Home

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 21 september 2023

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 21 september 2023

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
21 september 2023

Uitspraak

Arrest van het Hof (Negende kamer)

21 september 2023(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Artikelen 102 en 106 VWEU - Openbare bedrijven - Vrijheid van ondernemerschap - Vrijheid van vestiging - Onderneming die volledig eigendom is van een lidstaat en die exclusieve concessies voor de exploitatie van natuurlijk mineraalwater geniet na een rechtstreekse gunning zonder mededinging - Nationale regeling op grond waarvan de concessie onbeperkt kan worden verlengd”"

In zaak C‑510/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) bij beslissing van 14 juni 2022, ingekomen bij het Hof op 28 juli 2022, in de procedure

Romaqua Group SA

tegen

Societatea Națională a Apelor Minerale SA,

Agenția Națională pentru Resurse Minerale,

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: L. S. Rossi, kamerpresident, J.‑C. Bonichot (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: A. M. Collins,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • Romaqua Group SA, vertegenwoordigd door L. Retegan en S. Tîrnoveanu, advocaten,

  • de Roemeense regering, vertegenwoordigd door M. Chicu en E. Gane als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Armati, M. Mataija en I. Rogalski als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), de artikelen 49, 102, 106 en 119 VWEU en artikel 3 van richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (PB 2009, L 164, blz. 45).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Romaqua Group SA enerzijds en Societatea Națională a Apelor Minerale SA (nationale onderneming voor mineraalwater, Roemenië; hierna: „SNAM”) en Agenția Națională pentru Resurse Minerale (nationaal agentschap voor minerale hulpbronnen, Roemenië; hierna: „ANRM”) anderzijds over de afwijzing van het verzoek van Romaqua Group dat er een openbare aanbesteding wordt georganiseerd voor de verlening van twee concessies voor de exploitatie van mineraalwater.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 3 van richtlijn 2009/54 bepaalt:

„De bronnen van natuurlijk mineraalwater dienen in overeenstemming met de in bijlage II vermelde voorschriften te worden geëxploiteerd; deze voorschriften gelden ook voor het verpakken van dit water.”

Roemeens recht

4 Artikel 40, lid 1, van Lege nr. 219 privind regimul concesiunilor (wet nr. 219 betreffende het concessiestelsel) van 25 november 1998 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 459 van 30 november 1998), in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalde:

„Goederen die tot de openbare of particuliere eigendom behoren van de staat, het district, de stad of de gemeente, alsmede openbare activiteiten en diensten van nationaal of lokaal belang, worden door middel van een concessieovereenkomst rechtstreeks gegund aan nationale handelsondernemingen of maatschappijen of aan nationale ondernemingen die zijn opgericht bij de reorganisatie van autonome instanties die deze goederen, activiteiten of diensten hebben beheerd. De concessieovereenkomst wordt gesloten met de bevoegde concessieverlenende overheidsinstantie voor een termijn die wordt vastgesteld bij besluit van de regering of de districts- of gemeentelijke raad die de betrokken handelsonderneming opricht.”

5 Artikel 46 van Lege minelor nr. 61 (mijnbouwwet nr. 61) van 5 maart 1998 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 113 van 16 maart 1998) bepaalde:

„1.

Overheidsinstellingen, nationale mijnbouwmaatschappijen en handelsondernemingen zullen hun activiteiten slechts voortzetten op de locaties die zij in beheer hebben en waar zij op de datum van bekendmaking van deze wet prospectie-, exploratie- of exploitatiewerkzaamheden verrichten waarvoor een vergunning is verleend.

2.

Binnen 90 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze wet stellen overheidsinstellingen, nationale mijnbouwmaatschappijen en handelsondernemingen die mijnbouwactiviteiten verrichten definitief de omtrek vast van de locaties waar zij prospectie-, exploratie- en exploitatiewerkzaamheden verrichten als bedoeld in lid 1, en verzoeken zij de bevoegde autoriteit om deze locaties in beheer of op grond van een concessie aan hen toe te wijzen overeenkomstig deze wet.”

6 Mijnbouwwet nr. 61 van 5 maart 1998 werd ingetrokken en vervangen door Lege minelor nr. 85 (mijnbouwwet nr. 85) van 18 maart 2003 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 197 van 27 maart 2003). Artikel 20, lid 2, van laatstgenoemde wet, zoals later gewijzigd en aangevuld (hierna: „mijnbouwwet nr. 85/2003”), bepaalt:

„De exploitatievergunning wordt verleend voor ten hoogste 20 jaar, en kan steeds worden verlengd met perioden van vijf jaar.”

7 Artikel 32, lid 1, van de Normele pentru aplicarea Legii minelor nr. 85/2003 din 14.10.2003 (regels voor de toepassing van mijnbouwwet nr. 85/2003 van 14 oktober 2003), zoals goedgekeurd bij Hotărâre Guvernului nr. 1208/2003 (regeringsbesluit nr. 1208/2003, Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 772 van 4 november 2003), bepaalt:

„De houder van de exploitatievergunning kan verzoeken om de verlenging van de geldigheidsduur ervan, binnen de grenzen van de toegekende oppervlakte, door de in artikel 20, lid 1, van mijnbouwwet [nr. 85/2003] bedoelde documenten aan de ANRM over te leggen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8 In 1997 heeft de Roemeense regering de SNAM opgericht ter vervanging van de Regia Autonomă a Apelor Minerale din România (autonome dienst voor mineraalwater van Roemenië), die is ontbonden.

9 In 1999 heeft dezelfde regering ingestemd met de rechtstreekse gunning door de ANRM aan de SNAM van de concessie voor de exploitatie van alle in Roemenië geëxploiteerde bronnen van mineraalwater voor een periode van 20 jaar.

10 Bij arrest nr. 136/2001 van 3 mei 2001 heeft de Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië) geoordeeld dat de bepalingen van artikel 40, lid 1, eerste volzin, van wet nr. 219 inzake het concessiestelsel ongrondwettig zijn voor zover zij lokale overheidsinstanties ertoe verplichten om overheidsgoederen of overheidsactiviteiten en -diensten van lokaal belang rechtstreeks via een concessieovereenkomst te gunnen aan welbepaalde rechtspersonen.

11 Op 19 juli 2016 heeft Romaqua Group de ANRM verzocht om, enerzijds, de exploitatievergunningen voor de zones Borsec en Stânceni (Roemenië) onmiddellijk over te dragen en, anderzijds, de eerder rechtstreeks aan de SNAM verleende concessies niet te verlengen na het verstrijken van de einddatum daarvan in 2018 en om een openbare aanbesteding uit te schrijven voor de verlening van nieuwe concessies.

12 De ANRM weigerde deze verzoeken in te willigen en wees erop dat de concessies uitsluitend – met voorafgaande instemming van de concessiegever (de ANRM) – door de concessiehouder (de SNAM) konden worden overgedragen, overeenkomstig artikel 24 van mijnbouwwet nr. 85/2003. Voorts stelde de ANRM dat een openbare aanbesteding voor de aanwijzing van nieuwe concessiehoudende ondernemingen slechts kan worden uitgeschreven indien de SNAM niet om verlenging van de huidige concessies verzocht, zoals zij om de vijf jaar kan doen en welke verlenging de ANRM in dat geval niet kan weigeren.

13 De SNAM heeft van haar kant verklaard dat zij de rechten en verplichtingen die aan haar twee exploitatievergunningen verbonden zijn, niet wenste over te dragen.

14 Bij verzoekschrift van 2 november 2016 heeft Romaqua Group de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) verzocht om vast te stellen dat de weigering van de ANRM om haar verzoek in te willigen niet gerechtvaardigd was, en de ANRM te gelasten om – na het verstrijken van de periode waarvoor de concessies zijn verleend – een openbare aanbesteding uit te schrijven voor de gunning van die concessies voor de volgende periode.

15 Bij arrest van 11 juni 2019 heeft de Curte de Apel București het beroep van Romaqua Group verworpen.

16 Romaqua Group heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië), de verwijzende rechter, op grond dat de nationale regeling die bepaalt dat een exclusief recht dat is toegekend aan een onderneming waarvan het kapitaal volledig in handen is van de overheid, de facto zonder temporele beperking, door opeenvolgende verlengingen ter beschikking van de begunstigde van de rechtstreekse gunning blijft, onverenigbaar is met verschillende bepalingen van het Unierecht.

17 In deze omstandigheden heeft de Înalta Curte de Casație și Justiție de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet artikel 106, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in de weg staat aan een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke een aanvankelijke rechtstreekse gunning, zonder mededinging, van de exploitatie van mineraalwaterbronnen aan een onderneming waarvan het kapitaal volledig in handen is van de overheid, wordt gehandhaafd door de exclusieve vergunningen (waarover het staatsbedrijf beschikt) zonder temporele beperking steeds te verlengen?

  • Moeten artikel 16 van het [Handvest], de artikelen 49 en 119 VWEU, en artikel 3 van richtlijn [2009/54] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als de bovenvermelde regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, die een ongerechtvaardigde beperking stelt aan de vrijheid van ondernemerschap, met name de vrijheid van vestiging?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

Ontvankelijkheid

18 Volgens de Roemeense regering blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel dat de verwijzende rechter in zijn eerste vraag niet heeft willen verwijzen naar artikel 106, lid 1, VWEU afzonderlijk beschouwd – welk artikel overigens geen zelfstandige betekenis heeft – maar wel naar dit artikel gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, dat misbruik van een machtspositie op een wezenlijk deel van de interne markt verbiedt, indien dit misbruik het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. De verwijzende rechter heeft het Hof echter niet de informatie verstrekt die noodzakelijk is om het in staat te stellen te beoordelen of er in casu sprake is van een dergelijk misbruik van een machtspositie.

19 In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt te beoordelen. Derhalve is het Hof, wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van een Unierechtelijke regel, in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 24 , en  7 februari 2018, American Express C‑304/16, EU:C:2018:66, punt 31 ).

20 Bijgevolg worden vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een regel van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 25 , en  7 februari 2018, American Express C‑304/16, EU:C:2018:66, punt 32 ).

21 In de onderhavige zaak beschikt het Hof inderdaad niet over alle noodzakelijke gegevens om te beoordelen of de concrete situatie van de SNAM een met artikel 102 VWEU onverenigbaar misbruik van machtspositie vormt.

22 De eerste prejudiciële vraag heeft echter geen betrekking op de situatie van de SNAM, die het Hof overigens niet in het kader van een prejudiciële procedure kan beoordelen. Uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat de verwijzende rechter in wezen van het Hof wenst te vernemen of artikel 106, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de op die onderneming toepasselijke nationale regeling. Hoewel het evenmin aan het Hof staat om bij wijze van prejudiciële beslissing zelf uitspraak te doen over de eventuele onverenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met die artikelen van het VWEU, is het daarentegen wel bevoegd om deze uit te leggen.

23 Daartoe hoeft het Hof niet over de volledige informatie inzake de concrete situatie van de SNAM te beschikken.

24 Hieruit volgt dat de door de Roemeense regering opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.

Ten gronde

25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 106, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de houder van een exclusief exploitatierecht voor een mineraalwaterbron de mogelijkheid biedt om, zonder mededinging, de exploitatievergunning voor opeenvolgende perioden van vijf jaar te verlengen.

26 Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 106, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, zich slechts tegen een dergelijke nationale regeling kan verzetten indien deze binnen het toepassingsgebied van die twee artikelen valt.

27 In dit verband verplicht artikel 106, lid 1, VWEU de lidstaten om met betrekking tot openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel te nemen of te handhaven die in strijd is met de regels van de Verdragen, met name met die bedoeld in artikel 102 VWEU.

28 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat een overheidsmaatregel kan worden geacht een uitsluitend of bijzonder recht in de zin van artikel 106, lid 1, VWEU toe te kennen, wanneer deze maatregel een beperkt aantal ondernemingen beschermt en de mogelijkheden van andere ondernemingen om in hetzelfde geografische gebied en onder in wezen gelijkwaardige omstandigheden de betrokken economische activiteit uit te oefenen, merkelijk ongunstig kan beïnvloeden (arrest van 27 maart 2019, Pawlak, C‑545/17, EU:C:2019:260, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Aangezien volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling bepaalde ondernemingen een exclusief recht verleent om mineraalwaterbronnen op het grondgebied van Roemenië te exploiteren, moet in casu worden geoordeeld dat zij binnen de werkingssfeer van artikel 106, lid 1, VWEU valt.

30 Artikel 102 VWEU verbiedt op zijn beurt praktijken die bestaan in misbruik van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.

31 Volgens artikel 102 VWEU moet voor misbruik van machtspositie aan drie voorwaarden zijn voldaan.

32 Ten eerste moet de betrokken onderneming een machtspositie innemen op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan. In dit verband zij eraan herinnerd dat een onderneming in een dergelijke machtspositie kan komen te verkeren wanneer haar bijzondere of uitsluitende rechten worden toegekend waardoor zij kan bepalen of en, in voorkomend geval, onder welke voorwaarden andere ondernemingen toegang tot de betrokken markt kunnen krijgen en er hun activiteiten kunnen uitoefenen (arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 38 ). Niettemin heeft het Hof ook geoordeeld dat het bestaan van bijzondere of uitsluitende rechten niet noodzakelijkerwijs het bestaan van een machtspositie op de relevante markt impliceert (zie in die zin arrest van 13 december 2007, United Pan-Europe Communications Belgium e.a., C‑250/06, EU:C:2007:783, punt 21 ). Hoe dan ook is de afbakening van de relevante markt noodzakelijk om te beoordelen of er sprake is van een machtspositie, zowel vanuit het oogpunt van het betreffende product of de betreffende dienst als geografisch (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat aan de verwijzende rechter om een dergelijk onderzoek te voeren op basis van de gegevens, feitelijk en rechtens, waarover hij beschikt.

33 Ten tweede moet er sprake zijn van misbruik van de machtspositie. Dit is het geval wanneer de onderneming met een machtspositie het voor even efficiënte concurrenten moeilijker maakt om de relevante markt te betreden of zich er te handhaven, met behulp van andere middelen dan die welke berusten op een mededinging op basis van verdienste. Met name mag zij haar machtspositie niet aanwenden om zich uit te breiden naar een andere markt, tenzij door middel van mededinging op basis van verdienste. Elke praktijk waarbij een onderneming met een machtspositie geen ander economisch belang heeft dan de uitschakeling van haar concurrenten om vervolgens haar prijzen te kunnen verhogen door te profiteren van haar monopoliepositie, moet worden beschouwd als een ander middel dan de middelen die berusten op mededinging op basis van verdienste (arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C‑377/20, EU:C:2022:379, punten 76 en 77 ).

34 Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat een lidstaat in strijd met de verboden van artikel 106, lid 1, VWEU juncto artikel 102 VWEU handelt wanneer de lidstaat middels een wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel een situatie schept waarin een openbaar bedrijf of een onderneming waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend, door de enkele uitoefening van de toegekende rechten misbruik van zijn of haar machtspositie maakt, of indien deze rechten een situatie kunnen creëren waarin dat bedrijf of die onderneming tot een dergelijk misbruik wordt gebracht (zie in die zin de arresten van 10 december 1991, Merci convenzionali porto di Genova, C‑179/90, EU:C:1991:464, punt 17 , en  26 oktober 2017, Balgarska energiyna borsa, C‑347/16, EU:C:2017:816, punt 54 ). In dit verband is niet vereist dat misbruik daadwerkelijk plaatsvindt (arresten van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 49 , en  17 juli 2014, Commissie/DEI, C‑553/12 P, EU:C:2014:2083, punt 41 ).

35 Ten derde en ten slotte moet het misbruik van machtspositie de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Aan deze voorwaarde kan slechts worden voldaan indien op grond van een geheel van objectieve feitelijke en juridische omstandigheden met een voldoende mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat het gedrag van de onderneming met een machtspositie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, op de handelsstromen tussen de lidstaten een zodanige invloed kan uitoefenen dat de verwezenlijking van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten daardoor wordt geschaad. Louter hypothetische effecten van het optreden van die onderneming voldoen niet aan dit criterium. Daarenboven mag de invloed op de handel tussen de lidstaten niet onbeduidend zijn (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts merkt de Roemeense regering terecht op dat, om met zekerheid vast te stellen of er sprake is van een dergelijke invloed op de handel tussen lidstaten, ook eerst de betrokken relevante markt moet worden afgebakend (zie in die zin arrest van 10 december 1991, Merci convenzionali porto di Genova, C‑179/90, EU:C:1991:464, punten 15 en 20 ).

36 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 106, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de houder van een exclusief exploitatierecht voor mineraalwaterbronnen de mogelijkheid biedt om, zonder mededinging, de exploitatievergunning voor opeenvolgende perioden van vijf jaar te laten verlengen wanneer die regeling de houder van de vergunning toelaat om, door de enkele uitoefening van de hem toegekende rechten, misbruik te maken van zijn machtspositie op een wezenlijk deel van de interne markt, of wanneer deze rechten een situatie kunnen creëren waarin die houder tot een dergelijk misbruik wordt gebracht, hetgeen de verwijzende rechter dient te beoordelen op basis van de gegevens, feitelijk en rechtens, waarover hij beschikt.

Tweede vraag

37 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 16 van het Handvest, de artikelen 49 en 119 VWEU en artikel 3 van richtlijn 2009/54 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

38 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof het verzoek om een prejudiciële beslissing, op straffe van niet-ontvankelijkheid, de uiteenzetting moet bevatten van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het Unierecht vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.

39 In de eerste plaats beroept de verwijzende rechter zich op artikel 49 VWEU zonder aan te geven in welk opzicht de uitlegging van dit artikel nuttig zou kunnen zijn voor de uitkomst van het hoofdgeding, zoals artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering vereist. Bovendien zijn de bepalingen van het VWEU inzake vrijheid van vestiging niet van toepassing op een situatie waarvan alle aspecten zich geheel binnen één enkele lidstaat voordoen (arrest van 20 maart 2014, Caixa d’Estalvis i Pensions de Barcelona, C‑139/12, EU:C:2014:174, punt 42 ). Aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op de exploitatie van twee in Roemenië gelegen mineraalwaterbronnen en de partijen twee Roemeense ondernemingen en de bevoegde Roemeense autoriteit zijn, lijkt het evenwel geen grensoverschrijdend element te bevatten dat rechtvaardigt dat het in verband kan worden gebracht met de door artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging. Hieruit volgt dat de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is voor zover zij betrekking heeft op de uitlegging van artikel 49 VWEU.

40 In de tweede plaats legt de verwijzende rechter evenmin uit waarom hij het Hof een vraag heeft gesteld over de uitlegging van artikel 119 VWEU en artikel 3 van richtlijn 2009/54, die overigens geen enkele regel bevat inzake de verlening van vergunningen voor de exploitatie van mineraalwaterbronnen in de lidstaten door de nationale autoriteiten. Voor zover zij naar deze artikelen verwijst, voldoet de tweede prejudiciële vraag dus evenmin aan de vereisten van artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering en dient zij dus eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.

41 In de derde plaats en ten slotte is ook de verwijzing naar artikel 16 van het Handvest, dat de vrijheid van ondernemerschap waarborgt, niet nader verduidelijkt. Derhalve is deze tweede vraag ook niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking heeft op de uitlegging van dit artikel.

42 Uit het bovenstaande vloeit voort dat de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is.

Kosten

43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 106, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de houder van een exclusief exploitatierecht voor mineraalwaterbronnen de mogelijkheid biedt om, zonder mededinging, de exploitatievergunning voor opeenvolgende perioden van vijf jaar te laten verlengen wanneer die regeling de houder van de vergunning toelaat om, door de enkele uitoefening van de hem toegekende rechten, misbruik te maken van zijn machtspositie op een wezenlijk deel van de interne markt, of wanneer deze rechten een situatie kunnen creëren waarin die houder tot een dergelijk misbruik wordt gebracht, hetgeen de verwijzende rechter dient te beoordelen op basis van de gegevens, feitelijk en rechtens, waarover hij beschikt.

ondertekeningen