Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 december 2025
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 december 2025
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 11 december 2025
Uitspraak
Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
11 december 2025 (*)
„ Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Bankenunie – Verordening (EU) nr. 806/2014 – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen – Artikel 7 – Taakverdeling binnen het GAM – Artikel 18 – Afwikkelingsprocedure – Voorwaarden – Besluit van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) om geen afwikkelingsregeling vast te stellen – Bevoegdheid van de GAR ”
In zaak C‑602/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 september 2022,
ABLV Bank AS, in liquidatie, gevestigd te Riga (Letland), vertegenwoordigd door O. Behrends, Rechtsanwalt,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Ehlers, L. Forestier, J. Rius Riu en K.‑Ph. Wojcik als gemachtigden, bijgestaan door D. Arts, advocaat, en N. De Backer en F. Miotto, avocates, vervolgens door H. Ehlers, L. Forestier en J. Rius Riu als gemachtigden, bijgestaan door D. Arts, advocaat, en N. De Backer en F. Miotto, avocates,
verweerder in eerste aanleg,
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door A. Lefterov, G. Marafioti en R. Ugena Torrejón als gemachtigden,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, I. Ziemele, O. Spineanu Matei, M. Condinanzi en F. Schalin, kamerpresidenten, N. Piçarra, A. Kumin, D. Gratsias, Z. Csehi, B. Smulders en N. Fenger (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 januari 2025,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening vordert ABLV Bank AS, in liquidatie, vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 6 juli 2022, ABLV Bank/GAR (T‑280/18, EU:T:2022:429; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van de besluiten SRB/EES/2018/09 en SRB/EES/2018/10 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 23 februari 2018 om geen afwikkelingsregeling vast te stellen voor respectievelijk de kredietinstelling ABLV Bank AS en de kredietinstelling ABLV Bank Luxembourg SA (hierna: „litigieuze besluiten”).
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2014/59
2 Artikel 82, lid 2, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190)] luidt:
„Een besluit betreffende het al dan niet nemen van afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), wordt uiteengezet in een bericht dat de volgende informatie bevat:
a) de redenen voor dat besluit, met inbegrip van de vaststelling dat de instelling wel of niet voldoet aan de voorwaarden voor afwikkeling;
b) de maatregel die de afwikkelingsautoriteit voornemens is te treffen, met inbegrip van, in voorkomend geval, het besluit om liquidatie aan te vragen, de benoeming van een bewindvoerder en enige andere maatregel in het kader van normale insolventieprocedures of, met inachtneming van artikel 37, lid 9, krachtens de nationale wetgeving.”
Verordening nr. 806/2014
3 In de overwegingen 2, 10 tot en met 12, 24, 26, 31, 33, 58 en 122 van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1) wordt het volgende verklaard:
„(2) Door verschillen tussen de nationale afwikkelingsvoorschriften in verschillende lidstaten en in de dienovereenkomstige administratieve praktijken en door het ontbreken van een gezamenlijk besluitvormingsproces voor de afwikkeling in de bankenunie worden dat gebrek aan vertrouwen [in andere nationale bankstelsels en in het vermogen van de lidstaten om banken te ondersteunen] en de marktinstabiliteit in de hand gewerkt omdat over de mogelijke afloop van het falen van een bank geen zekerheid bestaat en deze afloop evenmin voorspelbaar is.
[...]
(10) Teneinde deze problemen aan te pakken, is het noodzakelijk gebleken het afwikkelingskader voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (‚instellingen’) beter te integreren teneinde de [Europese] Unie te versterken, de financiële stabiliteit te herstellen en de basis te leggen voor economisch herstel. [Richtlijn 2014/59] is een significante stap naar harmonisatie van de regels betreffende de afwikkeling van banken in de gehele Unie en voorziet in samenwerking tussen de afwikkelingsautoriteiten bij de aanpak van het falen van grensoverschrijdende banken. [Richtlijn 2014/59] stelt evenwel op minimumharmonisatie gebaseerde regels vast maar leidt niet tot centralisatie van de besluitvorming op gebied van de afwikkeling. Die richtlijn biedt de nationale autoriteiten van elke lidstaat hoofdzakelijk dezelfde afwikkelingsinstrumenten en ‑bevoegdheden, maar laat hen vrij in de toepassing van de instrumenten en in het gebruik van nationale financieringsregelingen ter ondersteuning van de afwikkelingsprocedures. [...]
(11) Voor de deelnemende lidstaten wordt in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) een gecentraliseerde afwikkelingsbevoegdheid ingesteld en toegekend aan de bij deze verordening ingestelde [GAR] en aan de nationale afwikkelingsautoriteiten. Die instelling vormt een integraal onderdeel van het harmonisatieproces op het gebied van afwikkeling dat wordt bestreken door [richtlijn 2014/59] en door het pakket van eenvormige afwikkelingsbepalingen zoals vastgesteld in deze verordening. De eenvormige toepassing van de afwikkelingsregeling in de deelnemende lidstaten wordt versterkt doordat zij wordt toevertrouwd aan een centrale autoriteit zoals het GAM. [...]
[...]
(12) Voor de voltooiing van de interne markt voor financiële diensten is het van essentieel belang om voor doeltreffende afwikkelingsbesluiten voor falende banken in de Unie en voor het gebruik van op Unieniveau aangetrokken financiering te zorgen. Binnen de interne markt, kan het falen van een bank in één lidstaat de stabiliteit van de financiële markten in de gehele Unie aantasten. Doeltreffende en eenvormige afwikkelingsvoorschriften, alsmede gelijke voorwaarden voor de financiering van de afwikkeling in alle lidstaten is als middel om te zorgen voor de gelijke mededingingsvoorwaarden in stand te houden en de werking van de interne markt te verbeteren, niet alleen van belang voor de lidstaten waarin de banken actief zijn, maar meer in het algemeen voor alle lidstaten. De bankstelsels op de interne markt zijn sterk met elkaar verweven, bankgroepen zijn internationaal en banken hebben een hoog percentage aan buitenlandse activa in bezit. Zonder een GAM zou een bankencrisis in lidstaten die aan het [gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM)] deelnemen, ook in de niet-deelnemende lidstaten sterkere negatieve systeemeffecten sorteren. De instelling van het GAM zal ervoor zorgen dat een neutrale aanpak wordt gehanteerd bij het behandelen van falende banken en zal derhalve de stabiliteit van de banken in de deelnemende lidstaten vergroten en het overslaan van een crisis naar niet-deelnemende lidstaten voorkomen, zodat het de werking van de interne markt in zijn geheel ten goede zal komen. [...]
[...]
(24) Aangezien alleen de instellingen van de Unie het afwikkelingsbeleid van de Unie mogen bepalen en aangezien er bij de vaststelling van elke specifieke afwikkelingsregeling een zekere beoordelingsmarge blijft bestaan, moeten de Raad [van de Europese Unie] en de [Europese] Commissie naar behoren worden betrokken als de instellingen die ter zake uitvoeringsbevoegdheden mogen uitoefenen overeenkomstig artikel 291 VWEU. De beoordeling van de discretionaire elementen van de door de [GAR] genomen besluiten dient te worden uitgevoerd door de Commissie. Gezien de aanzienlijke impact van afwikkelingsbesluiten op de financiële stabiliteit van de lidstaten en van de Unie als zodanig, alsook op de budgettaire soevereiniteit van de lidstaten, is het van groot belang dat de uitvoeringsbevoegdheid om bepaalde besluiten met betrekking tot de afwikkeling te nemen, aan de Raad wordt toegekend. Het moet derhalve aan de Raad worden overgelaten om op voorstel van de Commissie effectief toezicht uit te oefenen op de evaluatie van de [GAR] omtrent het al dan niet bestaan van een openbaar belang en om een oordeel uit te spreken over wezenlijke verandering in het bedrag van het [gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF)] dat aan een specifieke afwikkelingsmaatregel dient te worden besteed. Voorts moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de nadere criteria en voorwaarden die de [GAR] bij de uitoefening van zijn diverse bevoegdheden in acht moet nemen. De aldus toegekende afwikkelingstaken mogen op generlei wijze de werking van de interne markt voor financiële diensten belemmeren. De [Europese Bankautoriteit (EBA)] moet derhalve haar rol blijven vervullen en haar al bestaande bevoegdheden en taken behouden: de EBA moet meewerken aan en bijdragen tot de consistente toepassing van de op alle lidstaten toepasselijke wetgeving van de Unie en de convergentie van afwikkelingspraktijken in de gehele Unie helpen vergroten.
[...]
(26) De [Europese Centrale Bank (ECB)], als toezichthouder binnen het GTM, en de [GAR] dienen de mogelijkheid te hebben om te beoordelen of een kredietinstelling faalt of waarschijnlijk falende is en of er redelijkerwijs niet te verwachten valt dat alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van toezichthouders het falen ervan binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen. De [GAR] moet de afwikkelingsregeling vaststellen, indien hij van oordeel is dat aan alle criteria voor de activering van afwikkelingen is voldaan. De procedure inzake de vaststelling van de afwikkelingsregeling, waarbij de Commissie en de Raad zijn betrokken, zet de noodzakelijke operationele onafhankelijkheid van de [GAR] meer kracht bij, onder inachtneming van het beginsel van de delegatie van bevoegdheden aan agentschappen, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie [...]. In deze verordening is derhalve bepaald dat de door de [GAR] vastgestelde afwikkelingsregeling enkel in werking treedt als noch de Raad, noch de Commissie daartegen binnen 24 uur na de vaststelling door de [GAR] bezwaar maakt dan wel indien zij wordt goedgekeurd door de Commissie. De redenen waarom het de Raad, op voorstel van de Commissie, is toegestaan bezwaar te maken tegen de door de [GAR] vastgestelde afwikkelingsregeling, dienen strikt beperkt te blijven tot het bestaan van een openbaar belang en tot wezenlijke aanpassingen die de Commissie heeft aangebracht aan het uit het [GAF] afkomstige, in te zetten bedrag zoals voorgesteld door de [GAR].
[...]
[...]
(31) Om een snel en doeltreffend besluitvormingsproces bij de afwikkeling te waarborgen, moet de [GAR] een specifiek Unieagentschap met een op zijn specifieke taken toegesneden specifieke structuur zijn dat op het model van alle overige agentschappen van de Unie is geënt. De samenstelling ervan moet waarborgen dat alle betrokken belangen in de afwikkelingsprocedures naar behoren tegen elkaar worden afgewogen. [...]
[...]
(33) De [GAR] moet op zijn bestuursvergaderingen alle besluiten betreffende de afwikkelingsprocedure voorbereiden en deze, voor zover mogelijk, ook aannemen. [...]
[...]
(58) Liquidatie van een falende entiteit volgens de normale insolventieprocedure kan de financiële stabiliteit in gevaar brengen, de verlening van essentiële diensten verstoren en de bescherming van deposanten aantasten. In een dergelijk geval is het in het algemeen belang om afwikkelingsinstrumenten toe te passen. De afwikkeling moet dus tot doel hebben de continuïteit van essentiële financiële diensten te waarborgen, de stabiliteit van het financiële stelsel te handhaven, het moreel risico te verkleinen door het beroep van falende entiteiten op openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken, en de deposanten te beschermen.
[...]
(122) Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doelstelling dat een doelmatig en doeltreffend Europees kader voor de afwikkeling van entiteiten wordt opgezet, en de doelstelling dat een consistente toepassing van de afwikkelingsvoorschriften wordt bewerkstelligd, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken[.]”
4 Artikel 7 („Taakverdeling binnen het GAM”) van de verordening nr. 806/2014 bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. De [GAR] is verantwoordelijk voor het doeltreffend en samenhangend functioneren van het GAM.
2. Behoudens de in artikel 31, lid 1, bedoelde bepalingen is de [GAR] verantwoordelijk voor het opstellen van de afwikkelingsplannen en het vaststellen van alle afwikkelingsbesluiten voor:
a) de in artikel 2 bedoelde entiteiten die geen deel uitmaken van een groep en groepen:
i) die overeenkomstig artikel 6, lid 4, van verordening (EU) nr. 1024/2013 [van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63)] van belang worden geacht; of
ii) ten aanzien waarvan de ECB heeft besloten om overeenkomstig artikel 6, lid 5, punt b), van [verordening nr. 1024/2013] rechtstreeks alle toepasselijke bevoegdheden uit te oefenen; en
b) andere grensoverschrijdende groepen.”
5 Artikel 14, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014 luidt:
„1. Wanneer zij handelen volgens de in artikel 18 bedoelde afwikkelingsprocedure nemen de [GAR], de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de nationale afwikkelingsautoriteiten bij de uitoefening van hun respectieve verantwoordelijkheden de afwikkelingsdoelstellingen in acht en kiezen zij de afwikkelingsinstrumenten en afwikkelingsbevoegdheden waarmee naar hun mening de afwikkelingsdoelstellingen die gezien de omstandigheden van de zaak relevant zijn, het best kunnen worden verwezenlijkt.
2. De in lid 1 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen zijn:
a) de continuïteit van kritieke functies garanderen;
b) significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit vermijden, met name door besmetting, onder meer van de marktinfrastructuur, te voorkomen en door de marktdiscipline te handhaven;
c) overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken;
d) beschermen van deposanten die onder richtlijn 2014/49/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149)] vallen en van beleggers die onder richtlijn 97/9/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB 1997, L 84, blz. 22)] vallen;
e) de gelden en activa van cliënten beschermen.
[...]”
6 Artikel 15, lid 1, van die verordening luidt als volgt:
„Wanneer zij handelen volgens de in artikel 18 bedoelde afwikkelingsprocedure nemen de [GAR], de Raad, de Commissie en, waar van toepassing, de nationale afwikkelingsautoriteiten alle passende maatregelen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen [...].”
7 In artikel 18 („Afwikkelingsprocedure”) van die verordening staat te lezen:
„1. De [GAR] stelt overeenkomstig lid 6 een afwikkelingsregeling vast met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en met betrekking tot de in artikel 7, lid 4, punt b), en lid 5, bedoelde entiteiten en groepen, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van deze leden is voldaan maar enkel indien hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de vierde alinea of op eigen initiatief, vaststelt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen;
b) het valt, rekening houdend met het tijdsbestek en andere ter zake doende omstandigheden, redelijkerwijze niet te verwachten dat met betrekking tot de entiteit te nemen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, waaronder ook maatregelen van een IPS, of zodanige maatregelen van een toezichthouder, met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 21, binnen een redelijk tijdsbestek het falen van de entiteit zouden voorkomen;
c) een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang als bedoeld in lid 5.
Of aan de in de eerste alinea, punt a), bedoelde voorwaarde is voldaan, wordt beoordeeld door de ECB na raadpleging van de [GAR]. De [GAR] kan, op zijn bestuursvergadering, een beoordeling in die zin vaststellen maar enkel nadat hij de ECB van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld en de ECB niet zelf binnen drie kalenderdagen na ontvangst van die informatie een beoordeling in die zin vaststelt. De ECB verstrekt de [GAR] onverwijld alle relevante informatie die door de [GAR] wordt opgevraagd teneinde zijn beoordeling te kunnen maken.
Indien de ECB oordeelt dat met betrekking tot een in de eerste alinea bedoelde instelling of groep aan de in de eerste alinea, punt a), genoemde voorwaarde is voldaan, deelt zij deze beoordeling onverwijld mede aan de Commissie en de [GAR].
Of aan de in de eerste alinea, punt b), genoemde voorwaarde is voldaan, wordt beoordeeld door de [GAR] op zijn bestuursvergadering of, waar van toepassing, door de nationale afwikkelingsautoriteiten in nauwe samenwerking met de ECB. De ECB kan tevens de [GAR] of de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten meedelen dat naar haar oordeel aan de punt b) genoemde voorwaarde is voldaan.
[...]
4. Voor de toepassing van lid 1, punt a), wordt een entiteit beschouwd als een falende of waarschijnlijk falende entiteit onder één of meer van de volgende omstandigheden:
[...]
c) de entiteit is niet in staat of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de entiteit in de nabije toekomst niet in staat zal zijn haar schulden of andere passiva te betalen wanneer deze opeisbaar worden;
[...]
5. Voor de toepassing van lid 1, punt c), van het onderhavig artikel wordt een afwikkelingsmaatregel behandeld als zijnde in het algemeen belang indien deze noodzakelijk is om één of meer van de in artikel 14 vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en daarmee evenredig is, en indien deze doelstellingen met een liquidatie van de entiteit volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt.
6. Indien aan de in lid 1 opgenomen voorwaarden is voldaan, stelt de [GAR] een afwikkelingsregeling vast. De afwikkelingsregeling:
a) plaatst de entiteit in afwikkeling;
b) bepaalt de toepassing van de in artikel 22, lid 2, bedoelde afwikkelingsinstrumenten op de instelling in afwikkeling, met name eventuele uitsluitingen van de toepassing van de bail‑in overeenkomstig artikel 27, leden 5 en 14;
c) bepaalt het gebruik van het [GAF] ter ondersteuning van de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met artikel 76 en met een overeenkomstig artikel 19 genomen besluit van de Commissie.
7. De [GAR] doet de afwikkelingsregeling onmiddellijk na de vaststelling ervan aan de Commissie toekomen.
Binnen 24 uur vanaf de toezending van de afwikkelingsregeling door de [GAR] bevestigt de Commissie de afwikkelingsregeling of maakt zij daartegen bezwaar met betrekking tot de discretionaire aspecten van de afwikkelingsregeling in de gevallen waarin niet is voorzien in de derde alinea van dit lid.
Binnen 12 uur na toezending van de afwikkelingsregeling door de [GAR] kan de Commissie de Raad voorstellen:
a) bezwaar te maken tegen de afwikkelingsregeling omdat de door de [GAR] vastgestelde afwikkelingsregeling niet voldoet aan het in lid 1, punt c), genoemde criterium van algemeen belang;
b) zijn goedkeuring te hechten aan of bezwaar te maken tegen een materiële wijziging van het in de afwikkelingsregeling van de [GAR] bepaalde bedrag uit het [GAF].
Voor de toepassing van de derde alinea besluit de Raad met eenvoudige meerderheid van stemmen.
De afwikkelingsregeling kan enkel in werking treden als de Raad noch de Commissie binnen 24 uur na toezending van de regeling door de [GAR] bezwaar heeft gemaakt.
De Raad of de Commissie, naargelang van het geval, motiveert de uitoefening van de bevoegdheid om bezwaar te maken.
Indien de Raad binnen 24 uur na toezending van de afwikkelingsregeling door de [GAR] het voorstel van de Commissie tot wijziging van de afwikkelingsregeling op de in de derde alinea, punt b), genoemde grond heeft goedgekeurd of indien de Commissie overeenkomstig de tweede alinea bezwaar heeft gemaakt, wijzigt de [GAR] de afwikkelingsregeling binnen acht uur in overeenstemming met de aangegeven redenen.
[...]
8. Indien de Raad bezwaar maakt tegen het in afwikkeling plaatsen van een instelling omdat niet is voldaan aan het in lid 1, punt c), genoemde criterium van algemeen belang, wordt de betrokken entiteit op ordelijke wijze geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.
9. De [GAR] draagt er zorg voor dat de afwikkelingsmaatregel wordt genomen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de afwikkelingsregeling door de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten. De afwikkelingsregeling wordt tot de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten gericht en bevat instructies voor deze autoriteiten, die alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de regeling in overeenstemming met artikel 29 uit te voeren door uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden. Indien er van staatssteun of steun uit het [GAF] sprake is, handelt de [GAR] overeenkomstig een besluit van de Commissie ten aanzien van deze steun.
10. De Commissie heeft de bevoegdheid om van de [GAR] alle informatie te verkrijgen die zij relevant acht voor de uitvoering van haar taken uit hoofde van deze verordening. De [GAR] heeft de bevoegdheid om overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze titel van alle personen alle informatie te verkrijgen die hij nodig heeft om een afwikkelingsmaatregel voor te bereiden en daarover een besluit te nemen, met inbegrip van bijwerkingen en aanvullingen van de in de afwikkelingsplannen verstrekte informatie.”
8 Artikel 22 („Algemene beginselen van afwikkelingsinstrumenten”) van die verordening bepaalt in lid 2:
„De in artikel 18, lid 6, punt b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten zijn:
a) het instrument van verkoop van de onderneming;
b) het instrument van de overbruggingsinstelling;
c) het instrument van afsplitsing van activa;
d) het instrument van bail‑in.”
9 Artikel 29, lid 1, van verordening nr. 806/2014 luidt:
„De nationale afwikkelingsautoriteiten ondernemen de nodige actie om uitvoering te geven aan de in deze verordening bedoelde besluiten, met name door zeggenschap uit te oefenen over de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en over de in artikel 7, lid 4, punt b), en lid 5, bedoelde entiteiten en groepen wanneer de voorwaarden voor toepassing van deze leden zijn vervuld, door de nodige maatregelen te nemen in overeenstemming met artikel 35 of artikel 72 van [richtlijn 2014/59], en door er zorg voor te dragen dat de waarborgen waarin [richtlijn 2014/59] voorziet, in acht worden genomen. De nationale afwikkelingsautoriteiten leggen alle door de [GAR] tot hen gerichte besluiten ten uitvoer.”
10 Artikel 43, lid 3, van die verordening bepaalt:
„De Commissie en de ECB wijzen ieder een vertegenwoordiger aan die gerechtigd is om als permanent waarnemer deel te nemen aan bestuursvergaderingen en plenaire vergaderingen.
De vertegenwoordigers van de Commissie en de ECB zijn gerechtigd om aan de besprekingen deel te nemen en krijgen toegang tot alle documenten.”
Voorgeschiedenis van de procedure
11 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 2 tot en met 20 van het bestreden arrest. Voor de onderhavige procedure kunnen zij als volgt worden samengevat.
12 ABLV Bank is een in Letland gevestigde kredietinstelling en is de moedermaatschappij van de ABLV-groep. ABLV Bank Luxembourg is een in Luxemburg gevestigde kredietinstelling die een van de dochterondernemingen van de ABLV-groep is en waarvan ABLV Bank de enige aandeelhouder is.
13 ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg werden elk als een „belangrijke entiteit” beschouwd en stonden als zodanig onder toezicht van de ECB in het kader van het bij verordening nr. 1024/2013 ingestelde GTM.
14 Op 13 februari 2018 heeft het United States Department of the Treasury (ministerie van Financiën van de Verenigde Staten van Amerika) via het Financial Crimes Enforcement Network (netwerk voor de bestrijding van financiële criminaliteit, Verenigde Staten; hierna: „FinCEN”) zijn voornemen kenbaar gemaakt om bijzondere maatregelen te nemen met het oog op de aanwijzing van ABLV Bank als een entiteit die een groot witwasrisico vormt (hierna: „ontwerpmaatregel van FinCEN”). Na die bekendmaking kon ABLV Bank niet langer betalingen in Amerikaanse dollar (USD) verrichten.
15 Op 18 februari 2018 heeft de ECB de Finanšu un kapitāla tirgus komisija (commissie financiële en kapitaalmarkten, Letland; hierna: „FKTK”) opgedragen om de betalingen van de financiële verplichtingen van ABLV Bank op te schorten. De ECB heeft de Commission de surveillance du secteur financier (commissie voor toezicht op de financiële sector, Luxemburg; hierna: „CSSF”) verzocht om soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van ABLV Bank Luxembourg. Op 19 februari 2018 is een moratorium ten aanzien van ABLV Bank in werking getreden en heeft ABLV Bank Luxembourg uitstel van betaling gekregen.
16 Op 22 februari 2018 heeft de ECB de GAR een ontwerpbeoordeling doen toekomen met betrekking tot de vraag of ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg faalden of waarschijnlijk zouden falen, teneinde de GAR daarover te raadplegen.
17 Op 23 februari 2018 heeft de ECB zich op het standpunt gesteld dat ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg faalden of waarschijnlijk zouden falen in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en heeft zij haar beoordelingen overgemaakt aan de GAR.
18 Diezelfde dag heeft de GAR besluit SRB/EES/2018/09 vastgesteld, waarbij werd besloten om ten aanzien van ABLV Bank geen afwikkelingsregeling vast te stellen (hierna: „besluit betreffende ABLV Bank”), alsook besluit SRB/EES/2018/10, waarbij werd besloten om ten aanzien van ABLV Bank Luxembourg geen afwikkelingsregeling vast te stellen (hierna: „besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg”). Met die besluiten heeft de GAR zich aangesloten bij de beoordeling van de ECB dat ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg faalden of waarschijnlijk zouden falen en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs niet te verwachten viel dat alternatieve maatregelen het falen van ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen. Gelet op de specifieke kenmerken van ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg was de vaststelling van een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van die kredietinstellingen volgens de GAR evenwel niet noodzakelijk in het algemeen belang in de zin van artikel 18, lid 1, onder c), en artikel 18, lid 5, van die verordening. Die besluiten zijn ter kennis gebracht van de respectieve adressaten ervan, te weten de FKTK en de CSSF.
19 In artikel 1 van het besluit betreffende ABLV Bank werd bepaald dat „[ABLV Bank] niet in afwikkeling [zou] worden geplaatst”. In artikel 2 van dat besluit stond te lezen dat het was „gericht tot de [FKTK] in haar hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 806/2014” en dat „[d]e [FKTK] overeenkomstig artikel 29, lid 1, van verordening nr. 806/2014 uitvoering [moest geven] aan [dat besluit] en [...] ervoor [moest zorgen] dat alle genomen maatregelen in overeenstemming [zouden] zijn met dat besluit, overeenkomstig de daarin opgenomen overwegingen”.
20 De artikelen 1 en 2 van het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg waren op soortgelijke wijze geformuleerd.
21 Op 24 februari 2018 heeft de GAR een perscommuniqué over de litigieuze besluiten gepubliceerd. In dat perscommuniqué werd aangegeven dat „[de GAR] naar aanleiding van het besluit van de [ECB] om [ABLV Bank] en haar dochteronderneming [ABLV Bank Luxembourg] als falende of waarschijnlijk falende banken aan te merken, [had] besloten dat het niet nodig [was] om een afwikkelingsregeling vast te stellen, aangezien er geen sprake was van een algemeen belang voor die banken. Bijgevolg [zouden] de banken volgens Lets respectievelijk Luxemburgs recht worden geliquideerd”.
22 Op 26 februari 2018 hebben de aandeelhouders van ABLV Bank een procedure ingeleid om die bank in staat te stellen haar eigen liquidatie af te handelen en hebben zij de FKTK verzocht om goedkeuring van haar plan voor vrijwillige liquidatie.
23 Op 9 maart 2018 heeft de tribunal d’arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg Luxemburg, Luxemburg) het verzoek van de CSSF tot ontbinding en liquidatie van ABLV Bank Luxembourg afgewezen, maar die bank wel toegelaten tot de procedure van surseance van betaling voor een periode van zes maanden, die meermaals is verlengd. Bij vonnis van 2 juli 2019 heeft die rechter de ontbinding van ABLV Bank Luxembourg uitgesproken en haar liquidatie gelast.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
24 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 mei 2018, heeft ABLV Bank beroep tot nietigverklaring van de litigieuze besluiten ingesteld.
25 Ter ondersteuning van haar beroep heeft zij dertien middelen aangevoerd. Het eerste middel had betrekking op de onbevoegdheid van de GAR om te beslissen over de liquidatie van een kredietinstelling. Met het tweede middel werd er in wezen aangevoerd dat de GAR niet bevoegd was om te beslissen geen afwikkelingsregeling vast te stellen. Het derde en het vierde middel waren ontleend aan schending van artikel 18, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 806/2014. Het vijfde middel betrof schending van het recht om te worden gehoord en van het recht op inzage in het dossier. Het zesde middel was ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht. Met het zevende en het dertiende middel werd er schending van het in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde recht van eenieder op een onpartijdige behandeling van zijn zaken aangevoerd. Het achtste tot en met het elfde middel waren ontleend aan schending van respectievelijk het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling, de artikelen 16 en 17 van het Handvest en het adagium nemo auditur propriam turpitudinem allegans (niemand kan zich beroepen op zijn eigen ongeoorloofd handelen). Het twaalfde middel had betrekking op misbruik van bevoegdheid.
26 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van ABLV Bank verworpen.
27 In het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van dit beroep heeft het Gerecht, nadat het in punt 36 van dat arrest had vastgesteld dat de litigieuze besluiten voor beroep vatbare handelingen waren, in de punten 40 tot en met 42 van dat arrest opgemerkt dat ABLV Bank haar beroep tegen het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg had ingesteld in haar hoedanigheid van moedermaatschappij en enige aandeelhouder en dat dit besluit geen rechtstreekse gevolgen had voor de situatie van de aandeelhouders, aangezien het recht van die aandeelhouders om dividenden te ontvangen en deel te nemen aan het bestuur van ABLV Bank Luxembourg niet was aangetast door dat besluit. In punt 45 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat ABLV Bank niet rechtstreeks werd geraakt door dat besluit.
28 Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest de vordering van ABLV Bank tot nietigverklaring van het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft daarentegen haar beroep ontvankelijk verklaard voor zover het strekte tot nietigverklaring van het besluit betreffende ABLV Bank.
29 Ten gronde heeft het Gerecht alle door ABLV Bank aangevoerde middelen onderzocht en afgewezen.
30 Het Gerecht heeft in de eerste plaats het eerste middel van ABLV Bank afgewezen door in punt 76 van het bestreden arrest vast te stellen dat de GAR bij het besluit betreffende ABLV Bank niet tot liquidatie van die entiteit had besloten.
31 In de tweede plaats heeft het Gerecht het tweede middel van ABLV Bank afgewezen door allereerst in de punten 81 en 82 van dat arrest vast te stellen dat uit het arrest van 6 mei 2021, ABLV Bank e.a./ECB (C‑551/19 P en C‑552/19 P, EU:C:2021:369), bleek dat de GAR verplicht was om een positief of negatief besluit te nemen na te hebben onderzocht of al dan niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 806/2014. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 83 van het bestreden arrest geoordeeld dat artikel 82, lid 2, van richtlijn 2014/59, dat als het equivalent van artikel 18 van die verordening kon worden beschouwd, uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorzag om te beslissen om geen afwikkelingsregeling vast te stellen. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 84 van dat arrest opgemerkt dat wanneer de GAR niet bevoegd zou zijn tot het aannemen van een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen, de stabiliteit van de betrokken kredietinstelling, en mogelijk ook die van de financiële markten, in gevaar zou kunnen komen doordat er twijfel zou blijven bestaan over de maatregelen die ten aanzien van die instelling moeten worden overwogen in het licht van de beoordeling van de ECB.
32 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 87 tot en met 153 van het bestreden arrest gezamenlijk het derde en het vierde middel van ABLV Bank onderzocht. Het heeft allereerst in de punten 91 en 92 van dat arrest met name geoordeeld dat aangezien de beoordeling door de GAR van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een kredietinstelling is gebaseerd op ingewikkelde economische beoordelingen, de toetsing door de rechterlijke instanties van de Unie in dit verband beperkt is. Vervolgens heeft het Gerecht het betoog van ABLV Bank dat de ontwerpmaatregel van FinCEN onrechtmatig was, afgewezen door in punt 101 van dat arrest te oordelen dat de oorzaken van het falen geen element vormden waarmee rekening moest worden gehouden bij de uitvoering van het in artikel 18, lid 4, van verordening nr. 806/2014 bedoelde onderzoek. Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 103 tot en met 146 van dat arrest het betoog van ABLV Bank afgewezen dat was gericht tegen de door de ECB verrichte en door de GAR overgenomen beoordeling van het falen of waarschijnlijk zullen falen van ABLV Bank.
33 In de vierde plaats heeft het Gerecht in de punten 154 tot en met 206 van het bestreden arrest het vijfde tot en met het dertiende middel van ABLV Bank onderzocht en afgewezen.
Conclusies van partijen
34 Met haar hogere voorziening verzoekt ABLV Bank het Hof:
– de onderhavige procedure te schorsen tot de eindbeslissing in zaak C‑551/22 P, Commissie/GAR, en de partijen in deze procedure in de gelegenheid te stellen zich over die beslissing uit te spreken;
– een maatregel tot organisatie van de procesgang en een maatregel van instructie te gelasten teneinde de Commissie te verzoeken om een standpunt in te nemen over de onderhavige zaak;
– het bestreden arrest te vernietigen;
– de litigieuze besluiten nietig te verklaren;
– de GAR te verwijzen in de kosten van beide procedures, en
– voor het geval het Hof niet in staat zou zijn uitspraak te doen op het beroep in eerste aanleg, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht.
35 De GAR verzoekt het Hof:
– het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang en om maatregelen van instructie van ABLV Bank af te wijzen.
– de hogere voorziening niet-ontvankelijk of in elk geval ongegrond te verklaren;
– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;
– nog meer subsidiair, voor het geval het Hof uitspraak doet op het beroep in eerste aanleg, dit beroep te verwerpen, en
– ABLV Bank te verwijzen in de kosten.
36 De ECB verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening ongegrond te verklaren, en
– ABLV Bank te verwijzen in de kosten.
Procedure bij het Hof
37 Bij beslissing van de president van het Hof van 22 maart 2023 is de onderhavige procedure geschorst in afwachting van de eindbeslissing in zaak C‑551/22 P, Commissie/GAR. Na de uitspraak van het arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520), is de procedure hervat.
38 Bij beslissing van de president van het Hof van 21 juni 2024 zijn partijen in de onderhavige procedure verzocht om zich uit te spreken over de gevolgen die uit dat arrest moeten worden getrokken voor deze procedure.
Hogere voorziening
39 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert ABLV Bank vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan fouten van het Gerecht bij het onderzoek van de in eerste aanleg aangevoerde eerste twee middelen, betreffende de bevoegdheid van de GAR, en aan procedurefouten bij de vaststelling van het besluit betreffende ABLV Bank. Het tweede middel is ontleend aan fouten van het Gerecht bij het onderzoek van het in eerste aanleg aangevoerde derde en vierde middel, betreffende de beoordeling door de GAR van het falen of waarschijnlijk zullen falen van ABLV Bank. Het derde middel is ontleend aan fouten van het Gerecht bij het onderzoek van het betoog van ABLV Bank met betrekking tot de ontwerpmaatregel van FinCEN en de besluiten van de Letse autoriteiten. Het vierde middel is ontleend aan fouten van het Gerecht bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg.
Verzoek aan het Hof om de Commissie te verzoeken een standpunt over de onderhavige zaak in te nemen
40 In repliek heeft ABLV Bank het Hof verzocht om de Commissie te verzoeken een standpunt over de onderhavige zaak in te nemen. Zij voert aan dat die instelling, gelet op het betoog van de Commissie in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520), haar standpunt deelt dat de onderhavige hogere voorziening gegrond is. Bovendien kan die instelling uitleg geven over de voorbereidende werkzaamheden van verordening nr. 806/2014.
41 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat een dergelijk verzoek ziet op een instelling van de Unie die geen partij is bij de onderhavige procedure, noch bij de procedure in eerste aanleg. Bovendien acht het Hof zich door de argumenten van partijen en de stukken van het dossier voldoende voorgelicht, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
Argumenten van partijen
42 De GAR voert aan dat de onderhavige hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat zij niet voldoet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. In deze hogere voorziening wordt niet met de vereiste nauwkeurigheid aangegeven welke onderdelen van het bestreden arrest worden betwist, noch welke juridische argumenten specifiek ter ondersteuning van de aangevoerde middelen worden aangevoerd. Vanwege het vage en onsamenhangende karakter van de hogere voorziening is het moeilijk om de onjuiste rechtsopvattingen vast te stellen waarvan het Gerecht bij het bestreden arrest blijk zou hebben gegeven.
43 De ECB is van mening dat de hogere voorziening geen specifieke grieven bevat die zijn ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen, waardoor het Hof uiteindelijk zijn toezicht niet kan uitoefenen en de GAR en de ECB zich niet kunnen verweren. Bijgevolg plaatst zij vraagtekens bij de ontvankelijkheid van de hogere voorziening.
44 ABLV Bank betoogt dat de hogere voorziening ontvankelijk is.
Beoordeling door het Hof
45 Er moet in herinnering worden gebracht dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel (zie beschikking van 26 april 1993, Kupka-Floridi/ESC, C‑244/92 P, EU:C:1993:152, punten 8 en 9; arresten van 25 januari 2022, Commissie/European Food e.a., C‑638/19 P, EU:C:2022:50, punt 75, en 15 juli 2025, ECB en Commissie/Corneli, C‑777/22 P en C‑789/22 P, EU:C:2025:580, punt 58).
46 Een hogere voorziening waarvan het betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren, voldoet niet aan die vereisten, in het bijzonder omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die ter zake onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt wat de wezenlijke onderdelen zijn waarop de hogere voorziening berust. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat een hogere voorziening die een coherente structuur mist en slechts algemene beweringen bevat zonder dat precieze aanwijzingen worden verstrekt over de punten van het te vernietigen arrest waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt, kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 In casu voldoet een deel van het betoog van ABLV Bank weliswaar niet aan die vereisten, maar dit neemt niet weg dat de onderhavige hogere voorziening een reeks juridische argumenten bevat die betrekking hebben op duidelijk geïdentificeerde onderdelen van het bestreden arrest en het Hof in staat stellen zijn toezicht uit te oefenen.
48 De onderhavige hogere voorziening kan derhalve niet in haar geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
49 Met die vaststelling wordt evenwel niet vooruitgelopen op het onderzoek van de ontvankelijkheid van bepaalde argumenten afzonderlijk beschouwd (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ten gronde
Eerste middel
– Argumenten van partijen
50 Volgens ABLV Bank heeft het Gerecht bij het onderzoek van de eerste twee middelen die zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, een aantal fouten gemaakt en een aantal elementen verkeerd opgevat. Voorts heeft het Gerecht ten onrechte nagelaten om ambtshalve bepaalde procedurefouten aan de orde te stellen die het besluit betreffende ABLV Bank aantasten.
51 In de eerste plaats betoogt ABLV Bank dat de uitlegging die het Gerecht bij het bestreden arrest aan artikel 18 van verordening nr. 806/2014 heeft gegeven, op verschillende punten onjuist is.
52 Om te beginnen vindt die uitlegging geen steun in de bewoordingen van artikel 18 van die verordening, noch in die verordening in haar geheel.
53 Bovendien gaat die uitlegging voorbij aan de grenzen van de in dat artikel 18 van die verordening omschreven bevoegdheden van de GAR, zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof in de arresten van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), en 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520). Uit met name punt 83 van laatstgenoemd arrest blijkt dat artikel 18 van die verordening de GAR niet de bevoegdheid verleent om een handeling vast te stellen die autonome rechtsgevolgen sorteert.
54 In overweging 26 van die verordening wordt uitdrukkelijk erkend dat de bevoegdheden van de GAR overeenkomstig die rechtspraak moeten worden beperkt. De door het Gerecht gehanteerde uitlegging van artikel 18 van die verordening zou de GAR evenwel een zeer ruime en niet in dat artikel genoemde bevoegdheid verlenen om over het lot van een bank te beslissen, zonder dat de GAR daartoe de goedkeuring van de Commissie of de Raad hoeft te verkrijgen.
55 Voorts baseert het Gerecht zijn uitlegging van artikel 18 van die verordening op twee onjuiste argumenten.
56 Wat ten eerste de door het Gerecht aan artikel 82, lid 2, van richtlijn 2014/59 ontleende grond betreft, voert ABLV Bank aan dat die bepaling in casu niet van toepassing is en dat het ontbreken van een overeenkomstige bepaling in verordening nr. 806/2014 niet als een onbedoelde leemte kan worden aangemerkt. Bovendien blijkt uit die bepaling dat de maatregelen die worden vastgesteld na een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen, uitsluitend onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen.
57 Ten tweede is de in punt 84 van het bestreden arrest opgenomen grond, betreffende de gestelde noodzaak om elke twijfel weg te nemen over de op nationaal niveau te nemen maatregelen naar aanleiding van de beoordeling van de ECB dat een kredietinstelling faalt of waarschijnlijk zal falen, van politieke aard.
58 Ten slotte strookt de door de GAR na sluiting van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gevolgde werkwijze niet met de uitlegging van artikel 18 die hij in de onderhavige zaak heeft aangevoerd en die het Gerecht bij het bestreden arrest, met name in de punten 83 en 84 van dat arrest, heeft gevolgd.
59 In de tweede plaats heeft het Gerecht niet de juiste rechtsgevolgen uit de litigieuze besluiten getrokken, terwijl het een noodzakelijke stap was in het onderzoek naar de rechtmatigheid ervan.
60 Het Gerecht heeft met name niet verduidelijkt hoe de rechtspositie van ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg door die besluiten is gewijzigd en enkel onderzocht of die besluiten al dan niet een „liquidatiebevel” inhouden.
61 In de derde plaats houdt de vaststelling van het Gerecht dat de litigieuze besluiten niet voorschrijven dat ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg moeten worden geliquideerd, een foute lezing van die besluiten in en berust zij op onjuistheden.
62 Om te beginnen laat de in die besluiten gekozen formulering dat van de nationale afwikkelingsautoriteiten wordt verlangd dat zij uitvoering geven aan die besluiten overeenkomstig de daarin opgenomen overwegingen, er geen enkele twijfel over bestaan dat ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg moesten worden geliquideerd.
63 Voorts heeft het Gerecht het begrip „voor beroep vatbare handeling” in de zin van artikel 263 VWEU ten onrechte gelijkgesteld aan een specifiek materieel document. Dit begrip ziet op de inhoud van de litigieuze besluiten, terwijl een materieel document, net zoals mededelingen in het kader van een persconferentie, slechts een bewijselement in dat verband vormt. Zoals het Gerecht in punt 17 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, is door de GAR meegedeeld dat de litigieuze besluiten de liquidatie van ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg inhielden.
64 Ten slotte heeft het Gerecht het begrip adressaat van een handeling in de zin van artikel 263, vierde alinea, en artikel 297, lid 2, VWEU onjuist uitgelegd. Het had moeten oordelen dat de adressaat van een handeling niet de met de uitvoering ervan belaste autoriteit is, maar de persoon wiens rechtspositie is gewijzigd. In casu zijn ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg de adressaten van de litigieuze besluiten en de personen die zich kunnen beroepen op de door artikel 41 van het Handvest verleende rechten.
65 In de vierde plaats berust het besluit betreffende ABLV Bank op procedurefouten, die het Gerecht ambtshalve aan de orde had moeten stellen en thans het Hof ambtshalve aan de orde zou moeten stellen. Met name is in de procedure die tot de vaststelling van dat besluit heeft geleid het recht van ABLV Bank om te worden gehoord en om inzage te krijgen in het dossier niet geëerbiedigd. Voorts is dat besluit niet naar behoren aan die bank meegedeeld en is er geen motivering overgelegd.
66 Volgens de GAR moet het eerste middel deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond worden verklaard.
67 De ECB stelt dat het eerste middel ongegrond moet worden verklaard.
– Beoordeling door het Hof
68 Vooraf moet worden vastgesteld dat het betoog van ABLV Bank dat het Gerecht fouten heeft gemaakt door niet de juiste rechtsgevolgen uit de litigieuze besluiten te trekken en door niet te wijzen op de procedurefouten die het besluit betreffende ABLV Bank aantasten, niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoetsing uit te oefenen. Dat betoog moet bijgevolg overeenkomstig de in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
69 Wat de andere argumenten betreft die ABLV Bank ter ondersteuning van haar eerste middel heeft aangevoerd, moet in de eerste plaats met betrekking tot de gestelde onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 18 van verordening nr. 806/2014 worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest het door ABLV Bank in eerste aanleg aangevoerde tweede middel, volgens hetwelk de GAR niet bevoegd was om een formeel besluit te nemen om geen afwikkelingsregeling in de zin van die bepaling vast te stellen, heeft afgewezen.
70 Wat ten eerste de uitlegging van dat artikel betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 25 februari 2025, BSH Hausgeräte, C‑339/22, EU:C:2025:108, punt 27).
71 Om te beginnen is in artikel 18, leden 1 en 6, van die verordening bepaald dat de GAR met betrekking tot met name als belangrijk voor de financiële stabiliteit in de Unie beschouwde financiële instellingen en groepen en andere grensoverschrijdende groepen slechts een afwikkelingsregeling vaststelt indien hij tot het besluit komt dat aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, onder a) tot en met c), van die verordening is voldaan. Die voorwaarden hebben ten eerste betrekking op het falen of waarschijnlijk zullen falen van de betrokken entiteit of groep, ten tweede, op het ontbreken van alternatieve maatregelen voor afwikkeling en, ten derde, op de noodzaak van afwikkeling in het algemeen belang.
72 Wat de eerste van die voorwaarden betreft, die is opgenomen in artikel 18, lid 1, onder a), van verordening nr. 806/2014, blijkt uit artikel 18, lid 1, tweede alinea, van die verordening dat de ECB pas na raadpleging van de GAR beoordeelt of aan die voorwaarde is voldaan, waarbij de GAR een beoordeling in die zin enkel kan vaststellen nadat hij de ECB van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld en de ECB niet zelf binnen drie kalenderdagen na ontvangst van die informatie een beoordeling in die zin vaststelt. In artikel 18, lid 1, derde alinea, wordt bepaald dat wanneer de ECB oordeelt dat aan die voorwaarde is voldaan, zij haar beoordeling onverwijld meedeelt aan de Commissie en de GAR.
73 De beoordeling van de ECB dat de betrokken entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen in de zin van artikel 18, lid 1, onder a), van verordening nr. 806/2014 heeft tot gevolg dat de procedure van artikel 18 van die verordening wordt ingeleid en dat de GAR dus de voorwaarden van artikel 18, lid 1, van die verordening moet onderzoeken (zie in die zin arrest van 6 mei 2021, ABLV Bank e.a./ECB, C‑551/19 P en C‑552/19 P, EU:C:2021:369, punt 67).
74 Artikel 18 van die verordening voorziet derhalve in de bevoegdheid van de GAR om de in lid 1, onder a) tot en met c), ervan genoemde voorwaarden te onderzoeken in alle gevallen waarin de afwikkelingsprocedure wordt ingeleid op basis van de door de ECB meegedeelde beoordeling van het falen of waarschijnlijk zullen falen van de betrokken entiteit of groep, dan wel op basis van de beoordeling door de GAR zelf, indien de GAR zijn voornemen te kennen heeft gegeven om tot die beoordeling over te gaan, ook al bevat dat artikel geen uitdrukkelijke aanwijzingen over het gevolg dat aan die afwikkelingsprocedure moet worden gegeven wanneer de GAR van oordeel is dat niet aan die voorwaarden is voldaan.
75 Voorts stelt artikel 18, lid 7, van verordening nr. 806/2014 de inwerkingtreding van de afwikkelingsregeling weliswaar afhankelijk van de bevestiging ervan door de Commissie, bij gebreke van bezwaren van de Commissie of van de Raad (zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 80), maar is er van een dergelijke deelname van de Commissie en de Raad geen sprake wanneer er geen afwikkelingsregeling wordt vastgesteld. Wanneer de GAR van oordeel is dat niet aan de voorwaarden voor de vaststelling van een afwikkelingsregeling is voldaan, vormt die conclusie van de GAR derhalve de laatste stap van de in artikel 18 van die verordening bedoelde afwikkelingsprocedure.
76 Wat vervolgens de context van artikel 18 van die verordening betreft, moet er ten eerste op worden gewezen dat op grond van artikel 7, lid 2, van die verordening niet kan worden uitgesloten dat de GAR bevoegd is tot het aannemen van een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen. Zoals de advocaat-generaal in punt 23 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bestaan er immers verschillen tussen de taalversies van die bepaling. Gesteld al dat uit een aantal van die taalversies zou kunnen voortvloeien dat de GAR uitsluitend bevoegd is om met betrekking tot met name de als belangrijk voor de financiële stabiliteit in de Unie beschouwde financiële instellingen en groepen en andere grensoverschrijdende groepen afwikkelingsbesluiten vast te stellen, neemt dit dus niet weg dat hij volgens andere taalversies van die bepaling bevoegd is om alle besluiten „betreffende de afwikkeling” van dergelijke financiële instellingen of groepen vast te stellen.
77 Volgens vaste rechtspraak kan een zuiver letterlijke uitlegging van een of meerdere taalversies van een Unierechtelijke tekst niet prevaleren boven alle andere taalversies, omdat de uniforme toepassing van de bepalingen van Unierecht vereist dat deze worden uitgelegd in het licht van, onder meer, de in alle talen opgestelde versies (arrest van 10 maart 2022, Landkreis Gifhorn, C‑519/20, EU:C:2022:178, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Ten tweede wordt in overweging 33 van verordening nr. 806/2014 gepreciseerd dat de GAR alle „besluiten betreffende de afwikkelingsprocedure” moet voorbereiden en deze, voor zover mogelijk, ook aannemen.
79 Die precisering wijst erop dat de Uniewetgever de soorten besluiten die de GAR in het kader van het GAM dient vast te stellen, ruim heeft opgevat.
80 Wat ten slotte de door die verordening nagestreefde doelstellingen betreft, waarmee – zoals in punt 70 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van de bepalingen ervan, blijkt uit de overwegingen 2, 10 tot en met 12, 31, 58 en 122 van die verordening dat zij ertoe strekt om via de invoering van een eenvormig en gecentraliseerd besluitvormingsproces voor afwikkeling sneller en doeltreffender tot een besluit te kunnen komen bij afwikkelingen in de bankenunie, met name om de afloop van het falen van een bank beter te kunnen voorspellen, de financiële stabiliteit te handhaven, de continuïteit van de essentiële financiële diensten te waarborgen en deposanten te beschermen (zie in die zin arresten van 4 oktober 2024, Aeris Invest/Commissie en GAR, C‑535/22 P, EU:C:2024:819, punt 164, en 4 oktober 2024, García Fernández e.a./Commissie en GAR, C‑541/22 P, EU:C:2024:820, punt 190).
81 Zoals in punt 73 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft een beoordeling door de ECB dat de betrokken entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen in de zin van artikel 18, lid 1, onder a), van die verordening, tot gevolg dat de procedure van artikel 18 van die verordening wordt ingeleid en dat de GAR derhalve onderzoekt of aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, van die verordening is voldaan.
82 Indien artikel 18 van die verordening bijgevolg aldus wordt uitgelegd dat de GAR niet bevoegd is tot het aannemen van een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen wanneer hij constateert dat niet aan die voorwaarden is voldaan, kan er geen voldoende transparantie worden geboden over de afloop van de door de GAR na vaststelling van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een entiteit gevoerde afwikkelingsprocedure en kan er dus evenmin in zekere voorspelbaarheid van de gevolgen van een dergelijk falen, met name wat de maatregelen betreft die na een dergelijke constatering zullen worden genomen, worden gewaarborgd.
83 Dienaangaande zij erop gewezen dat, zoals in punt 75 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de conclusie van de GAR dat niet aan die voorwaarden is voldaan, de laatste stap in de afwikkelingsprocedure van artikel 18 van verordening nr. 806/2014 vormt. Omwille van de transparantie is het evenwel van belang dat de nationale bevoegde autoriteiten in kennis worden gesteld van de afloop van de door de GAR gevoerde afwikkelingsprocedure.
84 Gelet op een en ander heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 18 van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat de GAR bevoegd is tot het aannemen van een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen wanneer hij constateert dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, van die verordening.
85 Anders dan ABLV Bank stelt, wordt aan die slotsom niet afgedaan door de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit de arresten van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), en 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520).
86 In dat verband zij in herinnering gebracht dat de bij deze verordening ingevoerde regeling is gebaseerd op de vaststelling, die in wezen in de overwegingen 24 en 26 ervan is vermeld, dat de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden waarin die verordening voorziet, deel uitmaakt van het afwikkelingsbeleid van de Unie dat alleen door de instellingen van de Unie kan worden bepaald, en dat er een beoordelingsmarge bestaat bij de vaststelling van elke specifieke afwikkelingsregeling, gelet op de aanzienlijke gevolgen van afwikkelingsbesluiten voor de financiële stabiliteit van de lidstaten en de Unie zelf en voor de budgettaire soevereiniteit van de lidstaten. Uit deze overwegingen blijkt dat de Uniewetgever het om die redenen noodzakelijk heeft geacht te voorzien in een passende deelname van de Raad en de Commissie, namelijk een deelname die de noodzakelijke operationele onafhankelijkheid van de GAR versterkt en tegelijkertijd de beginselen van delegatie van bevoegdheden aan agentschappen eerbiedigt, die uit het arrest van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), naar voren komen en in het arrest van 22 januari 2014, Verenigd Koninkrijk/Parlement en Raad (C‑270/12, EU:C:2014:18), in herinnering zijn gebracht (zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 69).
87 In die eerste twee arresten heeft het Hof in wezen geoordeeld dat de gevolgen van een delegatie van bevoegdheden sterk variëren naargelang deze delegatie betrekking heeft op nauwkeurig omschreven uitvoerende bevoegdheden, waarvan de uitoefening dus nauwgezet kan worden getoetst aan objectieve, door het delegerende gezag vastgestelde criteria, dan wel op een „discretionaire bevoegdheid [...], die een grote vrijheid van waardering veronderstelt en waarvan de uitoefening zelfs kan resulteren in het voeren van een waar economisch beleid” (arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Een delegatie van het eerste type kan geen merkbare verandering teweegbrengen in de wijze van uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheden, terwijl een delegatie van het tweede type een „werkelijke overdracht van verantwoordelijkheid” meebrengt, doordat de keuzen niet langer worden gemaakt door het delegerende gezag, maar door het gezag waaraan de bevoegdheden worden gedelegeerd (arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Voorts heeft het Hof verklaard dat de uit het arrest van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), voortgekomen rechtspraak berust op de premisse dat het evenwicht van de bevoegdheden, dat kenmerkend is voor de organisatorische opbouw van de Unie, een door de Verdragen toegekende fundamentele waarborg vormt en dat een delegatie van een ruime discretionaire bevoegdheid afbreuk doet aan deze waarborg, doordat zij deze bevoegdheid overdraagt aan andere gezagsorganen dan die welke krachtens de Verdragen zijn vastgesteld om de uitoefening ervan in het kader van hun respectieve bevoegdheden te verzekeren en te controleren (zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 72).
90 Uit deze rechtspraak volgt dat de geldigheid van een delegatie van bevoegdheden aan een agentschap, gelet op het door de Verdragen gewaarborgde evenwicht van de bevoegdheden, afhangt van de vraag of die delegatie betrekking heeft op een ruime discretionaire bevoegdheid dan wel op nauwkeurig omschreven uitvoeringsbevoegdheden (zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 73).
91 Met betrekking tot artikel 18 van verordening nr. 806/2014 heeft het Hof geoordeeld dat de bepalingen ervan een „overdracht van verantwoordelijkheid” in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), kunnen voorkomen.
92 Dat artikel geeft de GAR weliswaar de bevoegdheid om te beoordelen of in het onderhavige geval is voldaan aan de voorwaarden voor de vaststelling van een afwikkelingsregeling en om te bepalen welke instrumenten noodzakelijk zijn voor een dergelijke regeling, maar het maakt de Commissie of, in voorkomend geval, de Raad verantwoordelijk voor de definitieve beoordeling van de discretionaire aspecten van die regeling die onder het Uniebeleid inzake de afwikkeling van kredietinstellingen vallen, en die een specifieke afweging inhouden van verschillende doelstellingen en belangen, die verband houden met het waarborgen van de financiële stabiliteit van de Unie en de integriteit van de interne markt, het in aanmerking nemen van de begrotingssoevereiniteit van de lidstaten en de bescherming van de belangen van aandeelhouders en schuldeisers (zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 81).
93 Voorts verlenen die bepalingen de GAR weliswaar een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de vraag of en met welke middelen de betrokken entiteit in afwikkeling moet worden geplaatst, maar deze bevoegdheid is krachtens artikel 18, leden 1 en 4 tot en met 6, van die verordening onderworpen aan objectieve criteria en voorwaarden die het werkterrein van de GAR afbakenen en betrekking hebben op zowel de voorwaarden als de afwikkelingsinstrumenten. Bovendien voorziet deze verordening in de deelname van de Commissie en de Raad aan de procedure die leidt tot de vaststelling van een afwikkelingsregeling, die door de Commissie en, in voorkomend geval, door de Raad moet worden goedgekeurd om in werking te treden (arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 77).
94 Het Hof heeft aldus vastgesteld dat de artikelen 7 en 18 van deze verordening weliswaar bepalen dat de GAR verantwoordelijk is voor het opstellen en vaststellen van een afwikkelingsregeling, maar dat zij de GAR niet de bevoegdheid verlenen om een handeling vast te stellen die autonome rechtsgevolgen sorteert. Het Hof heeft erop gewezen dat de goedkeuring van de Commissie in het kader van de afwikkelingsprocedure van artikel 18 van die verordening een onmisbaar element vormt voor zowel de inwerkingtreding van een afwikkelingsregeling als de vaststelling van de inhoud ervan (zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punten 83 en 84).
95 Anders dan ABLV Bank stelt, kan daaruit niet worden afgeleid dat het Hof heeft geoordeeld dat de GAR in geen geval bevoegd is om een handeling met autonome rechtsgevolgen vast te stellen.
96 De overwegingen in punt 83 van het arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520), zijn namelijk bedoeld als rechtvaardiging voor de beoordeling in punt 82 van dat arrest dat het zowel in strijd zou zijn met de aan de GAR bij verordening nr. 806/2014 verleende bevoegdheden als met de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), om aan te nemen dat een afwikkelingsregeling bindende rechtsgevolgen kan sorteren los van het goedkeuringsbesluit van de Commissie. De vaststelling in punt 83 van dat arrest dat de artikelen 7 en 18 van die verordening de GAR niet de bevoegdheid verlenen om een handeling met autonome rechtsgevolgen vast te stellen, heeft dus enkel betrekking op de afwikkelingsregelingen.
97 Bovendien heeft het Hof, zoals ABLV Bank opmerkt, bij het arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520), weliswaar geoordeeld dat bij de vaststelling van een afwikkelingsregeling een passende deelname van de Commissie en de Raad vereist is om een „overdracht van verantwoordelijkheid” te voorkomen, maar het heeft zich daartoe in de punten 75 tot en met 81 van dat arrest gebaseerd op een combinatie van elementen die kenmerkend zijn voor de vaststelling van een afwikkelingsregeling door de GAR. Deze elementen zijn evenwel niet aanwezig wanneer de GAR besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen.
98 In de eerste plaats bepaalt artikel 18, lid 6, van verordening nr. 806/2014, zoals het Hof in punt 76 van dat arrest heeft opgemerkt, dat indien aan de in lid 1 ervan opgenomen voorwaarden is voldaan, de GAR een afwikkelingsregeling vaststelt die de betrokken entiteit in afwikkeling plaatst en bepaalt dat de in artikel 22, lid 2, van die verordening bedoelde afwikkelingsinstrumenten op die entiteit van toepassing zijn en dat het GAF wordt aangesproken. In artikel 22, lid 4, van die verordening wordt aangegeven dat deze instrumenten, met uitzondering van het instrument van afsplitsing van activa, overeenkomstig de in artikel 15 van die verordening vermelde afwikkelingsbeginselen ofwel afzonderlijk, ofwel in combinatie mogen worden toegepast om de in artikel 14 van die verordening vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.
99 Het Hof heeft daaruit in de punten 77 en 81 van dat arrest afgeleid dat de GAR met het oog op de vaststelling van een afwikkelingsregeling op discretionaire wijze twee afzonderlijke aspecten van de betrokken situatie moet beoordelen, waarbij het eerste betrekking heeft op de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor de vaststelling van een dergelijke regeling en het tweede op de vaststelling van de daarvoor noodzakelijke afwikkelingsinstrumenten en, in voorkomend geval, op het aanspreken van het GAF.
100 De vaststelling door de GAR van een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen, vereist enkel dat hij tot de slotsom komt dat niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden voor de vaststelling van een dergelijke regeling, zodat hij niet hoeft te bepalen welke instrumenten noodzakelijk zouden zijn geweest voor de afwikkeling van de betrokken instelling. Zoals in punt 92 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, vereist de vaststelling van die instrumenten evenwel een specifieke afweging van verschillende doelstellingen en belangen, die verband houden met het waarborgen van de financiële stabiliteit van de Unie en de integriteit van de interne markt, het in aanmerking nemen van de begrotingssoevereiniteit van de lidstaten en de bescherming van de belangen van aandeelhouders en schuldeisers.
101 De draagwijdte van de discretionaire beoordelingen die de GAR dient te verrichten voor een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen, is dus noodzakelijkerwijs beperkter dan die van de beoordelingen die hij dient te verrichten voor een besluit om wel een afwikkelingsregeling vast te stellen.
102 Zoals het Hof in punt 77 van het arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520), heeft verklaard, is de bevoegdheid van de GAR om te beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 806/2014 is voldaan, krachtens artikel 18, leden 1, 4 en 5, van die verordening immers onderworpen aan objectieve criteria en voorwaarden die het werkterrein van de GAR afbakenen (zie naar analogie arrest van 22 januari 2014, Verenigd Koninkrijk/Parlement en Raad, C‑270/12, EU:C:2014:18, punt 45).
103 In de tweede plaats kan een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen, in tegenstelling tot een afwikkelingsregeling, op zich niet tot gevolg hebben dat concrete maatregelen worden opgelegd of middelen worden vastgelegd, aangezien een dergelijk besluit er enkel toe leidt dat de door de GAR gevoerde afwikkelingsprocedure wordt beëindigd.
104 Gelet op een en ander moet het betoog van ABLV Bank dat de uitlegging van artikel 18, lid 1, van die verordening, zoals die door het Gerecht bij het bestreden arrest is gegeven, geen steun vindt in de bewoordingen van die bepaling, noch in die verordening, en voorbijgaat aan de grenzen van de in die bepaling omschreven bevoegdheden van de GAR, zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof in de arresten van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), en 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520), ongegrond worden verklaard.
105 Wat ten tweede het tegen de punten 83 en 84 van het bestreden arrest gerichte betoog van ABLV Bank betreft, moet worden vastgesteld dat dit berust op een onjuiste lezing van dat arrest, zodat het ongegrond moet worden verklaard.
106 De beoordeling in punt 84 van dat arrest betreffende in wezen het onzekerheidsrisico dat zou voortvloeien uit de onbevoegdheid van de GAR tot het aannemen van een besluit om geen afwikkelingsregeling toe te passen, houdt namelijk verband met een van de door artikel 18 van verordening nr. 806/2014 nagestreefde doelstellingen, namelijk de in punt 82 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte noodzaak om voldoende transparantie te bieden over de afloop van de door de GAR na vaststelling van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een entiteit gevoerde afwikkelingsprocedure en om aldus een zekere voorspelbaarheid van de uitkomst van een dergelijk falen, met name wat de maatregelen betreft die na een dergelijke constatering zullen worden genomen, te waarborgen. Bijgevolg kan het Gerecht niet op goede gronden worden verweten dat het zich op het bestaan van dat risico heeft gebaseerd.
107 Voorts heeft het Gerecht, anders dan ABLV Bank stelt, in punt 83 van dat arrest niet vastgesteld dat artikel 82, lid 2, van richtlijn 2014/59 van toepassing is op de GAR, maar heeft het naar die bepaling verwezen bij wijze van analogie, in het kader van een contextuele analyse van artikel 18 van die verordening.
108 Gesteld al dat ABLV Bank met haar tegen dat punt 83 gerichte betoog aanvoert dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een dergelijke analogie toe te passen, volstaat het bovendien om vast te stellen dat, gelet op de overwegingen in de punten 71 tot en met 103 van het onderhavige arrest, de onjuistheid van een dergelijke analogie hoe dan ook niet van dien aard is dat daarmee kan worden aangetoond dat de GAR niet bevoegd is tot het aannemen van een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen en dus niet kan afdoen aan de afwijzing door het Gerecht van het tweede middel dat ABLV Bank in eerste aanleg heeft aangevoerd. Een dergelijk betoog moet dus hoe dan ook niet ter zake dienend worden verklaard.
109 Hetzelfde geldt, ten derde, voor het betoog van ABLV Bank dat is ontleend aan de door de GAR na sluiting van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gevolgde werkwijze. Het feit dat die werkwijze niet zou stroken met de uitlegging van artikel 18 van verordening nr. 806/2014 die de GAR voor het Gerecht heeft aangevoerd en door het Gerecht is aanvaard, zelfs indien het klopt, kan immers hoe dan ook niet afdoen aan de uitlegging die het Gerecht bij het bestreden arrest aan die bepaling heeft gegeven.
110 Wat in de tweede plaats het betoog van ABLV Bank betreft dat is gericht tegen de vaststelling van het Gerecht dat de litigieuze besluiten niet vereisen dat ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg worden geliquideerd, zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 78 van dat arrest het door ABLV Bank in eerste aanleg aangevoerde eerste middel dat de GAR, door de liquidatie van ABLV Bank te gelasten, de hem bij die verordening verleende bevoegdheid had overschreden, heeft afgewezen.
111 Ten aanzien van, ten eerste, het betoog van ABLV Bank dat het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg fouten bevat, volstaat de vaststelling dat dergelijke fouten, gesteld al dat zij zijn aangetoond, niet kunnen afdoen aan de afwijzing door het Gerecht van het door ABLV Bank in eerste aanleg aangevoerde eerste middel, aangezien het onderzoek ten gronde van het door ABLV Bank ingestelde beroep tot nietigverklaring uitsluitend betrekking had op het besluit betreffende ABLV Bank. Het Gerecht heeft in punt 61 van dat arrest het beroep van ABLV Bank tegen het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg immers niet-ontvankelijk verklaard. Dat betoog moet derhalve hoe dan ook niet ter zake dienend worden verklaard.
112 Ten aanzien van, ten tweede, de stelling van ABLV Bank dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de bewoordingen van het besluit betreffende ABLV Bank door in punt 76 van het bestreden arrest vast te stellen dat de GAR met dat besluit niet tot liquidatie van die kredietinstelling had besloten, zij opgemerkt dat uit de bewoordingen van dat besluit niet blijkt dat die vaststelling van het Gerecht onjuist is.
113 Het betoog van ABLV Bank dat is ontleend aan een onjuiste lezing van het besluit betreffende ABLV Bank, moet dus ongegrond worden verklaard.
114 Bovendien zij erop gewezen dat, gesteld al dat ABLV Bank met dit betoog aanvoert dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 75 van het bestreden arrest te oordelen dat het besluit betreffende ABLV Bank niet verplicht tot liquidatie van die bank, een dergelijk betoog hoe dan ook ongegrond moet worden verklaard, aangezien het Gerecht in punt 75 terecht heeft geoordeeld dat de liquidatie van ABLV Bank niet het gevolg was van dat besluit, maar van een besluit dat de aandeelhouders van die bank naar aanleiding van dat besluit hadden genomen (zie in die zin arresten van 6 mei 2021, ABLV Bank e.a./ECB, C‑551/19 P en C‑552/19 P, EU:C:2021:369, punt 49, en 24 februari 2022, Bernis e.a./GAR, C‑364/20 P, EU:C:2022:115, punten 50, 51, 77 en 78).
115 Ten aanzien van, ten derde, de onjuiste rechtsopvatting waarvan blijk zou zijn gegeven door enkel rekening te houden met de tekst van de litigieuze besluiten en niet met openbare mededelingen door de auteur ervan, moet worden vastgesteld dat dit betoog berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, zodat het ongegrond moet worden verklaard.
116 Met de vaststelling in punt 77 van dat arrest dat het perscommuniqué van de GAR van 24 februari 2018 niet in de plaats komt van de litigieuze besluiten en geen verplichtingen in het leven kan roepen die niet uit die besluiten voortvloeien, heeft het Gerecht immers niet geoordeeld dat de tekst van die besluiten als enige factor, met uitsluiting van enige andere, in aanmerking kan worden genomen om de draagwijdte ervan te bepalen, maar in wezen geoordeeld dat een perscommuniqué daartoe slechts een aanvullende rol kan spelen en dus niet kan afdoen aan de beoordeling die voortvloeit uit de tekst zelf van die besluiten.
117 Ten aanzien van, ten vierde, de fout die het Gerecht zou hebben gemaakt door het begrip „adressaat” in de zin van artikel 263, vierde alinea, en artikel 297, lid 2, VWEU niet correct uit te leggen, moet worden vastgesteld dat een dergelijke fout hoe dan ook niet kan afdoen aan de vaststelling van het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest dat het besluit betreffende ABLV Bank niet verplicht tot liquidatie van ABLV Bank en dus niet kan afdoen aan de afwijzing van het door ABLV Bank in eerste aanleg aangevoerde eerste middel. Het betoog dat ABLV Bank aan een dergelijke fout ontleent, moet dus hoe dan ook niet ter zake dienend worden verklaard.
118 Wat voorts het betoog betreft dat ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg door die fout hun door artikel 41 van het Handvest gewaarborgde rechten zijn ontnomen, kan worden volstaan met de vaststelling dat dit betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen, zodat het overeenkomstig de in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
119 Bijgevolg moet het eerste middel deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond worden verklaard.
Tweede middel
– Argumenten van partijen
120 ABLV Bank betoogt in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en de feiten onjuist heeft opgevat bij het onderzoek van het in eerste aanleg aangevoerde derde en vierde middel, die betrekking hadden op de beoordeling door de GAR van het falen of waarschijnlijk zullen falen van ABLV Bank in de zin van artikel 18, lid 1, onder a), van verordening nr. 806/2014.
121 In de eerste plaats heeft het Gerecht in de punten 90 tot en met 96 van het bestreden arrest de door de rechterlijke instanties van de Unie te verrichten toetsing van de beoordeling van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een kredietinstelling te restrictief opgevat, zodat het artikel 47 van het Handvest heeft geschonden en is voorbijgegaan aan de rechtspraak van het Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Gerecht is er ten onrechte van uitgegaan dat die toetsing beperkter moet zijn dan de toetsing door de nationale insolventierechters. Bovendien moet de omvang van de rechterlijke toetsing door de rechterlijke instanties van de Unie evenredig zijn aan de gevolgen van het betrokken besluit.
122 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 103 tot en met 109 van dat arrest het overgelegde dossier onjuist gelezen door vast te stellen dat het besluit betreffende ABLV Bank een impliciete beoordeling door de GAR van het falen of waarschijnlijk zullen falen van die bank inhield, terwijl de GAR had verklaard, met name in punt 124 van zijn verweerschrift, dat de ECB die beoordeling alleen had verricht en dat de GAR slechts was geraadpleegd.
123 In de derde plaats heeft het Gerecht de feiten onjuist opgevat door geen rekening te houden met het vonnis van de tribunal d’arrondissement de Luxembourg van 9 maart 2018 en met andere gebeurtenissen van na de litigieuze besluiten die de aan die besluiten ten grondslag liggende beoordelingen van de GAR ter discussie zouden hebben gesteld.
124 In de vierde plaats heeft het Gerecht niet adequaat gereageerd op bepaalde in eerste aanleg aangevoerde argumenten betreffende de beoordeling van het falen of waarschijnlijk zullen falen van ABLV Bank. Zo heeft het Gerecht niet geantwoord op het argument dat het moratorium ten gunste van ABLV Bank had kunnen worden verlengd om de liquiditeitsproblemen waarmee die bank werd geconfronteerd te voorkomen, noch op de aangevoerde fouten met betrekking tot het depositogarantiestelsel of het ongerechtvaardigde en willekeurige karakter van het verzoek om haar liquide middelen bij Euroclear om te zetten in liquide middelen bij de Latvijas Banka (Letse centrale bank).
125 In de vijfde plaats berust het bestreden arrest op een onjuiste uitlegging van het begrip „liquiditeit van banken” in de zin van artikel 18 van verordening nr. 806/2014 en het rechtskader van de Unie inzake het prudentieel toezicht op en de afwikkeling van kredietinstellingen. Dat arrest veronderstelt dat de Unierechtelijke liquiditeitsregeling alleen relevant is in tijden van voorspoed en niet in geval van een liquiditeitscrisis. Bovendien heeft het Gerecht er in dat arrest geen rekening mee gehouden dat die liquiditeitsregeling verkeerd zou worden opgevat indien aan een kredietinstelling aanvullende liquiditeitsvereisten zouden worden opgelegd in geval van een crisis.
126 De GAR meent dat het tweede middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond en deels kennelijk niet ter zake dienend moet worden verklaard.
127 Volgens de ECB moet het tweede middel deels niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond worden verklaard.
– Beoordeling door het Hof
128 Wat in de eerste plaats de gestelde onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de omvang van de rechterlijke toetsing van de beoordeling door de GAR van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een entiteit betreft, zij opgemerkt dat artikel 18, lid 1, onder a), van verordening nr. 806/2014 de GAR een zekere beoordelingsmarge verleent met betrekking tot de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van die bepaling, waaronder de voorwaarde dat de betrokken entiteit of groep faalt of waarschijnlijk zal falen.
129 Zoals het Gerecht in de punten 91 en 92 van het bestreden arrest in wezen heeft geoordeeld, beschikt de GAR bij het onderzoek van die voorwaarde over een zekere beoordelingsmarge, die technische keuzen en ingewikkelde economische prognoses en beoordelingen vereist, zodat de Unierechter bij zijn rechterlijke toetsing van de gegrondheid van dat onderzoek zijn eigen beoordeling niet in de plaats mag stellen van die van de GAR, maar dient na te gaan of het besluit dat de GAR na afloop van dat onderzoek heeft genomen, niet op feitelijk onjuiste gegevens berust en niet is aangetast door een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid (zie naar analogie arresten van 4 mei 2023, ECB/Crédit lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 55; 4 oktober 2024, Aeris Invest/Commissie en GAR, C‑535/22 P, EU:C:2024:819, punt 266, en 4 oktober 2024, García Fernández e.a./Commissie en GAR, C‑541/22 P, EU:C:2024:820, punt 275).
130 Bovendien is, anders dan ABLV Bank betoogt, de door het Gerecht in de punten 91 en 92 van het bestreden arrest gehanteerde opvatting van de rechterlijke toetsing, die voortvloeit uit vaste rechtspraak van het Hof, niet onverenigbaar met artikel 47 van het Handvest, het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of het evenredigheidsbeginsel.
131 De instellingen, organen en instanties van de Unie hebben in economisch ingewikkelde kwesties immers weliswaar een beoordelingsmarge wat economische vraagstukken betreft, maar dat neemt niet weg dat de Unierechter de interpretatie door die instellingen, organen en instanties van economische gegevens mag toetsen. Zo moet de Unierechter met name niet alleen de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen, de betrouwbaarheid en de samenhang ervan controleren, maar dient hij ook na te gaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie naar analogie arresten van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 54, en 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 125).
132 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat, gelet op deze kenmerken, het door de Unierechter krachtens artikel 263 VWEU uitgeoefende wettigheidstoezicht voldoet aan de vereisten van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat overeenkomt met het in artikel 6, lid 1, van het EVRM neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming (zie in die zin arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 Het argument van ABLV Bank dat het Gerecht de rechterlijke toetsing door de Unierechter van de beoordeling door de GAR van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een entiteit te restrictief heeft opgevat, moet bijgevolg ongegrond worden verklaard.
134 Bovendien kan uit de omstandigheid dat die opvatting over de omvang van de rechterlijke toetsing verschilt van die van de bevoegde nationale insolventierechters, gesteld al dat dit juist is, niet worden afgeleid dat het Gerecht bij de vaststelling van de omvang van zijn toetsing blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het aan een dergelijke omstandigheid ontleende argument moet dus hoe dan ook niet ter zake dienend worden verklaard.
135 Wat in de tweede plaats de gestelde onjuiste lezing van het aan het Gerecht overgelegde dossier in de punten 103 tot en met 109 van het bestreden arrest betreft, kan er, gelet op de door ABLV Bank aangevoerde elementen van dat dossier, niet worden geoordeeld dat de vaststelling van het Gerecht in punt 107 van dat arrest dat de GAR zich in het besluit betreffende ABLV Bank heeft aangesloten bij de beoordeling door de ECB van het falen of waarschijnlijk zullen falen van ABLV Bank, kennelijk onjuist is. Bijgevolg moet het aan een dergelijke onjuiste opvatting ontleende betoog van ABLV Bank ongegrond worden verklaard.
136 In de derde plaats geldt hetzelfde voor het argument van ABLV Bank dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het vonnis van de tribunal d’arrondissement de Luxembourg van 9 maart 2018.
137 Zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft dit vonnis immers geen betrekking op de situatie van ABLV Bank, maar uitsluitend op die van ABLV Bank Luxembourg. Het door ABLV Bank ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg is door het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest niet-ontvankelijk verklaard, zodat niet kan worden geoordeeld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij zijn onderzoek ten gronde van het beroep tegen het besluit inzake ABLV Bank geen rekening te houden met dat vonnis.
138 Het argument dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met andere gebeurtenissen van na de litigieuze besluiten bevat geen verwijzing naar de onderdelen van het bestreden arrest waartegen aldus bezwaar wordt gemaakt, en is niet voldoende duidelijk en nauwkeurig geformuleerd om het Hof in staat te stellen de rechtmatigheid van dat arrest te toetsen, zodat het, zoals de GAR en de ECB stellen, overeenkomstig de in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
139 In de vierde plaats moet, zoals de GAR aanvoert, om dezelfde redenen het betoog van ABLV Bank dat het Gerecht niet adequaat heeft gereageerd op haar argumenten in verband met het aan haar verleende moratorium, het depositogarantiestelsel en het verzoek om haar liquide middelen bij Euroclear om te zetten in liquide middelen bij de Letse centrale bank, niet-ontvankelijk worden verklaard.
140 Wat in de vijfde plaats de onjuiste rechtsopvatting betreft waarvan blijk zou zijn gegeven bij de uitlegging van het liquiditeitsbegrip in het kader van de afwikkelingsprocedure van artikel 18 van verordening nr. 806/2014, moet erop worden gewezen dat het Gerecht in punt 115 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat in de omstandigheden van het onderhavige geval, die werden gekenmerkt door de massale opname van deposito’s ten gevolge van een vertrouwensbreuk tussen ABLV Bank en haar cliënteel, de dekkingsratio van deze kredietinstelling en haar kapitalisatie minder belangrijk waren dan de onmiddellijke beschikbaarheid van liquide middelen binnen die instelling.
141 Het argument van ABLV Bank dat het Gerecht bij dat arrest heeft geoordeeld dat de in het Unierecht neergelegde liquiditeitsregeling irrelevant is bij de beoordeling of een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, berust op een onjuiste lezing van dat punt 115. Anders dan ABLV Bank stelt, heeft het Gerecht, door vast te stellen dat haar dekkingsratio in de omstandigheden van het onderhavige geval minder belangrijk was dan de onmiddellijke beschikbaarheid van liquide middelen binnen die kredietinstelling, immers geenszins geoordeeld dat de dekkingsratio in het algemeen volstrekt irrelevant was, maar alleen dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, aan andere factoren een groter gewicht moest worden toegekend.
142 Voor zover ABLV Bank met dit argument wil aanvoeren dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat aan kredietinstellingen liquiditeitsvereisten konden worden opgelegd bovenop de liquiditeitsvereisten waarin de Unierechtelijke liquiditeitsregeling voorziet, toont zij bovendien niet aan dat een dergelijke oplossing in strijd is met het Unierecht.
143 Bijgevolg moet het betoog van ABLV Bank betreffende de uitlegging van het liquiditeitsbegrip in het kader van de afwikkelingsprocedure van artikel 18 van verordening nr. 806/2014 ongegrond worden verklaard.
144 Het tweede middel moet derhalve deels ongegrond, deels niet ter zake dienend en deels niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat de middelen van niet-ontvankelijkheid hoeven te worden onderzocht die zijn aangevoerd door de GAR met betrekking tot dit middel in zijn geheel en door de ECB met betrekking tot een deel van het door ABLV Bank in het kader van dat middel gevoerde betoog.
Derde middel
– Argumenten van partijen
145 ABLV Bank voert aan dat het Gerecht een aantal fouten heeft gemaakt en blijk heeft gegeven van onjuiste opvattingen bij het onderzoek van haar betoog met betrekking tot de ontwerpmaatregel van FinCEN en de besluiten van de Letse autoriteiten.
146 In de eerste plaats heeft het Gerecht het door ABLV Bank in eerste aanleg gevoerde betoog met betrekking tot de ontwerpmaatregel van FinCEN onjuist opgevat door in punt 100 van het bestreden arrest te suggereren dat zij de ECB alleen maar had verweten de draagwijdte van die maatregel niet te hebben verduidelijkt aan haar partners. ABLV Bank heeft de ECB en de GAR namelijk verweten dat zij naar die maatregel hadden verwezen als een bindende beslissing en daaraan een aanzienlijk gewicht hadden toegekend bij de beoordeling van haar situatie.
147 Bovendien heeft het Gerecht ABLV Bank een te zware bewijslast opgelegd en haar betoog onjuist opgevat door het af te wijzen op grond dat geen rekening hoefde te worden gehouden met de oorzaken van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een entiteit. ABLV Bank heeft met haar betoog aangevoerd dat de beoordelingen van de ECB en de GAR met betrekking tot haar falen of waarschijnlijke falen niet waren gebaseerd op een technische beoordeling van die situatie, maar op vage en algemene overwegingen en op de vaststelling dat het bedrijfsmodel van ABLV Bank vanwege de ontwerpmaatregel van FinCEN niet langer levensvatbaar was.
148 In de tweede plaats heeft het Gerecht onvoldoende rekening gehouden met een aantal omstandigheden en bewijzen die ABLV Bank tot staving van haar betoog had aangevoerd.
149 ABLV Bank heeft zich met name gebaseerd op het Letse recht en de bevoegdheid van de FKTK op het gebied van witwasbestrijding. ABLV Bank heeft ook gewezen op verschillen tussen de ontwerpmaatregel van FinCEN en de FKTK-besluiten waarbij werd vastgesteld dat ABLV Bank de ter zake geldende regelgeving naleefde. Bovendien heeft ABLV Bank voor het Gerecht aangevoerd dat de ontwerpmaatregel van FinCEN een poging van een derde land was om druk uit te oefenen op de Republiek Letland om haar ertoe te brengen haar wetgeving aan te passen.
150 Voorts heeft ABLV Bank bewijsmateriaal overgelegd met betrekking tot de bevindingen van het Korupcijas novēršanas un apkarošanas birojs (bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding, Letland), waaruit bleek dat er sprake was van collusie tussen ambtenaren van de ECB en FinCEN, waarvan de ECB en de GAR op de hoogte waren.
151 In de derde plaats heeft het Gerecht een fout gemaakt door haar middel inzake misbruik van bevoegdheid door de GAR af te wijzen op de in punt 205 van het bestreden arrest uiteengezette grond dat de door ABLV Bank in dat verband aangevoerde elementen niet konden worden toegerekend aan de GAR, aangezien de GAR zich in grote mate had gebaseerd op werkzaamheden die door de ECB en op nationaal niveau waren verricht.
152 De GAR en de ECB betogen dat het derde middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond moet worden verklaard.
– Beoordeling door het Hof
153 In de eerste plaats berust het betoog van ABLV Bank dat het Gerecht het dossier verkeerd heeft gelezen, op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, zodat het ongegrond moet worden verklaard.
154 Het Gerecht heeft in punt 100 van dat arrest immers vastgesteld dat ABLV Bank herhaaldelijk had aangevoerd dat de ontwerpmaatregel van FinCEN onrechtmatig was. Voorts heeft het Gerecht er in punt 179 van dat arrest op gewezen dat ABLV Bank aanvoerde dat de ECB en de GAR het besluit betreffende ABLV Bank hadden gebaseerd op de ontwerpmaatregel van FinCEN. Hieruit volgt dat het Gerecht, anders dan ABLV Bank stelt, door in punt 100 van dat arrest vast te stellen dat de ECB volgens die bank de draagwijdte van de ontwerpmaatregel van FinCEN diende te verduidelijken aan die partners, de draagwijdte van haar betoog met betrekking tot die maatregel niet heeft beperkt tot uitsluitend dat argument, maar dat argument heeft beschouwd als een onderdeel van haar betoog, hetgeen ABLV Bank niet betwist.
155 Bovendien heeft het Gerecht, door in punt 101 van het bestreden arrest te oordelen dat met de oorzaken van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een entiteit geen rekening hoefde te worden gehouden bij het in artikel 18, lid 4, van verordening nr. 806/2014 bedoelde onderzoek en dat er dus niet hoefde te worden onderzocht of de ontwerpmaatregel van FinCEN gerechtvaardigd was, zich niet beperkt – in tegenstelling tot hetgeen ABLV Bank stelt – tot de uiteenzetting van de inhoud van het betoog dat zij in eerste aanleg had gevoerd, maar heeft het de afwijzing van dat betoog gemotiveerd.
156 Voorts moet erop worden gewezen dat, gesteld al dat ABLV Bank met haar betoog aanvoert dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 101 van dat arrest te oordelen dat de oorzaken van het falen of waarschijnlijk zullen falen van een entiteit geen element vormen waarmee rekening moet worden gehouden bij het in artikel 18, lid 4, van die verordening bedoelde onderzoek, een dergelijk betoog hoe dan ook ongegrond worden verklaard. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat een afwikkelingsregeling rechtsgeldig is vastgesteld wanneer de voorwaarden van artikel 18 van die verordening zijn vervuld, ongeacht de redenen waarom de betrokken entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, García Fernández e.a./Commissie en GAR, C‑541/22 P, EU:C:2024:820, punt 191).
157 Wat in de tweede plaats het betoog van ABLV Bank inzake de bewijslast betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat dit betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen, zodat het overeenkomstig de in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
158 Wat in de derde plaats het betoog van ABLV Bank betreft dat onvoldoende rekening is gehouden met een aantal omstandigheden en bewijzen, moet in herinnering worden gebracht dat uit artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen, en dat daarom het Gerecht als enige bevoegd is om de relevante feiten en het bewijs vast te stellen en te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van het bewijs levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst. Een dergelijke onjuiste opvatting moet duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 2 maart 2021, Commissie/Italië e.a., C‑425/19 P, EU:C:2021:154, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
159 Dit betoog kan dus alleen slagen indien wordt aangetoond dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat. ABLV Bank beroept zich evenwel niet op een dergelijke onjuiste opvatting, maar verzoekt in wezen enkel om een nieuwe beoordeling van de feiten, hetgeen in het kader van de hogere voorziening niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.
160 Dit betoog moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard, zoals de GAR en de ECB stellen.
161 In de vierde plaats moet het betoog van ABLV Bank dat het Gerecht in punt 205 van het bestreden arrest een fout heeft gemaakt, ongegrond worden verklaard.
162 Het Gerecht heeft in punt 204 van dat arrest immers terecht in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak bij een handeling slechts kan worden gesproken van misbruik van bevoegdheid indien zij, op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens, uitsluitend, of ten minste in overwegende mate, is vastgesteld voor andere doeleinden dan die waarvoor de betrokken bevoegdheid is verleend of om te ontkomen aan een procedure waarin het VWEU speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (arrest van 5 mei 2015, Spanje/Parlement en Raad, C‑146/13, EU:C:2015:298, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
163 De enkele omstandigheid dat de GAR zich bij de vaststelling van het besluit betreffende ABLV Bank gedeeltelijk heeft gebaseerd op door de ECB en de nationale autoriteiten vastgestelde handelingen, volstaat dus hoe dan ook niet om aan te tonen dat hij dat besluit heeft vastgesteld voor andere doeleinden dan die waarvoor de betrokken bevoegdheid is verleend of om te ontkomen aan een procedure waarin het VWEU speciaal heeft voorzien.
164 Het derde middel moet dus deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat de middelen van niet-ontvankelijkheid hoeven te worden onderzocht die de GAR en de ECB met betrekking tot dat middel in zijn geheel hebben aangevoerd.
Vierde middel
– Argumenten van partijen
165 ABLV Bank voert aan dat het Gerecht een aantal fouten heeft gemaakt bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van haar beroep, voor zover dit was gericht tegen het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg.
166 In de eerste plaats heeft het Gerecht een fout gemaakt door aan te nemen dat alleen de tekst van de litigieuze besluiten relevant is en dat die tekst niet moet worden uitgelegd in overeenstemming met de openbare bekendmakingen van de auteur ervan.
167 Aldus heeft het Gerecht het begrip „voor beroep vatbare handeling” in de zin van artikel 263 VWEU ten onrechte gelijkgesteld aan een specifiek materieel document, terwijl dit begrip ziet op de inhoud van de bestreden besluiten en een materieel document, net als mondelinge mededelingen, slechts een bewijselement in dat verband vormt. De uitlegging van het Gerecht heeft onaanvaardbare gevolgen en doet afbreuk aan de rechtsstaat.
168 In de tweede plaats heeft het Gerecht de tekst van de litigieuze besluiten onjuist opgevat door aan te nemen dat zij de liquidatie van de betrokken entiteiten niet oplegden. De in de tekst van die besluiten gekozen formulering dat van de nationale afwikkelingsautoriteiten wordt verlangd dat zij uitvoering geven aan die besluiten overeenkomstig de daarin opgenomen overwegingen, laat er namelijk geen enkele twijfel over bestaan dat ABLV Bank en ABLV Bank Luxembourg moesten worden geliquideerd. Bovendien is de vraag of tot een specifieke liquidatiemethode is besloten dan wel of het besluit in die zin rechtstreeks voortvloeide uit de opening van een liquidatieprocedure, irrelevant.
169 ABLV Bank voert in de derde plaats aan dat het Gerecht geen consequenties heeft verbonden aan zijn vaststelling dat een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen een voor beroep vatbare handeling is. Onder verwijzing naar afwikkelingsbesluiten die de GAR ten aanzien van andere entiteiten heeft vastgesteld, betoogt zij dat dergelijke besluiten de rechtspositie van de aandeelhouders van de entiteit waarop een dergelijke regeling betrekking heeft, wijzigen. Zij leidt daaruit af dat hetzelfde geldt voor een besluit om geen afwikkelingsregeling vast te stellen.
170 In de vierde plaats voert zij aan dat het Gerecht er ten onrechte van is uitgegaan dat een besluit tot intrekking van de vergunning van een kredietinstelling specifiekere gevolgen heeft, aangezien die instelling ervan werd weerhouden gereglementeerde deposito‑ en leningsactiviteiten te verrichten.
171 Volgens de GAR en de ECB moet het vierde middel ongegrond worden verklaard.
– Beoordeling door het Hof
172 Opgemerkt zij dat het Gerecht bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep van ABLV Bank tegen het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg, nadat het in punt 41 van het bestreden arrest had vastgesteld dat volgens dat besluit ten aanzien van ABLV Bank Luxembourg geen afwikkelingsregeling zou worden vastgesteld, in punt 42 van dat arrest heeft geoordeeld dat dit besluit niet rechtstreeks gevolgen had voor de rechtspositie van de aandeelhouders van ABLV Bank Luxembourg, zoals ABLV Bank.
173 Dienaangaande moet, gelet op de overwegingen in de punten 112 tot en met 116 van het onderhavige arrest, om dezelfde redenen het betoog van ABLV Bank dat het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg onjuist is opgevat en dat er fouten zijn gemaakt bij de vaststelling van de gevolgen ervan, ongegrond worden verklaard.
174 Hetzelfde geldt voor het argument van ABLV Bank dat is ontleend aan een analogie met ten aanzien van andere entiteiten vastgestelde afwikkelingsbesluiten van de GAR, aangezien dergelijke besluiten irrelevant zijn voor de vaststelling van de gevolgen van het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg.
175 Voor het overige is het betoog van ABLV Bank tegen het onderzoek door het Gerecht van de ontvankelijkheid van haar beroep, voor zover het was gericht tegen het besluit betreffende ABLV Bank Luxembourg, niet voldoende duidelijk en nauwkeurig om het Hof in staat te stellen de rechtmatigheid van het bestreden arrest te toetsen, zodat het overeenkomstig de in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
176 Bijgevolg moet het vierde middel deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk worden verklaard.
177 Gelet op een en ander moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
178 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
179 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd.
180 Aangezien ABLV Bank in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de GAR en de ECB worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de GAR en de ECB.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) ABLV Bank AS, in liquidatie, wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) en de Europese Centrale Bank (ECB).
ondertekeningen