Arrest van het Gerecht (Zesde kamer – uitgebreid) van 8 januari 2025
Arrest van het Gerecht (Zesde kamer – uitgebreid) van 8 januari 2025
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof EU
- Datum uitspraak
- 8 januari 2025
Uitspraak
Arrest van het Gerecht (Zesde kamer – uitgebreid)
8 januari 2025(*)
"„Verwerking van persoonsgegevens - Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie - Verordening (EU) 2018/1725 - Begrip doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land - Doorgifte van gegevens bij een bezoek aan een website - EU Login - Beroep tot nietigverklaring - Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld - Niet-ontvankelijkheid - Beroep wegens nalaten - Standpuntbepaling die een einde maakt aan het nalaten - Afdoening zonder beslissing - Beroep tot schadevergoeding - Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent - Causaal verband - Immateriële schade”"
In zaak T‑354/22,
Thomas Bindl, wonende te München (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Herbrich, advocaat,
verzoeker, tegenEuropese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, B. Hofstötter en H. Kranenborg als gemachtigden,
verweerster,
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. J. Costeira (rapporteur), president, M. Kancheva, U. Öberg, P. Zilgalvis en E. Tichy-Fisslberger, rechters,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de stukken,
gezien de maatregel tot organisatie van de procesgang van 21 juli 2023 en de op 7 en 8 september 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van respectievelijk de Commissie en verzoeker,
na de terechtzitting op 17 oktober 2023,
gezien de maatregel tot organisatie van de procesgang van 9 februari 2024 en de op 12 en 13 maart 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van respectievelijk de Commissie en verzoeker,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn beroep op grond van de artikelen 263, 265 en 268 VWEU verzoekt Thomas Bindl, verzoeker, het Gerecht om, ten eerste, doorgiften van zijn persoonsgegevens naar derde landen die niet over een adequaat beschermingsniveau beschikken nietig te verklaren; ten tweede, vast te stellen dat de Europese Commissie op onrechtmatige wijze heeft verzuimd een standpunt in te nemen over zijn verzoek om informatie van 1 april 2022, en ten derde, de immateriële schade te vergoeden die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de schending van zijn recht op toegang tot informatie en de doorgifte van zijn persoonsgegevens.
Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan
2 Verzoeker is een Duits staatsburger die geïnteresseerd is in onderwerpen op het gebied van informatica en de bescherming van persoonsgegevens.
3 Het directoraat-generaal Communicatie van de Commissie is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens op de website van de Conferentie over de toekomst van Europa (https://futureu.europa.eu; hierna: „CTE-website”).
4 Verzoeker heeft de CTE-website in 2021 en 2022 herhaaldelijk bezocht. Hij heeft deze website met name op 30 maart 2022 bezocht en heeft zich met behulp van zijn Facebookaccount geregistreerd voor het aldaar vermelde „GoGreen”-evenement. Op 8 juni 2022 heeft hij die website opnieuw bezocht.
5 Bij e‑mail van 9 november 2021 (hierna: „verzoek om informatie van 9 november 2021”) heeft verzoeker de functionaris voor gegevensbescherming van de Commissie verzocht om hem informatie te verstrekken op grond van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39).
6 In die e‑mail heeft verzoeker ten eerste aangegeven dat, toen hij zich op de CTE-website heeft aangemeld, had opgemerkt dat er een verbinding met derde leveranciers – zoals de Amerikaanse onderneming Amazon Web Services – tot stand was gekomen; ten tweede heeft hij verzocht om hem mee te delen welke van de hem betreffende persoonsgegevens waren verwerkt of opgeslagen en welke, in voorkomend geval, aan derden waren doorgegeven; ten derde heeft hij verzocht om informatie over de rechtsgrond voor een dergelijke doorgifte alsmede over het bestaan van eventuele waarborgen betreffende de doorgifte naar derde landen die niet over een adequaat beschermingsniveau beschikken.
7 Bij e‑mail van 3 december 2021 heeft het directoraat-generaal Communicatie van de Commissie verzoeker een elektronische link doorgezonden en hem meegedeeld dat hij via deze link rechtstreeks een lijst kon genereren van de persoonsgegevens die bij het bezoek aan de CTE-website waren verwerkt. Voorts heeft het verzoeker erop gewezen dat zijn persoonsgegevens niet waren doorgegeven aan ontvangers buiten de Europese Unie en dat die persoonsgegevens werden opgeslagen en verwerkt door de CTE-website, die gebruikmaakte van een content delivery network (hierna: „CDN”), dat werd beheerd door Amazon Web Services EMEA SARL (hierna: „AWS EMEA”), dat te Luxemburg (Luxemburg) is gevestigd. Bovendien heeft het directoraat-generaal Communicatie gepreciseerd dat de verwerkingsverantwoordelijke, overeenkomstig de tussen de Commissie en AWS EMEA gesloten overeenkomsten, geen diensten verrichtte waarvoor een doorgifte van gegevens naar de in de Verenigde Staten gevestigde partners van AWS EMEA noodzakelijk was, en dat de doorgifte van gegevens buiten het grondgebied van de Unie in beginsel niet was toegestaan.
8 Bij e‑mail van 1 april 2022 heeft verzoeker de Commissie op grond van verordening 2018/1725 verzocht om informatie over de verwerking van zijn gegevens (hierna: „verzoek om informatie van 1 april 2022”). Ten eerste heeft hij aangegeven dat het hem was opgevallen dat er een verbinding met derde leveranciers – zoals AWS EMEA – tot stand was gekomen toen hij zich op de CTE-website aanmeldde, en dat er een verbinding met Meta Platforms, Inc. tot stand was gekomen toen hij zijn Facebook-inloggegevens gebruikte om zich op die website te registreren. Ten tweede heeft hij verzocht om hem mee te delen welke van de hem betreffende persoonsgegevens waren verwerkt of opgeslagen en welke, in voorkomend geval, aan derden waren doorgegeven. Ten derde heeft hij verzocht om informatie over de rechtsgrond van een dergelijke doorgifte alsmede over het bestaan van eventuele waarborgen betreffende de doorgifte naar derde landen die niet over een adequaat beschermingsniveau beschikken. Ten vierde heeft hij verzocht om een kopie van zijn gegevens, met inbegrip van de gegevens die door derden zoals Facebook waren opgeslagen of verwerkt.
9 Bij e‑mails van 22 april en 2 mei 2022 heeft verzoeker bij de Commissie aangedrongen op een antwoord op het verzoek om informatie van 1 april 2022.
10 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 juni 2022, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
11 Bij e‑mail van 30 juni 2022 heeft de Commissie verzoeker ervan op de hoogte gebracht dat zij van mening was dat het verzoek om informatie van 1 april 2022 nagenoeg identiek was aan het verzoek om informatie van 9 november 2021 en dat zij dit laatste verzoek reeds in haar e‑mail van 3 december 2021 had beantwoord.
12 Amazon Web Services is een in de Verenigde Staten gevestigde onderneming en AWS EMEA is een in Luxemburg gevestigde onderneming. Deze twee ondernemingen zijn dochterondernemingen van de onderneming naar Amerikaans recht Amazon.com, Inc.
Conclusies van partijen
13 Verzoeker verzoekt het Gerecht:
-
de op 30 maart en 8 juni 2022 verrichte doorgiften van zijn persoonsgegevens naar derde landen die niet over een adequaat beschermingsniveau beschikken, nietig te verklaren;
-
vast te stellen dat de Commissie op onrechtmatige wijze heeft verzuimd een standpunt in te nemen over het verzoek om informatie van 1 april 2022;
-
de Commissie te veroordelen om hem het bedrag van 1 200 EUR, vermeerderd met rente, te betalen, waarvan 800 EUR strekt tot vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van een schending van zijn recht op toegang tot informatie en 400 EUR strekt tot vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van die doorgiften van zijn gegevens;
-
de Commissie te verwijzen in de kosten.
14 De Commissie verzoekt het Gerecht:
-
de vordering tot nietigverklaring en de vordering wegens nalaten niet-ontvankelijk te verklaren;
-
subsidiair, te verklaren dat op de vordering wegens nalaten niet meer behoeft te worden beslist;
-
de vordering tot schadevergoeding ongegrond te verklaren;
-
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
Overwegingen vooraf over de bescherming van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie
15 Artikel 16, lid 1, VWEU en artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) bepalen dat eenieder recht heeft op bescherming van zijn persoonsgegevens.
16 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1) stelt algemene regels vast betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (artikel 1, lid 1, van verordening 2016/679).
17 Verordening 2018/1725 stelt voorschriften vast betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen en organen van de Unie en betreffende het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen hen of naar andere in de Unie gevestigde ontvangers (artikel 1, lid 1, van verordening 2018/1725). Die verordening beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens (artikel 1, lid 2, van verordening 2018/1725). Zij is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door alle instellingen en organen van de Unie (artikel 2, lid 1, van verordening 2018/1725).
18 Overweging 5 van verordening 2018/1725 herinnert eraan dat wanneer een bepaling van verordening 2018/1725 dezelfde principes volgt als een bepaling van verordening 2016/679, beide bepalingen overeenkomstig de rechtspraak van het Hof homogeen moeten worden uitgelegd, in het bijzonder omdat verordening 2018/1725 qua doelstelling moet worden opgevat als de tegenhanger van verordening 2016/679. In dit verband blijkt nog uit artikel 2, lid 3, van verordening 2016/679, gelezen in samenhang met artikel 99 van verordening 2018/1725, dat deze laatste verordening aan de beginselen en regels van verordening 2016/679 is aangepast.
Ontvankelijkheid
Ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring
19 Met zijn eerste vordering verzoekt verzoeker om nietigverklaring van de doorgiften van zijn persoonsgegevens naar derde landen die niet over een passend beschermingsniveau beschikken, die volgens hem op 30 maart en 8 juni 2022 hebben plaatsgevonden (hierna: „litigieuze doorgiften”).
20 De Commissie voert in haar verweerschrift aan dat dit verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is omdat het niet gericht is tegen een handeling die vatbaar is voor beroep in de zin van artikel 263 VWEU, maar ertoe strekt haar een bevel op te leggen.
21 Verzoeker betoogt dat het verzoek tot nietigverklaring ontvankelijk is en voert aan dat de litigieuze doorgiften handelingen zijn die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen en die zijn rechtspositie aantasten door schending van zijn in artikel 8 van het Handvest gewaarborgde grondrecht op bescherming van persoonsgegevens. Elke andere uitlegging zou onverenigbaar zijn met het grondrecht op effectieve rechterlijke bescherming, terwijl artikel 64, lid 1, van verordening 2018/1725 dit recht uitdrukkelijk erkent.
22 Zoals in artikel 64, lid 1, en overweging 79 van verordening 2018/1725 in herinnering wordt gebracht, heeft iedere betrokkene recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij het Hof van Justitie overeenkomstig de Verdragen, indien hij meent dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde van die verordening.
23 Hieruit volgt dat elke betrokkene in het kader van verordening 2018/1725 met name het recht heeft een beroep tot nietigverklaring in te stellen onder de voorwaarden van artikel 263 VWEU.
24 Volgens vaste rechtspraak staat het in artikel 263 VWEU bedoelde beroep tot nietigverklaring open tegen elke handeling van de instellingen, ongeacht de vorm ervan, waarmee bindende rechtsgevolgen worden beoogd die de belangen van de verzoekende partij kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie arresten van 19 januari 2017, Commissie/Total en Elf Aquitaine, C‑351/15 P, EU:C:2017:27, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Om vast te stellen of een handeling bindende rechtsgevolgen in het leven roept, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof worden gekeken naar de wezenlijke inhoud ervan en moeten die gevolgen worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de context waarin de handeling is vastgesteld en met de bevoegdheden van de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie waardoor die handeling is vastgesteld (zie arrest van 15 juli 2021, FBF, C‑911/19, EU:C:2021:599, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 In casu verzoekt verzoeker om nietigverklaring van de litigieuze doorgiften, die volgens hem driemaal hebben plaatsgevonden. Een eerste keer werden persoonsgegevens van verzoeker, waaronder zijn IP‑adres alsmede informatie over zijn browser en zijn apparatuur, doorgegeven bij zijn bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 (hierna: „litigieuze doorgifte bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022”), en wel aan de Amerikaanse onderneming Amazon Web Services, in haar hoedanigheid van exploitant van het CDN genaamd „Amazon CloudFront”, dat door die website zou worden gebruikt.
27 Een tweede keer werden persoonsgegevens van verzoeker, waaronder zijn IP‑adres alsmede informatie over zijn browser en zijn apparatuur, doorgegeven aan de Amerikaanse onderneming Meta Platforms, Inc. toen hij zich op 30 maart 2022 met behulp van zijn Facebookaccount bij EU Login – de gebruikersauthenticatiedienst van de Commissie – aanmeldde om zich op de CTE-website te registreren voor het „GoGreen”-evenement (hierna: „litigieuze doorgifte bij de aanmelding bij EU Login van 30 maart 2022”).
28 Een derde keer werden persoonsgegevens van verzoeker doorgegeven aan een server van Amazon CloudFront, die zich bevond te Newark (New Jersey, Verenigde Staten), bij zijn bezoeken aan de CTE-website van 8 juni 2022 (hierna: „litigieuze doorgifte bij de bezoeken aan de CTE-website van 8 juni 2022”).
29 Voorts vermeldt verzoeker in zijn verzoekschrift dat hij op 9 november 2021 de CTE-website heeft bezocht en zich diezelfde dag met behulp van zijn Facebookaccount heeft geregistreerd op die website. Hij voert echter geen enkel concreet element aan waaruit blijkt dat zijn verzoek tot nietigverklaring van de litigieuze doorgiften op deze omstandigheden betrekking heeft. Derhalve dienen enkel de in de punten 26 tot en met 28 hierboven genoemde litigieuze doorgiften in aanmerking te worden genomen.
30 Bij de in de punten 26 tot en met 28 hierboven vermelde litigieuze doorgiften, waarvan verzoeker nietigverklaring vordert, gaat het volgens verzoeker zelf om IT-processen voor gegevensmigratie die vanuit IT-systemen of IT-diensten van de Commissie, in het bijzonder de CTE-website, zijn geïnitieerd en waarmee gegevens werden verstuurd naar servers die toebehoren aan buiten het grondgebied van de Unie gevestigde derde ondernemingen.
31 Het is juist dat de bewerking die bestaat in de doorgifte van persoonsgegevens vanuit een instelling of orgaan van de Unie naar een derde land, als zodanig een verwerking van persoonsgegevens is in de zin van artikel 3, punt 3, van verordening 2018/1725, uitgevoerd op het grondgebied van een lidstaat, en dat op die verwerking deze verordening van toepassing is op grond van artikel 2, lid 5, ervan (zie naar analogie arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C‑311/18, EU:C:2020:559, punt 83 ; hierna: „arrest Schrems II”).
32 Evenwel vormen niet alle bewerkingen die tot een doorgifte van persoonsgegevens in de zin van artikel 3, punt 3, van verordening 2018/1725 leiden, voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 263 VWEU, zoals uitgelegd in de in punt 24 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.
33 Gesteld al dat de litigieuze doorgiften bewezen zijn, moet in casu worden vastgesteld dat het daarbij gaat om materiële handelingen en niet om rechtshandelingen. De litigieuze doorgiften, zoals beschreven in het verzoekschrift, zijn namelijk IT-processen waarbij gegevens van het ene toestel of de ene server naar een ander toestel of een andere server worden overgebracht en die het resultaat zijn van de interactie tussen verzoeker en IT-systemen of ‑diensten van de Commissie bij zijn bezoeken aan de CTE-website of aan de EU Login-gebruikersauthenticatiedienst. De litigieuze doorgiften zijn daarentegen geen handelingen van de Commissie die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, dat wil zeggen dat zij niet tot doel hebben een rechtssituatie te regelen en, zoals blijkt uit de aard van die doorgiften, heeft de Commissie geenszins de bedoeling gehad om daaraan dergelijke gevolgen te verbinden.
34 De litigieuze doorgiften kunnen dus geen bindende rechtsgevolgen sorteren die de belangen van verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, overeenkomstig de in punt 24 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak. Zij vormen derhalve geen voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 263 VWEU.
35 Hieruit volgt dat verzoekers vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ontvankelijkheid van de vordering wegens nalaten
36 Met zijn tweede vordering verzoekt verzoeker het Gerecht vast te stellen dat de Commissie op onrechtmatige wijze heeft verzuimd een standpunt in te nemen over zijn verzoek om informatie van 1 april 2022.
37 De Commissie voert in haar verweerschrift aan dat deze vordering wegens nalaten niet-ontvankelijk is omdat zij niet tot handelen werd uitgenodigd in de zin van artikel 265, tweede alinea, VWEU. Subsidiair stelt de Commissie dat op de vordering wegens nalaten niet meer hoeft te worden beslist, gelet op het antwoord dat zij bij e‑mail van 30 juni 2022 aan verzoeker heeft bezorgd.
38 Verzoeker betoogt in wezen dat de Commissie nog steeds verplicht is te antwoorden op het verzoek om informatie van 1 april 2022, aangezien de informatie die zij in haar e‑mail van 30 juni 2022 heeft verstrekt, ontoereikend en onjuist is.
39 Volgens vaste rechtspraak berust de beroepsmogelijkheid van artikel 265 VWEU op de grondgedachte dat het onrechtmatig nalaten van de betrokken instelling het mogelijk maakt de Unierechter te verzoeken vast te stellen dat dit nalaten, voor zover de betrokken instelling hieraan nog geen einde heeft gemaakt, in strijd is met het Verdrag (arrest van 12 juli 1988, Parlement/Raad, 377/87, EU:C:1988:387, punt 9 ; zie ook arrest van 16 december 2015, Zweden/Commissie, T‑521/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:976, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Wanneer de nagelaten handeling waarop het beroep betrekking heeft, na de instelling van het beroep, doch vóór de uitspraak van het arrest is vastgesteld, kan de vaststelling door de Unierechter van de onrechtmatigheid van het aanvankelijke nalaten niet meer de in artikel 266 VWEU bedoelde gevolgen sorteren. Bijgevolg is het beroep in een dergelijk geval zonder voorwerp geraakt, zodat op dit beroep niet meer behoeft te worden beslist (arrest van 12 juli 1988, Parlement/Raad, 377/87, EU:C:1988:387, punten 10 en 11 ; zie ook beschikking van 13 december 2000, Sodima/Commissie, C‑44/00 P, EU:C:2000:686, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In casu moet worden vastgesteld dat de Commissie bij e‑mail van 30 juni 2022 heeft geantwoord op het verzoek om informatie van 1 april 2022 (zie punt 11 hierboven). De Commissie heeft derhalve na de instelling van het beroep een einde gemaakt aan het nalaten dat door verzoeker in het kader van het onderhavige beroep is aangevoerd. De tweede vordering, die ertoe strekt op grond van artikel 265 VWEU een nalaten van de Commissie vast te stellen omdat zij niet heeft geantwoord op het verzoek om informatie van 1 april 2022, is derhalve zonder voorwerp geraakt.
42 Het feit dat de inhoud van de e‑mail van de Commissie van 30 juni 2022 niet overeenstemt met het door verzoeker gewenste antwoord is in dit verband irrelevant. De omstandigheid dat die standpuntbepaling van de instelling de verzoekende partij geen genoegdoening geeft, is daarbij namelijk niet van belang, aangezien artikel 265 VWEU ziet op het nalaten in de vorm van het niet nemen van een besluit of het niet bepalen van een standpunt, en niet op het verrichten van een andere handeling dan die welke deze partij wenste of noodzakelijk achtte (zie beschikking van 6 april 2017, T‑203/16, Brancheforeningen for Regulerkraft i Danmark/Commissie, niet gepubliceerd, EU:T:2017:279, punt 22 , en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Bijgevolg hoeft op verzoekers vordering wegens nalaten en op de door de Commissie opgeworpen niet-ontvankelijkheid van deze vordering niet meer te worden beslist.
Vordering tot schadevergoeding
44 Met zijn derde vordering maakt verzoeker twee schadevorderingen geldend. In de eerste plaats vordert hij betaling van 800 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden doordat de Commissie – in strijd met artikel 14, leden 3 en 4, en artikel 17, leden 1 en 2, van verordening 2018/1725 alsmede het in artikel 4, lid 1, onder a), van die verordening neergelegde transparantiebeginsel – zijn recht op toegang tot informatie heeft geschonden. In de tweede plaats vordert hij betaling van 400 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de litigieuze doorgiften, die in strijd met artikel 46 en artikel 48, lid 1, en lid 2, onder b), van verordening 2018/1725 zijn verricht.
45 De Commissie concludeert tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding.
Inleidende opmerkingen over de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in het kader van verordening 2018/1725
46 Artikel 65 van verordening 2018/1725 bepaalt dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, het recht heeft om van de instelling of het orgaan van de Unie schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade, met inachtneming van de „in de Verdragen vastgestelde voorwaarden”.
47 Artikel 65 van verordening 2018/1725 moet aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan het recht om van de instelling of het orgaan van de Unie vergoeding te ontvangen voor de schade die ten gevolge van een inbreuk op die verordening is geleden, afhankelijk is van de voorwaarden van artikel 340, tweede alinea, VWEU, krachtens hetwelk de Unie overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade moet vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
48 Volgens vaste rechtspraak moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voldaan zijn aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, het daadwerkelijk bestaan van schade en het bestaan van een causaal verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (zie in die zin arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punten 39‑42 , en 28 oktober 2021, Vialto Consulting/Commissie, C‑650/19 P, EU:C:2021:879, punt 138 ).
49 Het cumulatief karakter van deze voorwaarden impliceert dat wanneer aan één daarvan niet is voldaan, het beroep tot schadevergoeding in zijn geheel moet worden verworpen, zonder dat de overige voorwaarden hoeven te worden onderzocht (arrest van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punten 14 en 63 ; zie ook arrest van 25 februari 2021, Dalli/Commissie, C‑615/19 P, EU:C:2021:133, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Wat de eerste van deze voorwaarden betreft, vereist de rechtspraak dat er een voldoende gekwalificeerde schending wordt aangetoond van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen (zie arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Dit vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht beoogt, ongeacht de aard van de betrokken onrechtmatige handeling, te voorkomen dat de betrokken instelling wegens de dreiging van schadevorderingen van de betrokken personen wordt belemmerd in de uitoefening van haar bevoegdheden in het algemeen belang, zowel in het kader van haar normatieve activiteiten of werkzaamheden die keuzen op het vlak van economisch beleid impliceren als op het gebied van haar bestuurlijke bevoegdheid, terwijl tegelijkertijd wordt vermeden dat de consequenties van flagrante en onvergeeflijke schendingen voor rekening van particulieren komen (zie in die zin arrest van 14 december 2018, East West Consulting/Commissie, T‑298/16, EU:T:2018:967, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Beslissend voor de vaststelling dat een schending voldoende gekwalificeerd is, is het criterium van de kennelijke en ernstige overschrijding door de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie, van de grenzen waarbinnen haar beoordelingsbevoegdheid dient te blijven. Heeft deze instelling of dit orgaan slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge, dan kan de enkele inbreuk op het Unierecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending vast te stellen (zie arrest van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C‑312/00 P, EU:C:2002:736, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In die rechtspraak wordt evenwel geen automatisch verband gelegd tussen, enerzijds, het ontbreken van beoordelingsbevoegdheid van de betrokken instelling en, anderzijds, de kwalificatie van de inbreuk als een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht (arrest van 3 maart 2010, Artegodan/Commissie, T‑429/05, EU:T:2010:60, punt 59 ). Hoewel de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de betrokken instelling beslissend is, gaat het daarbij namelijk niet om een exclusief criterium. In dit verband heeft het Hof voortdurend eraan herinnerd dat het stelsel dat het zelf op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU heeft ontwikkeld daarnaast met name rekening houdt met de ingewikkeldheid van de te regelen situaties en de moeilijkheden bij de toepassing of de uitlegging van de teksten (zie arrest van 23 november 2011, Sison/Raad, T‑341/07, EU:T:2011:687, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), of, meer algemeen, met het gebied waarop, de voorwaarden waaronder en de context waarin de geschonden regel op de betrokken instelling of het orgaan van de Unie rust (zie arrest van 4 april 2017, Ombudsman/Staelen, C‑337/15 P, EU:C:2017:256, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Bijgevolg kan enkel de vaststelling van een onregelmatigheid die in overeenkomstige omstandigheden door een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid niet zou zijn begaan, tot de aansprakelijkheid van de Unie leiden. Het staat derhalve aan de Unierechter, na te hebben uitgemaakt of de betrokken instelling over een beoordelingsmarge beschikte, rekening te houden met de ingewikkeldheid van de te regelen situatie, de moeilijkheden bij de toepassing of de uitlegging van de teksten, de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel en de vraag of de begane fout opzettelijk dan wel onverschoonbaar was (arrest van 3 maart 2010, Artegodan/Commissie, T‑429/05, EU:T:2010:60, punt 62 ).
54 Wat de voorwaarde inzake de realiteit van de schade betreft, deze moet reëel en zeker zijn, hetgeen de verzoekende partij moet bewijzen (zie arrest van 9 november 2006, Agraz e.a./Commissie, C‑243/05 P, EU:C:2006:708, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een zuiver hypothetische en onbepaalde schade geeft daarentegen geen recht op schadevergoeding (zie arrest van 26 oktober 2011, Dufour/ECB, T‑436/09, EU:T:2011:634, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Wat de voorwaarde van een causaal verband betreft, deze heeft betrekking op het bestaan van een voldoende direct oorzakelijk verband tussen het aan de instelling verweten gedrag en de schade, welk verband door de verzoeker dient te worden bewezen, zodat het verweten gedrag de doorslaggevende oorzaak van de schade moet zijn (zie arrest van 13 december 2018, Europese Unie/ASPLA en Armando Álvarez, C‑174/17 P en C‑222/17 P, EU:C:2018:1015, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Bovendien zij eraan herinnerd dat de schadevordering op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU een zelfstandige rechtsgang vormt, waaraan binnen het systeem van de rechtsmiddelen een bijzondere functie toekomt en waaraan toepassingsvoorwaarden zijn gesteld die op zijn specifieke doelstellingen zijn afgestemd, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om nietigverklaring niet automatisch de niet-ontvankelijkheid van het verzoek om schadevergoeding met zich meebrengt (zie arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Hieruit volgt dat de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring wegens de niet-ontvankelijkheid ervan, en de afwijzing van de vordering wegens nalaten omdat daarop niet meer hoeft te worden beslist, overeenkomstig de punten 35 en 43 hierboven, derhalve niet betekenen dat de in punt 44 hierboven vermelde schadevorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
58 In het licht van die overwegingen moeten de door verzoeker in het kader van zijn schadevorderingen aangevoerde grieven worden onderzocht.
Eerste schadevordering: vergoeding van de immateriële schade als gevolg van schending van het recht op toegang tot informatie
59 Met zijn eerste schadevordering verzoekt verzoeker het Gerecht om de Commissie te veroordelen hem een bedrag van 800 EUR te betalen ter vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van de schending van zijn recht op toegang tot informatie.
60 Om te beginnen verwijt verzoeker de Commissie dat zij – in strijd met artikel 14, leden 3 en 4, en artikel 17, leden 1 en 2, van verordening 2018/1725 en met het in artikel 4, lid 1, onder a), van die verordening neergelegde transparantiebeginsel – niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord op het verzoek om informatie van 1 april 2022 en hem niet heeft meegedeeld waarom zij dit niet heeft gedaan. Voorts heeft de Commissie niet voldaan aan artikel 17, lid 1, onder c), en lid 2, van verordening 2018/1725, aangezien de verklaring over de bescherming van de privacy op de CTE-website geen informatie bevat over de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen en over eventuele passende waarborgen voor die doorgifte, zoals door artikel 48 van die verordening wordt vereist. Bovendien heeft de Commissie in de e‑mail van 3 december 2021 onjuiste informatie verstrekt door te ontkennen dat verzoekers persoonsgegevens aan ontvangers in de Verenigde Staten waren doorgegeven.
61 Vervolgens betoogt verzoeker dat het onrechtmatig stilzitten van de Commissie hem heeft belet om controle uit te oefenen op de verwerking van zijn persoonsgegevens, hetgeen resulteert in immateriële schade in de zin van overweging 46 van verordening 2018/1725. Ten slotte betoogt hij dat deze immateriële schade, die hij op 800 EUR begroot, rechtstreeks is veroorzaakt door het onrechtmatige gedrag van de Commissie.
62 De Commissie betwist deze argumenten en voert in wezen aan dat in casu aan geen van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid is voldaan.
63 Wat de voorwaarde van de onrechtmatigheid van het verweten gedrag betreft, moet om te beginnen worden onderzocht of verzoeker heeft aangevoerd dat er sprake is van schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.
64 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 17, lid 1, onder c), van verordening 2018/1725 het recht verleent aan de betrokkene om informatie te ontvangen over de ontvangers aan wie zijn persoonsgegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen. Deze bepaling concretiseert dus het in artikel 4, lid 1, onder a), van verordening 2018/1725 neergelegde beginsel dat alle informatie en communicatie in verband met de verwerking van persoonsgegevens eenvoudig toegankelijk moeten zijn.
65 Voorts wordt bij artikel 14, lid 3, van verordening 2018/1725 een termijn van één maand vastgesteld waarbinnen de verwerkingsverantwoordelijke op de verzoeken om informatie moet antwoorden. Daarnaast verplicht artikel 14, lid 4, van die verordening de verwerkingsverantwoordelijke, wanneer deze beslist geen gevolg te geven aan het verzoek, om de verzoeker binnen een maand mee te delen waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) en beroep bij de rechter in te stellen. Deze bepalingen zijn derhalve administratieve procedureregels die bijdragen tot de toepassing van het recht op toegang tot informatie over de persoonsgegevens van de betrokkene, doordat zij dit recht concretiseren en nader regelen. Bovendien dragen deze bepalingen bij tot de concretisering van het krachtens artikel 41 van het Handvest aan eenieder toegekende recht dat zijn zaak binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie wordt behandeld.
66 Bijgevolg vormen de bepalingen van artikel 4, lid 1, onder a), artikel 14, leden 3 en 4, en artikel 17, lid 1, onder c), van verordening 2018/1725, gelezen in hun onderlinge samenhang, rechtsregels die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen in de zin van de in punt 50 hierboven aangehaalde rechtspraak.
67 Vervolgens moet worden onderzocht of in casu is aangetoond dat de Commissie deze bepalingen heeft geschonden.
68 Ten eerste betoogt verzoeker dat de Commissie artikel 17, lid 1, onder c), en lid 2, van verordening 2018/1725 heeft geschonden, aangezien de verklaring over de bescherming van de privacy op de CTE-website geen informatie bevat over de doorgifte van persoonsgegevens aan ontvangers in derde landen, over eventuele passende waarborgen voor die doorgifte, of over de identificatie van de contractanten als ontvangers van die gegevens.
69 Zoals in punt 64 hierboven is vermeld, bepaalt artikel 17, lid 1, onder c), en lid 2, van verordening 2018/1725 dat de betrokkene met name het recht heeft om informatie te verkrijgen over de ontvangers in derde landen aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt, en over de passende waarborgen voor de doorgifte van gegevens aan deze ontvangers.
70 Hieruit volgt dat deze bepalingen voorzien in een recht op toegang van de betrokkene tot bepaalde informatie, maar niet bepalen dat die informatie verplicht moet worden vermeld op een bepaald document of zelfs op een verklaring betreffende de bescherming van de privacy, zoals die op de CTE-website. Uit deze bepalingen volgt met andere woorden niet dat de betrokken informatie via die verklaring openbaar moet worden gemaakt. Dit neemt niet weg dat verzoeker, net als iedere betrokkene, het recht heeft om die informatie te verkrijgen door de uitoefening van het in artikel 17, lid 1, onder c), en lid 2, van verordening 2018/1725 neergelegde recht op toegang tot informatie. Die kwestie is ruimer dan de onrechtmatigheid die verzoeker de Commissie verwijt, die beperkt is tot de inhoud van de verklaring over de bescherming van de privacy (zie punt 68 hierboven).
71 Hoe dan ook blijkt in casu uit de bewoordingen van die verklaring over de bescherming van de privacy, die als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd, dat zij informatie bevat over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. In punt 7 van die verklaring wordt met name vermeld dat toegang tot de gegevens wordt verleend aan „gemachtigde personeelsleden van de [Commissie] en haar contractanten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de verwerking in kwestie, overeenkomstig het ‚need-to-know’-beginsel”. Bovendien is verzoekers argument dat die verklaring geen informatie bevat over de doorgifte van persoonsgegevens aan ontvangers in derde landen, gebaseerd op de veronderstelling dat het bezoek aan de CTE-website een doorgifte van persoonsgegevens van de gebruikers naar een derde land inhoudt. De onderhavige schadevordering is echter gebaseerd op schending van het recht op toegang tot informatie en niet op schending van de bepalingen betreffende de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen, die overigens ten grondslag ligt aan de tweede schadevordering.
72 Bijgevolg is in casu niet aangetoond dat de Commissie artikel 17, lid 1, onder c), en lid 2, van verordening 2018/1725 heeft geschonden met betrekking tot de verklaring over de bescherming van de privacy op de CTE-website.
73 Ten tweede verwijt verzoeker de Commissie dat zij – in strijd met artikel 14, leden 3 en 4, en artikel 17, leden 1 en 2, van verordening 2018/1725 en met het transparantiebeginsel – niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord op het verzoek om informatie van 1 april 2022 en hem niet heeft meegedeeld waarom zij dit niet heeft gedaan. Daarnaast heeft de Commissie hem in de e‑mail van 3 december 2021 onjuiste informatie verstrekt.
74 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoeker geen enkel concreet argument aanvoert ter ondersteuning van een schending van het transparantiebeginsel. Dit argument staat inhoudelijk dus niet los van de grief inzake niet-naleving van de termijn voor de beantwoording van het verzoek om informatie en van de verplichting om de redenen voor de overschrijding van deze termijn mee te delen.
75 Bovendien zijn verzoekers argumenten inzake schending van artikel 17, leden 1 en 2, van verordening 2018/1725 en inzake het feit dat de Commissie hem in de e‑mail van 3 december 2021 onjuiste informatie heeft verstrekt, gebaseerd op de veronderstelling dat het bezoek aan de CTE-website een doorgifte van persoonsgegevens van de gebruikers naar een derde land inhoudt. Zoals vermeld in punt 71 hierboven, is de onderhavige schadevordering echter gebaseerd op schending van het recht op toegang tot informatie en niet op schending van de bepalingen betreffende de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen, die ten grondslag ligt aan de tweede schadevordering.
76 In casu is dus niet aangetoond dat de Commissie artikel 17, leden 1 en 2, van verordening 2018/1725 heeft geschonden.
77 Wat verzoekers grief ontleend aan schending van artikel 14, leden 3 en 4, van verordening 2018/1725 betreft, blijkt uit het dossier dat de Commissie binnen de in artikel 14, lid 3, van verordening 2018/1725 gestelde termijn van één maand heeft geantwoord op het verzoek om informatie van 9 november 2021 (zie de punten 5 en 7 hierboven). Wat het verzoek om informatie van 1 april 2022 betreft, heeft de Commissie bij e‑mail van 30 juni 2022 verzoeker ervan op de hoogte gebracht dat het verzoek om informatie van 1 april 2022 volgens haar nagenoeg identiek was aan het verzoek om informatie van 9 november 2021 en dat zij dit verzoek reeds in haar e‑mail van 3 december 2021 had beantwoord (zie punt 11 hierboven).
78 Hieruit volgt dat de Commissie, wat het verzoek om informatie van 1 april 2022 betreft, de in artikel 14, lid 4, van verordening 2018/1725 gestelde termijn van één maand niet in acht heeft genomen (zie punt 65 hierboven).
79 Uit de punten 68 tot en met 78 hierboven volgt dat de niet-naleving van de termijn van artikel 14, lid 4, van verordening 2018/1725 de enige aan de Commissie verweten onrechtmatigheid is die in casu is bewezen.
80 In die omstandigheden, en ongeacht of de niet-naleving van die termijn door de Commissie een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel vormt, moet meteen worden onderzocht of de niet-naleving van die termijn voor verzoeker heeft geresulteerd in reële en zekere immateriële schade in de zin van de in punt 54 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.
81 Wat de vraag betreft, of de gestelde immateriële schade reëel is, dient in herinnering te worden gebracht dat het doen van een bewijsaanbod weliswaar niet noodzakelijk wordt beschouwd als een voorwaarde voor de erkenning van immateriële schade, maar de verzoekende partij althans dient aan te tonen dat het aan de betrokken instelling verweten gedrag voor haar een dergelijke schade kon veroorzaken (arrest van 16 juli 2009, SELEX Sistemi Integrati/Commissie, C‑481/07 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:461, punt 38 ; zie ook arrest van 2 juli 2019, Fulmen/Raad, T‑405/15, EU:T:2019:469, punt 188 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 In casu vordert verzoeker vergoeding voor immateriële schade ten bedrage van 800 EUR op grond dat het aan de Commissie verweten gedrag hem heeft belet controle uit te oefenen op de verwerking van zijn persoonsgegevens.
83 Evenwel moet worden vastgesteld dat een dergelijke immateriële schade in casu niet is aangetoond. De enige onrechtmatigheid die in casu is vastgesteld, is immers dat de Commissie de in artikel 14, lid 4, van verordening 2018/1725 gestelde termijn van één maand niet heeft nageleefd (zie punt 79 hierboven). Deze termijn is echter niet met meer dan twee maanden overschreden (zie punt 77 hierboven). Bovendien waren de verzoeken om informatie van 9 november 2021 en 1 april 2022 in wezen identiek (zie de punten 5 en 8 hierboven), zodat verzoeker op zijn minst al op een deel van zijn verzoek om informatie een antwoord had ontvangen op 3 december 2021, de datum waarop de Commissie heeft geantwoord op het verzoek om informatie van 9 november 2021 (zie punt 7 hierboven).
84 Voorts heeft verzoekers argument dat onjuiste informatie is verstrekt (zie punt 75 hierboven), betrekking op de gegrondheid van de informatie en niet op de naleving van de procedureregel waarvan de schending in het punt 78 hierboven is vastgesteld, en is het derhalve irrelevant om de gestelde immateriële schade aan te tonen.
85 Bijgevolg is niet aangetoond dat de niet-naleving door de Commissie van de termijn van artikel 14, lid 4, van verordening 2018/1725, van dien aard was dat zij verzoeker de gestelde immateriële schade kon berokkenen.
86 Aangezien niet is voldaan aan een van de cumulatieve voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie als bedoeld in artikel 340, tweede alinea, VWEU, moet verzoekers eerste schadevordering dan ook worden afgewezen.
Tweede schadevordering: vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de litigieuze doorgiften
87 Met zijn tweede schadevordering verzoekt verzoeker om betaling van 400 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de in de punten 26 tot en met 28 hierboven vermelde litigieuze doorgiften, met name de litigieuze doorgifte bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022, de litigieuze doorgifte bij de aanmelding bij EU Login van 30 maart 2022 en de litigieuze doorgifte bij de bezoeken aan de CTE-website van 8 juni 2022.
88 Verzoeker betoogt in wezen dat de litigieuze doorgiften werden gedaan aan ontvangers in de Verenigde Staten, een land dat niet over een adequaat beschermingsniveau beschikt. De Commissie heeft geen van de in hoofdstuk V van verordening 2018/1725 bedoelde passende waarborgen genoemd die deze doorgiften kunnen rechtvaardigen, en heeft dus artikel 46 en artikel 48, lid 1 en lid 2, onder b), van deze verordening en de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest geschonden. De litigieuze doorgiften hebben het risico doen ontstaan dat de veiligheids‑ en inlichtingendiensten van dat land zich toegang konden verschaffen tot verzoekers persoonsgegevens en hem bijgevolg immateriële schade konden berokkenen in de zin van overweging 46 van verordening 2018/1725, aangezien hij zijn rechten en vrijheden niet kon uitoefenen en werd verhinderd controle over zijn gegevens uit te oefenen.
89 De Commissie betwist deze argumenten en voert in wezen aan dat in casu niet aan de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid is voldaan.
– Inleidende overwegingen over de bepalingen betreffende de doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land
90 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat verordening 2018/1725 volgens artikel 2, lid 5, ervan van toepassing is op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.
91 In de tweede plaats moet het begrip „persoonsgegevens” aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, overeenkomstig artikel 3, punt 1, van verordening 2018/1725.
92 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de doorgifte van persoonsgegevens een „verwerking” van gegevens in de zin van artikel 3, punt 3, van verordening 2018/1725 vormt.
93 In de vierde plaats zij opgemerkt dat de „doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen of aan internationale organisaties” wordt geregeld in hoofdstuk V van verordening 2018/1725, dat deze handeling evenwel niet definieert.
94 Uit overweging 63 van verordening 2018/1725 blijkt echter dat de in hoofdstuk V van die verordening bedoelde doorgiften betrekking hebben op persoonsgegevens die vanuit de instellingen en organen van de Unie aan verwerkingsverantwoordelijken, verwerkers of andere ontvangers in derde landen of aan internationale organisaties worden doorgegeven.
95 Bovendien volgt uit een systematische uitlegging van verordening 2018/1725 dat de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen, in de zin van artikel 46 van die verordening, aan de volgende voorwaarden moet voldoen: ten eerste moet de verantwoordelijke voor de verwerking van de betrokken gegevens tot een instelling of orgaan van de Unie behoren en dus onder die verordening vallen (artikel 1 van verordening 2018/1725); ten tweede moet de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens doorgeven of op andere wijze ter beschikking stellen van een ontvanger, met name een andere natuurlijke of rechtspersoon (artikel 3, punten 3 en 13, van verordening 2018/1725), en ten derde moet die ontvanger in een derde land gevestigd zijn (artikel 46 van verordening 2018/1725), dat wil zeggen een land dat geen lid is van de Unie of van de Europese Economische Ruimte (EER).
96 In de vijfde plaats moet worden vastgesteld dat de bepalingen van hoofdstuk V van verordening 2018/1725, overeenkomstig overweging 63 ervan, tot doel hebben om bij de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen of aan internationale organisaties het beschermingsniveau te waarborgen waarvan natuurlijke personen in de Unie door deze verordening verzekerd zijn.
97 In de zesde plaats is in artikel 46 van verordening 2018/1725 een algemeen beginsel neergelegd dat persoonsgegevens slechts aan een derde land of een internationale organisatie mogen worden doorgegeven indien, onverminderd de overige bepalingen van deze verordening, de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker aan de in hoofdstuk V neergelegde voorwaarden hebben voldaan.
98 In de zevende plaats moet met betrekking tot de voorwaarden van hoofdstuk V van verordening 2018/1725 worden opgemerkt dat artikel 47, lid 1, van die verordening bepaalt dat de doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land of aan een internationale organisatie kan plaatsvinden als de Commissie met name op grond van artikel 45, lid 3, van verordening 2016/679 bij een adequaatheidsbesluit heeft beslist dat het derde land of de internationale organisatie in kwestie een adequaat beschermingsniveau waarborgt, en als de persoonsgegevens uitsluitend worden doorgegeven om de uitvoering van onder de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke vallende taken mogelijk te maken.
99 In dit verband zij eraan herinnerd dat de twee adequaatheidsbesluiten van de Commissie betreffende de Verenigde Staten ongeldig zijn verklaard. Het Hof heeft bij arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650 ), beschikking 2000/520/EG van de Commissie van 26 juli 2000 overeenkomstig richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, betreffende de gepastheid van de bescherming geboden door de Veiligehavenbeginselen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de daarmee verband houdende Vaak gestelde vragen, die door het ministerie van Handel van de Verenigde Staten zijn gepubliceerd (PB 2000, L 215, blz. 7) ongeldig verklaard. Voorts heeft het Hof bij het arrest Schrems II, uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming (PB 2016, L 207, blz. 1) ongeldig verklaard.
100 Hieruit volgt dat er op de datum van de litigieuze doorgiften geen adequaatheidsbesluit in de zin van artikel 47 van verordening 2018/1725 bestond voor de Verenigde Staten.
101 Bij gebreke van een adequaatheidsbesluit van de Commissie met betrekking tot de Verenigde Staten, is artikel 48, lid 1, van verordening 2018/1725 – dat bepaalt dat persoonsgegevens alleen aan een derde land of een internationale organisatie mogen worden doorgegeven als de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker passende waarborgen biedt en betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken – van toepassing.
102 De in artikel 48, lid 1, van verordening 2018/1725 bedoelde passende waarborgen, die in artikel 48, leden 2 en 3, van die verordening worden opgesomd, kunnen met name worden geboden door middel van standaardbepalingen inzake gegevensbescherming die door de Commissie overeenkomstig artikel 48, lid 2, onder b), van die verordening zijn vastgesteld.
103 De standaardbepalingen inzake gegevensbescherming van artikel 48, lid 2, onder b), van verordening 2018/1725 kunnen echter vereisen dat aanvullende maatregelen worden om een passend beschermingsniveau overeenkomstig het Unierecht te waarborgen (zie naar analogie arrest Schrems II, punten 133 en 134).
104 Bovendien kunnen de in artikel 48, lid 1, van verordening 2018/1725 bedoelde passende waarborgen, onder voorbehoud van de toestemming van de EDPS, worden geboden door met name contractbepalingen tussen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, enerzijds, en de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker of de ontvanger van de persoonsgegevens in het derde land, anderzijds, als bedoeld in artikel 48, lid 3, onder a), van die verordening.
105 Voorts zij eraan herinnerd dat de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest voorzien in respectievelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.
106 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat verzoekers tweede schadevordering is gebaseerd op schending door de Commissie van artikel 46 en artikel 48, lid 1, en lid 2, onder b), van verordening 2018/1725 en van de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest. Uit de punten 91 tot en met 105 hierboven volgt dat die bepalingen van verordening 2018/1725 concrete invulling geven aan grondrechten zoals die welke zijn neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest, en in hun geheel beogen de continuïteit te waarborgen van het hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens in geval van doorgifte van die gegevens naar derde landen of aan internationale organisaties.
107 Hieruit volgt dat de bepalingen waarvan verzoeker schending aanvoert ter ondersteuning van zijn tweede schadevordering, ertoe strekken het individuele belang van de betrokken personen te beschermen en derhalve rechtsregels zijn die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen in de zin van de in punt 50 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.
108 Thans moet worden onderzocht of voor elk van de drie in punt 87 hierboven genoemde litigieuze doorgiften is voldaan aan de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie.
109 Aangezien de in de punten 26 en 28 hierboven vermelde litigieuze doorgiften hebben plaatsgevonden doordat door de CTE-website gebruik werd gemaakt van het CDN genaamd Amazon CloudFront (hierna: „dienst Amazon CloudFront”), moet eerst worden onderzocht hoe deze dienst in het kader van die website functioneert.
– Werking van de dienst Amazon CloudFront in het kader van de CTE-website
110 In casu staat vast dat de CTE-website het CDN Amazon CloudFront gebruikt en dat dit netwerk wordt geactiveerd bij elk bezoek aan die website door een gebruiker.
111 Uit het dossier, met name uit de antwoorden van partijen op de maatregel tot organisatie van de procesgang van 21 juli 2023 en uit de pleidooien en de antwoorden ter terechtzitting van 17 oktober 2023, blijkt in de eerste plaats dat de dienst Amazon CloudFront een internetdienst is die ervoor zorgt dat gebruikers sneller toegang krijgen tot webcontent, in casu de inhoud van de CTE-website. De dienst Amazon CloudFront verspreidt de inhoud via een wereldwijd netwerk van servers of datacentra die „perifere locaties” of „perifere servers” worden genoemd.
112 In de tweede plaats is de dienst Amazon CloudFront gebaseerd op een routingmechanisme dat de aanvraag van een gebruiker van de CTE-website stuurt naar de perifere server die volgens een beginsel van nabijheid van het toestel van de gebruiker de laagste latentietijd biedt, zodat de inhoud onder de best mogelijke omstandigheden naar de gebruiker wordt toegezonden. Indien met name wegens technische moeilijkheden de perifere server met de laagste latentietijd niet beschikbaar is, wordt de verbinding tot stand gebracht met de server met de op één na laagste latentietijd, enzovoort.
113 In de derde plaats wordt de dienst Amazon CloudFront gebruikt voor de CTE-website op basis van overeenkomst nr. 2020‑1742 tussen de Commissie en AWS EMEA, die een dochteronderneming is van de onderneming naar Amerikaans recht Amazon.com en haar zetel in Luxemburg heeft (zie punt 12 hierboven).
114 In de vierde plaats heeft de Commissie in het kader van deze overeenkomst voor de CTE-website gekozen voor het geografische gebied „Noord-Amerika (Verenigde Staten, Mexico, Canada), Europa en Israël”. Dit betekent dat de inhoud van deze website niet via het wereldwijde netwerk van perifere locaties van Amazon CloudFront wordt verspreid, maar enkel via de locaties die zich in bovengenoemde geografische gebieden bevinden, te weten de Verenigde Staten, Mexico, Canada, Europa en Israël.
115 In de vijfde plaats worden de aanvragen van gebruikers uit de Unie om de CTE-website te bezoeken wegens het in punt 112 hierboven vermelde nabijheidsbeginsel gewoonlijk verstuurd naar perifere servers van de dienst Amazon CloudFront op dat grondgebied, terwijl die aanvragen slechts zelden naar servers buiten de Unie worden gestuurd.
116 In de zesde plaats wordt de infrastructuur van het netwerk van perifere locaties van Amazon CloudFront blijkens het dossier verzorgd door een aantal ondernemingen, waarvan sommige tot de Amazon-groep behoren en andere derde ondernemingen zijn, en waarvan de naar geografisch gebied geordende lijst op de website van Amazon Web Services kan worden geraadpleegd. In het geografische gebied „Noord-Amerika (Verenigde Staten, Mexico, Canada), Europa en Israël” zijn de betrokken ondernemingen zowel gevestigd in lidstaten van de Unie als daarbuiten, met name in de Verenigde Staten, Israël, Mexico, Zwitserland of het Verenigd Koninkrijk. Elke onderneming exploiteert servers in het land waar zij is gevestigd. Bijgevolg hangt de geografische locatie van de servers die bij de verrichting van de dienst Amazon CloudFront betrokken zijn ook af van de locatie van de betrokken ondernemingen.
117 In de zevende plaats bepaalt de overeenkomst tussen de Commissie en AWS EMEA onder meer het volgende:
-
AWS EMEA moet kunnen waarborgen dat de gegevens op het grondgebied van de EER blijven, en dit zowel wanneer zij worden doorgegeven als wanneer zij zijn opgeslagen (afdeling 11.2 van de overeenkomst);
-
AWS EMEA mag de locatie van de gegevensverwerking niet wijzigen zonder voorafgaande toestemming van de Commissie [afdeling 12.2.3, onder a), van de overeenkomst];
-
elke doorgifte van persoonsgegevens in het kader van de overeenkomst naar derde landen of aan internationale organisaties moet volledig in overeenstemming zijn met de vereisten van hoofdstuk V van verordening 2018/1725 [afdeling 12.2.3, onder b), van de overeenkomst];
-
AWS EMEA mag geen persoonsgegevens doorgeven aan een land buiten de EER, tenzij de Commissie vooraf schriftelijke toestemming voor een dergelijke doorgifte heeft gegeven en de doorgifte met inachtneming van de voorwaarden van hoofdstuk V plaatsvindt (afdeling 1.8.9 van de overeenkomst);
-
AWS EMEA moet de Commissie kennisgeven van elk verzoek om toegang tot persoonsgegevens en moet gebruikmaken van alle beschikbare rechtsmiddelen tegen deze verzoeken (afdelingen 1.8.3, 1.8.4 en 1.8.5 van de overeenkomst);
-
AWS EMEA moet ervoor zorgen dat deze maatregelen ook worden toegepast wanneer een beroep wordt gedaan op verwerkers (punt 1.8.8 van de overeenkomst).
118 In de achtste plaats heeft de Commissie de EDPS geraadpleegd over bovengenoemde contractuele bepalingen, maar de EDPS heeft voor deze bepalingen geen formele toestemming verleend op grond van artikel 48, lid 3, onder a), van verordening 2018/1725.
– Litigieuze doorgifte bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022
119 Verzoeker betoogt in wezen dat hij bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 heeft vastgesteld dat bepaalde van zijn persoonsgegevens, in het bijzonder zijn IP‑adres en informatie over zijn browser en zijn toestel, naar de Verenigde Staten waren doorgegeven. Ten eerste maakte de genoemde website gebruik van een CDN genaamd Amazon CloudFront, dat wordt geëxploiteerd door Amazon Web Services, een Amerikaanse dochteronderneming van Amazon.com. Ten tweede zijn tijdens dat bezoek persoonsgegevens van verzoeker naar de dienst Amazon CloudFront gezonden, meer bepaald naar de server van Amazon.com in Seattle (Washington, Verenigde Staten) met IP‑adres 18.66.192.74. Ten derde werd de door de CTE-website gebruikte beveiligingssleutel („SSL-certificaat”) door Amazon verstrekt, zodat moet worden aangenomen dat deze onderneming de mogelijkheid had om alle persoonsgegevens van verzoeker die naar haar servers werden doorgestuurd, met inbegrip van zijn standpunten over de toekomst van Europa, te ontsleutelen. Ten vierde is de onderneming die de dienst Amazon CloudFront aanbiedt, onderworpen aan de Amerikaanse wetten en dus verplicht om informatie te verstrekken aan de veiligheids‑ en inlichtingendiensten van de Verenigde Staten, zelfs indien de servers zich buiten dat land bevinden. Bovendien heeft de Commissie geen „aanvullende maatregelen” in de zin van het arrest Schrems II vastgesteld om een adequaat beschermingsniveau te waarborgen voor de naar de Verenigde Staten doorgegeven gegevens.
120 De Commissie betwist deze argumenten.
121 Wat betreft het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022, blijkt uit het dossier dat verzoeker deze website op die datum heeft bezocht (zie punt 3 hierboven) en dat bij dat bezoek zijn IP‑adres alsmede informatie over zijn browser en zijn toestel werden doorgezonden.
122 In dit verband zij opgemerkt dat het IP‑adres moet worden aangemerkt als persoonsgegeven in de zin van artikel 3, punt 1, van verordening 2018/1725, aangezien het aan de twee daarin gestelde voorwaarden voldoet. Ten eerste heeft deze informatie betrekking op een natuurlijke persoon en ten tweede heeft zij betrekking op een geïdentificeerde of identificeerbare persoon, in casu verzoeker (arrest van 26 april 2023, GAR/EDPS, T‑557/20, EU:T:2023:219, punt 59 , waartegen hogere voorziening is ingesteld; zie in die zin en naar analogie ook arresten van 24 november 2011, Scarlet Extended, C‑70/10, EU:C:2011:771, punt 51 , en 19 oktober 2016, Breyer, C‑582/14, EU:C:2016:779, punt 49 ). Zelfs „dynamische” IP‑adressen, die naar hun aard veranderlijk zijn, stemmen namelijk overeen met een precieze identiteit op een gegeven tijdstip, dat in casu samenvalt met het tijdstip van het bezoek aan de CTE-website.
123 Ook is aangetoond dat de in punt 121 hierboven vermelde doorgifte van persoonsgegevens door de CTE-website is geïnitieerd en dat daarbij via de dienst Amazon CloudFront gegevens werden doorgegeven aan een server met IP‑adres 18.66.192.74.
124 Daarnaast is aangetoond dat het IP‑adres 18.66.192.74 ten tijde van de feiten was toegewezen aan een server in München (Duitsland) en dat deze server eigendom was van de in Duitsland gevestigde onderneming A 100 ROW GmbH, die in de in punt 116 hierboven vermelde lijst van ondernemingen was opgenomen.
125 Hieruit volgt dat er bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 inderdaad een doorgifte van verzoekers persoonsgegevens in de zin van artikel 3, punt 1, van verordening 2018/1725, met name van zijn IP‑adres, heeft plaatsgevonden.
126 In casu is echter niet aangetoond dat er bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 een doorgifte van verzoekers persoonsgegevens naar een derde land, meer bepaald de Verenigde Staten, heeft plaatsgevonden.
127 Uit de punten 121 tot en met 124 hierboven blijkt daarentegen dat bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022, de doorgifte van verzoekers persoonsgegevens door de CTE-website is geïnitieerd, en dat daarbij gegevens via de dienst Amazon CloudFront zijn doorgegeven aan een server in München. Die server was eigendom van een in Duitsland gevestigde onderneming die deel uitmaakte van het netwerk van infrastructuurbeheerders van de dienst Amazon CloudFront, die aan de Commissie wordt verleend op basis van een overeenkomst met AWS EMEA, een in Luxemburg gevestigde onderneming.
128 Hieruit volgt dat de persoonsgegevens van verzoeker bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 werden doorgegeven aan een in de Unie gevestigde ontvanger.
129 Verzoekers persoonsgegevens zijn echter, zelfs indien wordt aangenomen dat deze het grondgebied van de Unie niet hebben verlaten, wel doorgegeven aan een server van het netwerk van perifere locaties van de dienst Amazon CloudFront, die – wat de verspreiding van de inhoud van de CTE-website betreft – een netwerk van perifere locaties omvat dat niet beperkt is tot het grondgebied van de EER, maar ruimer is (zie punt 116 hierboven).
130 De in punt 127 hierboven beschreven concrete omstandigheden tonen echter niet aan dat er persoonsgegevens werden doorgegeven aan ontvangers die buiten het grondgebied van de EER, met name in de Verenigde Staten, zijn gevestigd.
131 De litigieuze doorgifte bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 vormt dus geen doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land in de zin van artikel 46 van verordening 2018/1725, aangezien het begrip „doorgifte naar een derde land” vereist dat de persoonsgegevens ter beschikking worden gesteld van een buiten de EER gevestigde ontvanger (zie punt 93 hierboven).
132 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoekers argument dat AWS EMEA als dochteronderneming van een Amerikaanse onderneming verplicht is om persoonsgegevens aan de Amerikaanse autoriteiten over te dragen, ook al zijn deze persoonsgegevens op het grondgebied van de Unie opgeslagen.
133 Hoewel het zeker juist is dat de toegang tot in de EER verwerkte persoonsgegevens door de autoriteiten van een derde land, krachtens de wetgeving van dat land, een doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land in de zin van artikel 46 van verordening 2018/1725 vormt, neemt dit niet weg dat in casu niet is aangetoond dat een dergelijke toegang heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft namelijk niet aangetoond of aangevoerd dat hem betreffende persoonsgegevens aan de Amerikaanse autoriteiten zijn overgedragen, en evenmin het bestaan aangetoond of aangevoerd van een verzoek van die autoriteiten met betrekking tot de persoonsgegevens die zijn overgedragen aan de server van Amazon CloudFront, die zich in München bevindt.
134 Het argument van verzoeker heeft dus geen betrekking op een rechtstreekse schending van hoofdstuk V van verordening 2018/1725, maar enkel op het risico van een dergelijke schending ingeval AWS EMEA zich, wegens haar status van dochteronderneming van een Amerikaanse onderneming, niet zou kunnen verzetten tegen een verzoek van de Amerikaanse autoriteiten om toegang tot gegevens die zijn opgeslagen op servers die zich op het grondgebied van de EER bevinden.
135 Het enkele risico van toegang tot persoonsgegevens door een derde land kan echter niet worden beschouwd als een doorgifte van persoonsgegevens in de zin van artikel 46 van verordening 2018/1725, zoals uitgelegd in punt 93 hierboven, aangezien niet is aangetoond dat er persoonsgegevens van verzoeker zijn doorgegeven of op andere wijze ter beschikking zijn gesteld van een in een derde land gevestigde ontvanger. Het risico van schending van artikel 46 kan met andere woorden niet worden gelijkgesteld met een rechtstreekse schending van deze bepaling.
136 Voorts zij eraan herinnerd dat het onderzoek van het Gerecht in het kader van de onderhavige vordering tot schadevergoeding betrekking heeft op de verificatie van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie en in het bijzonder op de voorwaarde betreffende de onrechtmatigheid van het gedrag van de Commissie, die vereist dat een voldoende gekwalificeerde schending van de door verzoeker aangevoerde bepalingen van verordening 2018/1725 en van het Handvest wordt aangetoond.
137 In dit verband volstaat het enkele gevaar voor schending van de bepalingen van hoofdstuk V van verordening 2018/1725 hoe dan ook niet om een onrechtmatig handelen van de Commissie aan te tonen dat neerkomt op een voldoende gekwalificeerde schending van deze bepalingen.
138 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument dat verzoeker ontleent aan het arrest Schrems II. In dat arrest heeft het Hof zich namelijk uitgesproken over enkele van de voorwaarden waaronder persoonsgegevens naar de Verenigde Staten kunnen worden doorgegeven, en niet over de voorwaarden waaronder dergelijke gegevens op het grondgebied van de EER kunnen worden verwerkt door dochterondernemingen van vennootschappen naar Amerikaans recht, zoals AWS EMEA.
139 Uit het voorgaande volgt dat verzoeker met betrekking tot de litigieuze doorgifte bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 niet heeft aangetoond dat de Commissie een voldoende gekwalificeerde schending – in de zin van de in punt 50 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak – heeft begaan van artikel 46 en artikel 48, lid 1 en lid 2, onder b), van verordening 2018/1725 en van de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest.
140 Aangezien dus niet is voldaan aan een van de cumulatieve voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie als bedoeld in artikel 340, tweede alinea, VWEU, moet de tweede schadevordering worden afgewezen wat de litigieuze doorgifte bij het bezoek aan de CTE-website van 30 maart 2022 betreft, zonder dat verzoekers overige argumenten hoeven te worden onderzocht.
– Litigieuze doorgifte bij het bezoek aan de CTE-website van 8 juni 2022
141 Verzoeker betoogt dat zijn persoonsgegevens, waaronder zijn IP‑adres, bij de bezoeken aan de CTE-website van 8 juni 2022 aan servers van Amazon CloudFront in de Verenigde Staten werden doorgegeven. Volgens verzoeker vloeien deze doorgiften niet voort uit zijn activiteit als gebruiker van de website, maar zijn zij het gevolg van de werking van de dienst Amazon CloudFront, waarbij het risico dat persoonsgegevens naar de Verenigde Staten worden doorgegeven inherent is aan de wereldwijde infrastructuur waarop die dienst berust. Verzoekers situatie verschilt niet van die van een EU-onderdaan die de CTE-website bezoekt tijdens, bijvoorbeeld, een zakenreis naar de Verenigde Staten. De Commissie legt volgens verzoeker niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag om de doorgifte van persoonsgegevens naar de Verenigde Staten te voorkomen aangezien zij heeft gekozen voor een CDN op basis van een mondiale structuur, in plaats van voor een zuiver Europese hostoplossing.
142 Volgens verzoeker heeft deze doorgifte van persoonsgegevens hem immateriële schade berokkend in de zin van overweging 46 van verordening 2018/1725, aangezien hij de controle over zijn persoonsgegevens – die naar de Verenigde Staten zijn doorgegeven en blootgesteld waren aan een onrechtmatige controle door de Amerikaanse autoriteiten – heeft verloren, en hij van zijn rechten en vrijheden is beroofd.
143 De Commissie betwist deze argumenten.
144 Om te beginnen en gelet op verzoekers betoog, zij eraan herinnerd dat het onderzoek van het Gerecht in het kader van de onderhavige schadevordering niet rechtstreeks betrekking heeft op de rechtmatigheid van de beslissing van de Commissie om de dienst Amazon CloudFront te gebruiken voor de verspreiding van de inhoud van de CTE-website, maar op de verificatie van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie in verband met de litigieuze doorgifte bij de bezoeken aan de CTE-website van 8 juni 2022.
145 In casu acht het Gerecht het wenselijk om eerst de voorwaarde inzake het bestaan van een causaal verband tussen het vermeend onrechtmatige gedrag van de Commissie en de aangevoerde immateriële schade te behandelen.
146 Uit de in punt 55 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak blijkt dat de voorwaarde van een causaal verband betrekking heeft op het bestaan van een voldoende direct oorzakelijk verband tussen het aan de instelling verweten gedrag en de schade, welk verband door de verzoeker dient te worden bewezen, en wel in die zin dat het verweten gedrag de doorslaggevende oorzaak van de schade moet zijn.
147 Bovendien volgt uit de rechtspraak dat het voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU vereiste causaal verband aanwezig is wanneer de schade het rechtstreekse gevolg van de betrokken onrechtmatige handeling is (arrest van 28 juni 2007, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, C‑331/05 P, EU:C:2007:390, punt 23 ).
148 Wat het rechtstreekse karakter van het causaal verband betreft, heeft het Gerecht al geoordeeld dat de schade rechtstreeks moet voortvloeien uit de aangevoerde onrechtmatigheid, en niet uit een keuze van de verzoeker om op een bepaalde wijze op de beweerdelijk onrechtmatige handeling te reageren. Zo is beslist dat het enkele feit dat het onrechtmatige gedrag een noodzakelijke voorwaarde (conditio sine qua non) was voor het ontstaan van de schade, in die zin dat de schade zonder dit gedrag zich niet zou hebben voorgedaan, niet voldoende is voor de vaststelling van een causaal verband in de zin van de rechtspraak van de Unierechter (zie in die zin en naar analogie arresten van 30 november 2011, Transnational Company „Kazchrome” en ENRC Marketing/Raad en Commissie, T‑107/08, EU:T:2011:704, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 23 mei 2019, Remag Metallhandel en Jaschinsky/Commissie, T‑631/16, niet gepubliceerd, EU:T:2019:352, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 Uit de rechtspraak volgt dus dat een dergelijk causaal verband niet is aangetoond wanneer de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is van de eigen beslissing of de vrije keuze van de verzoeker en dus niet ten laste van de betrokken instelling of de betrokken instantie kan worden gelegd (zie in die zin en naar analogie arresten van 28 juni 2007, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, C‑331/05 P, EU:C:2007:390, punten 22‑29 ; 17 februari 2017, Novar/EUIPO, T‑726/14, EU:T:2017:99, punten 31 en 32 , en 28 februari 2018, Vakakis kai Synergates/Commissie, T‑292/15, EU:T:2018:103, punt 173 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
150 In casu moet dus worden onderzocht of het aan de Commissie verweten gedrag, met name het gebruik van de dienst Amazon CloudFront als netwerk voor de verspreiding van content van de CTE-website, de rechtstreekse oorzaak is van de aangevoerde immateriële schade, die bestaat in het verlies van de controle over de persoonsgegevens van verzoeker die bij het bezoek aan die website van 8 juni 2022 naar de Verenigde Staten zouden zijn doorgegeven.
151 In dit verband blijkt ten eerste uit het dossier en uit de antwoorden van partijen op de ter terechtzitting gestelde vragen dat verzoeker op 8 juni 2022 in München was en dat hij meermaals de CTE-website heeft bezocht. Tijdens deze bezoeken werden met het IP‑adres van verzoeker opeenvolgende verbindingen tot stand gebracht met verschillende servers van de dienst Amazon CloudFront, die zich geografisch zeer ver van elkaar bevonden. Zo werden met dat IP‑adres de volgende verbindingen tot stand gebracht: om 7.13 uur verbonden met een server in München, om 11.13 uur met een server in Londen (Verenigd Koninkrijk), om 12.56 uur met een server in Hillsboro (Oregon, Verenigde Staten), om 13.05 uur met een server in Newark en om 19.12 uur met een server in Frankfurt am Main (Duitsland).
152 Ten tweede blijkt uit het dossier dat verzoekers IP‑adres is doorgegeven aan de verschillende in punt 151 hierboven vermelde servers van de dienst Amazon CloudFront, met inbegrip van de servers in de Verenigde Staten.
153 Ten derde zij eraan herinnerd dat verzoekers IP‑adres een persoonsgegeven is.
154 Ten vierde moet worden opgemerkt dat de CTE-website op 8 juni 2022 in totaal 4 548 keer is bezocht en dat op die datum 18 verschillende IP‑adressen zijn geregistreerd. Van al deze IP‑adressen is slechts voor één IP‑adres, namelijk dat van verzoeker, een verbinding tot stand gebracht met servers buiten de Unie, te weten de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. In dit verband zij opgemerkt dat niet is aangetoond of zelfs maar gesteld dat de dienst Amazon CloudFront voor de CTE-website op 8 juni 2022 technische problemen of problemen van een andere aard zou hebben ondervonden, hetgeen in de weg stond aan de normale werking van het routingmechanisme volgens het nabijheidsbeginsel, volgens hetwelk de aanvragen van de gebruikers van de CTE-website worden gestuurd naar de perifere server die naargelang van de geografische locatie van de gebruiker de laagste latentietijd biedt (zie punt 112 hierboven).
155 Wat ten vijfde de omstandigheden rondom de door verzoekers IP‑adres tot stand gebrachte verbindingen met servers in de Verenigde Staten betreft, blijkt uit het dossier en uit de antwoorden van partijen ter terechtzitting dat verzoeker betoogt dat deze verbindingen het resultaat waren van de werking van Amazon CloudFront en niet van enige manipulatie die hij zou hebben uitgevoerd. Voorts merkt de Commissie op dat deze verbindingen atypisch waren en alleen kunnen worden verklaard door een technische manipulatie door verzoeker.
156 In dit verband moet worden vastgesteld dat de in punt 151 hierboven beschreven omstandigheden aantonen dat de verschillende locaties van de servers waarmee verzoekers IP‑adres een verbinding tot stand heeft gebracht, niet het gevolg konden zijn van verzoekers fysieke verplaatsingen op dezelfde dag, die – gelet op de betrokken afstanden en tijdintervallen – onmogelijk zijn. Bovendien is er geen disfunctie van de dienst Amazon CloudFront aangetoond of zelfs maar aangevoerd, zodat kan worden vastgesteld dat die dienst op 8 juni 2022 functioneerde volgens het beginsel van nabijheid van het toestel van de gebruiker, waarbij zijn routingmechanisme de aanvragen van de gebruikers van de CTE-website stuurde naar de perifere server die de laagste latentietijd bood (zie punt 154 hierboven).
157 In die omstandigheden kunnen de verbindingen van verzoekers IP‑adres met servers die zich in de Verenigde Staten bevinden, terwijl hijzelf in Duitsland was, niet voortvloeien uit de normale werking van de dienst Amazon CloudFront, maar veeleer uit een door verzoeker verrichte technische aanpassing om zijn werkelijke locatie te wijzigen, waarbij hij zich in het digitale domein aanmeldt alsof hij zich op dezelfde dag achtereenvolgens op plaatsen nabij München, Londen, Hillsboro, Newark en Frankfurt am Main bevond.
158 Hieruit volgt dat de werking van de dienst Amazon CloudFront – met zijn routingmechanisme dat volgens het nabijheidsbeginsel functioneert en betrekking heeft op een ruimer geografisch gebied dan het grondgebied van de EER, dat met name de Verenigde Staten omvat (zie punten 112 en 114 hierboven) – het inderdaad mogelijk heeft gemaakt dat bij de bezoeken aan de CTE-website via het IP‑adres van verzoeker verbindingen tot stand zijn gebracht met servers van Amazon CloudFront die zich in de Verenigde Staten bevinden.
159 Hoewel het gebruik door de Commissie van de dienst Amazon CloudFront een noodzakelijke voorwaarde is voor de in punt 152 bedoelde doorgiften van persoonsgegevens naar de Verenigde Staten, volstaat dit in de omstandigheden van het onderhavige geval echter niet om te kunnen spreken van een voldoende rechtstreeks causaal verband tussen de door verzoeker aangevoerde immateriële schade en het vermeende onrechtmatige gedrag van de Commissie, dat bestaat in het gebruik van die dienst in strijd met de bepalingen van hoofdstuk V van verordening 2018/1725.
160 De rechtstreekse en onmiddellijke oorzaak van de gestelde immateriële schade moet namelijk worden geacht het gedrag van verzoeker te zijn, en niet de fout die de Commissie zou hebben begaan door de dienst Amazon CloudFront te gebruiken.
161 Zo heeft verzoeker de noodzakelijke voorwaarden gecreëerd om via de werking van de dienst Amazon CloudFront verbindingen tot stand te brengen met servers in de Verenigde Staten. Verzoekers gedrag heeft ertoe geleid dat het routingmechanisme van de dienst Amazon CloudFront zijn verzoeken om de CTE-website te bezoeken heeft gestuurd naar servers in de Verenigde Staten, aangezien deze servers de laagste latentietijd boden voor verzoekers schijnbare digitale locatie, terwijl die locatie niet met zijn werkelijke locatie overeenstemde.
162 Bovendien is verzoeker niet gerechtigd een gedraging te stellen die erop gericht is een bepaald resultaat te bereiken (te weten de doorgifte van zijn persoonsgegevens naar een derde land) en vervolgens vergoeding te vorderen van de schade die hij beweert te hebben geleden als gevolg van dit resultaat, waarvan zijn gedrag de rechtstreekse oorzaak was. Anders dan verzoeker stelt, kan in het kader van een beroep tot schadevergoeding zoals in casu, zijn situatie dus niet op soortgelijke wijze worden beoordeeld als die van een gebruiker die zich daadwerkelijk naar de Verenigde Staten zou hebben begeven en derhalve vanuit dat land de CTE-website zou hebben bezocht.
163 Uit het voorgaande volgt dat, wat de litigieuze doorgifte bij de bezoeken aan de CTE-website van 8 juni 2022 betreft, niet is aangetoond dat er sprake is van een voldoende rechtstreeks causaal verband tussen het vermeende onrechtmatige gedrag van de Commissie en de aangevoerde immateriële schade.
164 Aangezien niet is voldaan aan een van de cumulatieve voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, moet de tweede schadevordering worden afgewezen met betrekking tot de litigieuze doorgifte bij de bezoeken aan de CTE-website van 8 juni 2022, zonder dat de overige voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid hoeven te worden onderzocht.
– Litigieuze doorgifte bij de aanmelding op EU Login van 30 maart 2022
165 Verzoeker betoogt dat op 30 maart 2022, toen hij zich registreerde voor het „GoGreen”-evenement op de CTE-website, zijn IP‑adres en informatie over zijn browser en toestel zijn doorgegeven aan de onderneming Meta Platforms, de in de Verenigde Staten gevestigde eigenaar van het sociale netwerk Facebook. Bij die registratie is verzoeker namelijk verder geleid naar EU Login, de authenticatiedienst van de Unie, die de mogelijkheid biedt om zich via verschillende sociale netwerken aan te melden. Verzoeker heeft ervoor gekozen om zich via zijn Facebookaccount aan te melden. Toen hij op de hyperlink klikte die hem naar Facebook doorverwees, heeft deze link geleid tot doorzending van zijn IP‑adres naar Facebook. Verzoeker heeft enkel de „essentiële cookies” van Facebook aanvaard. Andere persoonsgegevens van verzoeker, te weten zijn e‑mailadres, naam en voornaam en profielfoto, zijn door Facebook verzameld met behulp van cookies, met name de „sb”-cookie, en aan de servers van Meta Platforms doorgegeven. Uit de rechtspraak blijkt dat beheerders van websites die Facebook op hun websites gebruiken, zoals de Commissie, samen met Facebook verantwoordelijk zijn voor de naleving van het Unierecht inzake gegevensbescherming. De Commissie is dus medeverantwoordelijk voor het plaatsen van de door Facebook opgeslagen cookies. Verzoeker heeft de controle verloren over de persoonsgegevens die aan Facebook zijn doorgegeven en is van zijn rechten en vrijheden beroofd, hetgeen immateriële schade vormt in de zin van overweging 46 van verordening 2018/1725.
166 De Commissie betwist deze argumenten. Zij voert in wezen aan dat zij geen gegevens aan Meta Platforms heeft doorgegeven noch dergelijke overdrachten heeft geïnitieerd. Er bestond geen verplichting om zich via EU Login te registreren voor het „GoGreen”-evenement. Zelfs bij gebruik van EU Login beschikte verzoeker over verschillende mogelijkheden om zich te authenticeren, die niet allemaal het gebruik van een account op sociale media vereisten. Het is dus de keuze geweest van verzoeker om zich met zijn Facebookaccount op de EU Login gebruikersauthenticatiedienst aan te melden, zodat hij – en niet de Commissie – de verbinding met de website van Facebook heeft geïnitieerd. Bovendien vindt op technisch vlak de keuze om zich via Facebook te authenticeren plaats door middel van de hyperlink op de website van EU Login, die geen persoonsgegevens van de gebruiker bevat. Anders dan verzoeker betoogt, worden de gegevens die worden verzameld door de door Facebook gebruikte cookies niet aan de Commissie doorgegeven wanneer er met EU Login wordt aangemeld, en vallen die gegevens niet onder de verantwoordelijkheid van die instelling. Deze cookies zijn het resultaat van de uitwisselingen tussen Facebook en verzoeker, op basis van de door hem gegeven toestemmingen, en de Commissie is bij deze uitwisselingen niet betrokken. Voorts betoogt de Commissie dat de door verzoeker aangehaalde rechtspraak in casu niet van toepassing is en dat het argument van verzoeker, dat de Commissie en Meta Platforms gezamenlijk aansprakelijk zijn, hoe dan ook een nieuw middel is dat voor het eerst in repliek is aangevoerd, zodat het niet-ontvankelijk is.
167 In casu moet eerst het feitelijke kader worden onderzocht waarbinnen de litigieuze doorgifte bij de aanmelding bij EU Login van 30 maart 2022 plaatsvond, waarbij rekening moet worden gehouden met de elementen die blijken uit het dossier almede met de antwoorden van partijen op de door het Gerecht ter terechtzitting gestelde vragen en de maatregel tot organisatie van de procesgang van 9 februari 2024.
168 In dit verband moet worden opgemerkt dat het „GoGreen”-evenement, dat door een in Nederland gevestigde instantie werd georganiseerd, op de CTE-website werd aangekondigd. Registratie voor dit evenement was onder meer mogelijk op de CTE-website, via de EU Login-authenticatiedienst.
169 Verzoeker heeft ervoor gekozen om zich met EU Login op de CTE-website te registreren.
170 EU Login is de gebruikersauthenticatiedienst van de Commissie die honderden websites en toepassingen van de Unie beschermt. In casu had de aanmelding bij EU Login met het oog op de registratie voor het „GoGreen”-evenement tot doel ervoor te zorgen dat die registratie met een geverifieerd e‑mailadres gebeurde en tegelijkertijd de risico’s op registratie van valse gebruikers of identiteitsdiefstal te beperken.
171 EU Login biedt op haar webpagina verschillende mogelijkheden aan om zich aan te melden. De eerste mogelijkheid is een rechtstreekse aanmelding bij EU Login, hetzij door de inloggegevens voor een reeds bestaand EU Login-account in te vullen, hetzij door een account voor deze authenticatiedienst te creëren. De tweede mogelijkheid is het gebruik van een „e-ID” elektronische identiteitskaart, die voor burgers van bepaalde lidstaten beschikbaar is. De derde mogelijkheid – die slechts voor een beperkt aantal diensten beschikbaar is – bestaat erin een door de gebruiker reeds aangemaakt Facebook-, Twitter-, of Googleaccount te gebruiken door te klikken op de overeenkomstige hyperlink die op de website van EU Login wordt weergegeven.
172 De mogelijkheid om zich aan te melden bij EU Login via een Facebookaccount vloeit voort uit het feit dat de Commissie van mening was dat gebruikers de keuze moeten krijgen om zich via reeds bestaande platformaccounts aan te melden bij EU Login, om hun gemakkelijker en sneller toegang te verlenen en hun de mogelijkheid te bieden om zich te authenticeren zonder dat zij een EU Login-account hoeven aan te maken en aldus te voorkomen dat het aantal accounts en entiteiten waarmee gebruikers hun persoonsgegevens moeten delen, steeds groter wordt. De Commissie was ook van mening dat zij mocht vertrouwen op Facebook voor de verificatie van de e‑mailadressen van de gebruikers, gezien de door deze onderneming genomen maatregelen. De hyperlink waarmee gebruikers via een reeds bestaand Facebookaccount verbinding kunnen maken, is op EU Login echter alleen beschikbaar voor websites of toepassingen die enkel een basisniveau van beveiliging vereisen.
173 Verzoeker heeft ervoor gekozen om zich via zijn Facebookaccount aan te melden bij EU Login, door gebruik te maken van de op de website van EU Login weergegeven hyperlink „aanmelden met Facebook” (hierna: „hyperlink ‚aanmelden met Facebook’”).
174 De hyperlink „aanmelden met Facebook” bevat een link naar een externe website. Wanneer deze hyperlink wordt geactiveerd door erop te klikken, geeft zij toegang tot een URL van de website van Facebook, dat wil zeggen tot een individueel adres van die website.
175 De toegang tot de URL van de website van Facebook brengt een communicatie tussen de browser van de gebruiker en die website tot stand, waarbij de browser het IP‑adres van de gebruiker naar de betrokken website doorzendt. Deze doorzending is vergelijkbaar met de doorzending die plaatsvindt wanneer een gebruiker de URL van om het even welke website rechtstreeks in zijn browser ingeeft, aangezien het IP‑adres noodzakelijkerwijs moet worden verstrekt door elke internetgebruiker die toegang tot een website wenst te verkrijgen.
176 Via de hyperlink „aanmelden met Facebook” stuurt EU Login bepaalde gegevens naar Facebook, die nodig zijn voor het authenticatieproces en er bijvoorbeeld uitzien als volgt:
177 Meer in het bijzonder bevat de hyperlink „aanmelden met Facebook” de volgende informatie:
-
ten eerste bevat het onderdeel „client_id=1200572836629487” een „unieke identificatiecode” waarmee EU Login als toepassing wordt aangeduid. Dat identificatienummer is hetzelfde voor alle gebruikers die zich via Facebook willen aanmelden bij EU Login;
-
ten tweede bevat het onderdeel „redirect_uri=https%3A%2F%2Fecas.ec.europa.eu%2Fcas%2FoAuthCallback” de algemene URL van EU Login; dit is het adres waarnaar Facebook de gebruiker moet doorverwijzen nadat hij ermee heeft ingestemd dat zijn persoonsgegevens door Facebook aan EU Login worden doorgezonden;
-
ten derde bevat het onderdeel „scope=email” de gegevens die Facebook aan EU Login moet doorzenden om een succesvolle authenticatie van de gebruiker te waarborgen, met name het e‑mailadres van de gebruiker en de voor‑ en familienaam die op de website van Facebook zijn vermeld bij het aanmaken van een Facebookaccount;
-
ten vierde geeft het onderdeel „state=useFacebook” aan dat de daaropvolgende lange reeks tekens een aselecte veiligheidswaarde is, die wordt gebruikt om beveiligingsaanvallen te voorkomen en die een beperkte geldigheidsduur heeft. Deze aselecte veiligheidswaarde wordt willekeurig gegenereerd door EU Login en vervult de functie van geheime zin, die Facebook bij de doorzending van gegevens aan EU Login moet herhalen, zodat EU Login kan weten dat het meegedeelde e‑mailadres en de meegedeelde voor‑ en familienaam de gebruiker betreffen die heeft gekozen voor de authenticatiemethode. Wanneer de termijn is verstreken of de gebruiker reeds is geauthenticeerd, kan de veiligheidswaarde niet meer worden gebruikt, en
-
ten vijfde geeft het onderdeel „response_type=code” aan dat de doorzending van persoonsgegevens door Facebook aan EU Login ook nog vergezeld gaat van een unieke code. Deze unieke code bevat de hierboven vermelde aselecte veiligheidswaarde. De unieke code stemt overeen met een uniek registratienummer of een serienummer dat de door Facebook aan EU Login doorgezonden gegevens authenticeert.
178 Zodra de gebruiker de URL van Facebook opent, bevindt hij zich op die website, waar eerst een venster verschijnt waarin de gebruiker wordt gevraagd om het gebruik van „cookies” door Facebook te aanvaarden. Indien de cookies worden aanvaard, wordt vervolgens een ander venster geopend waarin de gebruikersnaam en het wachtwoord voor het Facebookaccount kunnen worden ingevuld. Ten slotte kan de gebruiker, eens hij is aangemeld op zijn Facebookaccount, Facebook toestemming geven om de cookies te gebruiken voor andere toepassingen en websites, door te antwoorden op de vraag „Allow Facebook to use cookies and similar technologies placed on other apps and websites?”. Indien de gebruiker met dit gebruik instemt, wordt hij vervolgens verzocht om ermee in te stemmen dat Facebook aan EU Login de aan zijn Facebookaccount gekoppelde voornaam, familienaam, profielfoto en e‑mailadres verstrekt. De gebruiker kan tijdens heel dit proces de authenticatie via zijn Facebookaccount onderbreken door de optie „Cancel” te kiezen. In dit geval wordt de gebruiker verder geleid naar de website van EU-login, waar de pagina met de aanmeldmogelijkheden opnieuw wordt weergegeven.
179 In casu heeft verzoeker, toen hij op de hyperlink „aanmelden met Facebook” klikte, via zijn browser een verbinding tot stand gebracht met de URL van de website van Facebook en bijgevolg zijn IP‑adres aan die website verstrekt. Vervolgens heeft verzoeker, toen hij zich op de website van Facebook bevond, de opties gekozen waarbij Facebook uitsluitend essentiële cookies mocht gebruiken. Daarna heeft hij zich aangemeld op zijn Facebookaccount en ten slotte heeft hij Facebook toestemming verleend om aan EU Login zijn voornaam, familienaam, profielfoto en e‑mailadres mee te delen zoals hij deze op zijn Facebookaccount had aangegeven.
180 Nadat verzoeker de voornoemde toestemmingen had verleend, heeft Facebook hem overeenkomstig de aanwijzingen in de hyperlink „aanmelden met Facebook” verder geleid naar de website van EU Login (zie punt 177, eerste en tweede streepje, hierboven).
181 Op hetzelfde ogenblik heeft Facebook aan EU Login de – in punt 177, vierde en vijfde streepje, hierboven, vermelde – aselecte veiligheidswaarde en unieke code verstrekt. Ten eerste heeft deze mededeling van Facebook EU Login in staat gesteld te weten dat de door Facebook verstrekte persoonsgegevens betrekking hadden op de gebruiker die het authenticatieproces had geïnitieerd, in casu verzoeker. Ten tweede heeft die mededeling EU Login gedurende een beperkte periode toegang verleend tot de in punt 177, derde streepje, hierboven, genoemde persoonsgegevens, met name de voornaam, familienaam en het e‑mailadres van verzoeker, zoals hij deze op zijn Facebookaccount heeft aangegeven. Facebook heeft deze gegevens via een versleutelde verbinding aan EU Login doorgezonden, waarop EU Login de door Facebook verstrekte gegevens heeft gebruikt om verzoekers e‑mailadres te authenticeren.
182 Tevens moet worden opgemerkt dat het sociale netwerk Facebook eigendom is van Meta Platforms, een in de Verenigde Staten gevestigde onderneming.
183 Bovendien moet worden opgemerkt dat de weergave van deze hyperlink op de website van EU Login wordt geregeld door de algemene voorwaarden van het Facebookplatform, die beschikbaar zijn op het internetadres „https://developers.facebook.com/terms”.
184 In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie.
185 Verzoeker betoogt in wezen dat bij zijn aanmelding bij EU Login van 30 maart 2022, hem betreffende persoonsgegevens, waaronder zijn IP‑adres, werden doorgegeven aan servers van het sociale netwerk Facebook, waarvan de eigenaar in de Verenigde Staten is gevestigd. Deze doorgifte is gebeurd in strijd met artikel 46 van verordening 2018/1725 en heeft verzoeker immateriële schade berokkend, bestaande in het verlies van de controle over zijn gegevens en in de ontneming van zijn rechten en vrijheden.
186 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 95 hierboven, een doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land in de zin van artikel 46 van verordening 2018/1725 vereist dat een instelling, instantie of orgaan van de Unie persoonsgegevens doorgeeft of op andere wijze ter beschikking stelt van een ontvanger die is gevestigd in een derde land, dat wil zeggen een land dat noch lid is van de Unie, noch van de EER.
187 In casu is ten eerste aangetoond dat verzoeker, onder de mogelijkheden die hem werden geboden om aan te melden bij EU Login, ervoor heeft gekozen om zich met zijn Facebookaccount aan te melden. Ten tweede bevat de hyperlink „aanmelden met Facebook” een link naar een URL van de website van Facebook. Ten derde heeft verzoeker, toen hij deze hyperlink heeft geactiveerd door erop te klikken, via zijn browser een verbinding tot stand gebracht met de URL van de website van Facebook en vervolgens zijn IP‑adres naar Facebook doorgezonden (zie punten 173‑175 hierboven).
188 Hieruit volgt dat de Commissie via de op de webpagina van EU Login weergegeven hyperlink „aanmelden met Facebook” de voorwaarden heeft gecreëerd waaronder verzoekers IP‑adres aan Facebook kon worden doorgezonden. Dit IP‑adres valt echter onder verzoekers persoonsgegevens (zie punt 122 hierboven), dat via die hyperlink aan de in de Verenigde Staten gevestigde onderneming Meta Platforms werd doorgezonden. Deze doorzending komt dus neer op een doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land in de zin van artikel 46 van verordening 2018/1725.
189 Bovendien is in casu aangetoond dat er ten tijde van die doorgifte van persoonsgegevens, te weten op 30 maart 2022, voor de Verenigde Staten geen adequaatheidsbesluit in de zin van artikel 47 van verordening 2018/1725 bestond (zie punt 100 hierboven).
190 Bij gebreke van een adequaatheidsbesluit van de Commissie met betrekking tot de Verenigde Staten, mogen persoonsgegevens overeenkomstig artikel 48, lid 1, van verordening 2018/1725 alleen aan een derde land of een internationale organisatie worden doorgegeven als de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker passende waarborgen biedt en betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken (zie punt 101 hierboven).
191 In casu heeft de Commissie niet aangetoond of zelfs maar aangevoerd dat er sprake is van een passende waarborg, met name een standaardbepaling inzake gegevensbescherming of een contractuele bepaling die is vastgesteld onder de voorwaarden van artikel 48, leden 2 en 3, van verordening 2018/1725 (zie punten 102‑104 hierboven). Daarentegen is wel aangetoond dat de weergave van de hyperlink „aanmelden met Facebook” op de website van EU Login eenvoudigweg door de algemene voorwaarden van het Facebookplatform wordt geregeld (zie punt 183 hierboven).
192 Bijgevolg heeft de Commissie de voorwaarden gecreëerd voor een doorgifte van verzoekers persoonsgegevens naar een derde land, zonder evenwel aan de voorwaarden van artikel 46 van verordening 2018/1725 te voldoen.
193 Derhalve moet worden vastgesteld dat, zonder dat de andere argumenten van verzoeker moeten worden onderzocht, de Commissie met betrekking tot de litigieuze doorgifte bij de aanmelding bij EU Login van 30 maart 2022 een voldoende gekwalificeerde schending – in de zin van de in punt 50 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak – heeft begaan van artikel 46 van verordening 2018/1725.
194 Er moet dan ook worden onderzocht of in casu aan de andere voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie, met name de schade en het causaal verband, is voldaan.
195 Verzoeker stelt dat hij door de onrechtmatige doorgifte van zijn IP‑adres aan een in de Verenigde Staten gevestigde onderneming immateriële schade heeft geleden, bestaande in het verlies van de controle over zijn gegevens en in de ontneming van zijn rechten en vrijheden.
196 In dit verband moet worden overwogen dat artikel 65 van verordening 2018/1725 niet alleen recht geeft op vergoeding van de materiële schade, maar ook op vergoeding van de immateriële schade die ten gevolge van een inbreuk op die verordening is geleden, zonder dat een ernstcriterium hoeft te worden aangetoond [zie in die zin en naar analogie arrest van 4 mei 2023, Österreichische Post (Immateriële schade ten gevolge van de verwerking van persoonsgegevens), C‑300/21, EU:C:2023:370, punten 45 en 51 ].
197 In het onderhavige geval moet de door verzoeker aangevoerde immateriële schade als reëel en zeker worden beschouwd in de zin van de in punt 54 genoemde rechtspraak, aangezien de in punt 188 hierboven genoemde doorgifte, die in strijd met artikel 46 van verordening 2018/1725 is uitgevoerd, verzoeker in een situatie van onzekerheid heeft gebracht aangaande de verwerking van zijn persoonsgegevens, waaronder zijn IP‑adres.
198 Bovendien bestaat er een voldoende direct oorzakelijk verband in de zin van de in punt 55 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak tussen de schending door de Commissie van artikel 46 van verordening 2018/1725 en de door verzoeker geleden immateriële schade.
199 In de omstandigheden van het onderhavige geval moet het bedrag van de door de Commissie veroorzaakte immateriële schade ex aequo et bono worden begroot op 400 EUR.
200 Derhalve moet de Commissie worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van 400 EUR aan verzoeker ter vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van de litigieuze doorgifte bij de aanmelding bij EU Login van 30 maart 2022.
Kosten
201 Ingevolge artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht draagt elke partij haar eigen kosten indien de partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, kan het Gerecht evenwel beslissen dat een partij behalve in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.
202 In casu is verzoeker op het eerste en tweede punt alsmede op een deel van het derde punt van zijn vordering in het ongelijk gesteld. De derde vordering is evenwel gedeeltelijk toegewezen en de Commissie wordt veroordeeld tot betaling van de vergoeding die verzoeker heeft gevorderd voor de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van de litigieuze doorgifte bij de aanmelding bij EU Login van 30 maart 2022. In die omstandigheden dient de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in de helft van verzoekers kosten. Verzoeker zal de helft van zijn eigen kosten dragen.
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),
rechtdoende, verklaart:
-
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wat betreft de vordering tot nietigverklaring.
-
Er behoeft niet meer te worden beslist op de vordering tot vaststelling dat de Europese Commissie op onrechtmatige wijze heeft verzuimd een standpunt in te nemen over het verzoek om informatie van Thomas Bindl van 1 april 2022.
-
De Commissie wordt veroordeeld tot betaling aan Bindl van het bedrag van 400 EUR ter vergoeding van de geleden immateriële schade.
-
De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen voor het overige.
-
De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in de helft van de kosten van Bindl.
-
Bindl wordt verwezen in de helft van zijn eigen kosten.
Costeira
Kancheva
Öberg
Zilgalvis
Tichy-Fisslberger
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 januari 2025.
ondertekeningen