„De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.”
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 14 november 2024
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 14 november 2024
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 14 november 2024
Uitspraak
Arrest van het Hof (Tweede kamer)
14 november 2024(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Werkingssfeer - Artikel 1, lid 2, onder b) - Daarvan uitgesloten - Begrip faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures - Vordering die rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure en daar nauw mee samenhangt - Vordering die strekt tot betaling van een schuldvordering en die wordt ingesteld nadat de schuldplichtige vennootschap failliet is verklaard en die schuldvordering is ingediend in de boedel van de failliete verklaarde vennootschap - Verordening (EG) nr. 1346/2000”"
In zaak C‑394/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Antwerpen (België) bij beslissing van 7 juni 2022, ingekomen bij het Hof op 15 juni 2022, in de procedure
Oilchart International NV
tegenO.W. Bunker (Netherlands) BV,
ING Bank NV,
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, M. L. Arastey Sahún, president van de Vijfde kamer, en J. Passer, rechter,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 februari 2024,
gelet op de opmerkingen van:
-
Oilchart International NV, vertegenwoordigd door E. Van den Wijngaert, advocaat,
-
ING Bank NV, vertegenwoordigd door D. Arts, T. Mertens, L. Rasking en E. Ulrix, advocaten,
-
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. H. S. Gijzen als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,
-
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 april 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Oilchart International NV (hierna: „Oilchart”), een vennootschap naar Belgisch recht, en anderzijds O.W. Bunker Netherland BV (hierna: „OWB”) en ING Bank NV, twee vennootschappen naar Nederlands recht, over de invordering van een onbetaalde factuur die is uitgereikt door Oilchart voor het leveren van bunkers in opdracht van OWB, die failliet is verklaard.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1346/2000
3 De overwegingen 2 en 6 van verordening nr. 1346/2000 luiden:
„(2) Voor de goede werking van de interne markt zijn efficiënte en doeltreffende grensoverschrijdende insolventieprocedures nodig. [...]
[...]
(6) Op grond van het proportionaliteitsbeginsel mag deze verordening alleen voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. Voorts moet deze verordening bepalingen bevatten betreffende de erkenning van die beslissingen en betreffende het toepasselijke recht, die eveneens met het noodzakelijkheidsbeginsel stroken.”
4 Artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Internationale bevoegdheid”, bepaalt in lid 1:
5 Artikel 4 („Toepasselijk recht”) van die verordening is verwoord als volgt:
„1.Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, hierna te noemen ‚lidstaat waar de procedure wordt geopend’.
2.Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:
welke schuldenaars op grond van hun hoedanigheid aan een insolventieprocedure kunnen worden onderworpen;
welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren;
welke de respectieve bevoegdheden van de schuldenaar en de curator zijn;
[...]
de gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten waarbij de schuldenaar partij is;
de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen met uitzondering van lopende rechtsvorderingen;
welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure;
de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen;
[...]
de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.”
6 Verordening nr. 1346/2000 is ingetrokken bij verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19). Krachtens artikel 84, lid 2, van laatstgenoemde verordening blijft verordening nr. 1346/2000 evenwel van toepassing op insolventieprocedures die vóór 26 juni 2017 zijn geopend.
Verordening nr. 1215/2012
7 De overwegingen 10 en 21 van verordening nr. 1215/2012 luiden:
„(10) Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden, [...].
[...]
(21) Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. [...]”
8 In artikel 1, lid 1 en lid 2, onder b), van die verordening is het volgende bepaald:
„1.Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).
2.Deze verordening is niet van toepassing op:
[...]
het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”.
9 Artikel 28, lid 1, van die verordening is in de volgende bewoordingen gesteld:
„Wanneer de verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van deze verordening.”
Nederlands recht
10 Artikel 25 van de Wet van 30 september 1893 op het faillissement en de surséance van betaling (Stb. 1893, 140; hierna: „NFW”) luidt als volgt:
„1.Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, worden zowel tegen als door de curator ingesteld.
2.Indien zij, door of tegen de gefailleerde ingesteld of voortgezet, een veroordeling van de gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeling tegenover de failliete boedel geen rechtskracht.”
11 Artikel 26 NFW is als volgt verwoord:
„Rechtsvorderingen, die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde op geen andere dan een in artikel 110 bepaalde wijze worden ingesteld.”
12 In artikel 110, lid 1, NFW is bepaald:
„De indiening der schuldvorderingen geschiedt door of bij de curator door de overlegging ener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende de aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan, en van een opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek of retentierecht aanspraak wordt gemaakt.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 In het kader van een reeks overeenkomsten voor het bunkeren van zeeschepen heeft Oilchart op 21 oktober 2014 in opdracht van OWB brandstof geleverd aan het schip „Evita K.”, dat lag afgemeerd in de haven van Sluiskil (Nederland).
14 Op 22 oktober 2014 heeft Oilchart aan OWB een factuur uitgereikt voor een bedrag van 116 471,45 Amerikaanse dollar (USD) (ongeveer 107 229,44 EUR). Die factuur is onbetaald gebleven.
15 Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam (Nederland) van 21 november 2014 is OWB failliet verklaard.
16 Oilchart heeft de uit die onbetaalde factuur voortvloeiende schuldvordering ter verificatie voorgelegd aan de curatoren van OWB.
17 Aangezien er sprake was van meerdere onbetaalde facturen, heeft Oilchart uit voorzorg beslag laten leggen op bepaalde zeeschepen waaraan zij brandstof had geleverd. Ter handlichting van deze bewarende scheepsbeslagen zijn er aan Oilchart garanties afgegeven, die konden worden afgeroepen op basis van een in België veroordelende gerechtelijke uitspraak of arbitrale beschikking tegen ofwel OWB, ofwel de eigenaar van het betrokken schip.
18 Op 11 maart 2015 heeft Oilchart bij de rechtbank van koophandel Antwerpen (België) een vordering ingesteld tegen OWB, teneinde onder meer betaling van die onbetaalde factuur te verkrijgen. ING Bank heeft, als cessionaris van door OWB als tegenprestatie voor de verlening van een krediet overgedragen schuldvorderingen, vrijwillig geïntervenieerd in die procedure.
19 Bij vonnis van 15 maart 2017 heeft die rechtbank zich bevoegd verklaard om uitspraak te doen op die vordering, maar deze op grond van het Nederlandse faillissementsrecht niet-ontvankelijk verklaard.
20 Op 16 mei 2017 heeft Oilchart tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep Antwerpen (België), de verwijzende rechter.
21 Aangezien OWB noch bij de rechtbank van koophandel Antwerpen, noch bij de verwijzende rechter ter terechtzitting is verschenen, heeft de verwijzende rechter het noodzakelijk geacht om zijn internationale bevoegdheid te onderzoeken overeenkomstig artikel 28, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.
22 Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof vraagt de verwijzende rechter zich af of de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht als bedoeld in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, dan wel specifieke regels voor insolventieprocedures ten grondslag liggen aan de door Oilchart tegen OWB ingestelde vordering.
23 In dat verband merkt de verwijzende rechter op dat de vordering van Oilchart tegen OWB na de opening van de faillissementsprocedure en zonder gewag te maken van die procedure is ingesteld op grondslag van een specifieke bepaling van de Nederlandse faillissementswetgeving, te weten artikel 25, lid 2, NFW, dat ziet op rechtsvorderingen waarbij de failliete boedel niet betrokken is, maar de persoonlijke belangen van de gefailleerde in het geding zijn, en niet op grondslag van artikel 25, lid 1, NFW, dat rechtsvorderingen betreft waarbij de boedel rechtstreeks betrokken is.
24 Volgens die rechter moeten de precieze aard van de door Oilchart ingestelde vordering en de mogelijkheid om een dergelijke vordering in te stellen tegen een failliet verklaarde vennootschap, worden beoordeeld aan de hand van de specifieke afwijkende bepalingen van het Nederlandse faillissementsrecht en niet aan de hand van de regels van het gewone burgerlijke en handelsrecht. In het kader van de vaststelling of hij internationale bevoegdheid heeft, welke vaststelling aan die beoordeling voorafgaat, vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering geen intens verband heeft met de insolventieprocedure, zodat enkel de rechter bij wie het faillissement is geopend, bevoegd is om over die vordering te oordelen.
25 Voorts wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 zich verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan een schuldeiser in een lidstaat een vordering tot betaling kan instellen met betrekking tot een schuldvordering die hij in een andere lidstaat reeds heeft ingediend in het faillissement.
26 In die omstandigheden heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Moet art. 1.2.b) van [verordening nr. 1215/2012], in samenlezing met artikel 3.1 van [verordening nr. 1346/2000], aldus worden uitgelegd dat onder de begrippen ‚faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures’ in art. 1.2.b) van [verordening nr. 1215/2012] ook een procedure valt waarbij de vordering in de dagvaarding beschreven wordt als een loutere handelsvordering, zonder dat melding gemaakt wordt van het reeds eerder opengevallen faillissement van de verwerende partij, terwijl de eigenlijke rechtsgrondslag van die vordering gesteund wordt op de specifieke afwijkende bepalingen van het Nederlands faillissementsrecht (art. 25.2 [NFW]) en waarbij:
uitgemaakt moet worden of een dergelijke vordering als een verifieerbare vordering (art. 26 juncto 110 NFW) moet beschouwd worden dan wel een niet-verifieerbare vordering (art. 25.2 NFW);
de vraag of beide vorderingen tegelijk kunnen ingesteld worden en of de ene vordering de andere niet lijkt uit te sluiten, rekening houdend met de specifieke rechtsgevolgen van elk van die vorderingen (o.m. qua mogelijkheden tot afroep van een bankgarantie uitgesteld na het faillissement), volgens de specifieke regels van het Nederlands faillissementsrecht [lijkt] bepaald te worden?
[...]
Kunnen de bepalingen van art. 25.2 [NFW] als verenigbaar beschouwd worden met artikel 3.1 van [verordening nr. 1346/2000], voor zover deze wetsbepaling zou toelaten een dergelijke vordering (art. 25.2 NFW) in te stellen voor de rechter van een andere lidstaat in plaats van voor de insolventierechter van de lidstaat van het openvallen van het faillissement?”
Procedure bij het Hof
27 Op 31 maart 2023 heeft het Hof de verwijzende rechter om inlichtingen verzocht over de feitelijke en juridische context van het hoofdgeding, die deze rechter op 28 april 2023 heeft verstrekt.
28 Op 11 juli 2023 heeft het Hof de verwijzende rechter gevraagd of hij, gelet op de omstandigheid dat Oilchart in het hoofdgeding afstand van geding had gedaan, zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
29 Bij arrest van 27 november 2023 heeft die rechter het Hof meegedeeld dat het geding nog steeds aanhangig was bij hem daar de door Oilchart gedane afstand van geding was afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
30 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een in een lidstaat tegen een vennootschap ingestelde vordering tot betaling van geleverde goederen waarin geen melding wordt gemaakt van de eerder in een andere lidstaat tegen die vennootschap geopende insolventieprocedure, noch van het feit dat de betreffende schuldvordering reeds is ingediend in de boedel van de failliet verklaarde vennootschap.
31 De vraag is met name of een dergelijke vordering valt onder artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012, dat het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures van de werkingssfeer van de verordening uitsluit. Indien dat het geval is, valt zij binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000, waarvan artikel 3, lid 1, de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is de uitsluitende internationale bevoegdheid verleent om de hoofdinsolventieprocedure te openen (zie in die zin arrest van 4 december 2019, Tiger e.a., C‑493/18, EU:C:2019:1046, punten 23, 25 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat de verordeningen nr. 1215/2012 en nr. 1346/2000, wat hun respectievelijke werkingssfeer betreft, aldus moeten worden uitgelegd dat niet alleen elke overlapping tussen de in die teksten vervatte rechtsregels maar ook elk rechtsvacuüm wordt vermeden. De krachtens artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 van de werkingssfeer van die verordening uitgesloten vorderingen vallen dus, doordat zij betrekking hebben op „het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000. Parallel daarmee vallen vorderingen die niet onder artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 vallen, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arresten van 6 februari 2019, NK, C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 24 , en 18 september 2019, Riel, C‑47/18, EU:C:2019:754, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Voorts heeft het Hof erop gewezen dat de Uniewetgever heeft willen kiezen voor een ruime opvatting van het begrip „burgerlijke en handelszaken” in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en, bijgevolg, voor een ruime werkingssfeer van die verordening, zoals met name in overweging 10 ervan is aangegeven. De werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 daarentegen mag volgens overweging 6 ervan niet ruim worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 20 december 2017, Valach e.a., C‑649/16, EU:C:2017:986, punt 25 , en 6 februari 2019, NK, C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Op basis van deze beginselen heeft het Hof geoordeeld dat de respectieve werkingssferen van die twee verordeningen duidelijk zijn afgebakend en dat alleen vorderingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daar nauw mee samenhangen, van de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 zijn uitgesloten. Dientengevolge vallen alleen die vorderingen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 (zie in die zin arresten van 6 februari 2019, NK, C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 26 , en 18 september 2019, Riel, C‑47/18, EU:C:2019:754, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Dit dubbele criterium, dat is opgenomen in overweging 6 van verordening nr. 1346/2000 ter afbakening van het voorwerp van die verordening, is trouwens letterlijk overgenomen in verordening 2015/848 – die ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding – aangezien in artikel 6 ervan, met als opschrift „Bevoegdheid inzake vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en er nauw verband mee houden”, wordt bepaald dat de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan een insolventieprocedure is geopend, bevoegd is voor alle vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden (zie in die zin arrest van 6 februari 2019, NK, C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 27 ).
36 In het licht van het voorgaande moet dus worden nagegaan of een vordering tot betaling van geleverde goederen die is ingesteld tegen een vennootschap die in een insolventieprocedure is verwikkeld, aan dit dubbele criterium voldoet.
37 Wat het eerste criterium betreft, moet met betrekking tot de vraag of een vordering rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de doorslaggevende factor om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt, niet de procedurele context van die vordering maar de rechtsgrondslag ervan is. Volgens deze benadering moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemene regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke, afwijkende regels voor insolventieprocedures (zie in die zin arresten van 6 februari 2019, NK, C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 28 ; 18 september 2019, Riel, C‑47/18, EU:C:2019:754, punt 33 , en 4 december 2019, Tiger e.a., C‑493/18, EU:C:2019:1046, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Zo heeft het Hof geoordeeld dat een vordering die de verkoper op grond van een beding van eigendomsvoorbehoud instelt tegen de in staat van faillissement verklaarde koper, een rechtsvraag aan de orde stelt die losstaat van de opening van een insolventieprocedure. Het betreft met andere woorden een autonome vordering, die haar grondslag niet in het recht inzake insolventieprocedures vindt en niet vereist dat een dergelijke procedure wordt geopend en dat een curator optreedt (zie in die zin arrest van 10 september 2009, German Graphics Graphische Maschinen, C‑292/08, EU:C:2009:544, punten 31 en 32 ).
39 Voorts valt de vordering die door een verzoeker tegen een derde wordt ingesteld op basis van een door de curator in een insolventieprocedure gecedeerde schuldvordering, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken”, op voorwaarde dat het geding geen betrekking heeft op de geldigheid van de cessie door de curator en dat de uitoefening van het door de cessionaris verkregen recht aan andere regels is onderworpen dan de regels die van toepassing zijn in het kader van een insolventieprocedure (zie in die zin arrest van 19 april 2012, F-Tex, C‑213/10, EU:C:2012:215, punten 37, 42 en 49 ).
40 Hetzelfde geldt wanneer een geding betrekking heeft op de uitoefening van het door een cessionaris verkregen recht en uitsluitend ziet op de handelwijze van de cessionaris (zie in die zin arrest van 19 april 2012, F-Tex, C‑213/10, EU:C:2012:215, punt 42 ). Daarentegen valt een vordering waarmee wordt opgekomen tegen een in het kader van een insolventieprocedure verrichte aandelenoverdracht, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 wanneer de curator wordt verweten geen gebruik te hebben gemaakt van een prerogatief dat hij ontleent aan het nationale recht inzake collectieve procedures (zie in die zin arrest van 2 juli 2009, SCT Industri, C‑111/08, EU:C:2009:419, punt 28 ).
41 Ook de vordering tot vaststelling van het bestaan van een schuldvordering met het oog op de registratie ervan in het kader van een insolventieprocedure valt niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012, aangezien een dergelijke vordering rechtstreeks voortvloeit uit de nationale insolventieregels (zie in die zin arrest van 18 september 2019, Riel, C‑47/18, EU:C:2019:754, punten 37 en 38 ), en dat geldt ook voor de vordering wegens aansprakelijkheid van de leden van een schuldeiserscomité wier stemgedrag ertoe heeft geleid dat een saneringsprocedure is uitgemond in een insolventieprocedure, aangezien een dergelijke vordering het rechtstreekse en onlosmakelijke gevolg was van de uitoefening van een specifiek aan de nationale bepalingen inzake insolventieprocedures ontleende functie (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Valach e.a., C‑649/16, EU:C:2017:986, punten 30 en 35 ).
42 In casu blijkt uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt en uit de door de verwijzende rechter verstrekte preciseringen dat de vordering in het hoofdgeding ertoe strekt een vennootschap te doen veroordelen tot betaling van goederen die zijn geleverd op grond van een overeenkomst die vóór de opening van de op die vennootschap betrekking hebbende insolventieprocedure was gesloten. Volgens overeenkomsten die nadien zijn gesloten met het oog op de handlichting van de bewarende scheepsbeslagen waartoe was overgegaan, is die veroordeling noodzakelijk om verzoekster in het hoofdgeding in staat te stellen de aan haar verstrekte bankgaranties ten uitvoer te leggen.
43 Vastgesteld zij dat zowel de in het kader van de rechtsvordering ingeroepen verbintenissen uit overeenkomst als de mechanismen voor de tenuitvoerlegging van die verbintenissen hun grondslag vinden in het verbintenissenrecht en losstaan van de specifieke regels die gelden voor insolventieprocedures.
44 Bovendien is een vordering tot betaling van geleverde goederen autonoom, in die zin dat zij buiten een insolventieprocedure om kan worden ingesteld.
45 Voorts heeft noch de opening van een insolventieprocedure, noch de aanwijzing van een curator tot gevolg dat de rechtsgrondslag van een door de gemene regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht beheerste vordering zodanig wordt gewijzigd dat deze binnen de werkingssfeer van de specifieke regels voor insolventieprocedures komt te vallen.
46 Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het enkele feit dat een in een insolventieprocedure aangewezen curator na de opening van die procedure een vordering tot betaling heeft ingesteld in het belang van de schuldeisers, in wezen niets verandert aan de aard van de onderliggende schuldvordering, die losstaat van een insolventieprocedure en ten gronde onderworpen blijft aan regels van gemeen recht (zie in die zin arresten van 6 februari 2019, NK, C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 november 2019, CeDe Group, C‑198/18, EU:C:2019:1001, punt 36 ).
47 Wat het in punt 34 van het onderhavige arrest vermelde tweede criterium betreft, is het eveneens vaste rechtspraak dat de intensiteit van het verband tussen een rechtsvordering en de insolventieprocedure bepalend is voor de beslissing of de in artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 genoemde uitsluiting moet worden toegepast (zie in die zin arresten van 20 december 2017, Valach e.a., C‑649/16, EU:C:2017:986, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 februari 2019, NK, C‑535/17, EU:C:2019:96, punt 30 ).
48 Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan bij dit criterium rekening worden gehouden met andere contextuele factoren dan die welke betrekking hebben op de rechtsgrondslag van de vordering.
49 Ofschoon niet kan worden ontkend dat er in het hoofdgeding een zeker verband bestaat tussen de ingestelde vordering en de insolventieprocedure omdat die vordering is ingesteld nadat de schuldplichtige vennootschap failliet is verklaard en verzoekster in het hoofdgeding in het kader van het faillissement dezelfde schuldvordering heeft ingediend als die waarop de door haar ingestelde vordering betrekking heeft, blijkt het enkele feit dat de schuldvordering waarvan bij de verwijzende rechter betaling wordt gevorderd tevens bij de curator van het faillissement is ingediend niet te volstaan om die vordering onder de uitsluiting van artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 te laten vallen.
50 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat de vaststelling van de bevoegde rechter geenszins vooruitloopt op de vraag welk recht van toepassing is op de vordering in het hoofdgeding, noch op de vraag welke relevante regels het op die vordering toepasselijke recht kunnen bepalen (zie in die zin arrest van 21 november 2019, CeDe Group, C‑198/18, EU:C:2019:1001, punt 38 ).
51 Zowel de vraag naar de ontvankelijkheid van een individuele vordering tegen een insolvente vennootschap als de vraag wat er met een dergelijke vordering moet gebeuren wanneer bij de curator van de failliete boedel een schuldvordering is ingediend, valt immers niet onder de bevoegdheidsregels, maar onder de collisieregels, die bepalen welk recht van toepassing is.
52 Uit artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 volgt dat de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan worden beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan die procedure wordt geopend.
53 In artikel 4, lid 2, van die verordening wordt aangegeven dat het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden de insolventieprocedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd, en wordt er ook een niet-limitatieve opsomming gegeven van de verschillende fasen van de insolventieprocedure die worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend. Het gaat daarbij met name om, onder e), de gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten, onder f), de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen, onder h), de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen, onder g), welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure, en, onder m), de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.
54 Uit artikel 3 juncto artikel 4 van verordening nr. 1346/2000 blijkt dat met die regeling in beginsel wordt beoogd te zorgen voor overeenstemming tussen de internationaal bevoegde rechterlijke instanties en het recht dat op de insolventieprocedure van toepassing is. Afgezien van de gevallen waarvoor die verordening expliciet iets anders bepaalt, volgt het toepasselijke recht op grond van artikel 4 van die verordening namelijk de overeenkomstig artikel 3 van die verordening bepaalde internationale bevoegdheid (zie in die zin arrest van 21 november 2019, CeDe Group, C‑198/18, EU:C:2019:1001, punt 30 ).
55 Aangezien artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 alleen ziet op de vraag welke rechter bevoegd is voor de opening van insolventieprocedures en de werkingssfeer van artikel 4 van die verordening ruimer is dan die van artikel 3 ervan, in die zin dat het van toepassing is op insolventieprocedures en op de gevolgen daarvan, kan die overeenstemming tussen het toepasselijke recht en de bevoegde rechter evenwel niet in alle omstandigheden worden gewaarborgd.
56 In casu is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde insolventieprocedure in Nederland geopend, zodat het recht dat op die procedure en de gevolgen daarvan van toepassing is, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 het Nederlandse recht is.
57 Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering, die ertoe strekt een failliet verklaarde vennootschap te doen veroordelen tot betaling van geleverde goederen, door het Nederlandse recht wordt beheerst, aangezien – zoals naar voren komt uit punt 53 van het onderhavige arrest – dat recht moet worden toegepast om te bepalen wat de gevolgen zijn van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten en voor individuele vervolgingen en om de regels vast te stellen betreffende de indiening, de verificatie en de toelating van vorderingen en betreffende rechtshandelingen die nadelig kunnen zijn voor de schuldeisers.
58 Zoals de Europese Commissie ter terechtzitting voor het Hof heeft opgemerkt, kan door toepassing van het overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 vastgestelde recht op zowel de insolventieprocedure als alle gevolgen daarvan worden gewaarborgd dat de door die verordening nagestreefde doelstellingen inzake gelijkheid van schuldeisers en bescherming van hun belangen worden bereikt, ongeacht de vraag welke rechter bevoegd is.
59 In dat verband zij er trouwens op gewezen dat de regel van verordening nr. 1215/2012 die bepaalt dat wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhoudt teneinde te vermijden dat met betrekking tot die vorderingen onverenigbare beslissingen worden gegeven, niet van toepassing is – ook niet naar analogie – op het stelsel van verordening nr. 1346/2000, met name omdat volgens die verordening de gerechten in andere lidstaten bevoegd kunnen zijn voor secundaire insolventieprocedures (zie in die zin arrest van 18 september 2019, Riel, C‑47/18, EU:C:2019:754, punten 42, 44 en 46 ).
60 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een in een lidstaat tegen een vennootschap ingestelde vordering tot betaling van geleverde goederen waarin geen melding wordt gemaakt van de eerder in een andere lidstaat tegen die vennootschap geopende insolventieprocedure, noch van het feit dat de betreffende schuldvordering reeds is ingediend in de boedel van de failliet verklaarde vennootschap.
Tweede vraag
61 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 1, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet van toepassing is op een in een lidstaat tegen een vennootschap ingestelde vordering tot betaling van geleverde goederen waarin geen melding wordt gemaakt van de eerder in een andere lidstaat tegen die vennootschap geopende insolventieprocedure, noch van het feit dat de betreffende schuldvordering reeds is ingediend in de boedel van de failliet verklaarde vennootschap.
Biltgen
Arastey Sahún
Passer
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 november 2024.
De griffier
A. Calot Escobar
De president
K. Lenaerts