Home

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 juli 2022

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 7 juli 2022

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
7 juli 2022

Uitspraak

Arrest van het Hof (Achtste kamer)

7 juli 2022(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Plaatsen van overheidsopdrachten - Richtlijn 2014/24/EU - Werkingssfeer - Artikel 10, onder h) - Specifieke uitsluitingen voor opdrachten voor diensten - Diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie - Non-profitorganisaties of ‑verenigingen - Als spoeddienst gekwalificeerde ambulancedienst - Vrijwilligersorganisaties - Sociale coöperaties”"

In de gevoegde zaken C‑213/21 en C‑214/21,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissingen van 18 januari en 3 maart 2021, ingekomen bij het Hof op 6 april 2021, in de procedures

Italy Emergenza Cooperativa Sociale (C‑213/21 en C‑214/21)

tegen

Azienda Sanitaria Locale Barletta-Andria-Trani (C‑213/21),

Azienda Sanitaria Provinciale di Cosenza (C‑214/21),

in tegenwoordigheid van:

Regione Puglia (C‑213/21),

Confederazione Nazionale delle Misericordie d’Italia (C‑213/21),

Associazione Nazionale Pubbliche Assistenze (Organizzazione nazionale di volontariato) – ANPAS ODV (C‑213/21 en C‑214/21),

Croce Rossa Italiana – Comitato Provinciale di Cosenza (C‑214/21),

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, M. Safjan en M. Gavalec (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. M. Collins,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Italy Emergenza Cooperativa Sociale, vertegenwoordigd door S. Betti, M. Dionigi, C. Santuori en P. Stallone, avvocati,

    • de Confederazione Nazionale delle Misericordie d’Italia, vertegenwoordigd door F. Sanchini en P. Sanchini, avvocati,

    • de Associazione Nazionale Pubbliche Assistenze (Organizzazione nazionale di volontariato) – ANPAS ODV, vertegenwoordigd door V. Migliorini, avvocato,

    • de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Sclafani, avvocato dello Stato,

    • de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigde,

    • de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

    • het Koninkrijk Noorwegen, vertegenwoordigd door J. T. Kaasin en H. Røstum als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara, P. Ondrůšek en G. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65, met rectificatie in PB 2021, L 410, blz. 200).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen, te weten in zaak C‑213/21 een geding tussen Italy Emergenza Cooperativa Sociale (hierna: „Italy Emergenza”) en de Azienda Sanitaria Locale Barletta-Andria-Trani (plaatselijke gezondheidsdienst van Barletta-Andria-Trani, Italië), en in zaak C‑214/21 een geding tussen Italy Emergenza en de Azienda Sanitaria Provinciale di Cosenza (provinciale gezondheidsdienst van Cosenza, Italië), over twee besluiten waarbij die gezondheidsdiensten selectieprocedures hebben uitgeschreven teneinde de dienst van medisch spoed‑ en noodvervoer bij overeenkomst te gunnen aan vrijwilligersorganisaties.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 28 en 118 van richtlijn 2014/24 luiden:

  • „(28) Deze richtlijn is niet van toepassing op bepaalde nooddiensten die worden uitgevoerd door non-profitorganisaties of ‑verenigingen, omdat die organisaties door hun specifieke karakter in hun voortbestaan zouden worden bedreigd indien de dienstverleners volgens de procedures van deze richtlijn geselecteerd zouden moeten worden. Het toepassingsgebied moet echter niet verder worden beperkt dan strikt noodzakelijk is. Derhalve moet uitdrukkelijk worden bepaald dat ziekenvervoer per ambulance niet buiten de richtlijn moet blijven. In dit verband dient voorts te worden verduidelijkt dat ambulancediensten niet onder CPV‑groep 601 ‚Vervoer te land’ vallen, maar wel onder CPV‑klasse 8514. Derhalve moet worden verduidelijkt dat voor diensten die onder CPV‑code 85143000‑3 vallen en uitsluitend bestaan uit ziekenvervoer per ambulance, de bijzondere regeling voor sociale en andere bijzondere diensten (de ‚lichte regeling’) moet gelden. Bijgevolg moet voor gemengde opdrachten voor het verrichten van ambulancediensten in het algemeen ook het lichtere regime gelden indien de waarde van het ziekenvervoer per ambulance groter is dan de waarde van andere ambulancediensten.

  • [...]

  • (118) Met het oog op de continuïteit van de openbare dienst moet krachtens deze richtlijn deelname aan aanbestedingsprocedures voor bepaalde diensten op het gebied van gezondheid, sociale en culturele diensten kunnen worden voorbehouden aan organisaties die werknemersaandeelhouderschap of actieve bestuursdeelname van werknemers kennen, of aan bestaande organisaties zoals coöperatieven, welke dan kunnen deelnemen aan het leveren van deze diensten aan eindgebruikers. De werkingssfeer van deze bepaling is beperkt tot bepaalde gezondheids-, sociale en aanverwante diensten, bepaalde onderwijs‑ en opleidingsdiensten, bibliotheek-, archief-, museum‑ en andere culturele diensten, sportdiensten, en diensten voor particuliere huishoudens, en strekt zich niet uit tot de uitsluitingen waarin deze richtlijn anderszins voorziet. Op deze diensten dient uitsluitend de lichte regeling van toepassing te zijn.”

  • 4 In artikel 10 („Specifieke uitsluitingen voor opdrachten voor diensten”) van richtlijn 2014/24 is bepaald:

    „Deze richtlijn is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten betreffende:

    [...]

    1. diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie die worden verleend door non-profitorganisaties en ‑verenigingen en [vallen] onder de CPV‑codes [...] 75250000‑3, 75251000‑0, 75251100‑1, 75251110‑4, 75251120‑7, 75252000‑7, 75222000‑8, 98113100‑9 en 85143000‑3 behalve ziekenvervoer per ambulance;

    [...]”

    5 Artikel 77 („Voorbehouden opdrachten voor bepaalde diensten”) van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 en 2:

    „1.

    De lidstaten kunnen bepalen dat de aanbestedende diensten de deelname aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten uitsluitend voor die diensten op het gebied van gezondheid, sociale en culturele diensten bedoeld in artikel 74, die vallen onder de CPV‑codes 75121000‑0, 75122000‑7, 75123000‑4, 79622000‑0, 79624000‑4, 79625000‑1, 80110000‑8, 80300000‑7, 80420000‑4, 80430000‑7, 80511000‑9, 80520000‑5, 80590000‑6, van 85000000‑9 tot en met 85323000‑9, 92500000‑6, 92600000‑7, 98133000‑4, 98133110‑8 aan bepaalde organisaties mag voorbehouden.

    2.

    Een organisatie als bedoeld in lid 1 moet aan alle hiernavolgende voorwaarden voldoen:

    1. haar doel is het vervullen van een opdracht van algemeen belang die verband houdt met de in lid 1 bedoelde diensten;

    2. winsten worden opnieuw geïnvesteerd met het oogmerk het doel van de organisatie te behartigen. Wanneer winsten worden uitgekeerd of herverdeeld, dan moet dit op grond van participatieve overwegingen geschieden;

    3. de beheers‑ of eigendomsstructuren van de organisatie die de opdracht uitvoert, zijn gebaseerd op werknemersaandeelhouderschap of beginselen van participatie, of vergen de actieve participatie van werknemers, gebruikers of belanghebbenden, [...]

    [...]”

    Italiaans recht

    6 Artikel 17 („Specifieke uitsluitingen voor overeenkomsten voor opdrachten en concessies van diensten”) van decreto legislativo n. 50 – Codice dei contratti pubblici (wetgevend besluit nr. 50 – wetboek overheidsopdrachten) van 18 april 2016 (gewoon supplement bij GURI nr. 91 van 19 april 2016) bepaalt in lid 1:

    „De bepalingen van dit wetboek zijn niet van toepassing op overheidsopdrachten en concessies voor diensten betreffende:

    [...]

    1. diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie die worden verleend door non-profitorganisaties en ‑verenigingen en vallen onder de CPV‑codes 75250000‑3, 75251000‑0, 75251100‑1, 75251110‑4, 75251120‑7, 75252000‑7, 75222000‑8, 98113100‑9 en 85143000‑3 behalve ziekenvervoer per ambulance;

    [...]”

    7 Decreto legislativo n. 117 – Codice del Terzo settore (wetgevend besluit nr. 117 betreffende de derde sector) van 3 juli 2017 (gewoon supplement bij GURI nr. 179 van 2 augustus 2017) (hierna: „wetgevend besluit nr. 117/2017”) bevat artikel 4 („Entiteiten van de derde sector”), dat in lid 1 het volgende bepaalt:

    „Tot de derde sector behoren vrijwilligersorganisaties, verenigingen voor maatschappelijke emancipatie, filantropische instellingen, sociale ondernemingen, met inbegrip van sociale coöperaties, netwerken van verenigingen, onderlinge organisaties, al dan niet erkende verenigingen, stichtingen en particuliere entiteiten andere dan ondernemingen, die zijn opgericht om zonder winstoogmerk op burgerzin, solidariteit en maatschappelijk nut gestoelde doelstellingen na te streven door uitsluitend of hoofdzakelijk een of meer activiteiten van algemeen belang uit te oefenen door middel van vrijwilligerswerk of kosteloze terbeschikkingstelling van geld, goederen of diensten, dan wel in de vorm van onderlinge bijstand of productie of uitwisseling van goederen of diensten, en die zijn ingeschreven in het uniforme nationale register voor de derde sector.”

    8 In artikel 57 („Dienst van medisch spoed‑ en noodvervoer”) van wetgevend besluit nr. 117/2017 is bepaald:

    „1.

    „Diensten van medisch spoed‑ en noodvervoer per ambulance kunnen bij overeenkomst met voorrang worden gegund aan vrijwilligersorganisaties die sedert ten minste zes maanden zijn ingeschreven in het uniforme nationale register voor de derde sector, deel uitmaken van een netwerk van verenigingen als bedoeld in artikel 41, lid 2, en erkend zijn overeenkomstig de toepasselijke regionale regelgeving, voor zover deze bestaat, in gevallen waarin de rechtstreekse gunning, wegens de specifieke aard van de dienst, waarborgt dat de dienst van algemeen belang met inachtneming van de beginselen van transparantie en non‑discriminatie wordt verricht in een stelsel waarin op passende en vanuit economisch oogpunt efficiënte wijze daadwerkelijk wordt bijgedragen aan een sociaal doel en waarin op solidariteit gebaseerde doelstellingen worden nagestreefd.”

    2.

    Artikel 56, leden 2, 3, 3‑bis en 4, is van toepassing op overeenkomsten betreffende de in lid 1 bedoelde diensten.”

    9 Artikel 2514 („Vereisten voor overwegend wederkerige coöperaties”) van de Codice civile (burgerlijk wetboek, Italië) luidt:

    „De statuten van overwegend wederkerige coöperaties moeten voorzien in:

    1. het verbod om dividenden uit te keren voor een bedrag dat hoger is dan de maximale rente van spaarbrieven van de posterijen, vermeerderd met tweeënhalf procentpunt, berekend op het daadwerkelijk gestorte kapitaal;

    2. het verbod om de aan de coöperanten ter intekening aangeboden financiële instrumenten te vergoeden ten belope van een bedrag dat de voor dividenden vastgestelde limiet met twee procentpunten overschrijdt;

    3. het verbod om de reserves onder de coöperanten te verdelen;

    4. de verplichting om in geval van ontbinding van de onderneming het gehele vermogen, onder aftrek van uitsluitend het maatschappelijk kapitaal en de eventueel verworven dividenden, toe te kennen aan de onderlinge fondsen voor de bevordering en ontwikkeling van de coöperatie.

    De coöperaties beslissen over de invoering en schrapping van de in het vorige lid vermelde bepalingen met de voor de buitengewone algemene vergadering vastgestelde meerderheden.”

    10 Artikel 2545 sexies („Ristorno’s”) van de Codice civile bepaalt:

    „In de oprichtingsakte worden de criteria vastgesteld voor de uitkering van ristorno’s aan de leden naar evenredigheid van de kwantiteit en de kwaliteit van de onderlinge uitwisselingen.

    [...]

    De algemene vergadering kan besluiten om ristorno’s uit te keren aan elk van de leden, onder meer door een evenredige verhoging van de respectieve aandelen of door de uitgifte van nieuwe aandelen, in afwijking van artikel 2525, of door de uitgifte van financiële instrumenten.”

    11 Decreto legislativo n. 112 – Revisione della disciplina in materia di impresa sociale (wetgevend besluit nr. 112 houdende herziening van de regelgeving inzake sociale ondernemingen) van 3 juli 2017 (GURI nr. 167 van 19 juli 2017) (hierna: „wetgevend besluit nr. 112/2017”) bepaalt in artikel 3 („Ontstentenis van winstoogmerk”):

    „1.

    Onverminderd hetgeen is bepaald in lid 3 en in artikel 16, wendt de sociale onderneming de eventuele winsten en exploitatieoverschotten aan voor het verrichten van haar statutaire activiteiten of voor de verhoging van haar vermogen.

    2.

    Voor de toepassing van lid 1 geldt er een verbod op de uitkering, zelfs indirect, van winsten en exploitatieoverschotten, geldelijke middelen en reserves, ongeacht de benaming ervan, aan oprichters, leden of aangeslotenen, werknemers en medewerkers, bestuurders en andere leden van de ondernemingsorganen, ook in geval van opzegging of enig ander geval van individuele beëindiging van de betrekking. In het geval van sociale ondernemingen die zijn opgericht in een van de in boek V van de Codice civile vermelde vormen, is het toegestaan om het daadwerkelijk gestorte kapitaal, in voorkomend geval herzien of verhoogd binnen de in lid 3, onder a), bedoelde grenzen, terug te betalen aan het betrokken lid. Voor de doeleinden en voor de toepassing van het onderhavige lid moet onder indirecte winstuitkering in ieder geval worden verstaan:

    1. de betaling aan bestuurders, externe accountants en iedere persoon die een sociale opdracht uitvoert, van een individuele vergoeding die niet evenredig is aan de verrichte activiteit, de gedragen verantwoordelijkheden en de specifieke bekwaamheden, of die in elk geval hoger is dan de vergoeding waarin entiteiten voorzien die actief zijn in dezelfde of soortgelijke sectoren en onder dezelfde of soortgelijke voorwaarden.

    [...]

    2 bis.

    Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt de verdeling onder de leden van ristorno’s die verband houden met activiteiten van algemeen belang als bedoeld in artikel 2, waartoe overeenkomstig artikel 2545-sexies van de Codice civile met inachtneming van de in de wet of de statuten vastgestelde voorwaarden en limieten wordt overgegaan door sociale ondernemingen die in de vorm van coöperatieve vennootschappen zijn opgericht, niet aangemerkt als uitkering, zelfs indirect, van winsten en exploitatieoverschotten, mits in de statuten of de oprichtingsakte van die ondernemingen melding wordt gemaakt van de criteria voor de uitkering van ristorno’s aan de leden naar evenredigheid van de kwantiteit en de kwaliteit van de onderlinge uitwisselingen en mits er een wederkerig exploitatieoverschot wordt genoteerd.

    [...]”

    Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

    Zaak C‑213/21

    12 Bij een in het Publicatieblad van de Europese Unie van 27 april 2020 bekendgemaakte aankondiging heeft de Azienda Sanitaria Locale Barletta-Andria-Trani een procedure met oproep tot mededinging uitgeschreven met het oog op de gunning, bij overeenkomst, van de dienst van medisch spoed‑ en noodvervoer voor het onder haar bevoegdheid vallende gebied, aan vrijwilligersorganisaties die voldoen aan de vereisten van artikel 57 van wetgevend besluit nr. 117/2017.

    13 Omdat deze aankondiging volgens Italy Emergenza – een sociale coöperatie die eenvoudig medisch vervoer en medisch vervoer per ambulance verzorgt – onrechtmatige bedingen bevatte die haar beletten deel te nemen aan die procedure, heeft zij die aankondiging aangevochten door beroep in te stellen bij de Tribunale amministrativo regionale per la Puglia (bestuursrechter in eerste aanleg Apulië, Italië). Italy Emergenza stelde dat artikel 57 van wetgevend besluit nr. 117/2017 in strijd is met artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24, gelezen in het licht van overweging 28 van deze richtlijn, omdat het de rechtstreekse gunning bij overeenkomst van spoed‑ en noodvervoersdiensten uitsluitend toestaat aan vrijwilligersorganisaties, zodat sociale coöperaties uitgesloten worden. Artikel 10, onder h), van die richtlijn stelt sociale coöperaties, met het oog op de rechtstreekse gunning bij overeenkomst van spoed‑ en nooddiensten, namelijk volledig gelijk met vrijwilligersverenigingen.

    14 De Tribunale amministrativo regionale per la Puglia heeft dat beroep verworpen. Ten eerste heeft die rechter geoordeeld dat de dienst waarop die aankondiging betrekking had, een „gekwalificeerde” dienst van medisch vervoer per ambulance was, die onder de uitzondering van artikel 10, onder h), valt. Ten tweede was die rechter van oordeel dat de uitsluiting van sociale coöperaties van de werkingssfeer van deze uitzondering in overeenstemming was met het Unierecht, aangezien deze coöperaties een zakelijk doel nastreven dat een andere behandeling rechtvaardigt dan de behandeling die voorbehouden is aan vrijwilligersorganisaties en ‑verenigingen zonder winstoogmerk. In casu is die uitsluiting, wat Italy Emergenza betreft, volgens de verwijzende rechter gerechtvaardigd gelet op artikel 5 van de statuten van deze sociale coöperatie, dat de mogelijkheid biedt om ten belope van een beperkt bedrag dividenden uit te keren.

    15 Italy Emergenza heeft tegen het vonnis van de Tribunale amministrativo regionale per la Puglia hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), de verwijzende rechter, en voert opnieuw aan dat artikel 57 van wetgevend besluit nr. 117/2017 in strijd is met artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24.

    16 De Consiglio di Stato twijfelt of artikel 57 van wetgevend besluit nr. 117/2017 verenigbaar is met artikel 10, onder h), van die richtlijn. Terwijl in voornoemd artikel 57 enkel sprake is van vrijwilligersorganisaties en dit artikel bijgevolg lijkt uit te sluiten dat de dienst van medisch spoed‑ en noodvervoer bij overeenkomst wordt gegund aan sociale coöperaties, ziet artikel 10, onder h), namelijk op „non-profitorganisaties en ‑verenigingen” en bestrijkt het niet uitsluitend vrijwilligersorganisaties en ‑verenigingen.

    17 In dit verband brengt de verwijzende rechter om te beginnen in herinnering dat het Hof in het arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck (C‑465/17, EU:C:2019:234 ), heeft geoordeeld dat organisaties en verenigingen waarvan het doel bestaat in het vervullen van sociale opdrachten, die geen commerciële werkzaamheden verrichten en die eventuele winsten herinvesteren om het doel van de organisatie of de vereniging te verwezenlijken, „non‑profitorganisaties en ‑verenigingen” in de zin van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 zijn. Volgens de verwijzende rechter heeft het Hof aldus benadrukt dat het beslissende criterium om onder deze bepaling te vallen erin bestaat dat geen winst wordt nagestreefd. Het ontbreken van een winstoogmerk is volgens de verwijzende rechter kenmerkend voor een sociale coöperatie als Italy Emergenza. Artikel 6 van de statuten van Italy Emergenza bepaalt namelijk dat „[d]e sociale coöperatie [...] geen winstoogmerk [heeft] en [...] het algemeen belang van de gemeenschap bij de menselijke ontwikkeling en de sociale integratie [nastreeft]”. Artikel 5 van die statuten voorziet in „het verbod om dividenden uit te keren voor een bedrag dat hoger is dan de maximale rente van spaarbrieven van de posterijen, vermeerderd met tweeënhalf procentpunt, berekend op het daadwerkelijk gestorte kapitaal”. Voornoemd artikel 5 kan echter niet als bewijskrachtig worden beschouwd, aangezien het gaat om een bepaling die artikel 2514 van het Codice civile weergeeft.

    18 Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat sociale coöperaties zich onderscheiden van vrijwilligersorganisaties en ‑verenigingen. Terwijl deze organisaties en verenigingen hun leden geen enkel – zelfs geen indirect – economisch voordeel toekennen en enkel de door hun leden gemaakte onkosten vergoeden, verschaffen sociale coöperaties hun leden een economisch voordeel, ook al streven zij doelstellingen van sociale integratie en emancipatie zonder winstoogmerk na. Kenmerkend voor die coöperaties is dus hun zakelijk doel van wederkerige aard. De verwijzende rechter relativeert dat verschil evenwel omdat volgens hem uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een overeenkomst waarin als enige tegenprestatie is bedongen dat de gemaakte onkosten worden vergoed, als overeenkomst onder bezwarende titel onder het begrip „overheidsopdracht” valt.

    19 Voorts wijst de verwijzende rechter op een andere factor die het verschil tussen vrijwilligersorganisaties en –verenigingen, enerzijds, en sociale coöperaties, anderzijds, kan afzwakken. Daarbij gaat het om de mogelijkheid voor een vrijwilligersorganisatie of ‑vereniging om werknemers in dienst te nemen, en om de mogelijkheid voor een sociale coöperatie om onder haar leden over vrijwilligers te beschikken, die enkel worden vergoed voor de door hen gemaakte onkosten.

    20 Ten slotte benadrukt de verwijzende rechter dat, wanneer wordt uitgegaan van de veronderstelling dat aan een sociale coöperatie – anders dan aan vrijwilligersorganisaties of ‑verenigingen – niet met voorrang bij overeenkomst een dienst van medisch spoed‑ en noodvervoer kan worden gegund op grond van artikel 57 van wetgevend besluit nr. 117/2017, een dergelijke dienst slechts aan een sociale coöperatie kan worden gegund na een openbare aanbestedingsprocedure, wat evenwel in strijd zou zijn met artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24.

    21 Tegen deze achtergrond heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

    „Staat artikel 10, onder h), van [richtlijn 2014/24], en daarmee overweging 28 van deze richtlijn, in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan diensten van medisch [spoed‑ en noodvervoer] met voorrang bij overeenkomst uitsluitend kunnen worden gegund aan vrijwilligersorganisaties – mits zij sedert ten minste zes maanden zijn ingeschreven in het uniforme nationale register voor de derde sector, deel uitmaken van een netwerk van verenigingen, en erkend zijn overeenkomstig de regionale sectorwetgeving (voor zover die bestaat), en mits deze gunning waarborgt dat de dienst met inachtneming van de beginselen van transparantie en non-discriminatie wordt verricht in een stelsel waarin op passende en vanuit economisch oogpunt efficiënte wijze daadwerkelijk wordt bijgedragen aan een sociaal doel en waarin op solidariteit gebaseerde doelstellingen worden nagestreefd – zonder andere non-profitorganisaties en met name sociale coöperaties als sociale ondernemingen zonder winstoogmerk, in aanmerking te nemen als potentiële begunstigden?”

    Zaak C‑214/21

    22 Bij een op 26 februari 2020 bekendgemaakte aankondiging heeft de Azienda Sanitaria Provinciale di Cosenza een selectieprocedure uitgeschreven voor de gunning, bij overeenkomst, van de dienst van medisch spoed‑ en noodvervoer voor het onder haar bevoegdheid vallende gebied, aan vrijwilligersorganisaties en aan het Croce Rossa italiana (Italiaans Rode Kruis).

    23 Omdat deze aankondiging volgens Italy Emergenza onrechtmatige bedingen bevatte die haar beletten deel te nemen aan die procedure, heeft zij die aankondiging aangevochten door beroep in te stellen bij de Tribunale amministrativo regionale per la Calabria (bestuursrechter in eerste aanleg Calabrië, Italië). Ter ondersteuning van dat beroep heeft zij dezelfde middelen aangevoerd als de middelen die zijn uiteengezet in punt 13 van dit arrest.

    24 De Tribunale amministrativo regionale per la Calabria heeft dat beroep verworpen op dezelfde gronden als die welke zijn uiteengezet in punt 14 van dit arrest.

    25 Italy Emergenza heeft hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato, de verwijzende rechter, die – om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in de punten 16 tot en met 20 van dit arrest – twijfelt of artikel 57 van wetgevend besluit nr. 117/2017 verenigbaar is met artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24. De verwijzende rechter vraagt zich tevens af in hoeverre er invloed uitgaat van artikel 3, lid 2 bis, van wetgevend besluit nr. 112/2017, dat sociale coöperaties toestaat om hun winsten niet integraal te herinvesteren en deze aan hun leden uit te keren in de vorm van ristorno’s.

    26 Tegen deze achtergrond heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

    „Staat artikel 10, onder h), van [richtlijn 2014/24], en daarmee overweging 28 van deze richtlijn, in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan diensten van medisch [spoed‑ en noodvervoer] met voorrang bij overeenkomst uitsluitend kunnen worden gegund aan vrijwilligersorganisaties – mits zij sedert ten minste zes maanden zijn ingeschreven in het uniforme nationale register voor de derde sector, deel uitmaken van een netwerk van verenigingen, en erkend zijn overeenkomstig de regionale sectorwetgeving (voor zover die bestaat), en mits deze gunning waarborgt dat de dienst met inachtneming van de beginselen van transparantie en non-discriminatie wordt verricht in een stelsel waarin op passende en vanuit economisch oogpunt efficiënte wijze daadwerkelijk wordt bijgedragen aan een sociaal doel en waarin op solidariteit gebaseerde doelstellingen worden nagestreefd – zonder andere non-profitorganisaties en met name sociale coöperaties als sociale ondernemingen zonder winstoogmerk, daaronder begrepen sociale coöperaties die de verdeling onder de leden van de aan de activiteit van algemeen belang gerelateerde ristorno’s verrichten in de zin van artikel 3, lid 2 bis, van [wetgevend besluit nr. 112/2017], in aanmerking te nemen als potentiële begunstigden?”

    Beantwoording van de prejudiciële vragen

    27 Met zijn vraag in zaak C‑213/21 en zijn vraag in zaak C‑214/21, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan diensten van medisch spoed‑ en noodvervoer bij overeenkomst met voorrang uitsluitend kunnen worden gegund aan vrijwilligersorganisaties en niet aan sociale coöperaties die aan hun leden ristorno’s kunnen uitkeren die verband houden met hun activiteiten.

    28 Opgemerkt dient te worden dat artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 overheidsopdrachten voor diensten die betrekking hebben op diensten die onder de in die bepaling vermelde CPV‑codes vallen en die worden verricht door „non-profitorganisaties en ‑verenigingen”, uitsluit van de werkingssfeer van die richtlijn.

    29 Die richtlijn geeft echter geen definitie van het begrip „non‑profitorganisaties en ‑verenigingen”.

    30 De eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de regel in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van die bepaling en met de doelstelling die wordt nagestreefd met de regeling in kwestie (zie in die zin arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    31 In de eerste plaats wordt het begrip „non-profitorganisaties en ‑verenigingen” gedefinieerd als het tegenovergestelde van een samenwerkingsverband met winstoogmerk, dat is opgericht om winst te maken. In die zin lijkt dit begrip ruim genoeg om zich uit te strekken tot organisaties die werknemersaandeelhouderschap of actieve bestuursdeelname van werknemers kennen, zoals sociale coöperaties, voor zover zij geen winstoogmerk hebben.

    32 In de tweede plaats heeft de uitzondering van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 – zoals in overweging 28 van deze richtlijn wordt vermeld – tot doel het specifieke karakter van non‑profitorganisaties en ‑verenigingen te beschermen door te voorkomen dat zij aan de in deze richtlijn omschreven procedures worden onderworpen. In overweging 28 staat echter ook te lezen dat deze uitzondering niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is. Die uitzondering dient, als afwijking van de werkingssfeer van die richtlijn, dan ook strikt te worden uitgelegd [zie naar analogie arrest van 20 maart 2018, Commissie/Oostenrijk (Staatsdrukkerij), C‑187/16, EU:C:2018:194, punt 77 ].

    33 Hieruit volgt dat het begrip „non-profitorganisaties en ‑verenigingen” in de zin van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 strikt moet worden beperkt tot organisaties en verenigingen met een specifiek karakter, dat wil zeggen organisaties en verenigingen die geen winstoogmerk hebben en die hun leden geen – zelfs geen indirecte – winst mogen verschaffen.

    34 In de derde plaats zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat dit begrip zich uitstrekt tot organisaties en verenigingen waarvan het doel bestaat in het vervullen van sociale opdrachten, die geen commerciële werkzaamheden verrichten en die eventuele winst herinvesteren om het doel van de betrokken organisatie of vereniging te verwezenlijken (arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punt 59 ).

    35 Door te eisen dat eventuele winsten worden geherinvesteerd om het doel van de betrokken organisatie of vereniging te verwezenlijken, heeft het Hof ten eerste geoordeeld dat die winsten voor de uitvoering van de door de betrokken organisatie of vereniging te vervullen sociale opdrachten moeten worden aangewend, en heeft het ten tweede duidelijk uitgesloten dat die winsten kunnen worden uitgekeerd aan de aandeelhouders of leden van die organisatie of vereniging. Hieruit volgt dat organisaties en verenigingen die de mogelijkheid hebben om winsten uit te keren aan hun leden, niet binnen de werkingssfeer van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 vallen.

    36 Deze uitlegging wordt overigens bevestigd door artikel 77 van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 118 ervan, op grond waarvan het de lidstaten is toegestaan om te bepalen dat de aanbestedende diensten de deelname aan bijzondere procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten uitsluitend voor bepaalde diensten mogen voorbehouden aan organisaties die voldoen aan de in artikel 77, lid 2, van die richtlijn opgesomde voorwaarden. Tot die voorwaarden behoren ten eerste de in artikel 77, lid 2, onder b), gestelde voorwaarde dat de eventuele uitkering of herverdeling van winsten op grond van participatieve overwegingen plaatsvindt, en ten tweede de in artikel 77, lid 2, onder c), gestelde voorwaarde dat de beheers‑ of eigendomsstructuren van de organisatie die de opdracht uitvoert, berusten op werknemersaandeelhouderschap of beginselen van participatie dan wel de actieve participatie van werknemers, gebruikers of belanghebbenden vereisen.

    37 Aldus heeft de Uniewetgever voorzien in een gedifferentieerde behandeling tussen, enerzijds, „non-profitorganisaties en ‑verenigingen” als bedoeld in artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 en, anderzijds, de in het vorige punt van dit arrest bedoelde organisaties. Hieruit volgt dat de in artikel 10, onder h), van deze richtlijn bedoelde organisaties en verenigingen niet kunnen worden gelijkgesteld met organisaties die werknemersaandeelhouderschap of actieve bestuursdeelname van werknemers kennen, zoals coöperaties, die in overweging 118 en artikel 77 van die richtlijn worden vermeld (zie in die zin arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punt 60 ).

    38 Uit het bovenstaande vloeit voort dat wanneer de leden van een vereniging of organisatie – zelfs al is dat indirecte – winst kunnen verkrijgen die verband houdt met de activiteiten van die vereniging of organisatie, de betrokken vereniging of organisatie niet onder de uitzondering van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 kan vallen.

    39 In casu blijkt – onverminderd de door de verwijzende rechter te verrichten analyse van de nationale regeling en van de statuten van de organisaties die in de hoofdgedingen aan de orde zijn – uit artikel 3, lid 2 bis, van wetgevend besluit nr. 112/2017 juncto artikel 34 van de statuten van Italy Emergenza dat de algemene vergadering kan besluiten om ristorno’s uit te keren aan elk van de leden. Zoals blijkt uit zowel de verwijzingsbeslissingen als de opmerkingen van meerdere belanghebbenden, staat een dergelijke mogelijkheid om „winsten” uit te keren in de weg aan de kwalificatie van een sociale coöperatie zoals Italy Emergenza als „non‑profitorganisatie of ‑vereniging” in de zin van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24, aangezien de ristorno’s een instrument vormen waarmee een voordeel kan worden toegekend aan de leden van een coöperatie.

    40 Derhalve dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan diensten van medisch spoed‑ en noodvervoer bij overeenkomst met voorrang uitsluitend kunnen worden gegund aan vrijwilligersorganisaties en niet aan sociale coöperaties die aan hun leden ristorno’s kunnen uitkeren die verband houden met hun activiteiten.

    Kosten

    41 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

    Artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan diensten van medisch spoed‑ en noodvervoer bij overeenkomst met voorrang uitsluitend kunnen worden gegund aan vrijwilligersorganisaties en niet aan sociale coöperaties die aan hun leden ristorno’s kunnen uitkeren die verband houden met hun activiteiten.

    ondertekeningen