„Bij deze richtlijn worden de regels vastgesteld betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid.”
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 28 november 2024
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 28 november 2024
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 28 november 2024
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vijfde kamer)
28 november 2024(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens - Richtlijn (EU) 2016/680 - Artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c) - Artikel 8, leden 1 en 2 - Artikel 10 - In verdenking gestelde persoon - Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens - Gegevensverzameling onder dwang - Doelstellingen van voorkoming en opsporing van strafbare feiten - Uitlegging van het arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens) (C‑205/21, EU:C:2023:49) - Verplichting tot conforme uitlegging - Beoordeling van de strikte noodzakelijkheid van de verwerking van gevoelige gegevens - Rol van de bevoegde autoriteiten”"
In zaak C‑80/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 14 februari 2023, ingekomen bij het Hof op 14 februari 2023, in de strafprocedure tegen
V.S.,
in tegenwoordigheid van:
Ministerstvo na vatreshnite raboti, Glavna direktsia za borba s organiziranata prestapnost,
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur) en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
-
de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en T. Tsingileva als gemachtigden,
-
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth en Z. Fehér als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, C. Georgieva, H. Kranenborg en F. Wilman als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, aanhef en onder a), en artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen V.S. en betreft het onder dwang verzamelen van haar biometrische en genetische gegevens met het oog op de registratie ervan.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Overweging 37 van richtlijn 2016/680 luidt als volgt:
„Persoonsgegevens die door hun aard bijzonder gevoelig zijn wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden verdienen specifieke bescherming aangezien de context van de verwerking ervan aanzienlijke risico’s voor de grondrechten en fundamentele vrijheden kan meebrengen. […] De verwerking van die gegevens dient […] bij wet toegelaten te zijn wanneer de betrokkene uitdrukkelijk heeft toegestemd met de verwerking die een ingrijpende inbreuk vormt op zijn privacy. De toestemming van de betrokkene op zich mag evenwel geen rechtsgrond vormen voor de verwerking van die gevoelige persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten.”
4 Artikel 1 („Onderwerp en doelstellingen”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1:
5 Artikel 3 van deze richtlijn is als volgt verwoord:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
7.‚bevoegde autoriteit’:
iedere overheidsinstantie die bevoegd is voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; of
ieder ander orgaan dat of iedere andere entiteit die krachtens het lidstatelijke recht is gemachtigd openbaar gezag en openbare bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid;
[…]”
6 Artikel 4 („Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens”) van diezelfde richtlijn bepaalt in lid 1:
„De lidstaten schrijven voor dat persoonsgegevens:
rechtmatig en eerlijk worden verwerkt;
voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verzameld en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt;
toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig in verhouding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, zijn;
[…]”
7 In artikel 6 („Onderscheid tussen verschillende categorieën van betrokkenen”) van richtlijn 2016/680 is het volgende bepaald:
„De lidstaten schrijven voor dat de verwerkingsverantwoordelijke, in voorkomend geval en voor zover mogelijk, een duidelijk onderscheid maakt tussen persoonsgegevens betreffende verschillende categorieën van betrokkenen, zoals:
personen ten aanzien van wie gegronde vermoedens bestaan dat zij een strafbaar feit hebben gepleegd of zullen plegen;
[…]”
8 Artikel 8 („Rechtmatigheid van de verwerking”) van deze richtlijn bepaalt:
„1.De lidstaten zorgen ervoor dat verwerking alleen rechtmatig is indien en voor zover die verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering door een bevoegde autoriteit van een taak voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde doeleinden, en dat die verwerking gebaseerd is op het Unierecht of het lidstatelijke recht.
2.In het lidstatelijke recht dat verwerking binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn regelt, worden ten minste de verwerkingsdoeleinden, de te verwerken persoonsgegevens en de doeleinden van de verwerking gespecificeerd.”
9 Artikel 10 („Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens”) van die verordening luidt als volgt:
„Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijkt, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, gegevens over gezondheid of gegevens over seksueel gedrag of seksuele gerichtheid van een natuurlijke persoon zijn slechts toegelaten wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is, geschiedt met inachtneming van passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene, en:
bij het Unierecht of het lidstatelijke recht is toegestaan;
noodzakelijk is om vitale belangen van de betrokkene of een andere natuurlijke persoon te beschermen; of
die verwerking betrekking heeft op gegevens die kennelijk door de betrokkene zelf openbaar zijn gemaakt.”
Bulgaars recht
NK
10 Krachtens artikel 11, lid 2, van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht), in de versie die van toepassing is op de hoofdprocedure (hierna: „NK”), zijn strafbare feiten opzettelijk gepleegd wanneer de dader zich bewust is van de aard van zijn handeling, of wanneer hij de uitkomst van het strafbare feit heeft gewild of mogelijk heeft gemaakt. De overgrote meerderheid van de in de NK opgenomen strafbare feiten zijn opzettelijk gepleegde strafbare feiten.
NPK
11 Volgens artikel 46, lid 1, en artikel 80 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering), in de versie die van toepassing is op de hoofdprocedure (hierna: „NPK”), worden strafbare feiten ofwel ambtshalve – dat wil zeggen op aanklacht van het openbaar ministerie –, ofwel door de civiele partij vervolgd. Bijna alle in de NK opgenomen strafbare feiten worden ambtshalve vervolgd.
12 Artikel 219, lid 1, NPK bepaalt dat „wanneer er voldoende bewijs is verzameld dat een bepaalde persoon een ambtshalve vervolgbaar strafbaar feit heeft gepleegd”, deze persoon in verdenking wordt gesteld en daarvan in kennis wordt gesteld. Hij kan aan verschillende procedurele dwangmaatregelen worden onderworpen, waartegen hij zich evenwel kan verdedigen door verklaringen af te leggen of bewijzen aan te dragen.
13 Overeenkomstig het NPK is voor de onderzoeksmaatregelen die tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek met het oog op het verzamelen van bewijsmateriaal worden genomen en die de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen aantasten, in beginsel de voorafgaande toestemming van een rechter vereist.
14 Tot deze onderzoeksmaatregelen behoort onder meer het onderzoek van een persoon als bedoeld in artikel 158 NPK. Dit onderzoek beoogt in wezen de fysieke kenmerken van de persoon vast te stellen en kan zo nodig het nemen van foto’s en vingerafdrukken en het opstellen van een DNA-profiel omvatten. Dit onderzoek vindt plaats met instemming van de betrokkene. In geval van weigering worden deze gegevens verzameld onder dwang, onder voorbehoud van voorafgaande toestemming van de rechter, behalve in spoedeisende gevallen, in welk geval een verzoek om rechterlijke goedkeuring a posteriori moet worden ingediend.
15 In die situatie wordt het strafdossier overgelegd aan de bevoegde rechter, die alle stukken kan bestuderen teneinde te beoordelen of het verzoek om voorafgaande toestemming of goedkeuring a posteriori gegrond is.
ZMVR
16 Krachtens artikel 6 van de zakon sa Ministerstvo na vatreshnite raboti (wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken) (DV nr. 53 van 27 juni 2014), in de versie die van toepassing is op de hoofdprocedure (hierna: „ZMVR”), verricht het ministerie van Binnenlandse Zaken bepaalde kernactiviteiten, waaronder operationeel onderzoek en toezicht, onderzoek met betrekking tot strafbare feiten en inlichtingenwerk.
17 Krachtens artikel 27 ZMVR worden de door de politie op grond van artikel 68 van deze wet geregistreerde gegevens uitsluitend gebruikt in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid, de bestrijding van criminaliteit en de handhaving van de openbare orde.
18 Artikel 68 ZMVR bepaalt:
„1.De politiediensten verrichten een politiële registratie van personen die in verdenking zijn gesteld wegens een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit. […]
2.De politiële registratie is een vorm van verwerking van persoonsgegevens van de in lid 1 bedoelde personen en wordt verricht volgens de bepalingen van de onderhavige wet.
3.Met het oog op politiële registratie gaan de politiediensten over tot:
het verzamelen van de persoonsgegevens zoals vermeld in artikel 18 van de [zakon za balgarskite lichni dokumenti (wet op de Bulgaarse identiteitsdocumenten)];
het nemen van vingerafdrukken en foto’s van de betrokkenen;
het nemen van stalen voor het opstellen van een DNA-profiel van de betrokkenen.
4.De instemming van de betrokkene is niet vereist voor het uitvoeren van de in lid 3, punt 1, bedoelde handelingen.
5.De betrokkene dient zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de in lid 3 genoemde handelingen door de politiediensten en mag hen daarin niet hinderen of belemmeren. In geval van weigering door de betrokkene worden de in lid 3, punten 2 en 3, bedoelde handelingen onder dwang uitgevoerd na toestemming hiertoe door de rechter in eerste aanleg die bevoegd is voor het ambtshalve vervolgbare strafbare feit waarvan de betrokkene in verdenking werd gesteld.
[…]”
NRISPR
19 De naredba za reda za izvarshvane i snemane na politseyska registratsia (verordening tot vaststelling van de wijze waarop de politiële registratie wordt verricht) (DV nr. 90 van 31 oktober 2014), in de versie die van toepassing is op de hoofdprocedure (hierna: „NRISPR”), stelt de uitvoeringsbepalingen vast voor de in artikel 68 ZMVR bedoelde politiële registratie.
20 Krachtens artikel 11, lid 2, NRISPR krijgt de door de politie te registreren persoon een verklaring overhandigd die hij dient in te vullen en waarin hij aangeeft of hij al dan niet instemt met de maatregelen bestaande in het nemen van foto’s, vingerafdrukken en DNA-stalen. Volgens artikel 11, lid 4, NRISPR moet de politie, indien de betrokkene daar niet mee instemt, de bevoegde rechter verzoeken om toe te staan dat deze maatregelen onder dwang worden uitgevoerd.
Hoofdprocedure en prejudiciële vragen
21 Bij akte van 1 maart 2021 is V.S. op grond van artikel 255 en artikel 321, leden 2 en 3, NK in verdenking gesteld omdat zij samen met drie andere personen, in het kader van de activiteiten van twee handelsvennootschappen, had deelgenomen aan een criminele organisatie die was opgericht met het doel zich te verrijken, om op gecoördineerde wijze strafbare feiten te plegen op het Bulgaarse grondgebied met betrekking tot de vaststelling en de betaling van belastingschulden in verband met de belasting over de toegevoegde waarde.
22 Na de betekening van die akte van inverdenkingstelling is V.S. door de politiediensten, die de bevoegde autoriteiten zijn in de zin van artikel 3, punt 7, van richtlijn 2016/680, verzocht zich aan de in artikel 68 ZMVR bedoelde politiële registratie te onderwerpen. Er werd haar een formulier voorgelegd waarin zij heeft verklaard dat zij in kennis was gesteld dat er een wettelijke grondslag bestond voor het verrichten van deze politiële registratie, maar dat zij er niet mee instemde om zich te laten fotograferen en vingerafdrukken te laten afnemen met het oog op de registratie van die gegevens en stalen af te staan met het oog op het opstellen van haar DNA-profiel. Deze politiediensten hebben die gegevens niet verzameld en hebben zich tot de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) gewend om deze gegevens onder dwang te kunnen verzamelen.
23 De politiediensten hebben in hun bij deze rechter ingediende verzoek aangegeven dat er voldoende bewijs was verzameld van de schuld van de vervolgde personen, met inbegrip van V.S., in het kader van de betrokken strafzaak. In dat verzoek stond dat zij formeel werd vervolgd wegens het plegen van een strafbaar feit in de zin van artikel 321, lid 3, punt 2 juncto artikel 321, lid 2, NK, en dat zij had geweigerd haar vingerafdrukken te laten afnemen en zich te laten fotograferen met het oog op de registratie van die gegevens, alsmede stalen af te staan met het oog op het opstellen van haar DNA-profiel, waarbij de rechtsgrondslag voor het verzamelen van die gegevens werd vermeld. Ten slotte werd die rechter in dat verzoek verzocht om toestemming te verlenen voor de gegevensverzameling onder dwang. Alleen kopieën van de akte van inverdenkingstelling van V.S. en het door haar ingevulde formulier waren als bijlagen bij dat verzoek gevoegd.
24 Aangezien de Spetsializiran nakazatelen sad twijfelde of de procedure van politiële registratie verenigbaar was met het Unierecht, heeft hij op 31 maart 2021 bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend.
25 Meer in het bijzonder wenste deze rechter met zijn derde vraag in wezen te vernemen of artikel 6, aanhef en onder a), van richtlijn 2016/680 en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) aldus moesten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat wanneer een persoon die in verdenking is gesteld van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit weigert vrijwillig mee te werken aan de verzameling van zijn biometrische en genetische gegevens met het oog op de registratie ervan, de bevoegde strafrechter gehouden is toe te staan dat die gegevens onder dwang worden verzameld, zonder dat hij kan beoordelen of er gegronde vermoedens bestaan dat deze persoon het strafbare feit waarvan hij in verdenking is gesteld, heeft gepleegd [arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens), C‑205/21, EU:C:2023:49, punt 77 ; hierna: „arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I”].
26 Voorts wenste hij met zijn vierde vraag in wezen te vernemen of artikel 10 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c), en artikel 8, leden 1 en 2, van deze richtlijn, aldus moest worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de biometrische en genetische gegevens van elke persoon die in verdenking is gesteld voor een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit systematisch worden verzameld met het oog op de registratie ervan, zonder dat de bevoegde autoriteit hoeft vast te stellen of aan te tonen dat deze gegevensverzameling noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde specifieke doelstellingen en dat deze doelstellingen niet kunnen worden bereikt door slechts een deel van de betrokken gegevens te verzamelen (arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, punt 114).
27 Na de inwerkingtreding van een wetswijziging op 27 juli 2022 werd de Spetsializiran nakazatelen sad ontbonden en is de zaak in de hoofdprocedure vanaf die datum overgedragen aan de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter.
28 In het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 110 en punt 2 van het dictum) heeft het Hof, in antwoord op de derde vraag, voor recht verklaard dat artikel 6, aanhef en onder a), van richtlijn 2016/680 en de artikelen 47 en 48 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat wanneer een persoon die in verdenking is gesteld van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit weigert vrijwillig mee te werken aan de verzameling van zijn biometrische en genetische gegevens met het oog op de registratie ervan, de bevoegde strafrechter gehouden is toe te staan dat die gegevens onder dwang worden verzameld, zonder dat hij kan beoordelen of er gegronde vermoedens bestaan dat deze persoon het strafbare feit heeft gepleegd waarvan hij in verdenking is gesteld, voor zover het nationale recht waarborgt dat later een doeltreffende rechterlijke toetsing wordt verricht van de voorwaarden voor die inverdenkingstelling, waarop de toestemming voor die gegevensverzameling is gebaseerd.
29 Als antwoord op de vierde vraag, heeft het Hof vastgesteld dat een nationale wettelijke regeling die voorziet in het systematisch verzamelen van biometrische en genetische gegevens van eenieder die in verdenking is gesteld van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit, in beginsel in strijd is met het vereiste van artikel 10 van richtlijn 2016/680 dat de verwerking van de in dat artikel bedoelde bijzondere categorieën van gegevens slechts mag worden toegelaten „wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is” (arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, punt 128).
30 Wat de gevolgen betreft die de verwijzende rechter uit dit oordeel moet trekken, heeft het Hof in punt 133 van dat arrest verduidelijkt dat het aan die rechter staat om na te gaan of het, met het oog op het waarborgen van de doeltreffende toepassing van artikel 10 van richtlijn 2016/680, mogelijk is om de nationale wettelijke regeling die voorziet in die gegevensverzameling onder dwang, conform het Unierecht uit te leggen. In het bijzonder diende de verwijzende rechter na te gaan of het nationale recht toestaat dat wordt beoordeeld of het „strikt noodzakelijk” is om zowel biometrische als genetische gegevens van de betrokkene te verzamelen met het oog op de registratie ervan. Daartoe moet met name kunnen worden nagegaan of de aard en de ernst van het strafbare feit waarvan de betrokkene in de strafrechtelijke hoofdprocedure wordt verdacht, of andere relevante factoren, omstandigheden kunnen vormen waaruit blijkt dat die gegevensverzameling „strikt noodzakelijk” is. Bovendien moet worden verzekerd dat het verzamelen van gegevens van de burgerlijke stand, waarin ook is voorzien in het kader van de politiële registratie, niet reeds volstaat om de nagestreefde doelstellingen te bereiken.
31 In punt 134 van datzelfde arrest heeft het Hof erop gewezen dat, indien het nationale recht een dergelijke controle op de maatregel van verzameling van biometrische en genetische gegevens niet waarborgt, het aan de verwijzende rechter staat om de volle werking van artikel 10 te verzekeren door het verzoek van de politiediensten om toestemming voor het onder dwang verzamelen van die gegevens af te wijzen.
32 Gelet op de in punten 116 tot en met 134 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I uiteengezette redenen heeft het Hof als antwoord op de vierde vraag voor recht verklaard dat artikel 10 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c), en artikel 8, leden 1 en 2, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de biometrische en genetische gegevens van elke persoon die in verdenking is gesteld van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit systematisch worden verzameld met het oog op de registratie ervan, zonder dat de bevoegde autoriteit hoeft vast te stellen of aan te tonen dat deze gegevensverzameling strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde specifieke doelstellingen en dat deze doelstellingen niet kunnen worden bereikt met maatregelen die de rechten en vrijheden van de betrokkene op minder ernstige wijze aantasten (arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, punt 135 en punt 3 van het dictum).
33 Na de uitspraak van dat arrest wenst de verwijzende rechter te vernemen welke gevolgen hij moet trekken uit het door het Hof gegeven antwoord op de vierde vraag, met name wat betreft de in punt 30 van het onderhavig arrest in herinnering gebrachte overwegingen, teneinde zich te kunnen uitspreken over het verzoek van de politiediensten met het oog op de in de hoofdprocedure aan de orde zijnde verzameling, onder dwang, van de persoonsgegevens.
34 In dat verband is hij ten eerste van mening dat hij de in dat punt genoemde verificaties niet kan verrichten op basis van de door die politiediensten neergelegde documenten, te weten de akte van inverdenkingstelling van V.S. en de verklaring waarbij V.S. weigert dat haar in punt 23 van het onderhavige arrest genoemde biometrische en genetische gegevens worden verzameld. De verwijzende rechter stelt dat hij die verificaties enkel kan verrichten indien hij over alle stukken van het dossier beschikt, wat veronderstelt dat hij de algemene regels van het NPK toepast die van toepassing zijn op het verlenen van voorafgaande toestemming door de rechter voor onderzoeksmaatregelen die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van personen, in het bijzonder artikel 158 van dat wetboek, en niet de bijzondere regel waarin artikel 68, lid 5, tweede volzin, ZMVR voorziet in het kader van de politiële registratie.
35 Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat het Hof in de punten 100 en 101 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I heeft geoordeeld dat artikel 47 van het Handvest zich er niet tegen verzet dat de rechter, wanneer hij zich moet uitspreken over een verzoek om toestemming voor het onder dwang verzamelen van biometrische en genetische gegevens van de in verdenking gestelde persoon, niet beschikt over de bewijsgegevens die tot die inverdenkingstelling hebben geleid, en deze gegevens dus niet kan beoordelen.
36 Hij is evenwel van mening dat dit oordeel berust op de onjuiste premisse dat de rechterlijke beoordeling van de bewijzen die de inverdenkingstelling rechtvaardigen, tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek, het verloop van het strafrechtelijk onderzoek gedurende hetwelk die gegevens worden verzameld, zou kunnen belemmeren.
37 Hij benadrukt met name dat de Bulgaarse wetgever in het kader van de procedure van artikel 158 NPK heeft voorzien in de uitoefening van een doeltreffende rechterlijke toetsing en in de toezending van het dossier van de zaak aan de rechter, maar dat dit niet het geval is in het kader van politiële registratie. Zijns inziens zijn de redenen voor dit verschil in wettelijke regeling ten eerste dat de gegevensverzameling in het kader van die registratie wordt aangevraagd door de politie en niet door het openbaar ministerie, en ten tweede dat die verzameling enkel plaatsvindt met het oog op het eventuele gebruik van de gegevens in kwestie in de toekomst, mocht dat nodig zijn. Het ontbreken van een dergelijke doeltreffende rechterlijke toetsing in een dergelijke situatie is daarentegen niet bedoeld om het geheim van het onderzoek te eerbiedigen en evenmin om toekomstige onderzoeksmaatregelen in het kader van de strafzaak in kwestie te belemmeren.
38 In die omstandigheden is de verwijzende rechter van oordeel dat hij, alvorens van de bevoegde autoriteiten te vereisen dat het dossier van de strafzaak wordt toegezonden, van het Hof de bevestiging dient te verkrijgen dat een dergelijk vereiste niet in strijd is met de punten 100 en 101 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I dan wel, integendeel, de aanwijzing dat de in punt 133 van dat arrest bedoelde verificaties uitsluitend moeten worden verricht op basis van de akte van inverdenkingstelling van de betrokkene en diens verklaring waarin hij weigert dat zijn biometrische en genetische gegevens worden verzameld.
39 Voor het geval het Hof een dergelijke bevestiging zou geven, is de verwijzende rechter bovendien van mening dat hij, aangezien hij over het dossier van de strafzaak beschikt, moet beoordelen of die inverdenkingstelling gegrond is.
40 Tegen deze achtergrond heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Is voldaan aan het vereiste van toetsing van de ‚strikte noodzakelijkheid’ in de zin van artikel 10 van richtlijn 2016/680, zoals uitgelegd door het Hof in punt 133 van het arrest [Registratie van biometrische en genetische gegevens I], wanneer die toetsing uitsluitend wordt verricht op basis van de ten aanzien van de betrokkene opgestelde akte van inverdenkingstelling en diens schriftelijke weigering om zijn biometrische en genetische gegevens te laten verzamelen, of is het noodzakelijk dat de rechter beschikt over alle stukken van het dossier die hem naar nationaal recht ter beschikking worden gesteld bij een verzoek om toestemming tot uitvoering van onderzoeksmaatregelen die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen, wanneer dat verzoek in het kader van een strafzaak wordt gedaan?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan de rechter, nadat het dossier hem ter beschikking is gesteld, in het kader van de toetsing van de ‚strikte noodzakelijkheid’ in de zin van artikel 10 juncto artikel 6, [aanhef en] onder a), van richtlijn 2016/680 ook beoordelen of er gegronde vermoedens bestaan dat de betrokkene het strafbare feit heeft gepleegd waarvan hij is beschuldigd?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
41 De Europese Commissie voert aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. In dit verband is zij van mening dat het Hof in het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I de verwijzende rechter de uitlegging van het Unierecht heeft verstrekt waarvan de beslechting van de bij hem aanhangige procedure afhangt. Voorts betoogt zij dat de prejudiciële vragen berusten op een onjuiste opvatting van dat arrest. Ten eerste heeft het Hof zich in punt 133 van dat arrest namelijk niet uitgesproken over de toetsing die de nationale rechter moet verrichten alvorens hij een maatregel voor het verzamelen van biometrische en genetische gegevens toestaat, en heeft het de verwijzende rechter dus geen specifieke verificatieplicht in verband met die verzameling opgelegd. Ten tweede leidt deze rechter uit de punten 100 en 101 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I ten onrechte af dat het Hof zou hebben geoordeeld dat de beperkte rechterlijke toetsing als bedoeld in artikel 68, lid 5, ZMVR, in overeenstemming is met het Unierecht, en concludeert hij op basis daarvan dus ten onrechte dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen deze punten en punt 133 van dat arrest.
42 In de eerste plaats staat het, volgens vaste rechtspraak van het Hof, in het kader van de in artikel 267 VWEU voorgeschreven samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om gelet op de bijzonderheden van het geval zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C‑569/16 en C‑570/16, EU:C:2018:871, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Een door een nationale rechter ingediend verzoek kan dus slechts worden afgewezen indien de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of het voorwerp van het hoofdgeding, indien het vraagstuk van hypothetische aard is of indien het Hof niet beschikt over de gegevens ten aanzien van de feiten en het recht die noodzakelijk zijn om op de voorgelegde vragen een nuttig antwoord te geven (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C‑569/16 en C‑570/16, EU:C:2018:871, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 In de tweede plaats dient er eveneens aan te worden herinnerd dat de bindende werking van een prejudicieel arrest geen beletsel vormt voor de nationale rechter tot wie dit arrest is gericht, om, zo hij dit nodig acht, zich opnieuw tot het Hof te wenden alvorens uitspraak te doen in het hoofdgeding. Een dergelijk verzoek is gerechtvaardigd met name wanneer de nationale rechter bij de uitlegging of toepassing van het arrest op moeilijkheden stuit, wanneer hij het Hof een nieuwe rechtsvraag stelt of wanneer hij het Hof nieuwe feiten ter beoordeling voorlegt die ertoe kunnen leiden dat het Hof een eerder gestelde vraag anders beantwoordt (zie in die zin arresten van 6 maart 2003, Kaba, C‑466/00, EU:C:2003:127, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 maart 2023, Pro Rauchfrei II, C‑356/22, EU:C:2023:174, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In casu wenst de verwijzende rechter met zijn vragen van het Hof verduidelijkingen te verkrijgen over het vereiste met betrekking tot de rechterlijke toetsing van de „strikte noodzakelijkheid” van het verzamelen van biometrische en genetische gegevens in de zin van artikel 10 van richtlijn 2016/680, dat volgens hem is geformuleerd in punt 133 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, om uitspraak te kunnen doen op het verzoek van de Bulgaarse politiediensten om dergelijke categorieën gegevens, onder dwang te kunnen verzamelen, welk verzoek juist ten grondslag ligt aan de prejudiciële vragen waarop het Hof in dat arrest heeft geantwoord. Hieruit volgt dat de gestelde vragen rechtstreeks verband houden met het geschil in de hoofdprocedure en relevant zijn om de verwijzende rechter in staat te stellen dat geschil te beslechten.
46 Wat het argument van de Commissie betreft dat de verwijzende rechter de punten 100, 101 en 133 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I verkeerd zou hebben uitgelegd, dit heeft in werkelijkheid betrekking op de kern van de prejudiciële vragen, en kan dus per definitie niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van die vragen [zie in die zin arrest van 27 oktober 2022, Proximus (Openbare elektronische abonneelijsten), C‑129/21, EU:C:2022:833, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
48 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Daarnaast kan het Hof Unierechtelijke bepalingen in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter geen melding heeft gemaakt bij de formulering van zijn vraag (arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C‑118/22, EU:C:2024:97, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 In casu heeft het Hof, zoals blijkt uit de punten 29 tot en met 32 van het onderhavige arrest, in de punten 116 tot en met 135 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, de vraag onderzocht of het Unierecht zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die niet voorziet in de verplichting voor de bevoegde autoriteiten om vast te stellen of aan te tonen dat de verzameling van biometrische en genetische gegevens van de betrokkene met het oog op de registratie ervan „strikt noodzakelijk” is.
50 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 3, punt 7, van richtlijn 2016/680 het begrip „bevoegde autoriteit”, waar ook de in de hoofdprocedure aan de orde zijnde politiediensten onder vallen, definieert als iedere overheidsinstantie die bevoegd is voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid, en ieder ander orgaan dat of iedere andere entiteit die krachtens het lidstatelijke recht is gemachtigd openbaar gezag en openbare bevoegdheden uit te oefenen voor die doeleinden.
51 Aangezien het Hof in punt 135 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I en in punt 3 van het dictum van dat arrest voor het antwoord op de vierde vraag in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, heeft verwezen naar de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c), en artikel 8, leden 1 en 2, van deze richtlijn, moet bovendien worden vastgesteld dat de onderhavige vraag ook betrekking heeft op al deze bepalingen.
52 Derhalve moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 10 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c), en artikel 8, leden 1 en 2, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een nationale wettelijke regeling bepaalt dat de biometrische en genetische gegevens van elke persoon die in verdenking is gesteld voor een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit systematisch worden verzameld met het oog op de registratie ervan, zonder dat de in artikel 3, punt 7, van die richtlijn bedoelde bevoegde autoriteit hoeft vast te stellen of aan te tonen dat deze gegevensverzameling strikt noodzakelijk is overeenkomstig artikel 10 van deze richtlijn, de naleving van een dergelijke verplichting kan worden verzekerd door de rechter die door deze bevoegde autoriteit is aangezocht met het oog op het onder dwang verzamelen van die gegevens, in voorkomend geval door te eisen dat het dossier van de strafzaak wordt overgelegd.
53 In herinnering dient te worden gebracht dat artikel 10 van richtlijn 2016/680 specifiek de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens regelt, waaronder biometrische en genetische gegevens. Deze bepaling strekt ertoe de betrokken persoon een versterkte bescherming te bieden omdat de bijzondere gevoeligheid van de gegevens in kwestie en de context waarin zij worden verwerkt – zoals uit overweging 37 van die richtlijn naar voren komt – aanzienlijke risico’s kunnen meebrengen voor de grondrechten en fundamentele vrijheden, zoals het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, die worden gewaarborgd door de artikelen 7 en 8 van het Handvest (arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, punt 116, en arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia, C‑118/22, EU:C:2024:97, punt 47 ).
54 Daartoe moet, zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van dat artikel 10, het vereiste volgens hetwelk de verwerking van dergelijke gegevens „slechts” toegelaten is „wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is”, aldus worden uitgelegd dat daarin strengere voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van gevoelige gegevens worden vastgesteld dan die welke voortvloeien uit artikel 4, lid 1, onder b) en c), en artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/680, waarin enkel wordt verwezen naar de „noodzaak” van een verwerking van gegevens die binnen de algemene werkingssfeer van diezelfde richtlijn vallen [zie in die zin arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, punt 117, en arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens), C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 107 ].
55 Zo heeft het Hof in het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling volgens welke de biometrische en genetische gegevens van elke persoon die in verdenking is gesteld voor een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit systematisch worden verzameld met het oog op de registratie ervan, zonder dat de bevoegde autoriteit hoeft vast te stellen of aan te tonen dat deze gegevensverzameling „strikt noodzakelijk” is overeenkomstig de krachtens artikel 10 van deze richtlijn op hem rustende verplichting, in beginsel in strijd is met dat artikel 10, aangezien een dergelijke wettelijke regeling er zonder onderscheid en op algemene wijze toe kan leiden dat biometrische en genetische gegevens van de meeste verdachten worden verzameld (zie in die zin arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, punten 128, 129 en 135).
56 In deze context heeft het Hof in punt 133 van het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I echter aangegeven dat het aan de verwijzende rechter stond om met name na te gaan of het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht kan worden uitgelegd, teneinde de doeltreffende toepassing van artikel 10 van richtlijn 2016/680 te waarborgen. Daarmee heeft het Hof die rechter dus verzocht na te gaan of het nationale recht de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 3, punt 7, van deze richtlijn toestaat te beoordelen of het „strikt noodzakelijk” is om zowel biometrische als genetische gegevens van de betrokkene te verzamelen met het oog op de registratie ervan. Aldus heeft het Hof deze rechter eraan willen herinneren dat het voorrangsbeginsel hem verplichtte om het nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen [zie in die zin arrest van 27 april 2023, M.D. (Inreisverbod voor Hongarije), C‑528/21, EU:C:2023:341, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Bijgevolg werd er in dat punt enkel op gewezen dat de verwijzende rechter moest nagaan of het nationale recht aldus kon worden uitgelegd dat de voor deze gegevensverwerking bevoegde autoriteiten in staat waren om de beoordeling te verrichten waartoe zij krachtens dat artikel 10 verplicht waren.
57 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal met name in de punten 24 en 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, en anders dan de premisse waarop de vragen van de verwijzende rechter zijn gebaseerd, bij gebreke van een naar nationaal recht op de bevoegde autoriteit rustende verplichting om de „strikte noodzakelijkheid” te beoordelen van de verwerking die zij heeft verricht of voornemens is te verrichten, een rechter die is aangezocht in verband met een dergelijke verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde autoriteit, niet in de plaats van die autoriteit kan toezien op de naleving van de verplichting die krachtens dat artikel 10 op die autoriteit rust.
58 Derhalve moet worden vastgesteld dat de uitlegging van het nationale recht waarmee de verwijzende rechter zelf de „strikte noodzakelijkheid” van het verzamelen van biometrische en genetische gegevens van de betrokkene wil beoordelen, niet waarborgt dat een nationale wettelijke regeling als die welke is bedoeld in punt 57 van het onderhavige arrest in overeenstemming is met het Unierecht, aangezien het ontbreken van de verplichting voor de krachtens deze wettelijke regeling bevoegde autoriteiten om de „strikte noodzakelijkheid” van een dergelijke verzameling vast te stellen en aan te tonen, daarmee hoe dan ook niet kan worden verholpen.
59 Deze conclusie wordt overigens bevestigd door het feit dat het verzoek om een prejudiciële beslissing, zoals blijkt uit de punten 18, 20, 22 en 23 van het onderhavige arrest, betrekking heeft op een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat het onder dwang verzamelen van biometrische en genetische gegevens van personen die in verdenking zijn gesteld voor een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit, op verzoek van de bevoegde autoriteiten door de bevoegde rechter wordt toegestaan wanneer de betrokkene niet instemt met een dergelijke verzameling. Zoals de Bulgaarse regering ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Hof heeft bevestigd, is een dergelijke rechterlijke toestemming daarentegen niet vereist wanneer de betrokkene daarmee heeft ingestemd, zodat de bevoegde autoriteiten deze verzameling louter op basis van die instemming kunnen verrichten.
60 Bijgevolg is de bevoegde rechter in een dergelijke situatie per definitie niet in staat om de rechtsbescherming te verzekeren van de betrokkenen die een dergelijke instemming hebben gegeven, in het bijzonder wat betreft het toezicht op de naleving door de bevoegde autoriteiten van het vereiste van strikte noodzakelijkheid, zoals uitgelegd in de in de punten 53 tot en met 55 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak.
61 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 10 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c), en artikel 8, leden 1 en 2, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een nationale wettelijke regeling bepaalt dat de biometrische en genetische gegevens van elke persoon die in verdenking is gesteld voor een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit systematisch worden verzameld met het oog op de registratie ervan, zonder dat de in artikel 3, punt 7, van deze richtlijn bedoelde bevoegde autoriteit hoeft vast te stellen of aan te tonen dat deze gegevensverzameling strikt noodzakelijk is overeenkomstig artikel 10 van die richtlijn, de naleving van een dergelijke verplichting niet kan worden verzekerd door de rechter die door deze bevoegde autoriteit is aangezocht met het oog op het onder dwang verzamelen van die gegevens, aangezien het die bevoegde autoriteit is die gehouden is de krachtens dat artikel 10 vereiste beoordeling te verrichten.
Tweede vraag
62 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
63 Ten aanzien van de partijen in de hoofdprocedure is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a) tot en met c), en artikel 8, leden 1 en 2, van die richtlijn
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer een nationale wettelijke regeling bepaalt dat de biometrische en genetische gegevens van elke persoon die in verdenking is gesteld voor een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit systematisch worden verzameld met het oog op de registratie ervan, zonder dat de in artikel 3, punt 7, van deze richtlijn bedoelde bevoegde autoriteit hoeft vast te stellen of aan te tonen dat deze gegevensverzameling strikt noodzakelijk is overeenkomstig artikel 10 van die richtlijn, de naleving van een dergelijke verplichting niet kan worden verzekerd door de rechter die door deze bevoegde autoriteit is aangezocht met het oog op het onder dwang verzamelen van die gegevens, aangezien het die bevoegde autoriteit is die gehouden is de krachtens dat artikel 10 vereiste beoordeling te verrichten.
ondertekeningen