„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 29 februari 2024
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 29 februari 2024
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 29 februari 2024
Uitspraak
Arrest van het Hof (Negende kamer)
29 februari 2024(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Richtlijn 93/13/EEG - Beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht - Doorlopende kredietovereenkomst - Betalingsbevelprocedure - Ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen in het kader van die procedure - Tenuitvoerlegging van de processuele beslissing tot sluiting van die procedure - Verval van de mogelijkheid om zich het stadium van de tenuitvoerlegging van een betalingsbevel op het oneerlijke karakter van een beding te beroepen - Toetsingsbevoegdheid van de nationale rechter”"
In zaak C‑724/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia n.o 2 de León (rechter in eerste aanleg nr. 2 León, Spanje) bij beslissing van 26 juli 2022, ingekomen bij het Hof op 24 november 2022, in de procedure
Investcapital Ltd
tegenG.H.R.,
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei (rapporteur), kamerpresident, J.‑C. Bonichot en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigde,
-
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Cherubini, avvocato dello Stato,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Baquero Cruz en N. Ruiz García als gemachtigden,
-
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) en het doeltreffendheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een executieprocedure tussen Investcapital Ltd en G.H.R., een consument, over de tenuitvoerlegging van een betalingsbevel met betrekking tot een uit een kredietovereenkomst voortvloeiende schuldvordering.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Volgens de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 moeten „de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen […] beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.
4 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn luidt:
5 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Spaans recht
6 Artikel 136 van Ley 1/2000 de Enjuiciamiento Civil (wet 1/2000 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 7 januari 2000 (BOE nr. 7 van 8 januari 2000, blz. 575; hierna: „LEC”) bepaalt:
„Zodra de termijn voor het verrichten van een bepaalde procedurele handeling is verstreken, vervalt het recht om de betreffende handeling te verrichten en gaat de mogelijkheid daartoe teloor. De [griffier] maakt van het verstrijken van de termijn aantekening in een officieel document en gelast de te nemen maatregelen of verwittigt de rechter, zodat deze een passende beslissing kan nemen.”
7 Artikel 551, lid 1, LEC luidt:
„Na de indiening van het verzoek tot executie en voor zover aan de processuele voorwaarden en eisen is voldaan, er geen formele gebreken zijn in de executoriale titel en de gevraagde executoriale maatregelen in overeenstemming zijn met de aard en de inhoud van de titel, geeft de rechter een beschikking die een algemeen bevel tot executie bevat, waarbij het verlof tot executie wordt verleend.”
8 Artikel 556 LEC, met als opschrift „Verzet tegen de tenuitvoerlegging van processuele of arbitrale beslissingen of van bemiddelingsovereenkomsten”, bepaalt:
„1.Indien de executoriale titel een processuele of arbitrale beslissing is die een veroordeling inhoudt, of een bemiddelingsakkoord is, kan de schuldenaar binnen tien dagen na de betekening van de beschikking waarbij deze uitvoerbaar is verklaard, schriftelijk verzet aantekenen door zich te beroepen op de betaling of de nakoming van de verplichting die voortvloeit uit de rechterlijke uitspraak, de arbitrale beslissing of de overeenkomst en daarvan documentair bewijs te leveren.
Ook kan hij aanvoeren dat de vordering tot tenuitvoerlegging verjaard is of dat overeenkomsten of schikkingen zijn getroffen om de tenuitvoerlegging te voorkomen, voor zover deze overeenkomsten en schikkingen zijn opgenomen in een openbare akte.
2.Het aangetekende verzet in de gevallen zoals omschreven in het voorgaande lid leidt niet tot opschorting van de tenuitvoerlegging.
[…]”
9 De LEC is gewijzigd bij Ley 42/2015 de reforma de la Ley 1/2000 (wet 42/2015 tot wijziging van wet 1/2000) van 5 oktober 2015 (BOE nr. 239 van 6 oktober 2015) (hierna: „gewijzigde LEC”). Artikel 815, lid 4, van deze wet luidt:
„Indien de schuldvordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een onderneming of verkoper en een consument of gebruiker, stelt de [griffier], alvorens het betalingsbevel uit te vaardigen, de rechter daarvan in kennis, opdat deze het mogelijk oneerlijke karakter kan beoordelen van de bedingen waarop het verzoek berust of op grond waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld.
De rechter onderzoekt ambtshalve of een of meerdere van de bedingen waarop het verzoek berust of op grond waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld, als oneerlijk kan of kunnen worden aangemerkt. Wanneer hij van oordeel is dat een bepaald beding als oneerlijk kan worden aangemerkt, geeft hij de partijen vijf dagen de gelegenheid om opmerkingen te maken. Nadat de rechter de partijen heeft gehoord, doet hij binnen vijf dagen uitspraak bij beschikking. Voor deze stap in de procedure is het optreden van een advocaat of procesvertegenwoordiger niet verplicht.
Indien de rechter oordeelt dat een beding van de overeenkomst oneerlijk is, worden de gevolgen van deze vaststelling bepaald in de te geven beschikking, waarbij ofwel wordt vastgesteld dat de vordering ongegrond is, ofwel wordt gelast dat de procedure wordt voortgezet maar de oneerlijke bedingen daarbij buiten toepassing worden gelaten.
Indien de rechter van oordeel is dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen, verklaart hij dat, waarna de griffier de schuldenaar sommeert zoals beschreven in lid 1.
Tegen de beschikking die wordt gegeven, staat in alle gevallen rechtstreeks beroep open.”
10 Artikel 816 LEC bepaalt:
„1.Indien de schuldenaar geen gevolg geeft aan het betalingsbevel of niet voor de rechter verschijnt, zal de griffier bij met redenen omklede beslissing de betalingsbevelprocedure beëindigen en de schuldeiser hiervan in kennis stellen, zodat deze kan verzoeken om verlof tot executie. Hiertoe volstaat het enkele indienen van een verzoek en hoeft de in artikel 548 van deze wet gestelde termijn van twintig dagen niet te zijn verstreken.
2.Zodra verlof tot executie is verleend, geschiedt de executie overeenkomstig de regels inzake de [tenuitvoerlegging] van rechterlijke beslissingen. Hoewel het verzet kan worden aangetekend waarin voor dergelijke gevallen is voorzien, kan noch de verzoeker van de betalingsbevelprocedure noch de schuldenaar waartegen het betalingsbevel is gericht naderhand tijdens een gewone procedure aanspraak maken op het in de betalingsbevelprocedure geëiste bedrag of op teruggave van het met de executie verkregen bedrag.
Zodra de beschikking houdende verlof tot executie is uitgevaardigd, wordt de in artikel 576 bedoelde rente verschuldigd.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Op 23 juli 2018 heeft Investcapital een verzoek om een betalingsbevel tegen G.H.R. ingediend voor de betaling van een bedrag van 5 774,84 EUR op basis van een schuldvordering die zij had overgenomen van Financieros Carrefour EFC SA. Deze schuldvordering was ontstaan uit een doorlopende consumentenkredietovereenkomst (hierna: „kredietovereenkomst”).
12 Investcapital heeft ter ondersteuning van haar verzoek deze kredietovereenkomst en een door haar opgestelde schuldverklaring overgelegd, zonder enig boekhoudkundig bewijs met betrekking tot deze verklaring of enige verklaring van Servicios Financieros Carrefour over voornoemde schuldvordering. In die schuldverklaring was het bedrag van de schuldvordering opgesplitst in „niet-terugbetaald kapitaal” ten belope van 5 517,27 EUR en provisies en invorderingskosten ten belope van 257,53 EUR. Het „niet-terugbetaald kapitaal” werd niet nader uitgesplitst.
13 Op 17 december 2018 heeft de rechter Investcapital en G.H.R. verzocht om opmerkingen te maken over het mogelijk oneerlijke karakter van de in de kredietovereenkomst opgenomen bedingen inzake rente, kosten en provisies. Op dat moment heeft Investcapital verklaard af te zien van het gevorderde bedrag aan provisies en invorderingskosten, aangezien het verzoek om een bevel uitsluitend betrekking had op het bedrag van het niet-terugbetaalde kapitaal, te weten 5 517,27 EUR. G.H.R. heeft geen opmerkingen ingediend. De rechter heeft niet vastgesteld dat er sprake was van oneerlijke contractuele bedingen.
14 Bijgevolg is de betalingsbevelprocedure bij beslissing van de griffier van 9 juli 2019 afgesloten.
15 Op 16 december 2021 heeft Investcapital een verzoek tot executie ingediend bij de verwijzende rechter, de Juzgado de Primera Instancia n.o 2 de León (rechter in eerste aanleg nr. 2 León, Spanje), op basis van de beslissing van 9 juli 2019. Die beslissing wordt beschouwd als een executoriale titel.
16 De verwijzende rechter merkt op dat uit de „ervaring van de rechterlijke instanties” blijkt dat het ontbreken van enige verklaring of boekhoudkundig document betreffende het als „niet-terugbetaald kapitaal” gevorderde bedrag en het gebrek aan een uitsplitsing van dat bedrag kunnen wijzen op een praktijk waarbij oneerlijke bedingen in een kredietovereenkomst worden verhuld, aangezien dat bedrag mogelijkerwijs niet overeenkomt met het als hoofdsom van de schuldvordering verschuldigde bedrag. Om die reden heeft deze rechter geoordeeld dat de in de loop van de betalingsbevelprocedure verrichte toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van die overeenkomst was verricht zonder over alle daartoe noodzakelijke gegevens te beschikken.
17 Op grond van deze beoordeling heeft de verwijzende rechter de partijen in het bij hem aanhangige geding vragen gesteld over de mogelijkheid om opnieuw te toetsen of de bedingen van de kredietovereenkomst oneerlijk zijn. Investcapital was van mening dat een tweede toetsing op dit punt in strijd zou zijn met het beginsel van verval van recht op procedurele handelingen, aangezien de termijn voor die toetsing was verstreken. G.H.R. heeft betoogd dat een nieuwe toetsing in het stadium van de tenuitvoerlegging nog steeds mogelijk is in het licht van richtlijn 93/13.
18 In dit verband preciseert de verwijzende rechter dat, anders dan in de situaties die aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 18 februari 2016, Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2016:98 ), en 17 mei 2022, Ibercaja Banco (C‑600/19, EU:C:2022:394 ), de gewijzigde LEC thans voorziet in de ambtshalve toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen in het kader van de betalingsbevelprocedure. De executoriale titel die uit een dergelijke procedure voortvloeit, kan daarentegen niet het voorwerp zijn van enige andere toetsing of verzet op grond van het oneerlijke karakter van die bedingen, aangezien deze titel wordt geacht te zijn uitgevaardigd nadat een dergelijke – in de gewijzigde LEC dwingend voorgeschreven – toetsing is verricht.
19 Deze rechter herinnert er ook aan dat de Spaanse wetgever, door te voorzien in een toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen in het kader van de betalingsbevelprocedure en niet te voorzien in een dergelijke toetsing tijdens de tenuitvoerlegging van de titel die uit een dergelijke procedure voortvloeit, heeft beoogd dat deze toetsing alleen in een bepaald stadium van de procedure zou plaatsvinden, op straffe van verval van recht zoals bepaald in artikel 136 LEC. Na dat stadium vervalt de termijn voor de toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen. Bovendien verbiedt het Spaanse recht in het belang van de rechtszekerheid de herziening van definitieve rechterlijke beslissingen en de beslissing waarmee de betalingsbevelprocedure wordt beëindigd vormt een dergelijke definitieve rechterlijke beslissing.
20 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 7 van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan hij wegens het verstrijken van de termijnen voor de toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen in het kader van de procedure tot tenuitvoerlegging van een betalingsbevel geen nieuwe toetsing in die zin kan verrichten indien hij van mening is dat er sprake is van oneerlijke bedingen die niet aan het licht zijn gekomen tijdens de betalingsbevelprocedure die heeft geleid tot de uitvaardiging van de titel waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht.
21 De verwijzende rechter vraagt zich tevens af of het in het licht van een dergelijke toetsing in overeenstemming is met de in dat artikel gestelde vereisten om in het kader van de procedure tot tenuitvoerlegging van een betalingsbevel aanvullende documenten op te vragen naast de documenten die in het kader van de betalingsbevelprocedure zijn opgevraagd.
22 In deze omstandigheden heeft de Juzgado de Primera Instancia n.o 2 de León de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Verzet artikel 7 van [richtlijn 93/13] zich ertegen dat bij de executie van een titel die is afgegeven in het kader van een betalingsbevelprocedure waarin een toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen is uitgevoerd, een nieuwe ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen wordt uitgevoerd?
Indien artikel 7 van [richtlijn 93/13] zich daar niet tegen verzet, staat dat artikel er dan aan in de weg dat van de executeur wordt verlangd dat hij alle [noodzakelijke] aanvullende informatie verstrekt waarmee de oorsprong van het bedrag van de schuld kan worden achterhaald, waaronder de hoofdsom en in voorkomend geval rente, contractuele boeten en andere bedragen, teneinde het oneerlijke karakter van die bedingen ambtshalve te kunnen toetsen? Verzet artikel 7 van [richtlijn 93/13] zich tegen een nationale regeling die niet voorziet in de mogelijkheid om in het kader van de executie dergelijke aanvullende stukken op te vragen?
Verzet het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich tegen een nationale procesrechtelijke regeling die in de weg staat aan of niet voorziet in een tweede ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen tijdens de procedure tot executie van een titel die is afgegeven in het kader van een betalingsbevelprocedure, [indien] de rechter van oordeel is dat er sprake kan zijn van oneerlijke bedingen omdat het oneerlijke karakter in de eerdere procedure waarin die executoriale titel is afgegeven ontoereikend of onvolledig is getoetst?
Indien het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich daartegen verzet, moet dan worden geoordeeld dat het strookt met dit beginsel dat de rechter van de executeur kan verlangen dat hij, met het oog op de toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen, alle noodzakelijke stukken overlegt om te kunnen bepalen uit welke contractuele posten het bedrag van de schuld bestaat?”
Ontvankelijkheid
23 De Spaanse regering voert aan dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn op grond dat, ten eerste, de feitelijke omstandigheid waarop die vragen zijn gebaseerd, namelijk een onvolledige toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van de kredietovereenkomst tijdens de betalingsbevelprocedure, hypothetisch is, aangezien de rechter in het kader van die procedure ambtshalve een toetsing overeenkomstig artikel 815, lid 4, van de gewijzigde LEC heeft verricht. Ten tweede hoeft volgens deze regering voor het onderzoek naar de juiste becijfering van het door Investcapital gevorderde bedrag niet te worden nagegaan of de bedingen van de kredietovereenkomst oneerlijk zijn in de zin van richtlijn 93/13.
24 Er zij aan herinnerd dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het hoofdgeding, de relevantie te beoordelen van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel, is het Hof in beginsel verplicht om daarop te antwoorden. Hieruit volgt dat voor een prejudiciële vraag die het Unierecht betreft een vermoeden van relevantie geldt. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een dergelijke vraag wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [zie in die zin arrest van 29 juni 2023, International Protection Appeals Tribunal e.a. (Bomaanslag in Pakistan), C‑756/21, EU:C:2023:523, punten 35 en 36 ].
25 In casu wordt in de verwijzingsbeslissing het juridische en feitelijke kader van het hoofdgeding voldoende weergegeven en maken de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens het mogelijk om de strekking van de prejudiciële vragen te bepalen.
26 Voorts staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om te bepalen of de toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van de kredietovereenkomst tijdens de betalingsbevelprocedure als volledig kan worden beschouwd en of het noodzakelijk is dat vooraf wordt getoetst of de bedingen van de kredietovereenkomst oneerlijk zijn om zich ervan te vergewissen dat het in het kader van de executieprocedure gevorderde bedrag correct is becijferd.
27 Tegen deze achtergrond moet het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk worden geacht.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste onderdelen van de eerste en de tweede vraag
28 Met de eerste onderdelen van de eerste en de tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de rechter die om tenuitvoerlegging van een betalingsbevel is verzocht, wegens verval van recht niet ambtshalve of op verzoek van de consument kan toetsen of de bedingen van een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, wanneer een dergelijke toetsing reeds door een rechter is verricht in het stadium van de betalingsbevelprocedure, maar er redenen zijn om te vermoeden dat die toetsing onvolledig was.
29 Vooraf zij eraan herinnerd dat, zoals uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt, richtlijn 93/13 en in het bijzonder artikel 7, lid 1, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, de lidstaten verplichten te voorzien in passende en doeltreffende middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (zie in die zin arresten van 29 oktober 2015, BBVA, C‑8/14, EU:C:2015:731, punt 19 , en 31 maart 2022, Lombard Lízing, C‑472/20, EU:C:2022:242, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Het Hof heeft zich weliswaar reeds meermaals uitgesproken over de manier waarop de nationale rechter de bescherming van de door consumenten aan deze richtlijn ontleende rechten dient te waarborgen, maar dit neemt niet weg dat het Unierecht de procedures die van toepassing zijn op het onderzoek naar het vermeend oneerlijke karakter van een contractueel beding in beginsel niet harmoniseert en dat deze procedures krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten bijgevolg een zaak van de interne rechtsorde van die staten zijn, op voorwaarde evenwel dat zij niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties naar nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie onder meer arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, dat als enige aan de orde is in de vragen van de verwijzende rechterlijke instantie, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof bij het onderzoek van elk geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, rekening worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure voor de verschillende nationale instanties [zie in die zin arrest van 22 september 2022, Vicente (Vordering tot betaling van advocatenhonoraria), C‑335/21, EU:C:2022:720, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat in het Spaanse procesrecht de betalingsbevelprocedure van artikel 815 LEC bij wet 42/2015 is gewijzigd om de rechter in staat te stellen ambtshalve te toetsen of contractuele bedingen oneerlijk zijn in het licht van richtlijn 93/13.
33 Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, wordt een verzoek om een betalingsbevel dat is gebaseerd op een overeenkomst tussen een verkoper en een consument, overeenkomstig artikel 815, lid 4, van de gewijzigde LEC door de griffier ter kennis gebracht van de rechter met het oog op de ambtshalve toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van de contractuele bedingen waarop het verzoek berust of op grond waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld. Indien de rechter van oordeel is dat een van de betrokken bedingen als oneerlijk kan worden aangemerkt, geeft hij de partijen de gelegenheid opmerkingen in te dienen. Na partijen te hebben gehoord, beslist hij bij beschikking, waarbij in voorkomend geval de gevolgen worden bepaald van de vaststelling dat de onderzochte bedingen oneerlijk zijn. Tegen de beschikking kan hoger beroep worden ingesteld. Indien de rechter van oordeel is dat de bedingen niet oneerlijk zijn, spreekt hij zich aldus uit en gaat de griffier over tot de tenuitvoerlegging van het betalingsbevel tegen de schuldenaar.
34 Volgens artikel 816, lid 1, van de gewijzigde LEC beëindigt de griffier, indien de schuldenaar geen gevolg geeft aan het betalingsbevel of niet voor de rechter verschijnt, bij met redenen omklede beslissing de betalingsbevelprocedure. Deze beslissing vormt een executoriale titel. Het gaat hierbij om een processuele beslissing waartegen overeenkomstig artikel 556 LEC geen verzet kan worden aangetekend op grond van het mogelijk oneerlijke karakter van de contractuele bedingen.
35 De verwijzende rechter preciseert dat het feit dat de Spaanse wetgever heeft voorzien in een onderzoek van het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen in het kader van de betalingsbevelprocedure en niet heeft voorzien in een dergelijke toetsing tijdens de tenuitvoerlegging van de beslissing die de griffier na afloop van een dergelijke procedure uitvaardigt, getuigt van de wil om op straffe van verval van recht op te leggen dat deze toetsing wordt verricht in een procedure die voorafgaat aan de procedure tot tenuitvoerlegging van een dergelijk betalingsbevel. De consument kan dus niet om een dergelijke toetsing verzoeken in het kader van de tenuitvoerlegging van een betalingsbevel en deze toetsing kan evenmin ambtshalve door de rechter worden verricht.
36 In casu wordt weliswaar niet betwist dat een dergelijke toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van de betalingsbevelprocedure, maar de verwijzende rechter betwijfelt of die toetsing doeltreffend is geweest, gelet op de documenten die ter ondersteuning van het verzoek om een betalingsbevel zijn overgelegd. Deze documenten waren volgens hem ontoereikend om de rechter in staat te stellen vast te stellen hoe het bedrag van de schuldvordering is bepaald. In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, vereist dat de executierechter nagaat of de contractuele bedingen oneerlijk zijn, niettegenstaande de nationale procedureregels volgens welke het recht om een proceshandeling te verrichten bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn vervalt.
37 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de omstandigheid dat de toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen enkel in het kader van de betalingsbevelprocedure en niet in het kader van de tenuitvoerlegging van het aan het einde van die procedure uitgevaardigde betalingsbevel is voorgeschreven, op zich geen schending van het doeltreffendheidsbeginsel oplevert.
38 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof wordt de eerbiediging van dit beginsel namelijk gewaarborgd indien de nationale regeling erin voorziet dat in de betalingsbevelprocedure of de procedure tot executie van het betalingsbevel ambtshalve wordt getoetst of er sprake is van oneerlijke bedingen in de betrokken overeenkomst waarop deze procedures betrekking hebben (zie in die zin arrest van 18 februari 2016, Finanmadrid EFC, C‑49/14, EU:C:2016:98, punt 46 ).
39 Voorts heeft het Hof reeds opgemerkt dat het, om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor het instellen van deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Wat het verval van recht wegens het verstrijken van bepaalde procestermijnen betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat redelijke beroepstermijnen die op straffe van verval van recht in het belang van de rechtszekerheid zijn vastgesteld, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken, indien dergelijke termijnen materieel toereikend zijn, zodat de consument zich kan voorbereiden en een doeltreffend rechtsmiddel kan instellen (arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Societé Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In casu is het niet de duur van de termijnen waarover de consument in het kader van de betalingsbevelprocedure beschikt om zijn aan richtlijn 93/13 ontleende rechten geldend te maken die vragen doet rijzen bij de verwijzende rechter, maar het beginsel van verval van recht bij het verstrijken van die termijnen, en dus de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid voor deze rechter om tijdens de procedure tot tenuitvoerlegging van het betalingsbevel ambtshalve of op verzoek van de consument te onderzoeken of de contractuele bedingen oneerlijk zijn.
42 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in de context van een hypothecaire executieprocedure waarin de rechter bij de inleiding van die procedure ambtshalve diende na te gaan of de contractuele bedingen oneerlijk waren, zonder dat deze toetsing in de volgende stadia van die procedure kon worden verricht, heeft geoordeeld dat de door richtlijn 93/13 verschafte bescherming slechts gewaarborgd was indien de nationale rechter in zijn beslissing waarbij verlof tot hypothecaire executie wordt verleend, uitdrukkelijk zou vermelden dat hij ambtshalve heeft getoetst of de bedingen van de aan de hypothecaire executieprocedure ten grondslag liggende titel oneerlijk zijn, dat die toetsing – die minstens summier is gemotiveerd – geen oneerlijke bedingen aan het licht heeft gebracht en dat de consument zich niet meer zal kunnen beroepen op het mogelijk oneerlijke karakter van die bedingen indien hij niet binnen de in het nationale recht vastgestelde termijn verzet aantekent (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 51 ).
43 Uit de rechtspraak volgt ook dat wanneer de nationale rechter bij een eerder onderzoek van een omstreden overeenkomst dat heeft geleid tot een beslissing die gezag van gewijsde heeft, slechts één beding of bepaalde bedingen van die overeenkomst ambtshalve heeft getoetst aan richtlijn 93/13, deze richtlijn een rechter die volgens de regels is aangezocht in het kader van een latere procedure gebiedt om op verzoek van de partijen of ambtshalve te onderzoeken of de andere bedingen van de overeenkomst oneerlijk zijn, zodra hij over de daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens beschikt. Bij gebreke van een dergelijk onderzoek is de bescherming die de consument wordt geboden immers onvolledig en ontoereikend en vormt zij geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dat soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Wat in het bijzonder de motivering betreft die moet worden gegeven door de rechter die heeft onderzocht of de contractuele bedingen oneerlijk zijn, heeft het Hof geoordeeld dat deze motivering de rechter bij wie een later beroep aanhangig is in staat moet stellen om, ten eerste, vast te stellen welke bedingen of delen van bedingen in het kader van een eerste procedure zijn onderzocht in het licht van richtlijn 93/13 en, ten tweede, te achterhalen om welke redenen – zelfs al zijn ze summier weergegeven – de rechter in die eerste procedure heeft geoordeeld dat die bedingen of delen van bedingen volgens hem niet oneerlijk waren (zie in die zin beschikking van 18 december 2023, Eurobank Bulgaria, C‑231/23, EU:C:2023:1008, punt 34 ).
45 Uit het voorgaande volgt dat de toetsing door een rechter of contractuele bedingen in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper oneerlijk zijn, in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel in het licht van richtlijn 93/13 indien, ten eerste, de consument op de hoogte wordt gebracht van het bestaan van die toetsing en van de gevolgen die zijn passiviteit heeft voor het verval van het recht om het oneerlijke karakter van contractuele bedingen aan te voeren en, ten tweede, de naar aanleiding van die toetsing genomen beslissing voldoende wordt gemotiveerd om te kunnen vaststellen welke bedingen daarbij zijn onderzocht en om welke redenen – zelfs al zijn ze summier weergegeven – de rechter heeft geoordeeld dat die bedingen niet oneerlijk zijn. Een rechterlijke beslissing die aan deze vereisten voldoet, kan tot gevolg hebben dat in een latere procedure niet opnieuw kan worden getoetst of de contractuele bedingen oneerlijk zijn.
46 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de rechter, overeenkomstig de krachtens de gewijzigde LEC op hem rustende verplichting, in het kader van de betalingsbevelprocedure ambtshalve de bedingen van de kredietovereenkomst heeft onderzocht en de partijen heeft verzocht opmerkingen te maken over het mogelijk oneerlijke karakter van die bedingen, aangezien hij dienaangaande twijfels had. De consument heeft niet op dit verzoek gereageerd en heeft evenmin hoger beroep ingesteld tegen de beschikking waarbij de rechter heeft vastgesteld dat er geen sprake is van dergelijke oneerlijke bedingen, waarna de griffier een betalingsbevel heeft uitgevaardigd. De consument heeft evenmin verzet aangetekend tegen dit bevel, zodat de beslissing van de griffier van 9 juli 2019 de beslissing is waarmee de bevelprocedure is beëindigd.
47 Voorts moet ook worden opgemerkt dat uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat eventuele procedurele beperkingen de consument ervan hadden kunnen weerhouden zijn rechten in het kader van de betalingsbevelprocedure te doen gelden.
48 Bijgevolg, gelet op de in de punten 42 en 44 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, lijkt het door de rechter in het kader van de betalingsbevelprocedure verrichte onderzoek te voldoen aan het doeltreffendheidsvereiste van artikel 7 van richtlijn 93/13, op voorwaarde dat, ten eerste, de consument ervan op de hoogte was dat in het kader van de betalingsbevelprocedure ambtshalve is getoetst of contractuele bedingen oneerlijk zijn en kennis had van de gevolgen van zijn passiviteit en, ten tweede, de door de rechter na die toetsing gegeven beschikking toereikend is gemotiveerd, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
49 Tevens zij eraan herinnerd dat het de consument vrijstond om binnen de hem daartoe gestelde termijnen op te komen tegen de vaststelling dat de bedingen van de overeenkomst niet oneerlijk zijn, indien hij meende daartoe gronden te hebben, in het kader van het beroep tegen de beslissing die de rechter in de betalingsbevelprocedure heeft gegeven.
50 In haar schriftelijke opmerkingen haalt de Europese Commissie aan dat de beslissing van de griffier waarmee de betalingsbevelprocedure is beëindigd, geen enkele motivering bevat, zodat deze beslissing niet kan leiden tot verval van het recht op toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen.
51 Gelet op het in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginsel van procedurele autonomie, blijven de lidstaten evenwel vrij om hun procedurele stelsel zodanig in te richten dat een toetsing op grond van richtlijn 93/13 niet alleen kan worden verricht in het kader van de beslissing waarmee een betalingsbevelprocedure wordt beëindigd, maar ook op enig ander tijdstip tijdens deze procedure, mits die toetsing door een rechter wordt verricht en in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel. Aangezien een dergelijke toetsing in het Spaanse procesrecht tijdens een dergelijke procedure plaatsvindt, doet de omstandigheid dat deze niet meer kan worden verricht tijdens de procedure tot tenuitvoerlegging van het betalingsbevel op zich geen afbreuk aan de doeltreffendheid van deze richtlijn.
52 Gelet op het voorgaande moet op de eerste onderdelen van de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de rechter die om tenuitvoerlegging van een betalingsbevel is verzocht, wegens verval van recht niet ambtshalve of op verzoek van de consument kan toetsen of de bedingen van een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, wanneer een dergelijke toetsing reeds door een rechter is verricht in het stadium van de betalingsbevelprocedure, op voorwaarde dat die rechter in zijn beslissing heeft aangegeven op welke bedingen deze toetsing betrekking had, dat hij op zijn minst summier heeft uiteengezet waarom die bedingen niet oneerlijk waren en dat hij heeft aangegeven dat de consument, indien deze laatste niet binnen de gestelde termijn gebruikmaakt van de rechtsmiddelen die naar nationaal recht tegen die beslissing openstaan, niet meer zal kunnen aanvoeren dat de betrokken bedingen oneerlijk zijn.
Tweede onderdelen van de eerste en de tweede vraag
53 Met de tweede onderdelen van de eerste en de tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter die om tenuitvoerlegging van een betalingsbevel is verzocht niet de mogelijkheid geeft om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen om de feitelijke en juridische gegevens vast te stellen die noodzakelijk zijn om na te gaan of de bedingen in een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn.
54 Vooraf moet worden opgemerkt dat deze vragen alleen opkomen indien de verwijzende rechter, na de analyse die hij moet verrichten met betrekking tot de eerste onderdelen van de eerste en de tweede vraag, tot de conclusie komt dat de in het stadium van de betalingsbevelprocedure verrichte toetsing niet voldoet aan de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel in het licht van richtlijn 93/13, en dat hij bijgevolg een nieuwe toetsing dient te verrichten.
55 Ter beantwoording van de tweede onderdelen van deze vragen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt (zie in die zin onder meer arrest van 4 mei 2023, BRD Groupe Société Générale en Next Capital Solutions, C‑200/21, EU:C:2023:380, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 De situatie van ongelijkheid tussen consument en verkoper kan enkel worden opgeheven door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om (zie onder meer arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Indien de verwijzende rechter van oordeel is dat hij, bij gebreke van een doeltreffende toetsing in het stadium van de betalingsbevelprocedure, zelf moet toetsen of de bedingen in de kredietovereenkomst oneerlijk zijn, moet hij de mogelijkheid hebben om ambtshalve de daartoe noodzakelijke maatregelen van instructie te nemen [zie in die zin arrest van 22 september 2022, Vicente (Vordering tot betaling van advocatenhonoraria), C‑335/21, EU:C:2022:720, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
58 Gelet op het voorgaande moet op de tweede onderdelen van de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter die om tenuitvoerlegging van een betalingsbevel is verzocht niet de mogelijkheid geeft om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen om de feitelijke en juridische gegevens vast te stellen die noodzakelijk zijn om na te gaan of de bedingen in een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, wanneer de toetsing door de bevoegde rechter in het stadium van de betalingsbevelprocedure niet voldoet aan de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel in het licht van deze richtlijn.
Kosten
59 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
-
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de rechter die om tenuitvoerlegging van een betalingsbevel is verzocht, wegens verval van recht niet ambtshalve of op verzoek van de consument kan toetsen of de bedingen van een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, wanneer een dergelijke toetsing reeds door een rechter is verricht in het stadium van de betalingsbevelprocedure, op voorwaarde dat die rechter in zijn beslissing heeft aangegeven op welke bedingen deze toetsing betrekking had, dat hij op zijn minst summier heeft uiteengezet waarom die bedingen niet oneerlijk waren en dat hij heeft aangegeven dat de consument, indien deze laatste niet binnen de gestelde termijn gebruikmaakt van de rechtsmiddelen die naar nationaal recht tegen die beslissing openstaan, niet meer zal kunnen aanvoeren dat de betrokken bedingen oneerlijk zijn.
-
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter die om tenuitvoerlegging van een betalingsbevel is verzocht niet de mogelijkheid geeft om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen om de feitelijke en juridische gegevens vast te stellen die noodzakelijk zijn om na te gaan of de bedingen in een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, wanneer de toetsing door de bevoegde rechter in het stadium van de betalingsbevelprocedure niet voldoet aan de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel in het licht van deze richtlijn.
ondertekeningen