, en heeft het de zaak vervolgens terugverwezen naar het Gerecht.

II. Conclusies van partijen

20 Verzoekster verzoekt het Gerecht:

  • de Commissie te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1,1 miljoen EUR als vergoeding voor de immateriële schade die zij tot nu toe heeft geleden;

  • de Commissie te verwijzen in de kosten.

21 De Commissie verzoekt het Gerecht:

  • het beroep te verwerpen;

  • verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

22 Artikel 340, tweede alinea, VWEU bepaalt dat de Unie overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade moet vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. Hieruit volgt dat voor het ontstaan van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en de uitoefening van een recht op vergoeding van de geleden schade moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van het aan de instellingen van de Unie verweten gedrag, de realiteit van de schade en het bestaan van een causaal verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (zie arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23 De voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU, zijn cumulatief. Hieruit volgt dat wanneer aan een van deze voorwaarden niet is voldaan, het beroep in zijn geheel moet worden verworpen, zonder dat de andere voorwaarden hoeven te worden onderzocht (zie arrest van 17 februari 2017, Novar/EUIPO, T‑726/14, EU:T:2017:99, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Verzoekster stelt in casu dat is voldaan aan de drie voorwaarden die leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU en die volgens de in punt 22 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak vereist zijn.

25 Het Gerecht zal eerst de voorwaarde inzake de onrechtmatigheid van de aan OLAF verweten gedraging onderzoeken.

A. Gestelde schendingen van het Unierecht

1. Opmerkingen vooraf

26 Aan deze eerste voorwaarde voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie is voldaan wanneer, ten eerste, op de verweten gedraging een rechtsregel van toepassing is die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen en, ten tweede, de schending van die rechtsregel voldoende gekwalificeerd is (zie arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Een rechtsregel kent rechten toe aan particulieren wanneer deze regel aan hen een voordeel verschaft dat als verworven recht kan worden aangemerkt, hun belangen beoogt te beschermen of hun rechten toekent waarvan de inhoud voldoende kan worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 9 februari 2022, QI e.a./Commissie en ECB, T‑868/16, EU:T:2022:58, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Om uit te maken of een schending voldoende gekwalificeerd is, moet bovendien worden nagegaan of het betrokken orgaan van de Unie op ernstige en kennelijke wijze de grenzen heeft overtreden die aan zijn beoordelingsbevoegdheid zijn gesteld (zie arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve moet er rekening worden gehouden met de beoordelingsmarge waarover dit orgaan beschikt. Wanneer het orgaan een zeer beperkte of helemaal geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele schending van het Unierecht dus als een voldoende gekwalificeerde schending worden beschouwd (zie arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 De Unierechter moet tevens rekening houden met de ingewikkeldheid van de situatie, de moeilijkheden bij de beoordeling of de uitlegging van de toe te passen teksten, de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden rechtsregel en de vraag of de begane fout opzettelijk of onverschoonbaar was (zie in die zin arresten van 4 april 2017, Ombudsman/Staelen, C‑337/15 P, EU:C:2017:256, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  23 november 2011, Sison/Raad, T‑341/07, EU:T:2011:687, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In het licht van deze overwegingen moeten de door verzoekster aangevoerde grieven worden onderzocht.

31 Zij voert in wezen aan dat OLAF, door het litigieuze persbericht te publiceren, op flagrante wijze de verplichtingen had geschonden die krachtens verordening 2018/1725, verordening nr. 883/2013, het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht op behoorlijk bestuur op dit orgaan rustten. De Commissie stelt dat die grieven ongegrond zijn.

32 Om te beginnen moet worden verduidelijkt dat verzoekster in haar verzoekschrift ook heeft aangevoerd dat OLAF op flagrante wijze het evenredigheidsbeginsel had geschonden. Volgens haar kon namelijk niet worden geoordeeld dat de verstrekking van valse en misleidende of vertrouwelijke gegevens – die in het litigieuze persbericht werden gepubliceerd – geschikt of noodzakelijk was om het publiek te informeren. Het Gerecht heeft, bij het verwerpen van het beroep van verzoekster, deze grief in de punten 181 tot en met 187 van het vernietigde arrest ongegrond verklaard.

33 Volgens punt 1 van het dictum van het arrest in hogere voorziening gaat het Hof over tot vernietiging voor zover het Gerecht de vordering van het beroep heeft afgewezen die ertoe strekt dat de Commissie de schade vergoedt die voortvloeit uit de niet-nakoming door OLAF van zijn verplichtingen krachtens verordening 2018/1725, alsmede uit de schending door OLAF van het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht op behoorlijk bestuur. Daarmee is het Hof overgegaan tot gedeeltelijke vernietiging.

34 Na de vernietiging door het Hof en de terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht wordt de zaak krachtens artikel 191 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht door het arrest in hogere voorziening aanhangig bij het Gerecht en moet die rechterlijke instantie zich opnieuw uitspreken over alle door de verzoekende partij aangevoerde middelen tot vernietiging, met uitsluiting van de elementen van het dictum die niet zijn vernietigd door het Hof en van de overwegingen die de noodzakelijke grondslag voor die elementen vormen, aangezien die elementen kracht van gewijsde hebben gekregen (zie arrest van 26 januari 2022, Intel Corporation/Commissie, T‑286/09 RENV, EU:T:2022:19, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Hieruit volgt dat de punten 181 tot en met 187 van het vernietigde arrest gezag van gewijsde hebben, zodat het Gerecht niet opnieuw uitspraak hoeft te doen over de grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel.

2. Publicatie van persoonsgegevens

36 Verzoekster verwijt OLAF in wezen te zijn overgegaan tot publicatie van het litigieuze persbericht, dat informatie en persoonsgegevens bevat aan de hand waarvan zij gemakkelijk kan worden geïdentificeerd, namelijk haar nationaliteit, geslacht, jonge leeftijd, het feit dat haar vader werkzaam was aan de betrokken Griekse universiteit, en het bedrag van de toegekende subsidie, terwijl dergelijke informatie niet essentieel was en dus achterwege kon worden gelaten.

37 Verzoekster betoogt dat OLAF aldus de artikelen 4 en 5 van verordening 2018/1725 heeft geschonden door in het litigieuze persbericht een reeks gegevens op te nemen aan de hand waarvan zij kon worden geïdentificeerd.

38 Volgens de Commissie is deze grief ongegrond.

39 Om te beginnen moet worden verduidelijkt dat de artikelen 4 tot en met 6 van verordening 2018/1725 rechten toekennen aan particulieren. Derhalve moet eerst worden nagegaan of OLAF deze bepalingen heeft geschonden door het litigieuze persbericht te publiceren, en vervolgens worden onderzocht of deze schending voldoende gekwalificeerd is.

1) Onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens

40 Volgens verzoekster is ten eerste aan geen van de voorwaarden van artikel 5 van verordening 2018/1725 voldaan, aangezien de publicatie van de litigieuze informatie in geen geval kan worden geacht noodzakelijk te zijn voor de vervulling van een taak in het algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan OLAF is verleend, zoals bepaald in lid 1, onder a), van dat artikel. Evenmin wordt de door OLAF verrichte verwerking gerechtvaardigd door een van de in artikel 5, lid 1, onder b) tot en met e), van die verordening bedoelde bepalingen, aangezien zij niet wordt gerechtvaardigd door een wettelijke verplichting waaraan OLAF is onderworpen, noch door een vitaal belang van verzoekster, en er voorts geen sprake is van een overeenkomst of van toestemming van verzoekster.

41 Daarnaast betoogt verzoekster dat het Gerecht moet onderzoeken of OLAF, gelet op de doelstellingen van het onderzoek zoals geformuleerd in besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 houdende oprichting van OLAF (PB 1999, L 136, blz. 20) en verordening nr. 883/2013, door het litigieuze persbericht op te stellen en te publiceren, niet alleen zijn bevoegdheden heeft overschreden, maar ook het in artikel 5, leden 1 en 2, VEU gewaarborgde beginsel van bevoegdheidstoedeling van de instellingen heeft geschonden. Onder verwijzing naar het arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie (T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384 ), is zij van mening dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de bevoegdheid van OLAF om het publiek te informeren en het belang van OLAF om het publiek te informeren. Verzoekster voegt daaraan toe dat uit verordening nr. 883/2013 niet volgt dat het informeren van het publiek de hoofdactiviteit van OLAF is. Het gaat eerder om een volstrekt ondergeschikte doelstelling.

42 Ten tweede voert verzoekster in wezen aan dat OLAF de in het kader van zijn onderzoek over haar verzamelde persoonsgegevens voor andere doeleinden heeft gebruikt – namelijk het informeren van het publiek – dan die welke het verzamelen ervan rechtvaardigden, namelijk het opsporen van onregelmatigheden en fraudegevallen.

43 De opname van die persoonsgegevens in het litigieuze persbericht vormt een verdere verwerking van die voor het eindverslag van OLAF verzamelde gegevens en is in strijd met artikel 4, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725. Bovendien is OLAF zijn verplichting niet nagekomen om verzoekster overeenkomstig artikel 15, lid 3, van verordening 2018/1725 in kennis te stellen van de verdere verwerking van haar persoonsgegevens.

44 Voorts voert verzoekster in wezen aan dat OLAF artikel 6 van verordening 2018/1725 heeft geschonden door geen rekening te houden met de aard van de persoonsgegevens.

45 De Commissie betoogt in de eerste plaats dat de publicatie van het litigieuze persbericht een rechtmatige verwerking vormde overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a) en b), van verordening 2018/1725. Het feit dat een overheidsorgaan het publiek informeert over zijn werkzaamheden, met name door de publicatie van persberichten, is immers een taak in het algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de instelling of het orgaan van de Unie is verleend in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725. Dit is een duidelijke toepassing van het in artikel 15 VWEU neergelegde beginsel van openheid ten opzichte van het maatschappelijk middenveld.

46 De Commissie benadrukt dat het litigieuze persbericht slechts toereikende, ter zake dienende en beperkte informatie bevat die noodzakelijk is om te voldoen aan de verplichting om het publiek zo nauwkeurig mogelijk te informeren, waarbij rekening wordt gehouden met verzoeksters belangen op grond van de krachtens artikel 4, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725 opgelegde verplichting tot legaliteit, objectiviteit en transparantie. Zij wijst erop dat zonder de in het litigieuze persbericht vermelde informatie de kans kleiner zou zijn geweest dat de media de inhoud van dat persbericht zouden hebben opgepikt, wat afbreuk zou hebben gedaan aan de verwezenlijking van het nagestreefde doel.

47 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat OLAF verzoeksters persoonsgegevens niet verder heeft verwerkt in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725, aangezien het informeren van het publiek deel uitmaakt van de hoofdactiviteit van OLAF en een bevoegdheid is die door artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 wordt erkend. Bijgevolg was OLAF niet verplicht om verzoekster overeenkomstig artikel 15, lid 3, van verordening 2018/1725 in kennis te stellen van de verdere verwerking van haar persoonsgegevens.

48 Allereerst zij eraan herinnerd dat uit het arrest in hogere voorziening volgt dat verzoekster moet worden beschouwd als een natuurlijke persoon die indirect kan worden geïdentificeerd in de zin van artikel 3, punt 1, van verordening 2018/1725. Daarenboven valt een door OLAF gepubliceerd persbericht onder het begrip „verwerking van persoonsgegevens” in de zin van artikel 3, punt 3, van die verordening (arrest van 12 september 2007, Nikolaou/Commissie, T‑259/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:254, punt 222 ). Deze verordening is in casu dus van toepassing.

i) Artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 5 van verordening 2018/1725

49 Artikel 4, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725 bepaalt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is.

50 Artikel 5, lid 1, onder a) en b), van verordening 2018/1725 bepaalt in dit verband dat de verwerking alleen rechtmatig is indien en voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak in het algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de instelling of het orgaan van de Unie is verleend, of om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. Volgens overweging 20 van die verordening dienen de persoonsgegevens toereikend en ter zake dienend te zijn en beperkt te blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.

51 Verder volgt uit de rechtspraak dat een instelling of orgaan van de Unie persberichten kan publiceren of anderszins met het publiek kan communiceren, zelfs bij gebreke van een tekst die die instelling of dat orgaan daartoe uitdrukkelijk machtigt. Het feit dat de overheid het publiek informeert over haar werkzaamheden, met name door de publicatie van persberichten, kan immers worden beschouwd als een nevenactiviteit van haar voornaamste administratieve activiteit (arrest van 12 september 2007, Nikolaou/Commissie, T‑259/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:254, punt 218 ).

52 Hieruit volgt dat de voorlichting van het publiek over de werkzaamheden van OLAF, met name door de publicatie van persberichten, een taak in het algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag vormt dat aan dat orgaan is verleend in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725.

53 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten.

54 Het is juist dat het Gerecht in punt 175 van het arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie (T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384 ), met betrekking tot een persconferentie van de directeur-generaal van OLAF heeft geoordeeld dat deze persoon er „belang” bij had „het publiek zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de acties die worden ondernomen in verband met eventuele onregelmatigheden of fraude”. Anders dan verzoekster betoogt, kan het gebruik van het woord „belang” in plaats van het woord „bevoegdheid” echter niet aldus worden uitgelegd dat het verstrekken van informatie aan het publiek sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet meer onder de bevoegdheid van OLAF valt. Het gebruik van de term „belang” verwees in de context van dat arrest namelijk niet naar de bevoegdheid van OLAF om het publiek via persberichten te informeren, maar naar de afweging die moest worden gemaakt tussen de belangen van de verzoekende partij en die van OLAF bij de verstrekking van bepaalde informatie tijdens de betrokken persconferentie.

55 Ook is het juist dat artikel 5, lid 2, van verordening 2018/1725 bepaalt dat de rechtsgrond voor de in lid 1, onder a) en b), van dat artikel bedoelde verwerking „in het Unierecht [wordt] vastgesteld”.

56 Het in artikel 5, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725 neergelegde vereiste moet echter worden gelezen in het licht van overweging 22 van die verordening, waaruit blijkt dat de verwerking van persoonsgegevens voor de vervulling van de taken die door de instellingen of organen van de Unie in het algemeen belang worden verricht, de verwerking omvat van de voor het beheer en de werking van die instellingen en organen benodigde persoonsgegevens. Gelet op artikel 15, lid 1, VWEU en het beginsel van openheid waaraan de instellingen en organen van de Unie zich moeten houden, maakt het feit dat een overheidsorgaan het publiek informeert over zijn werkzaamheden, met name door de publicatie van persberichten, deel uit van de werking van de instellingen en organen van de Unie.

57 Derhalve kan niet worden geoordeeld dat OLAF zijn bevoegdheden heeft overschreden door een persbericht te publiceren. Dit laat echter de vraag onverlet of OLAF bij de opstelling van het persbericht zijn verplichtingen is nagekomen, met name wat de verwerking van persoonsgegevens betreft (arrest van 12 september 2007, Nikolaou/Commissie, T‑259/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:254, punt 219 ).

58 Nagegaan moet dus worden of de publicatie van verzoeksters leeftijd, nationaliteit en geslacht, van het feit dat haar vader werkzaam was bij de betrokken Griekse universiteit, en van het bedrag van de subsidie een verwerking van persoonsgegevens vormt die valt onder de vervulling van een taak in het algemeen belang in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725.

59 Dergelijke informatie maakt het niet alleen mogelijk om verzoekster te identificeren, maar is bovendien, met uitzondering van het bedrag van de toegekende subsidie, niet noodzakelijk om informatie te verstrekken over de feiten die haar naar aanleiding van het onderzoek van OLAF worden verweten. De leeftijd, het geslacht, de nationaliteit en de verwantschap van verzoekster met iemand anders hebben immers geen invloed gehad op de betrokken feiten en de vermelding daarvan valt geenszins onder de opdracht om het publiek te informeren over de werkzaamheden van OLAF.

60 Bovendien erkent de Commissie impliciet – door te stellen dat zonder de informatie in het litigieuze persbericht de kans kleiner zou zijn geweest dat de inhoud van dat bericht door de media werd opgepikt – dat de vermelding van de in punt 59 hierboven genoemde gegevens, die betrekking hebben op verzoeksters privéleven en alleen van anekdotisch belang zijn, als zodanig niet bedoeld is om het publiek te informeren over de rol die OLAF speelt bij fraudebestrijding. Overigens blijkt uit de verschillende in de media verschenen artikelen dat de vermelding van deze informatie alleen de aandacht van de media heeft getrokken wat de context waarin de vermeende fraude zich heeft voorgedaan en de persoon van verzoekster betreft. De vermelding van die informatie heeft niet geleid tot media-aandacht voor de onderzoeken van OLAF en meer bepaald voor het belang van toegang tot bankgegevens in de strijd tegen fraude, een aspect dat de directeur van OLAF juist wilde benadrukken.

61 De publicatie van die gegevens vormt dus een onrechtmatige verwerking in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 5, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725.

62 Wat het bedrag van de aan het project toegekende subsidie betreft is er sprake van objectieve informatie die het publiek op nuttige wijze informeert over de hoogte van de betrokken bedragen van de Uniebegroting. Anders dan verzoekster stelt, misleidt de vermelding van dit bedrag aan het begin van het litigieuze persbericht de lezer daarenboven niet over de omvang van de „fraude”. Integendeel, uit dat persbericht blijkt vrij duidelijk dat het bedrag van de subsidie weliswaar 1,1 miljoen EUR bedroeg, maar dat ERCEA in de aanbevelingen van OLAF werd verzocht om ongeveer 190 000 EUR – dat wil zeggen „het gedeelte van de subsidie dat aan internationale onderzoekers zou zijn betaald” – terug te vorderen.

ii) Artikel 4, lid 1, onder b), en artikel 6 van verordening 2018/1725

63 Artikel 4, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725 bepaalt dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze mogen worden verwerkt.

64 Deze bepaling moet worden gelezen in het licht van overweging 25 van die verordening. In deze overweging staat te lezen dat de verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld, enkel mag worden toegestaan indien de verwerking verenigbaar is met de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld. In dat geval is er geen andere afzonderlijke rechtsgrond vereist dan die op grond waarvan de verzameling van persoonsgegevens werd toegestaan. De verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden moet als een met de aanvankelijke doeleinden verenigbare rechtmatige verwerking worden beschouwd.

65 Voorts wordt in deze overweging verduidelijkt dat de verwerkingsverantwoordelijke, om na te gaan of een doel van verdere verwerking verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld, na te hebben voldaan aan alle voorschriften inzake rechtmatigheid van de oorspronkelijke verwerking, rekening moet houden met de in artikel 6, onder a) tot en met e), van verordening 2018/1725 genoemde criteria.

66 Artikel 6 van verordening 2018/1725 heeft als opschrift „Verwerking voor een ander verenigbaar doel” en bepaalt onder a) tot en met e) in essentie dat wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op een Unierechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 25, lid 1, van verordening 2018/1725 bedoelde doelstellingen, er moet worden nagegaan of deze verwerking verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, waarbij met name rekening moet worden gehouden met ieder verband tussen dat doel en het doel van de voorgenomen verdere verwerking, het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft, de aard van de persoonsgegevens, met name of de verwerking betrekking heeft op persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, de gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen en het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel pseudonimisering.

67 In casu zijn de persoonsgegevens van verzoekster in het kader van het door OLAF uitgevoerde onderzoek verzameld voor een welbepaald doel dat overeenkomt met de taak van OLAF om fraude te bestrijden. Zij zijn niet verzameld met het oog op de publicatie van het litigieuze persbericht, dat weliswaar een verwant, maar een ander doel dient, namelijk het informeren van het publiek over de werkzaamheden van OLAF.

68 Overeenkomstig de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van de term „verder” vormt elke verwerking van persoonsgegevens die volgt op de aanvankelijke verwerking – opgevat als het aanvankelijk verzamelen van die gegevens – een „verdere” verwerking van die gegevens, ongeacht het doel van die verdere verwerking (arrest van 20 oktober 2022, Digi, C‑77/21, EU:C:2022:805, punt 31 ). De publicatie van het litigieuze persbericht moet derhalve worden beschouwd als een verdere verwerking in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725, zodat moet worden nagegaan of deze verwerking verenigbaar is met de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld.

69 In dit verband voert verzoekster in wezen aan dat OLAF artikel 6 van verordening 2018/1725 heeft geschonden door geen rekening te houden met de „strafrechtelijke” aard van de persoonsgegevens.

70 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat er bij de publicatie van het litigieuze persbericht geen sprake is van verwerking van persoonsgegevens voor een doel waarvoor verzoekster toestemming heeft gegeven voor het verzamelen van haar gegevens, of voor een op het Unierecht gebaseerd doel dat in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van de in artikel 25, lid 1, van verordening 2018/1725 genoemde doelstellingen.

71 Vervolgens bestaat er tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld en de doeleinden van de verdere verwerking een verband in de zin van artikel 6, onder a), van die verordening. Zoals hierboven is opgemerkt, vormt de publicatie van het persbericht van OLAF immers een nevenactiviteit van de hoofdactiviteit van dat orgaan.

72 Gelet op dit accessoire karakter kan in het licht van artikel 6, onder b), van verordening 2018/1725 ook worden geoordeeld dat de context waarin de persoonsgegevens van verzoekster zijn verzameld een zekere nabijheid vertoont met de context waarin zij vervolgens zijn verwerkt, met name wat de verhouding tussen verzoekster en de verwerkingsverantwoordelijke, OLAF, betreft.

73 Evenwel kan niet worden aangenomen dat OLAF in de zin van artikel 6, onder c), van verordening 2018/1725 rekening heeft gehouden met de aard van de persoonsgegevens, met name omdat deze de identificatie van verzoekster in verband met vermeende strafbare feiten mogelijk maken.

74 Evenzo heeft OLAF, gelet op de tegen verzoekster geuite beschuldigingen en op wat er in de artikelen stond die na de publicatie van het litigieuze persbericht zijn verschenen, onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van de verdere verwerking voor verzoekster in de zin van artikel 6, onder d), van verordening 2018/1725.

75 Ten slotte volgt uit het arrest in hogere voorziening dat OLAF onvoldoende rekening heeft gehouden met het bestaan van passende waarborgen in de zin van artikel 6, onder e), van verordening 2018/1725. Hoewel OLAF verzoeksters identiteit niet heeft onthuld, kon het publiek haar namelijk identificeren aan de hand van de verwerking van de persoonsgegevens in het litigieuze persbericht.

76 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat OLAF, door het litigieuze persbericht te publiceren, verzoeksters persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt in strijd met artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 5, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725 en deze gegevens verder heeft verwerkt in strijd met artikel 4, lid 1, onder b), en artikel 6, onder c) tot en met e), van die verordening.

2) Voldoende gekwalificeerde schending

77 Verzoekster betoogt in wezen dat OLAF over geen enkele beoordelingsmarge beschikt, aangezien de bepalingen van verordening 2018/1725 dwingende regels bevatten.

78 De Commissie betoogt dat de instellingen van de Unie over een zekere beoordelingsmarge beschikken om te bepalen in welke mate de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk kan zijn om een aan de overheid opgedragen taak te vervullen. Volgens de Commissie kan hoe dan ook niet worden gesteld dat de vermeende schending een onverschoonbare fout vormt. Als er al sprake zou zijn van een schending, dan komt dat door een gebrek aan zorgvuldigheid en kan er niet worden gesteld dat de schending opzettelijk is gepleegd.

79 Ook al zou OLAF, zoals de Commissie betoogt, voor de toepassing van artikel 4, lid 1, onder a) en b), artikel 5, lid 1, onder a), en artikel 6, onder c) tot en met e), van verordening 2018/1725 over een zekere beoordelingsmarge beschikken, dan nog moet worden vastgesteld dat het deze bepalingen op ernstige en kennelijke wijze heeft geschonden door verzoeksters nationaliteit en leeftijd in het litigieuze persbericht te publiceren en de aanwezigheid van haar vader op de betrokken Griekse universiteit te vermelden.

80 De geschonden bepalingen zijn immers niet onduidelijk en doen op dit punt geen bijzondere uitleggings- of beoordelingsproblemen rijzen. De omstandigheid dat de Commissie erop wijst dat zonder de in het litigieuze persbericht vermelde informatie de kans kleiner zou zijn geweest dat de media de inhoud van dat persbericht zou hebben opgepikt, maakt het met name niet alleen mogelijk om het verschoonbare karakter van de begane fout uit te sluiten, maar maakt bovendien dat er een element van opzet aanwezig is.

81 Hieruit volgt dat OLAF, door de publicatie van het litigieuze persbericht, verzoeksters persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt in strijd met artikel 5, lid 1, onder a) en b), van verordening 2018/1725, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt waarvoor de Unie overeenkomstig artikel 340, tweede alinea, VWEU aansprakelijk kan worden gesteld.

3. Schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en van het beginsel van goede rechtsbedeling

82 Om te beginnen zij erop gewezen dat verzoekster twee verschillende rechtsgrondslagen aanvoert, maar dat het in beide gevallen om dezelfde feitelijke gegevens gaat.

a) Schending van het in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013 neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld en van de in artikel 10, lid 5, van die verordening neergelegde verplichting om het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken te eerbiedigen

i) Schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en van het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken

83 Verzoekster betoogt dat OLAF haar recht op het vermoeden van onschuld als bedoeld in artikel 48, lid 1, van het Handvest en artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013 op flagrante wijze heeft geschonden. OLAF heeft een persbericht verspreid dat, ten eerste, persoonsgegevens bevat aan de hand waarvan zij kan worden geïdentificeerd en, ten tweede, op partijdige wijze is geformuleerd, omissies en onjuiste feiten bevat die in strijd zijn met de conclusies van zijn eindverslag, en een verkeerde voorstelling van die feiten geeft om verzoekster in de ogen van het publiek schuldig te doen lijken aan fraude jegens alle onderzoekers, terwijl het onderzoek op nationaal niveau nog niet was afgerond.

84 Voorts voert zij aan dat artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 aan particulieren rechten toekent, aangezien het om een dwingende bepaling gaat op grond waarvan OLAF bepaalde verplichtingen moet nakomen zodat de wettelijke rechten van de betrokkenen worden geëerbiedigd overeenkomstig overweging 25 van die verordening.

85 De Commissie betoogt in wezen dat OLAF de conclusies van zijn eindverslag geenszins verkeerd heeft voorgesteld, aangezien het de vastgestelde feiten beknopt en nauwkeurig heeft uiteengezet, zonder een juridische kwalificatie te geven en zonder een oordeel te vellen over de schuld of de onschuld van verzoekster. Daarnaast is bij het litigieuze persbericht een gedetailleerde beschrijving gevoegd van de taak van OLAF, waarin duidelijk wordt aangegeven dat deze erin bestaat fraudegevallen te onderzoeken en vervolgens aanbevelingen te doen aan de bevoegde nationale autoriteiten, zodat zij zich over de schuld van de betrokkene kunnen uitspreken. De schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld is dus niet aangetoond.

Opmerkingen vooraf

86 Allereerst moet worden opgemerkt dat uit het arrest in hogere voorziening volgt dat verzoekster op zijn minst indirect identificeerbaar is aan de hand van de gegevens in het litigieuze persbericht, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de beoordeling van een eventuele schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld.

87 Voorts verleent het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat een in artikel 6, lid 2, van het EVRM en artikel 48, lid 1, van het Handvest neergelegd fundamenteel recht is, aan particulieren rechten waarvan de Unierechter de eerbiediging waarborgt (zie arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 In dit verband garandeert artikel 6, lid 2, van het EVRM eenieder dat hij niet als schuldig aan een strafbaar feit wordt aangewezen of behandeld voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Het vermoeden van onschuld wordt geschonden door uitlatingen of beslissingen die de opvatting weerspiegelen dat de betrokkene schuldig is, die het publiek in de schuld van de betrokkene laten geloven of die vooruitlopen op de beoordeling van de feiten door de bevoegde rechter (zie arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punt 210 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Artikel 6, lid 2, van het EVRM kan, gelet op de door artikel 10 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting, de autoriteiten niet beletten het publiek in te lichten over lopende strafzaken, zij het dat dit wel moet gebeuren met alle discretie en terughoudendheid die nodig zijn om het vermoeden van onschuld te eerbiedigen (zie arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 173 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 Wat meer in het bijzonder OLAF betreft, bepaalt artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013 in wezen dat de onderzoeken van dit orgaan gericht zijn op zowel belastende als ontlastende feiten en worden verricht met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld. Volgens artikel 10, lid 5, van deze verordening zorgt de directeur-generaal ervoor dat het verstrekken van informatie aan het publiek in overeenstemming is met de beginselen van dat artikel en van artikel 9, lid 1, van die verordening. In dit verband is geoordeeld dat het beginsel van het vermoeden van onschuld zijn uitvloeisel vindt in de geheimhoudingsplicht die krachtens artikel 10 van verordening nr. 883/2013 op OLAF rust en die eveneens rechten toekent aan de particulieren die door een onderzoek van OLAF worden geraakt, die immers mogen verwachten dat de hen betreffende onderzoeken met eerbiediging van hun fundamentele rechten worden behandeld (zie arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91 Er is reeds geoordeeld dat de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld zich er niet tegen verzet dat een instelling van de Unie, teneinde het publiek zo nauwkeurig mogelijk op de hoogte te brengen van de stappen die in verband met eventuele gevallen van disfunctioneren of fraude worden genomen, melding maakt van de belangrijkste conclusies van het door OLAF opgestelde eindverslag betreffende een lid van een instelling. Het staat echter aan die instelling om die melding in afgewogen en afgemeten bewoordingen en op hoofdzakelijk feitelijke wijze te doen (zie naar analogie arrest van 30 november 2022, KN/Parlement, T‑401/21, EU:T:2022:736, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Daaruit volgt dat OLAF niet kan worden verweten het beginsel van het vermoeden van onschuld en het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken te hebben geschonden louter door het publiek in kennis te hebben gesteld van de in zijn eindverslag geformuleerde conclusies, met inbegrip van de aanbevelingen aan de nationale autoriteiten, ook al wordt er in die aanbevelingen geen definitieve uitspraak gedaan over de schuld van de betrokkene.

93 Bij de beoordeling of het beginsel van het vermoeden van onschuld is geschonden, moet echter rekening worden gehouden met de in het litigieuze persbericht gemaakte keuze van de gebruikte bewoordingen. Daarbij moet worden gekeken naar de werkelijke betekenis van de betrokken uitlatingen, en niet naar de letterlijke formulering ervan, alsmede naar de specifieke omstandigheden waarin de betrokken uitlatingen zijn gedaan (zie naar analogie arrest van 30 november 2022, KN/Parlement, T‑401/21, EU:T:2022:736, punten 69 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94 In het licht van deze overwegingen moet worden bepaald of OLAF, door het litigieuze persbericht te publiceren, artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 heeft geschonden, alvorens kan worden beoordeeld of deze schending voldoende gekwalificeerd is.

Vermeende schendingen

95 In de eerste plaats wordt in de derde alinea van het litigieuze persbericht melding gemaakt van het feit dat de geopende bankrekeningen „meerdere houders” hadden, zonder te specificeren dat de betrokken onderzoekers zelf medehouders van die rekeningen waren. Verzoekster leidt hieruit af dat OLAF bewust de indruk heeft gewekt dat zij de enige was die deze rekeningen kon beheren, zonder medeweten van de betrokken onderzoekers.

96 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat in het litigieuze persbericht ook is vermeld dat „geen enkele van [de onderzoekers met wie contact is opgenomen] [...] op de hoogte [was] van de op hun naam geopende bankrekeningen” en dat de onderzoekers „medehouders” van die rekeningen waren. Dit argument kan dus niet slagen.

97 In de tweede plaats verwijt verzoekster OLAF in de vierde alinea van het litigieuze persbericht verstaan te hebben gegeven dat zij het goede verloop van het onderzoek heeft proberen te belemmeren, met name door contact op te nemen met de onderzoekers die aan het project hadden deelgenomen.

98 Op dit punt zij verwezen naar punt 85 van het arrest in hogere voorziening, waarin het Hof verzoeksters argument heeft afgewezen waarmee zij wilde doen vaststellen dat het Gerecht de conclusies van het eindverslag van OLAF had verdraaid door te oordelen dat uit dat verslag bleek dat OLAF tijdens zijn onderzoek had vastgesteld dat verzoekster herhaaldelijk contact had opgenomen met bepaalde onderzoekers, alsook dat het deze handelingen als een belemmering van zijn onderzoek had beschouwd. Dit argument dient dan ook te worden afgewezen.

99 In de derde plaats verwijt verzoekster OLAF in de tweede zin van de vijfde alinea van het litigieuze persbericht te hebben vermeld dat zij contant geld had opgenomen of „aanzienlijke bedragen naar haar persoonlijke rekening [had] overgemaakt”. Zij verwijt OLAF met name dat het heeft nagelaten om in zijn eindverslag te vermelden dat het had toegegeven dat er een aanzienlijk bedrag was overgemaakt naar de door de onderzoekers opgegeven bankrekeningen en dat andere bedragen op de rekeningen van de onderzoekers waren gebleven.

100 Die bewering is echter gebaseerd op een feitelijke vaststelling die overeenkomt met de conclusies waartoe OLAF in zijn eindverslag is gekomen. Uit de laatste alinea van het litigieuze persbericht blijkt namelijk dat ERCEA werd verzocht om een bedrag van ongeveer 190 000 EUR terug te vorderen.

101 Bovendien kan, zoals de Commissie benadrukt, uit verordening nr. 883/2013 geen enkele op OLAF rustende verplichting worden afgeleid om in het persbericht informatie op te nemen die in het voordeel van verzoekster is.

102 Daaruit volgt dat het ontbreken van een verklaring voor bepaalde door verzoekster verrichte geldopnames en overschrijvingen in deze context niet kan worden geacht inbreuk te maken op het beginsel van het vermoeden van onschuld.

103 In de vierde plaats voert verzoekster aan dat er sprake is van schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, aangezien de conclusies van het eindverslag van OLAF met betrekking tot de antwoorden van de onderzoekers die aan het project hadden deelgenomen, niet overeenstemmen met de werkelijkheid en door nieuwe gegevens worden tegengesproken.

104 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat dit argument er in werkelijkheid op gericht is om het eindverslag van OLAF, en niet het litigieuze persbericht, ter discussie te stellen. Zoals de Commissie stelt en verzoekster toegeeft, heeft het onderhavige beroep alleen betrekking op het persbericht. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

105 Verder moet worden opgemerkt dat de verslagen die OLAF krachtens artikel 10, lid 3, en artikel 11, leden 3 tot en met 6, van verordening nr. 883/2013 in het kader van zijn onderzoeken opstelt, in beginsel vertrouwelijk zijn en bedoeld zijn om aan de nationale autoriteiten en de autoriteiten van de Unie informatie en bewijzen te verstrekken aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen of het wenselijk is om maatregelen vast te stellen op het niveau van de Unie of vervolgingen in te stellen door de nationale gerechtelijke instanties.

106 Daaruit volgt dat het eindverslag van OLAF verzoekster kan schaden, hetzij indirect indien de Commissie of een nationale autoriteit na de toezending ervan een besluit neemt op basis van de gegevens in dat verslag, hetzij direct indien dat verslag geheel of gedeeltelijk openbaar wordt gemaakt. De enige schade die rechtstreeks uit dat verslag kan voortvloeien, is dus die welke door openbaarmaking wordt veroorzaakt [zie in die zin arrest van 28 juni 2023, IMG/Commissie, T‑752/20, EU:T:2023:366, punt 36 (niet gepubliceerd)].

107 In casu staan de verschillende vermeende fouten en onnauwkeurigheden in het eindverslag van OLAF los van de verspreiding van het litigieuze persbericht, maar hebben zij betrekking op de uitvoering van het onderzoek en de opstelling van dat verslag. De aangevoerde fouten, gesteld al dat zij zijn bewezen, vertonen derhalve een onvoldoende rechtstreeks verband met de door verzoekster aangevoerde schade.

108 In de vijfde plaats verwijt verzoekster OLAF de door haar gestelde handelingen als „fraude” te hebben gekwalificeerd. Verzoekster betoogt met name dat de vierde alinea van het litigieuze persbericht aldus is geformuleerd dat zij de bedoeling had „fraude” te plegen door zich de middelen van de aan het project deelnemende onderzoekers toe te eigenen. Zij herinnert er in dit verband aan dat OLAF overeenkomstig artikel 11, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 883/2013 weliswaar tot de voorlopige juridische kwalificatie van de geconstateerde feiten moet overgaan, maar dat deze kwalificatie in het eindverslag van het onderzoek en niet in het persbericht moet worden opgenomen.

109 Het Gerecht heeft reeds geoordeeld dat de Commissie, door met een publiek toegankelijk persbericht de indruk te wekken dat de betreffende verzoekende partij betrokken was bij malversaties, het beginsel van het vermoeden van onschuld had geschonden en de reputatie en eer van die partij had aangetast (arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punt 403 ).

110 Vastgesteld moet worden dat, anders dan de Commissie betoogt, het gebruik van de term „fraude” gebaseerd is op een juridische kwalificatie van de feiten en impliceert dat verzoekster schuldig is.

111 Bovendien kan, anders dan de Commissie betoogt, het feit dat bij het litigieuze persbericht een beschrijving van de onderzoekstaken van OLAF is gevoegd waarin erop wordt gewezen dat het aan de bevoegde nationale autoriteiten is om zich uit te spreken over verzoeksters schuld, niet volstaan om de door het gebruik van de term „fraude” opgeroepen indruk van schuld weg te nemen (zie in die zin arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punt 308 ). Ook niet relevant is dat in het litigieuze persbericht niet wordt vermeld welk soort procedure – strafrechtelijk, bestuursrechtelijk of anders – aan de nationale autoriteiten wordt aanbevolen.

112 Voorts moet worden opgemerkt dat verzoekster OLAF ook verwijt dat het in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht heeft aangegeven dat geen enkele onderzoeker wist dat zijn naam aan het project was verbonden en ook niet op de hoogte was gesteld van het feit dat er een bankrekening op zijn naam was geopend. Volgens haar zijn ook de uitlatingen van de directeur van OLAF in de zesde alinea van dit persbericht, namelijk dat „de namen van onderzoekers te goeder trouw zijn gebruikt in het kader van de poging tot fraude”, onwaar. Het eindverslag van OLAF geeft namelijk duidelijk aan dat „tien onderzoekers [...] hebben bevestigd aan het project te hebben deelgenomen”.

113 In dit verband zij erop gewezen dat het Hof in het arrest in hogere voorziening heeft geoordeeld dat het Gerecht de conclusies van het eindverslag van OLAF onjuist had opgevat door te oordelen dat OLAF in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht geen onjuiste informatie openbaar had gemaakt.

114 Onverminderd de vraag of deze openbaarmaking van onjuiste informatie een schending vormt van de op OLAF rustende zorgvuldigheidsplicht, is het feit dat het om „alle onderzoekers” of „tien onderzoekers” gaat, niet doorslaggevend voor de vaststelling van verzoeksters schuld. Een dergelijk element versterkt echter, doordat het aantal betrokken personen wordt benadrukt, de indruk dat verzoekster schuldig is, welke indruk voortvloeit uit het gebruik van de term „fraude”.

115 Hieruit volgt dat het gebruik van de term „fraude” in deze context niet afgemeten is in de zin van de in punt 91 hierboven aangehaalde rechtspraak.

116 Zo gaat ook de kwalificatie van verzoeksters handelingen als „fraude” verder dan een hoofdzakelijk feitelijke voorstelling van de conclusies van het eindverslag van OLAF. Dat eindverslag vermeldt namelijk „onregelmatigheden” en kwalificeert bepaalde feiten als fraude in de zin van het Griekse strafrecht, waarbij gebruik wordt gemaakt van de voorwaardelijke wijs („would appear” in het Engels en „φαίνεται να” in het Grieks).

117 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat OLAF, door gebruik te maken van het woord „fraude”, het in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013 en artikel 10, lid 5, van die verordening neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld heeft geschonden.

ii) Voldoende gekwalificeerde schending

118 Om te bepalen of de schending van artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 een voldoende gekwalificeerde schending vormt, moet worden bepaald over welke beoordelingsmarge de instellingen beschikken.

119 In dit verband betoogt verzoekster dat OLAF over geen enkele beoordelingsmarge beschikt. Omgekeerd voert de Commissie aan dat OLAF over een zekere beoordelingsmarge beschikt. Zij baseert zich hiervoor op punt 129 van het arrest van 4 oktober 2006, Tillack/Commissie (T‑193/04, EU:T:2006:292 ), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat er, gelet op de autonomie die aan OLAF is verleend door verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door [OLAF] (PB 1999, L 136, blz. 1), die destijds van toepassing was, en de doelstelling van algemeen belang bestaande in het verstrekken van informatie aan het publiek door middel van persberichten, in aanmerking moest worden genomen dat OLAF over een beoordelingsmarge beschikte met betrekking tot de opportuniteit en de inhoud van persberichten over zijn onderzoeksactiviteiten.

120 OLAF beschikt derhalve weliswaar over een zekere beoordelingsmarge met betrekking tot de opportuniteit en de inhoud van de persberichten, maar deze beoordelingsmarge wordt beperkt door de naleving van de grondrechten van de betrokkenen. Zoals het Gerecht reeds heeft geoordeeld, heeft de Commissie dus geen enkele beoordelingsmarge waar het gaat om de op haar rustende verplichting om het vermoeden van onschuld te eerbiedigen (arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punten 219 en 314 ). Ook al zou OLAF over een beoordelingsmarge beschikken, dan nog moet in ieder geval worden vastgesteld dat het gebruik van het woord „fraude” in het litigieuze persbericht een ernstige en kennelijke schending van artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 vormt.

121 Ten eerste zijn deze bepalingen niet onduidelijk en doen zij geen uitleggings- of beoordelingsprobleem rijzen. Ten tweede kan deze fout niet als verschoonbaar worden beschouwd. Het gaat immers om een kwalificatie van de aan verzoekster verweten feiten die verder gaat dan de enkele feitelijke beschrijving van de conclusies in het eindverslag van OLAF en die deel uitmaakt van de communicatiestrategie van dat orgaan, welke niet getuigt van de terughoudendheid die van een orgaan van de Unie mag worden verwacht.

122 Bijgevolg vormt het gebruik van het woord „fraude” in het litigieuze persbericht een voldoende gekwalificeerde schending van het in artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld en kan de Unie overeenkomstig artikel 340, tweede alinea, VWEU aansprakelijk worden gesteld voor die schending.

b) Schending van het in artikel 41 van het Handvest en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 neergelegde recht op behoorlijk bestuur

123 Verzoekster betoogt dat OLAF het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur op flagrante wijze heeft geschonden. Zij betoogt dat dit recht aan particulieren rechten toekent door middel van een geheel van dwingende regels of verbodsbepalingen.

124 In het bijzonder is verzoekster van mening dat OLAF, door gevoelige of zelfs misleidende informatie uit onderzoeken openbaar te maken in de media en door het grote publiek in de loop van de onderzoeksprocedure toegang te verlenen tot vertrouwelijke informatie, de zorgvuldigheidsplicht en verplichting tot onpartijdigheid, die ook worden genoemd in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013, heeft geschonden. Deze verplichtingen vormen een wezenlijk onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur.

125 De Commissie betoogt dat het beginsel van behoorlijk bestuur geen rechten toekent aan particulieren, behalve wanneer het de uitdrukking vormt van specifieke rechten, en dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er sprake is van schending van een recht dat een uitdrukking is van dit beginsel.

i) Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur

126 Om te beginnen zij erop gewezen dat het beginsel van behoorlijk bestuur als zodanig geen rechten toekent aan particulieren, behalve wanneer het de uitdrukking vormt van specifieke rechten zoals het recht van eenieder op een onpartijdige en billijke behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, het recht te worden gehoord, het recht van toegang tot het dossier en het recht op motivering van beslissingen in de zin van artikel 41 van het Handvest (zie arrest van 4 oktober 2006, Tillack/Commissie, T‑193/04, EU:T:2006:292, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit geldt ook voor de zorgvuldigheidsplicht, die inherent is aan het beginsel van behoorlijk bestuur en de bevoegde instelling verplicht om alle relevante gegevens van de zaak zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken [arresten van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie, C‑47/07 P, EU:C:2008:726, punt 91 , en  6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 200 ].

127 De zorgvuldigheidsplicht is algemeen van toepassing op het handelen van de overheid in haar betrekkingen met het publiek. Zij houdt in dat de overheid met zorg en omzichtigheid moet handelen [arresten van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie, C‑47/07 P, EU:C:2008:726, punten 92 en 93 , en  30 april 2019, UPF/Commissie, T‑747/17, EU:T:2019:271, punt 160 ].

128 Voorts zij eraan herinnerd dat artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 bepaalt dat de directeur-generaal van OLAF ervoor zorgt dat het verstrekken van informatie aan het publiek op neutrale en onpartijdige wijze gebeurt en dat de openbaarmaking van die informatie geschiedt met inachtneming van het vertrouwelijke karakter van onderzoeken en in overeenstemming is met de in artikel 9, lid 1, van deze verordening neergelegde beginselen, waaronder het objectief en onpartijdig verrichten van het onderzoek.

129 Ten eerste voorziet artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 in de verplichting om het publiek op neutrale en onpartijdige wijze te informeren, hetgeen in verband kan worden gebracht met de in de punten 126 en 127 hierboven bedoelde zorgvuldigheidsplicht. Ten tweede verwijst die bepaling naar de verplichting tot onpartijdigheid van OLAF in het kader van het onderzoek. Die verplichting tot onpartijdigheid is in het onderhavige beroep niet aan de orde, aangezien dit beroep betrekking heeft op de mogelijke niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie door de publicatie van het litigieuze persbericht, en niet door het door OLAF verrichte onderzoek.

130 Bovendien waarborgt artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 dat het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken wordt geëerbiedigd. In dit verband is geoordeeld dat de vertrouwelijkheidsplicht ook rechten toekent aan de particulieren die door een onderzoek van OLAF worden geraakt, die immers mogen verwachten dat de hen betreffende onderzoeken met eerbiediging van hun fundamentele rechten worden behandeld. Op dezelfde wijze zijn particulieren gerechtigd zich te beroepen op het beginsel van behoorlijk bestuur, in zoverre zij daaraan het recht op vertrouwelijke behandeling van hun zaak ontlenen (arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punt 218 ).

131 In het licht van deze overwegingen moeten de door verzoekster aangevoerde argumenten worden onderzocht.

132 In de eerste plaats voert verzoekster in wezen aan dat er sprake is van schending van de zorgvuldigheidsplicht van OLAF doordat leugenachtige informatie openbaar is gemaakt.

133 Ten eerste betoogt zij dat in de derde alinea van het litigieuze persbericht melding is gemaakt van het feit dat de geopende bankrekeningen „meerdere houders” hadden, zonder dat daarin gespecificeerd is dat de betrokken onderzoekers zelf medehouders van die rekeningen waren.

134 Het volstaat vast te stellen dat in dat persbericht ook is vermeld dat „geen enkele van [de onderzoekers met wie contact is opgenomen] [...] op de hoogte [was] van de op hun naam geopende bankrekeningen” en dat de onderzoekers „medehouders” van die rekeningen waren. Dit argument kan dus niet slagen.

135 Ten tweede verwijt verzoekster OLAF in de vierde alinea van het litigieuze persbericht verstaan te hebben gegeven dat zij het goede verloop van het onderzoek heeft proberen te belemmeren, met name door contact op te nemen met onderzoekers die aan het project hadden deelgenomen.

136 Op dit punt zij verwezen naar punt 85 van het arrest in hogere voorziening, waarin het Hof verzoeksters argument heeft afgewezen waarmee zij wilde doen vaststellen dat het Gerecht de conclusies van het eindverslag van OLAF had verdraaid door te oordelen dat uit dat verslag bleek dat OLAF tijdens zijn onderzoek had vastgesteld dat verzoekster herhaaldelijk contact had opgenomen met bepaalde onderzoekers, alsook dat het deze handelingen als een belemmering van zijn onderzoek had beschouwd. Bijgevolg moet dit argument van de hand worden gewezen.

137 Ten derde voert verzoekster aan dat de conclusies van het eindverslag van OLAF met betrekking tot de antwoorden van de onderzoekers die aan het project hadden deelgenomen, niet overeenstemmen met de werkelijkheid en door nieuwe gegevens worden tegengesproken. Dit argument moet worden afgewezen om soortgelijke redenen als die welke in de punten 103 tot en met 107 hierboven zijn genoemd.

138 Ten vierde verwijt verzoekster OLAF dat het in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht heeft aangegeven dat geen enkele onderzoeker wist dat zijn naam aan het project was verbonden en ook niet op de hoogte was gesteld van het feit dat er een bankrekening op zijn naam was geopend. Volgens haar zijn ook de uitlatingen van de directeur van OLAF in de zesde alinea van dit persbericht, namelijk dat „de namen van onderzoekers te goeder trouw zijn gebruikt in het kader van de poging tot fraude”, onwaar. Het eindverslag van OLAF geeft namelijk duidelijk aan dat „tien onderzoekers [...] hebben bevestigd dat zij aan het project hebben deelgenomen”.

139 In dit verband zij erop gewezen dat het Hof in het arrest in hogere voorziening heeft geoordeeld dat het Gerecht de conclusies van het eindverslag van OLAF onjuist had opgevat door te oordelen dat OLAF in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht geen onjuiste informatie openbaar had gemaakt.

140 Vastgesteld moet dus worden dat OLAF niet met zorg en omzichtigheid heeft gehandeld door in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht te schrijven dat „[g]een enkele van deze onderzoekers wist dat zijn naam aan het project was verbonden en [...] ook niet op de hoogte [was] gesteld van het feit dat er een bankrekening op zijn naam was geopend of dat er betalingen hadden plaatsgevonden”. Uit punt 2.2.3.2 van het eindverslag van OLAF blijkt namelijk dat de tien onderzoekers die hebben gereageerd, hebben „bevestigd dat zij aan het project [hadden] deelgenomen” en dat alleen „sommige onderzoekers noch de door [de betrokken Griekse universiteit] op hun naam gedeclareerde uitgaven hebben bevestigd, noch hebben bevestigd dat zij over een Griekse bankrekening beschikten”.

141 Overigens zij opgemerkt dat in de samenvatting van het eindverslag van OLAF niet wordt verwezen naar de vraag of de onderzoekers wisten dat hun naam aan het project was verbonden. Aangegeven wordt daarentegen dat „[h]et onderzoek heeft aangetoond dat sommige onderzoekers niet op de hoogte waren van het bestaan van de gezamenlijke bankrekeningen en van de vergoeding waarvan [de betrokken Griekse universiteit] namens hen betaling van ERCEA had geëist”. OLAF heeft dus in zijn bericht de feiten bewust overdreven, mede op basis van de samenvatting van het verslag, die niet noodzakelijkerwijs alle nuances van dat verslag bevat.

142 Hieruit volgt dat OLAF zijn zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen door in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht onjuiste informatie openbaar te maken.

143 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat OLAF in strijd met artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 vertrouwelijke gegevens van het onderzoek openbaar heeft gemaakt. In het litigieuze persbericht is namelijk de vertrouwelijke informatie openbaar gemaakt dat er vermeende pogingen waren gedaan om het onderzoek te dwarsbomen. Bovendien worden in de laatste alinea van dat bericht aanbevelingen genoemd die OLAF aan de nationale autoriteiten heeft gedaan en die vertrouwelijk hadden moeten blijven.

144 Wat betreft de in de vierde alinea van het litigieuze persbericht vermelde handelingen die het goede verloop van het onderzoek belemmeren, volgt uit punt 85 van het arrest in hogere voorziening dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat uit het eindverslag van OLAF bleek dat verzoekster tijdens het onderzoek herhaaldelijk contact had opgenomen met bepaalde onderzoekers en dat OLAF deze handelingen als een belemmering voor zijn onderzoek had beschouwd. Aldus heeft OLAF op neutrale wijze melding gemaakt van de tijdens zijn onderzoek vastgestelde feiten die in zijn eindverslag zijn opgenomen. Dit argument kan dan ook niet worden aanvaard.

145 Wat betreft de vermelding van de aanbevelingen die OLAF aan de nationale autoriteiten heeft gedaan, moet worden verduidelijkt dat de vermeende schending van het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken hier wordt onderzocht voor zover zij wordt aangevoerd in samenhang met het door artikel 41 van het Handvest gewaarborgde beginsel van behoorlijk bestuur en niet in verband met het beginsel van het vermoeden van onschuld, aangezien die grief met name in punt 92 hierboven reeds is onderzocht.

146 In dit specifieke kader moet worden geoordeeld dat het in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 neergelegde verbod om afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van onderzoeken door de openbaarmaking van informatie aan het publiek, alleen wordt geschonden wanneer die openbaarmaking het verloop van het door OLAF uitgevoerde onderzoek aantast.

147 In casu blijkt uit de punten 7 tot en met 11 hierboven dat het onderzoek van OLAF was beëindigd, dat het eindverslag was opgesteld en dat de aanbevelingen aan de bevoegde nationale autoriteiten waren gedaan vóór de publicatie van het litigieuze persbericht. Bijgevolg kan de vermelding van deze aanbevelingen in dat persbericht niet worden geacht het goede verloop van het onderzoek aan te tasten.

148 Derhalve moet dit argument worden verworpen.

149 In de derde plaats voert verzoekster aan dat OLAF, door in het persbericht alleen belastende informatie over haar te vermelden, niet de nodige neutraliteit en objectiviteit aan de dag heeft gelegd die krachtens het recht op behoorlijk bestuur en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 vereist zijn.

150 In dit verband verwijt verzoekster OLAF in de tweede zin van de vijfde alinea van het litigieuze persbericht te hebben vermeld dat zij contant geld had opgenomen of „aanzienlijke bedragen naar haar persoonlijke rekening [had] overgemaakt”. Zij verwijt OLAF dat het met name heeft nagelaten om in zijn eindverslag te vermelden dat het had erkend dat er een aanzienlijk bedrag was overgemaakt naar de door de onderzoekers opgegeven bankrekeningen en dat andere bedragen op de rekeningen van de onderzoekers waren blijven staan.

151 Onder verwijzing naar de door de directeur van OLAF in de zesde alinea van het litigieuze persbericht gedane uitlatingen volgens welke „de namen van onderzoekers te goeder trouw zijn gebruikt in het kader van de poging tot fraude”, voert verzoekster eveneens aan dat middels het litigieuze persbericht partijdige informatie aan het publiek is verstrekt om haar schuldig te doen lijken.

152 De Commissie betoogt dat het litigieuze persbericht noch de samenvatting is van het eindrapport van het onderzoek, noch een document dat het standpunt van de betrokken partijen moet weergeven. Verzoekster geeft bovendien niet duidelijk aan welke informatie in haar voordeel spreekt en in het persbericht had moeten worden opgenomen. De Commissie is dan ook van mening dat OLAF zijn verplichting tot onpartijdigheid, zowel subjectief als objectief, niet ernstig en kennelijk heeft geschonden.

153 Wat de vermelding van opnames of overmakingen „van aanzienlijke bedragen naar haar persoonlijke rekening” in de tweede zin van de vijfde alinea van het litigieuze persbericht betreft, moet worden geoordeeld dat het hier gaat om een neutrale vermelding van feitelijke informatie die overeenkomt met de conclusies waartoe OLAF in zijn eindverslag is gekomen.

154 Bovendien kan, zoals de Commissie benadrukt, uit verordening nr. 883/2013 geen enkele op OLAF rustende verplichting worden afgeleid om in het persbericht informatie op te nemen die in het voordeel van verzoekster spreekt. Derhalve kan het ontbreken van een verklaring voor bepaalde door verzoekster verrichte opnames en overschrijvingen niet worden beschouwd als een aanwijzing dat OLAF zijn zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen.

155 Zoals in punt 128 hierboven is vermeld, legt artikel 10, lid 5, van die verordening de directeur-generaal van OLAF echter de verplichting op om op neutrale en onpartijdige wijze informatie aan het publiek te verstrekken.

156 Het gebruik van de term „fraude” vormt een schending van deze verplichting tot neutraliteit en onpartijdigheid. Anders dan de Commissie betoogt, gaat het bij deze term namelijk niet om louter een feitelijke voorstelling van de elementen van het onderzoek, maar om een juridische kwalificatie van de feiten die bij de lezer van het litigieuze persbericht de indruk wekt dat de betrokkene schuldig is.

157 Om soortgelijke redenen als die welke in punt 111 hierboven zijn uiteengezet, is het in dit verband irrelevant dat bij het litigieuze persbericht een beschrijving van de onderzoekstaken van OLAF is gevoegd waarin erop wordt gewezen dat het aan de bevoegde nationale autoriteiten is om zich uit te spreken over verzoeksters schuld, of dat in het litigieuze persbericht niet wordt vermeld welk soort procedure – strafrechtelijk, bestuursrechtelijk of anders – aan de nationale autoriteiten wordt aanbevolen.

158 Derhalve moet worden aangenomen dat OLAF de in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 neergelegde en door artikel 41, lid 1, van het Handvest gewaarborgde verplichting tot neutraliteit en onpartijdigheid niet is nagekomen.

159 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat OLAF de zorgvuldigheidsplicht en de verplichting tot neutraliteit en onpartijdigheid, zoals gewaarborgd door artikel 41 van het Handvest, heeft geschonden door het litigieuze persbericht te publiceren.

ii) Voldoende gekwalificeerde schending

160 Om te bepalen of de schending van de op OLAF rustende zorgvuldigheidsplicht en de verplichting tot neutraliteit en onpartijdigheid als bedoeld in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 – die beide worden gewaarborgd door artikel 41, lid 1, van het Handvest – een voldoende gekwalificeerde schending vormt, moet worden bepaald over welke beoordelingsmarge dit orgaan beschikt.

161 In dit verband beschikken de organen van de Unie volgens verzoekster over geen enkele of hooguit een zeer beperkte beoordelingsmarge, zodat de enkele schending van het recht op behoorlijk bestuur voldoende is om het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending aan te tonen. Wanneer OLAF onjuiste en leugenachtige informatie openbaar maakt, maar deze desondanks als bevindingen voorstelt, kan er niet van worden uitgegaan dat het gebruikmaakt van zijn beoordelingsmarge.

162 De Commissie benadrukt dat de schending van de zorgvuldigheidsplicht niet automatisch leidt tot een onrechtmatige gedraging die tot aansprakelijkheid van de Unie kan leiden. Daartoe moet een ernstige en kennelijke overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van het betrokken overheidsorgaan worden aangetoond, rekening houdend met de context en met alle aspecten die de betrokken situatie kenmerken.

163 De Commissie voegt hier in haar opmerkingen naar aanleiding van de terugverwijzing aan toe dat de onnauwkeurige formulering van de vijfde alinea van het litigieuze persbericht niet kan worden gelijkgesteld met een overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid, aangezien die fout verschoonbaar is. De onnauwkeurige formulering had weinig invloed op de correcte algemene weergave van alle andere, belangrijkere feiten in het litigieuze persbericht, hetgeen het Gerecht definitief heeft bevestigd.

164 In herinnering zij gebracht dat, om vast te stellen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van de zorgvuldigheidsplicht door de overheid, er dient te worden aangetoond dat zij, door niet met de vereiste zorg en omzichtigheid te handelen, ernstig en kennelijk de grenzen heeft miskend die in het kader van de uitoefening van haar bevoegdheden aan haar beoordelingsbevoegdheid zijn gesteld. Hiertoe moet, gelet op die context, rekening worden gehouden met alle elementen die de betrokken situatie kenmerken, waaronder met name de vraag of het gebrek aan zorgvuldigheid van de overheid kennelijk van aard is, of dat gebrek verschoonbaar is of niet, en voorts of de conclusies die zij aan het verrichte onderzoek heeft verbonden, niet-passend en onredelijk zijn (zie arrest van 4 april 2017, Ombudsman/Staelen, C‑337/15 P, EU:C:2017:256, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

165 In casu worden, los van de beoordelingsmarge waarover OLAF bij het opstellen van persberichten beschikt, de grenzen van die beoordelingsmarge noodzakelijkerwijs overschreden wanneer dat orgaan informatie publiceert die niet alleen onvolledig of onnauwkeurig, maar ook kennelijk onjuist is. Gelet op het kennelijke gebrek aan zorgvuldigheid kan deze schending niet als verschoonbaar worden beschouwd.

166 Hieruit volgt dat de feitelijke fout in de vijfde alinea van het litigieuze persbericht een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de op OLAF rustende zorgvuldigheidsplicht, waarvoor dit orgaan overeenkomstig artikel 340, tweede alinea, VWEU aansprakelijk kan worden gesteld.

167 Dat geldt ook voor het gebruik van het woord „fraude” in het litigieuze persbericht.

168 De Commissie voert in dit verband aan dat OLAF over een zekere beoordelingsmarge beschikt. Zij baseert zich hiervoor op punt 129 van het arrest van 4 oktober 2006, Tillack/Commissie (T‑193/04, EU:T:2006:292 ), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat er, gelet op de autonomie die aan OLAF is verleend door verordening nr. 1073/1999 en de doelstelling van algemeen belang bestaande in het verstrekken van informatie aan het publiek door middel van persberichten, in aanmerking moet worden genomen dat OLAF over een beoordelingsmarge beschikt met betrekking tot de opportuniteit en de inhoud van persberichten over zijn onderzoeksactiviteiten.

169 OLAF beschikt weliswaar over een zekere beoordelingsmarge met betrekking tot de opportuniteit en de inhoud van de persberichten, maar deze marge wordt beperkt door de naleving van de grondrechten van de betrokkenen (zie naar analogie arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punten 219 en 314 ).

170 Ook al zou OLAF over een beoordelingsmarge beschikken, dan nog moet in ieder geval worden vastgesteld dat het gebruik van het woord „fraude” in het litigieuze persbericht een ernstige en kennelijke schending vormt van de verplichting tot neutraliteit en onpartijdigheid zoals bedoeld in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013 en gewaarborgd door artikel 41, lid 1, van het Handvest.

171 Ten eerste zijn deze bepalingen niet onduidelijk en doen zij geen uitleggings- of beoordelingsprobleem rijzen. Ten tweede kan deze fout niet als verschoonbaar worden beschouwd. Het gebruik van deze term gaat immers verder dan louter de feitelijke beschrijving van het optreden van OLAF en verder dan de conclusies in het eindverslag van dat orgaan. Met deze term worden de aan verzoekster verweten feiten gekwalificeerd. Het gaat hier dus niet om louter een onoplettendheid of schrijffout.

172 Bijgevolg vormt het gebruik van het woord „fraude” in het litigieuze persbericht een voldoende gekwalificeerde schending van de op OLAF rustende verplichting tot neutraliteit en onpartijdigheid, en kan dit orgaan overeenkomstig artikel 340, tweede alinea, VWEU aansprakelijk worden gesteld voor die schending.

173 Uit een en ander volgt ten eerste dat OLAF verzoeksters persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt door het litigieuze persbericht te publiceren en aldus op voldoende gekwalificeerde wijze inbreuk heeft gemaakt op artikel 4, lid 1, onder a) en b), artikel 5, lid 1, onder a), en artikel 6, onder c) tot en met e), van verordening 2018/1725. Ten tweede heeft OLAF ook het in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 883/2013 gewaarborgde beginsel van het vermoeden van onschuld en artikel 10, lid 5, van deze verordening op voldoende gekwalificeerde wijze geschonden. Ten derde heeft OLAF zijn zorgvuldigheidsplicht en zijn verplichting tot neutraliteit en onpartijdigheid als bedoeld in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 883/2013, die beide worden gewaarborgd door artikel 41, lid 1, van het Handvest, op voldoende gekwalificeerde wijze geschonden.

B. Gestelde schade en het causaal verband

174 Wat de gestelde schade betreft, voert verzoekster aan dat er sprake is van verschillende soorten schade die zich door de publicatie van het litigieuze persbericht door OLAF hebben voorgedaan en dat de schade uiteenvalt in drie onderdelen, te weten immateriële schade die verband houdt met de aantasting van haar eer en goede naam, immateriële schade als gevolg van de aantasting van haar professionele carrière en schade in verband met de verslechtering van haar gezondheidstoestand.

175 De Commissie betwist de door verzoekster gestelde schade omdat het reële en zekere karakter van die schade onvoldoende is aangetoond en die schade niet uitsluitend het gevolg kan zijn van het litigieuze persbericht. Verzoekster geeft immers geen duidelijke omschrijving van de aard van de gestelde schade en baseert zich nagenoeg uitsluitend op hypothetische feiten.

176 De Commissie is meer bepaald van mening dat het litigieuze persbericht anoniem is, geen persoonsgegevens van verzoekster openbaar maakt en geen onjuiste gegevens bevat. Bijgevolg kan dat persbericht haar dus geen schade berokkenen.

177 Voorts benadrukt de Commissie dat verzoekster had moeten ingrijpen om de door haar geleden schade, die meerdere oorzaken heeft, te beperken, met name door tegen derden op te treden en het Gerecht te verzoeken om de zaak te anonimiseren. Daarnaast stelt verzoekster een buitensporige en willekeurige berekening van de door haar geleden schade voor.

178 Wat het causaal verband betreft, betoogt verzoekster dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de publicatie van het litigieuze persbericht en de schade die zij heeft geleden. De immateriële schade die zij heeft geleden vloeit namelijk rechtstreeks voort uit de persoonsgegevens die in dat persbericht openbaar zijn gemaakt, waardoor journalisten en haar sociale en professionele omgeving haar hebben kunnen identificeren, alsmede uit de publicatie van onjuiste en leugenachtige informatie die haar eer en goede naam heeft geschaad door haar in de ogen van het publiek schuldig te doen lijken. Bovendien, aldus verzoekster, staat al haar schade in rechtstreeks verband met het geestelijke leed en de psychische nood die zij heeft geleden.

179 De Commissie betoogt dat verzoekster niet bewijst dat de gestelde schade een voldoende rechtstreeks gevolg is van het onrechtmatig gedrag van OLAF. Volgens de Commissie is het causaal verband hoe dan ook verbroken door het gedrag van verzoekster, aangezien zij bij het Gerecht met name om de anonimisering van de zaak had moeten verzoeken, alsook door de handelingen van derden die haar aan de hand van aanvullende gegevens hebben geïdentificeerd en deze aan het litigieuze persbericht hebben gekoppeld. De Commissie geeft ook aan dat het door verzoekster aangeleverde bewijsmateriaal betrekking heeft op de wijze waarop het project werd beheerd of op de inhoud van publicaties van derden, maar niet op het litigieuze persbericht.

180 Artikel 65 van verordening 2018/1725 bepaalt dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, het recht heeft om schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade, met inachtneming van de in de Verdragen vastgestelde voorwaarden, met inbegrip van artikel 340, tweede alinea, VWEU.

181 In dit verband moet om te beginnen worden verduidelijkt dat een inbreuk op de bepalingen van verordening 2018/1725 op zich niet volstaat voor de toekenning van een recht op schadevergoeding [zie naar analogie arrest van 4 mei 2023, Österreichische Post (Immateriële schade ten gevolge van de verwerking van persoonsgegevens), C‑300/21, EU:C:2023:370, punt 42 ].

182 Wat de voorwaarde inzake schade betreft, zij eraan herinnerd dat het verzoekschrift de gegevens moet bevatten die het mogelijk maken om de gestelde schade te bepalen en de exacte aard en omvang ervan te beoordelen. Dit vereiste geldt ook voor immateriële schade (zie arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 221 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

183 Bovendien moet de schade waarvoor in het kader van een vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie vergoeding wordt gevorderd, reëel en zeker zijn, hetgeen de verzoekende partij moet bewijzen. Het staat aan die partij om overtuigende bewijzen over te leggen van het bestaan en de omvang van de door haar gestelde schade (zie arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 222 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

184 Het door artikel 340, tweede alinea, VWEU vereiste causaal verband veronderstelt dat er sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van de overheid en de schade. Het staat aan de verzoekende partij om het bestaan van een dergelijk verband te bewijzen (zie arrest van 6 juni 2019, Dalli/Commissie, T‑399/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:384, punt 223 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

185 In beginsel kunnen wanneer er meerdere oorzaken voor dezelfde schade zijn, twee theorieën van causaliteit worden toegepast, namelijk die van de „gelijkwaardige causaliteitsvoorwaarden” en de „adequatieleer”. In het Unierecht heeft de adequatieleer voorrang. De Unierechter heeft immers geoordeeld dat de Unie enkel aansprakelijk kan zijn voor schade die een voldoende rechtstreeks gevolg is van de onrechtmatige gedraging van het betrokken overheidsorgaan (zie arrest van 24 oktober 2000, Fresh Marine/Commissie, T‑178/98, EU:T:2000:240, punt 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat de verzoekende partij moet aantonen dat de schade zonder het onrechtmatig handelen niet zou zijn ingetreden en dat het onrechtmatig handelen de beslissende oorzaak van de schade is (zie arrest van 7 december 2017, Missir Mamachi di Lusignano e.a./Commissie, T‑401/11 P-RENV-RX, EU:T:2017:874, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

186 Een opvatting volgens welke het voor het bestaan van een causaal verband voldoende is dat het onrechtmatig gedrag een noodzakelijke voorwaarde voor het intreden van de schade vormde, in die zin dat die schade zich zonder dat gedrag niet zou hebben voorgedaan, stemt dus niet overeen met de in het Unierecht geldende opvatting. De aansprakelijkheid van de Unie is immers beperkt tot schade die direct of voldoende direct voortvloeit uit onrechtmatig gedrag van het betrokken overheidsorgaan, wat in het bijzonder uitsluit dat die aansprakelijkheid betrekking heeft op schade die slechts een afgeleid gevolg is van dit gedrag (zie arrest van 7 december 2017, Mamachi di Lusignano e.a./Commissie, T‑401/11 P-RENV-RX, EU:T:2017:874, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

187 Hoewel de rechtspraak voorrang geeft aan de adequatieleer, wordt de toepassing van de leer van de gelijkwaardige causaliteitsvoorwaarden evenwel niet volledig uitgesloten. Op grond van de rechtspraak kan enkel worden vastgesteld dat de leer van de gelijkwaardige causaliteitsvoorwaarden terzijde moet worden gesteld indien het onrechtmatig handelen van de overheid in een ver verwijderd verband tot de schade staat en de rechter een breuk in het causaal verband constateert. Omgekeerd kan de Unierechter de leer van de gelijkwaardige causaliteitsvoorwaarden wel toepassen ingeval de schade direct of voldoende direct voortvloeit uit de onrechtmatige handeling van de overheid en deze dus niet in een zo ver verwijderd verband tot de schade staat dat dit tot een breuk in het causale verband kan leiden (arrest van 7 december 2017, Missir Mamachi di Lusignano e.a./Commissie, T‑401/11 P-RENV-RX, EU:T:2017:874, punt 70 ).

188 Het is in het licht van deze overwegingen dat de verschillende door verzoekster aangevoerde soorten schade, die in drie categorieën kunnen worden onderverdeeld, moeten worden onderzocht.

1. Immateriële schade als gevolg van de aantasting van de eer en goede naam van verzoekster

189 Verzoekster betoogt dat de openbaarmaking van de persoonsgegevens het voor journalisten en voor iedere lezer mogelijk heeft gemaakt om haar gemakkelijk te identificeren, en dat die openbaarmaking haar daardoor in de ogen van haar sociale en professionele omgeving verdacht heeft gemaakt door te suggereren dat zij schuldig was. Volgens haar is deze schade nog verergerd door het feit dat het litigieuze persbericht is opgesteld in het Engels, een taal die voor een groot aantal mensen toegankelijk is.

190 In het bijzonder voert verzoekster ten eerste bijzonder ernstige immateriële schade aan, met name wat betreft haar internationale bekendheid. Zij raamt deze immateriële schade op 100 000 EUR.

191 Ten tweede betoogt verzoekster dat de verspreiding van onjuiste en leugenachtige informatie en de jegens haar gebruikte denigrerende toon haar reputatie onherstelbaar hebben aangetast. Dat geldt met name voor de vermelding van het bedrag van 1,1 miljoen EUR in de titel van het litigieuze persbericht, hetgeen laat uitschijnen dat de vermeende fraude betrekking heeft op dat bedrag. Zij raamt deze immateriële schade op 350 000 EUR.

192 Het Gerecht heeft, wat de door verzoekster gestelde immateriële schade betreft, reeds geoordeeld dat de Commissie, door met een publiek toegankelijk persbericht de indruk te wekken dat de betreffende verzoekende partij bij malversaties betrokken was, het beginsel van het vermoeden van onschuld had geschonden en de reputatie en eer van die partij had aangetast (arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punt 403 ).

193 In casu heeft OLAF verzoeksters goede naam aangetast. Ten eerste heeft de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens immers tot gevolg dat verzoekster kan worden geïdentificeerd. Ten tweede wordt er door het gebruik van het woord „fraude” en de onjuiste informatie in het persbericht vooruitgelopen op de mogelijke schuld van verzoekster.

194 Hieraan moet ook worden toegevoegd dat de immateriële schade die een rechtssubject als gevolg van de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens heeft geleden, in beginsel niet afhangt van zijn sociale positie en van de functies die hij heeft uitgeoefend. Dat neemt echter niet weg dat met de bekendheid van een persoon alleen rekening kan worden gehouden voor zover de aandacht die de openbaarmaking van de informatie over die persoon heeft gewekt, met name in de pers, groter was dan het geval zou zijn geweest voor een niet bekend rechtssubject (zie in die zin arrest van 12 september 2007, Nikolaou/Commissie, T‑259/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:254, punt 301 ).

195 Verzoekster, die tot aan de publicatie van het litigieuze persbericht een uitstekende academische loopbaan had, geniet internationale bekendheid in de wetenschappelijke kringen waarin zij werkzaam is, hetgeen de Commissie niet betwist. Derhalve kon het litigieuze persbericht de aandacht trekken van de plaatselijke media, maar ook van de vakmedia, temeer daar het in het Engels was gepubliceerd. Daarnaast hebben deze factoren de impact in de wetenschappelijke gemeenschap van dit persbericht – dat rechtstreeks verband hield met een door verzoekster uitgevoerd onderzoeksproject – vergroot, en daarmee ook de omvang van de geleden schade.

196 Wat het causale verband tussen de gestelde immateriële schade en de door OLAF begane schendingen van het Unierecht betreft, moet worden vastgesteld dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de aan OLAF toe te rekenen schendingen die ertoe hebben geleid dat de persoonsgegevens van verzoekster en de jegens haar geuite beschuldigingen van fraude, alsmede de onjuiste informatie over de bevindingen in het verslag van OLAF publiekelijk zijn verspreid, met het gezag dat uitgaat van een persbericht van een orgaan van de Unie.

197 Vastgesteld moet echter worden of, zoals de Commissie betoogt, het rechtstreeks causaal verband is verbroken door het optreden van derden, in casu journalisten die artikelen in de pers hebben gepubliceerd.

198 In dit verband dient allereerst als niet ter zake dienend te worden afgewezen het argument van de Commissie dat het causaal verband is verbroken door het gedrag van verzoekster omdat zij het Gerecht niet om anonimisering van de onderhavige zaak heeft verzocht. Het is immers irrelevant of verzoekster al dan niet om anonimisering heeft verzocht, aangezien uit het arrest in hogere voorziening duidelijk blijkt dat verzoekster identificeerbaar was aan de hand van de informatie in het litigieuze persbericht. De schade was dus reeds ingetreden op het moment waarop dat arrest is gewezen.

199 Voorts is geoordeeld dat in omstandigheden waarin vertrouwelijke informatie over een onderzoek van OLAF direct of indirect aan een journalist was verstrekt, dit lek niet alleen moest worden beschouwd als conditio sine qua non voor de schade die het gevolg was van de publicatie van die informatie, maar ook als een voldoende rechtstreekse oorzaak daarvan. Derhalve kan de handeling van de journalist bestaande in de publicatie van de informatie worden geacht het causaal verband niet te hebben verbroken, aangezien die publicatie vanaf het moment dat het lek ontstond zeer waarschijnlijk was, temeer daar verzoekster door haar beroepsactiviteiten bij een deel van het publiek bekend was (arrest van 12 september 2007, Nikolaou/Commissie, T‑259/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:254, punt 320 ).

200 In casu zijn de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, die het mogelijk maakt om verzoekster te identificeren, de schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, met name door het gebruik van het woord „fraude”, en het gebrek aan onpartijdigheid, neutraliteit en zorgvuldigheid van OLAF niet alleen de conditio sine qua non van de aantasting van verzoeksters goede naam, maar ook een rechtstreekse oorzaak daarvan. De in de media verschenen artikelen hebben alleen maar geleid tot een grotere verspreiding van de informatie die reeds in het litigieuze persbericht stond. De artikelen over deze kwestie dateren overigens van na dat persbericht.

201 Hoewel kan worden aangenomen dat die artikelen, die na het litigieuze persbericht zijn gepubliceerd, verzoeksters reputatie verder hebben aangetast, hebben zij dus alleen maar bijgedragen aan de immateriële schade die rechtstreeks voortvloeide uit dat door OLAF gepubliceerde persbericht. Derhalve kan niet worden aangenomen dat het causaal verband is verbroken door het zelfstandig handelen van derden.

202 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat verzoekster het bestaan heeft aangetoond van immateriële schade, bestaande in aantasting van haar eer en genoemde naam, die voortvloeit uit de door OLAF bij de publicatie van het litigieuze persbericht begane voldoende gekwalificeerde schendingen van het Unierecht.

2. Immateriële schade als gevolg van de aantasting van verzoeksters professionele carrière

203 Verzoekster voert in wezen aan dat zij in haar huidige beroepssituatie schade ondervindt en dat haar carrière in gevaar is gebracht.

204 Volgens de Commissie bewijst verzoekster niet dat haar beroepssituatie reële en zekere schade heeft geleden, maar voert zij enkel redenen aan die geen verband houden met het litigieuze persbericht of die zuiver hypothetisch zijn. Evenzo voert verzoekster slechts zuiver hypothetische redenen aan ter rechtvaardiging van de vermeende schade aan haar professionele carrière.

205 In de eerste plaats is verzoekster van mening dat haar beroepssituatie bijzonder is geschaad door het litigieuze persbericht, aangezien het aanleiding heeft gegeven tot de opschorting van diverse promoties en haar professionele relaties heeft beïnvloed.

206 Verzoekster voert met name aan dat zij op haar universiteit in Florida (Verenigde Staten) werd uitgenodigd om samen met de persoon die verantwoordelijk is voor de professionele integriteit, de door de Unie gefinancierde activiteiten te bespreken. Zij zet eveneens uiteen dat de feiten waarvan zij wordt beschuldigd, een reden tot ontslag vormen omdat zij als misdrijf kunnen worden gekwalificeerd. Voorts betoogt verzoekster dat het litigieuze persbericht haar positie als hoogleraar ten opzichte van haar studenten schaadt. Zij raamt deze immateriële schade op 300 000 EUR.

207 Verzoekster heeft het in haar schriftelijke opmerkingen echter alleen over de aanleg van een dossier met het oog op het verkrijgen van een bevordering, zonder duidelijk uit te leggen op welke manier het litigieuze persbericht afbreuk heeft gedaan aan die procedure. Zij baseert zich uitsluitend op een gesprek met de persoon die aan haar universiteit verantwoordelijk is voor de professionele integriteit, zonder daaruit conclusies te trekken. In antwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde vraag heeft zij alleen aangegeven dat haar sollicitatie was „afgewezen”, zonder de redenen voor die afwijzing te noemen.

208 Verzoekster betoogt dus dat het uitblijven van haar bevordering tot hoogleraar (full professor) aan de universiteit van Florida het gevolg is van de publicatie van het litigieuze persbericht, maar levert daarvoor geen bewijs. Derhalve moet worden geoordeeld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er een voldoende rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de afwijzing van haar bevordering en de publicatie van het litigieuze persbericht.

209 Bovendien moet het aangevoerde ontslagrisico als zuiver hypothetisch worden beschouwd. Ten eerste voert verzoekster in haar pleidooien immers slechts verschillende argumenten aan, zonder zich op enig concreet bewijs te baseren. Ten tweede is in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting aangegeven dat verzoekster niet is ontslagen door de universiteit van Florida. Zij bekleedt daar nog steeds de functie die zij vóór de publicatie van het litigieuze persbericht had, namelijk die van universitair hoofddocent (associate professor).

210 In de tweede plaats is verzoekster van mening dat OLAF de ontwikkeling en erkenning van haar professionele carrière in gevaar heeft gebracht, aangezien de aantasting van haar goede naam haar dagelijkse taken en relaties beïnvloedt en haar aldus belet om verschillende academische projecten tot een goed einde te brengen, met name omdat zij niet worden gefinancierd. Zij verwijst daarbij onder meer naar de intrekking van een formeel aanbod voor de functie van hoogleraar en de stopzetting van de reeds vergevorderde gesprekken met het kantoor van de Griekse staatssecretaris voor Onderzoek en Technologie. Verzoekster raamt deze schade op 200 000 EUR.

211 Wat de gestelde moeilijkheden bij de onderzoeksactiviteiten van verzoekster betreft, en met name de financieringsmoeilijkheden, blijkt uit de door haar overgelegde documenten niet dat deze schade reëel en zeker is. Zo bestaat de overgelegde e-mail uit een steunbetuiging die aan de vader van verzoekster is gericht.

212 Wat de besprekingen met het kantoor van de Griekse staatssecretaris voor Onderzoek en Technologie over de oprichting van een interdisciplinair centrum voor opkomende technologieën en een fabriek voor de terugwinning van lithiummetaal betreft, heeft verzoekster het bestaan van de gestelde schade niet aangetoond. Uit de overgelegde e-mail blijkt immers alleen dat de overheid zich zorgen maakt over de slechte reputatie die voor verzoekster, maar ook voor de Griekse universiteit en de Griekse onderzoeksgemeenschap voortvloeit uit de beschuldigingen van OLAF, en verzoekster oproept om snel „duidelijkheid te scheppen”.

213 Wat de intrekking van een formeel aanbod voor de functie van hoogleraar aan de Amerikaanse Embry-Riddle Aeronautical University betreft, blijkt echter duidelijk uit de door verzoekster overgelegde e-mails dat haar een formeel aanbod werd gedaan en dat dit aanbod naar aanleiding van de „beschuldigingen van OLAF” is ingetrokken.

214 De term „beschuldigingen” roept impliciet – maar noodzakelijkerwijs – twijfels op over de onrechtmatige verwerking van verzoeksters persoonsgegevens die het mogelijk heeft gemaakt om haar te identificeren, alsook over de schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en het gebrek aan onpartijdigheid, neutraliteit en zorgvuldigheid van OLAF bij het opstellen van het litigieuze persbericht, waardoor potentiële werkgevers konden gaan twijfelen aan haar integriteit.

215 In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft verzoekster verduidelijkt dat de ten tijde van de feiten beklede functie bestond uit een tijdelijke aanstelling als universitair hoofddocent aan de universiteit van Florida. Haar contract werd jaarlijks verlengd. Haar jaarsalaris bedroeg 108 150 Amerikaanse dollar (USD). Dit salaris had betrekking op een periode van 9 maanden, waarbij voor de zomerperiode van drie maanden geen aanvullende vergoeding werd ontvangen. Zij heeft ook documenten overgelegd waaruit blijkt dat het formele aanbod van Embry-Riddle Aeronautical University, dat nog niet definitief was, betrekking had op de functie van hoogleraar, wat de hoogste rang is aan die Amerikaanse universiteit. Uit deze documenten blijkt ook dat het voorgestelde jaarsalaris 135 000 USD bedroeg, te vermeerderen met een extra vergoeding van 37 500 USD voor de zomerperiode. Zij zou ook over „een discretionair bedrag” van 50 000 USD beschikken.

216 Derhalve heeft verzoekster aangetoond dat er sprake is van immateriële schade als gevolg van de intrekking van een formeel aanbod voor een voltijds hoogleraarschap, welke schade voortvloeit uit de door OLAF bij de publicatie van het litigieuze persbericht begane voldoende gekwalificeerde schendingen van het Unierecht.

3. Schade in verband met verzoeksters gezondheidstoestand

217 Verzoekster betoogt dat de schade die verband houdt met de publicatie van het litigieuze persbericht haar ernstig psychologisch leed heeft berokkend, wat zich uit in een depressie en een zware emotionele last, alsook in grote bezorgdheid, stress en slapeloosheid, zoals blijkt uit geneeskundige verklaringen en adviezen. Zij raamt deze immateriële schade op 150 000 EUR.

218 Volgens de Commissie is het psychologische leed van verzoekster niet genoegzaam aangetoond om van reële en zekere schade te spreken en kan dat leed hoe dan ook niet worden toegeschreven aan het litigieuze persbericht, maar wel aan handelingen van derden, verzoeksters betrokkenheid bij het onderzoek van OLAF en eventuele strafrechtelijke vervolging.

219 Verzoekster heeft geneeskundige verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat haar gezondheidstoestand sterk is verslechterd, waardoor zij medicijnen moet nemen en regelmatig moet worden gemonitord. Uit die verklaringen blijkt ook dat die gezondheidstoestand rechtstreeks het gevolg is van de publicatie van het litigieuze persbericht.

220 In dit verband moet erop worden gewezen dat in de door verzoekster overgelegde geneeskundige verklaringen impliciet maar noodzakelijkerwijs wordt verwezen naar de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens die het mogelijk heeft gemaakt om haar te identificeren, de schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, met name door het gebruik van het woord „fraude”, en het gebrek aan onpartijdigheid, neutraliteit en zorgvuldigheid van OLAF bij het opstellen van het litigieuze persbericht.

221 Daarnaast blijkt uit de geneeskundige verklaring van 20 oktober 2020 dat verzoekster lijdt aan „ernstige psychosomatische stoornissen die zich voor het eerst na de publicatie van het [litigieuze] persbericht hebben voorgedaan”. Met name wordt melding gemaakt van depressieve gedachten, paniekaanvallen met hevige stress, verminderde concentratie, oorsuizen, slapeloosheid, hoofdpijn en ook anorexia, wat in drie maanden tot een gewichtsverlies van meer dan tien kilo heeft geleid.

222 Bijgevolg heeft verzoekster aangetoond dat er sprake is van schade die ziet op haar gezondheidstoestand en die het gevolg is van de door OLAF bij de publicatie van het litigieuze persbericht begane voldoende gekwalificeerde schendingen van het Unierecht.

223 Het kan echter niet worden uitgesloten dat ook het onderzoek van OLAF, de conclusies waartoe dat orgaan is gekomen en de door de nationale autoriteiten ingestelde vervolging hebben bijgedragen aan de verslechtering van verzoeksters gezondheidstoestand.

224 Evenzo blijkt uit de informatie waarover het Gerecht beschikt dat in de in de media verschenen artikelen, waaronder die van een blogger, de naam van verzoekster is genoemd en haar vermeende gedragingen sterk zijn bekritiseerd, of dat er zelfs in het algemeen kritiek is geuit op haar persoon. Deze artikelen hebben bovendien het litigieuze persbericht verkeerd geciteerd en op basis daarvan beweerd dat zij de volledige subsidie voor het project, te weten 1,1 miljoen EUR, had „gestolen”. Derhalve hebben ook die artikelen bijgedragen aan de verslechtering van de gezondheidstoestand van verzoekster.

225 Uit een en ander volgt dat de door OLAF begane schendingen, namelijk de onrechtmatige verwerking van verzoeksters persoonsgegevens die het mogelijk heeft gemaakt om haar te identificeren, de schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, met name door het gebruik van het woord „fraude”, en het gebrek aan onpartijdigheid, neutraliteit en zorgvuldigheid bij het opstellen van het litigieuze persbericht, de drie soorten schade hebben veroorzaakt die verzoekster heeft geleden.

226 Ten eerste heeft zij aangetoond dat er sprake is van immateriële schade, bestaande in aantasting in haar goede naam en eer, aangezien het door OLAF opgestelde litigieuze persbericht in de ogen van haar professionele omgeving de indruk kon wekken dat zij schuldig was bevonden. De omvang van de schade is des te groter doordat dit persbericht in het Engels was opgesteld en de aandacht van de plaatselijke media, maar ook van de vakmedia heeft getrokken, aangezien verzoekster internationale bekendheid geniet in de wetenschappelijke wereld.

227 Ten tweede heeft verzoekster aangetoond dat er immateriële schade aan haar professionele carrière is toegebracht als gevolg van de publicatie van het litigieuze persbericht. Deze schade vloeit voort uit de intrekking van een formeel aanbod voor een voltijds hoogleraarschap, dat haar in staat zou hebben gesteld om een prestigieuze functie in de academische wereld te bekleden.

228 Ten derde heeft zij aangetoond dat er sprake is van schade met betrekking tot haar lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand en dat zij als gevolg daarvan geneesmiddelen nodig heeft en zich regelmatig moet laten onderzoeken door een arts.

229 Rekening houdend met alle bijzondere omstandigheden van de zaak moet het bedrag van de aan verzoekster voor de diverse soorten schade toe te kennen vergoeding ex aequo et bono worden vastgesteld op 50 000 EUR.

Kosten

230 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

  1. De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 50 000 EUR aan OC.

  2. De Commissie wordt verwezen in de kosten.

Škvařilová-Pelzl

Nõmm

Meyer

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 1 oktober 2025.

ondertekeningen