Home

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 8 december 2022

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 8 december 2022

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
8 december 2022

Uitspraak

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 8 december 2022 –
GUPFINGER Einrichtungsstudio

(zaak C‑625/21)(1)

"„Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Onrechtmatige opzegging van een overeenkomst door de consument - Als oneerlijk aangemerkt beding tot vaststelling van het recht van de beroepsbeoefenaar op schadevergoeding - Toepassing van het aanvullende nationale recht”"

ConsumentenbeschermingOneerlijke bedingen in consumentenovereenkomstenRichtlijn 93/13Vaststelling van het oneerlijke karakter van een bedingOmvangNationale rechtspraak op grond waarvan de nationale rechter een oneerlijk beding kan vervangen door een aanvullende bepaling van nationaal rechtVoortbestaan van de overeenkomst nadat het oneerlijke beding is geschraptOndeelbaar beding bestaande uit twee onderdelenEerste onderdeel dat op zichzelf een oneerlijk beding kan vormenTweede onderdeel dat een aanvullende bepaling van nationaal recht inhoudtDoor de verkoper uitsluitend op deze bepaling gebaseerde vordering tot schadevergoedingOntoelaatbaarheidAnnulering van een beding dat de consument ontslaat van elke verplichting tot schadevergoedingGeen invloed

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 6, lid 1, en art. 7, lid 1)

(zie punten 28‑31, 34‑42 en dictum)

Dictum

Artikel 6, lid 1 en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

moeten aldus worden uitgelegd dat

wanneer een clausule inzake schadevergoeding in een verkoopovereenkomst als oneerlijk is aangemerkt en bijgevolg nietig is verklaard en de overeenkomst niettemin kan voortbestaan zonder dat beding, zij zich ertegen verzetten dat de beroepsverkoper die dit beding heeft opgelegd, in het kader van een vordering tot schadevergoeding die uitsluitend gebaseerd is op een bepaling van aanvullend recht waarin het nationale verbintenissenrecht voorziet, aanspraak kan maken op vergoeding van de schade zoals daarin wordt voorzien in de bepaling die toepasselijk zou zijn geweest bij het ontbreken van dat oneerlijke beding.