Home

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 oktober 2025

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 oktober 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
30 oktober 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vierde kamer)

30 oktober 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Kredietovereenkomst voor de aankoop van een motorvoertuig - Richtlijn 2008/48/EG - Artikel 10, lid 2, onder l) - Eisen met betrekking tot de informatie die in de overeenkomst moet worden vermeld - Verplichting om de vertragingsrentevoet nauwkeurig aan te geven - Artikel 14, lid 1 - Herroepingsrecht - Begin van de herroepingstermijn ingeval de vertragingsrentevoet niet is vermeld - Misbruik van het herroepingsrecht - Gevolgen van de gebruikmaking van het herroepingsrecht in het kader van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig - Verplichtingen van de consument ten aanzien van de kredietgever - Berekeningsmethode voor de compenserende vergoeding wegens waardevermindering van het gefinancierde goed - Artikel 14, lid 3, onder b) - Betaling van debetrente na herroeping van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen”"

In zaak C‑143/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Ravensburg (rechter in eerste aanleg Ravensburg, Duitsland) bij beslissing van 1 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2023, en aangevuld bij beslissing van 9 april 2024, ingekomen bij het Hof op 10 april 2024, in de procedure

KI,

FA

tegen

Mercedes-Benz Bank AG,

Volkswagen Bank GmbH,

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • Mercedes-Benz Bank AG, vertegenwoordigd door L. Normann, Rechtsanwältin,

  • Volkswagen Bank GmbH, vertegenwoordigd door I. Heigl en L. Normann, Rechtsanwältinnen,

  • de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en P. Ondrůšek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 2, onder l), artikel 14, lid 1, en artikel 14, lid 3, onder b), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen tussen respectievelijk KI en Mercedes-Benz Bank AG en FA en Volkswagen Bank GmbH betreffende de geldigheid van de herroeping waartoe KI en FA zijn overgegaan met betrekking tot de kredietovereenkomsten die zij in hun hoedanigheid van consument met deze banken hadden gesloten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 97/7

3 Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PB 1997, L 144, blz. 19), die is vervangen door richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64), verklaarde in overweging 14:

„[...] [De] lidstaten [hebben] de bevoegdheid [om] de [...] voorwaarden en regels voortvloeiend uit het herroepingsrecht te bepalen”.

Richtlijn 2008/48

4 In de overwegingen 7 tot en met 10, 31, 34 en 35 van richtlijn 2008/48 staat te lezen:

„(7) Teneinde de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, moet op een aantal kerngebieden een geharmoniseerd communautair kader worden geschapen. Met toekomstgerichte communautaire voorschriften die aan toekomstige kredietvormen kunnen worden aangepast en die de lidstaten de nodige speelruimte laten bij de omzetting daarvan, dient, met het oog op de gestage ontwikkeling van de markt voor consumentenkrediet en de toenemende mobiliteit van de Europese burger, een bijdrage te worden geleverd aan een modern consumentenkrediet.

(8) Het is van belang dat de markt de consument voldoende bescherming biedt teneinde diens vertrouwen niet te schaden. Op die manier moet het vrije verkeer van kredietaanbiedingen voor zowel kredietgevers als kredietnemers optimaal kunnen functioneren, met inachtneming van de specifieke situaties in de afzonderlijke lidstaten.

(9) Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. [...] Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. [...] Een [...] voorbeeld van deze mogelijkheid voor de lidstaten is het handhaven of invoeren van nationale bepalingen over het annuleren van een koop‑ of dienstverleningsovereenkomst indien de consument gebruikmaakt van zijn recht van herroeping van de kredietovereenkomst. [...]

(10) De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het Gemeenschapsrecht toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. Derhalve kan een lidstaat met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen nationale wetgeving handhaven of invoeren die overeenstemt met een aantal of alle bepalingen van de richtlijn [...]. Voorts kunnen de lidstaten de bepalingen van deze richtlijn toepassen op gelieerd krediet dat niet onder de definitie valt die deze richtlijn geeft van een gelieerde kredietovereenkomst. Zo kunnen de bepalingen over gelieerde kredietovereenkomsten worden toegepast op kredietovereenkomsten die slechts gedeeltelijk dienen ter financiering van een contract voor de levering van goederen of het verrichten van een dienst.

[...]

(31) De kredietovereenkomst moet in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten die voor de consument daaruit voortvloeien, zodat hij daar kennis van kan nemen.

[...]

(34) Om de regels voor de uitoefening van het herroepingsrecht op soortgelijke gebieden op elkaar af te stemmen, moet in een herroepingsrecht zonder sancties en zonder opgave van redenen worden voorzien, onder soortgelijke voorwaarden als in richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten [en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB 2002, L 271, blz. 16)].

(35) In het geval van een consument die een kredietovereenkomst herroept in verband waarmee hij goederen heeft ontvangen, met name een koop op afbetaling of een huur‑ of leasingovereenkomst die een koopverplichting omvat, dient deze richtlijn de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van de goederen of daarmee samenhangende aangelegenheden onverlet te laten.”

5 Artikel 1 („Onderwerp”) van richtlijn 2008/48 bepaalt:

„Deze richtlijn heeft tot doel bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.”

6 In artikel 3 („Definities”) van deze richtlijn is bepaald:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

  1. ‚gelieerde kredietovereenkomst’: een kredietovereenkomst waarbij geldt dat:

    1. het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst, en

    2. die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen; een commerciële eenheid wordt geacht te bestaan indien de leverancier of de dienstenaanbieder zelf het krediet van de consument financiert of, in het geval van financiering door een derde, indien de kredietgever bij het voorbereiden of sluiten van de kredietovereenkomst gebruikmaakt van de diensten van de leverancier of dienstenaanbieder, dan wel indien de bepaalde goederen of de levering van een bepaalde dienst uitdrukkelijk worden vermeld in de kredietovereenkomst.”

7 Artikel 10 („In de kredietovereenkomst te vermelden informatie”) van die richtlijn bepaalt in lid 2:

„In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:

[...]

  1. de op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand daarvan alsmede de wijzigingsmodaliteiten en, in voorkomend geval, kosten van niet-nakoming;

[...]”

8 Artikel 14 („Herroepingsrecht”) van die richtlijn luidt als volgt:

„1.

De consument beschikt over een termijn van veertien kalenderdagen om de kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te herroepen.

De termijn waarbinnen een overeenkomst kan worden herroepen gaat in:

  1. op de dag van de sluiting van de kredietovereenkomst, of

  2. op de dag waarop de consument de contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstig artikel 10 ontvangt, als die dag later valt dan de onder a) van deze alinea bedoelde datum.

[...]

3.

Indien de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt,

[...]

  1. betaalt hij onverwijld en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de herroeping aan de kredietgever heeft gestuurd, de kredietgever het kapitaal en de op dit kapitaal lopende rente, vanaf de datum waarop het krediet is opgenomen tot de datum waarop het kapitaal wordt terugbetaald. De verschuldigde debetrente wordt berekend aan de hand van de overeengekomen debetrentevoet. De kredietgever heeft bij herroeping geen recht op een andere vergoeding van de consument, met uitzondering van de vergoeding voor niet voor terugbetaling in aanmerking komende kosten die de kredietgever aan een overheidsorgaan heeft betaald.

[...]”

9 Artikel 15 („Gelieerde kredietovereenkomsten”) van richtlijn 2008/48 bepaalt in lid 1:

„Indien de consument op grond van het Gemeenschapsrecht een contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst heeft herroepen, is hij niet langer gebonden aan de daarmee gelieerde kredietovereenkomst.”

10 Artikel 22 („Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1:

„In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.”

Duits recht

BGB

11 § 355 („Herroepingsrecht bij consumentenovereenkomsten”) van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) luidt als volgt:

„(1)

Wanneer de consument bij wet een herroepingsrecht krachtens deze bepaling wordt toegekend, zijn de consument en de handelaar niet langer gebonden door hun wilsverklaring tot het sluiten van de overeenkomst indien de consument zijn wilsverklaring binnen de gestelde termijn heeft herroepen. [...]

(2)

De herroepingstermijn bedraagt 14 dagen. Tenzij anders is bepaald, gaat de herroepingstermijn in op de dag van sluiting van de overeenkomst.

[...]”

12 § 356b („Herroepingsrecht bij consumentenkredietovereenkomsten”) van het BGB bepaalt in lid 2:

„Indien bij een algemene consumentenkredietovereenkomst het overeenkomstig lid 1 aan de kredietnemer overgelegde document niet de in § 492, lid 2, bedoelde verplichte gegevens bevat, gaat de termijn pas in wanneer dit verzuim overeenkomstig § 492, lid 6, is verholpen. [...]”

13 In § 357 („Rechtsgevolgen van de herroeping van buiten verkoopruimten of op afstand gesloten overeenkomsten, met uitzondering van overeenkomsten betreffende financiële diensten”) van het BGB, in de versie zoals van toepassing op de feiten van het hoofdgeding, was bepaald:

„[...]

(7)

De consument is gehouden om een compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van het goed te betalen wanneer:

  1. de waardevermindering het gevolg is van een behandeling van de goederen die niet noodzakelijk was om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen na te gaan, en

  2. de handelaar de consument heeft geïnformeerd over diens herroepingsrecht overeenkomstig artikel 246a, lid 1, tweede alinea, punt 1, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche [(wet tot invoering van het burgerlijk wetboek) van 21 september 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 2494, met rectificatie in BGBl. 1997 I, blz. 1061; hierna: ‚EGBGB’)].

[...]”

14 § 357a („Rechtsgevolgen van de herroeping van overeenkomsten betreffende financiële diensten”) van het BGB, in de versie zoals van toepassing op de feiten van het hoofdgeding, bepaalde:

„(1)

Ontvangen prestaties moeten binnen 30 dagen worden geretourneerd.

[...]

(3)

Indien een kredietnemer een consumentenkredietovereenkomst herroept, dient hij over de periode tussen de uitbetaling en de terugbetaling van de lening de overeengekomen debetrente te betalen. [...]”

15 § 358 („Aan de herroepen overeenkomst gelieerde overeenkomst”) van het BGB, in de versie zoals van toepassing op de feiten van het hoofdgeding, luidde als volgt:

„(1)

Indien de consument zijn wilsverklaring voor het sluiten van een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst door een handelaar op geldige wijze heeft herroepen, is hij ook niet meer gebonden aan zijn wilsverklaring voor het sluiten van een aan die overeenkomst gelieerde consumentenkredietovereenkomst.

(2)

Indien de consument zijn wilsverklaring voor het sluiten van een consumentenkredietovereenkomst op grond van § 495, lid 1, of § 514, lid 2, eerste volzin, op geldige wijze heeft herroepen, is hij ook niet meer gebonden aan zijn wilsverklaring voor het sluiten van een aan die consumentenkredietovereenkomst gelieerde overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst.

(3)

Een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst en een kredietovereenkomst krachtens de leden 1 en 2 zijn gelieerd indien het krediet geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor de financiering van de andere overeenkomst en beide overeenkomsten een economische eenheid vormen. Die eenheid moet met name worden aangenomen wanneer de ondernemer de tegenprestatie van de consument zelf financiert of, in geval van financiering door een derde partij, wanneer de kredietgever de ondernemer betrekt bij het opstellen of het sluiten van de kredietovereenkomst.

(4)

[§§ 357 tot en met 357b zijn] van overeenkomstige toepassing op de ongedaanmaking van de gelieerde overeenkomst. [...] Met betrekking tot de rechtsgevolgen van de herroeping of de teruggaaf treedt de kredietgever in zijn betrekkingen met de consument in de uit de gelieerde overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de handelaar, indien het bedrag van de lening op het moment dat de herroeping van kracht wordt, reeds aan de handelaar is betaald.”

16 § 492 („Schriftelijke vorm en inhoud van de overeenkomst”) van het BGB bepaalt:

„[...]

(2)

De overeenkomst moet de voor elke consumentenkredietovereenkomst voorgeschreven informatie bevatten, overeenkomstig artikel 247, leden 6 tot en met 13, van het EGBGB.

[...]

(6)

Indien de overeenkomst de in lid 2 bedoelde informatie niet of niet volledig bevat, kan deze informatie na de daadwerkelijke sluiting van de overeenkomst of, in de in § 494, lid 2, eerste volzin, bedoelde gevallen, nadat de overeenkomst geldig is geworden, op een duurzame drager worden verstrekt.

[...]”

EGBGB

17 Artikel 247 („Informatieverplichtingen bij consumentenkredietovereenkomsten, financiële steun tegen vergoeding en kredietbemiddelingsovereenkomsten”) van het EGBGB bepaalt:

„[...]

§ 3 Inhoud van de precontractuele informatie bij algemene consumentenkredietovereenkomsten

(1) De voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst verstrekte informatie omvat:

[...]

  1. de rentevoet in geval van betalingsachterstand en de wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming,

[...]

§ 6 Inhoud van de overeenkomst

(1) De volgende gegevens worden op een duidelijke en begrijpelijke wijze in de consumentenkredietovereenkomst opgenomen:

  1. de in § 3, lid 1, punten 1 tot en met 14, en lid 4, bedoelde informatie.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18 Overeenkomstig hun verzoeken van 1 maart 2019 en 30 november 2017 hebben KI en FA kredietovereenkomsten gesloten met respectievelijk Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank voor de aankoop van een motorvoertuig voor privégebruik. De toegekende kredieten bedroegen 29 500 EUR voor KI en 35 300 EUR voor FA.

19 De autohandelaren bij wie de voertuigen zijn gekocht traden bij het sluiten van de kredietovereenkomsten op als kredietbemiddelaars voor Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank, waardoor de kredietbedragen rechtstreeks aan deze handelaren werden betaald.

20 In geen van beide kredietovereenkomsten was de bij het sluiten van de overeenkomst geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een numeriek percentage vermeld.

21 KI en FA hebben aanbetalingen en maandelijkse termijnen betaald voor een totaalbedrag van respectievelijk 8 924,48 EUR en 24 800 EUR uit hoofde van hun overeenkomsten.

22 Bij brieven van 31 oktober 2019 en 20 juli 2020 hebben KI en FA aangegeven dat zij gebruikmaken van hun herroepingsrecht met betrekking tot de kredietovereenkomsten. Zij betogen dat hun herroeping geldig is omdat de naar Duits recht geldende herroepingstermijn van 14 dagen nog niet was ingegaan wegens onregelmatigheden wat de verplichte informatie in hun overeenkomst betreft.

23 Deze consumenten hebben ieder voor zich beroep ingesteld tegen respectievelijk Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank bij het Landgericht Ravensburg (rechter in eerste aanleg Ravensburg, Duitsland), de verwijzende rechter.

24 KI vordert in essentie terugbetaling van de vóór zijn herroeping betaalde maandelijkse termijnen en van de aan de handelaar betaalde aanbetaling, te weten een bedrag van 8 924,48 EUR, alsmede de vaststelling dat Mercedes-Benz Bank haar verplichting tot inontvangstneming van het voertuig niet is nagekomen. Hij vordert ook dat wordt vastgesteld dat hij geen vergoeding verschuldigd is voor de waardevermindering van het voertuig en dat hij op grond van zijn herroeping geen bedrag meer verschuldigd is uit hoofde van de kredietovereenkomst, noch wat het geleende kapitaal, noch wat de rente betreft.

25 FA vordert in essentie terugbetaling van de vóór zijn herroeping betaalde maandelijkse termijnen en van de aan de handelaar betaalde aanbetaling, te weten een bedrag van 24 800 EUR, verminderd met een vergoeding van 24 550 EUR voor de waardevermindering van het voertuig en vermeerderd met rente. Hij vordert ook dat wordt vastgesteld dat hij vanaf zijn herroeping geen enkel bedrag meer verschuldigd is uit hoofde van de kredietovereenkomst, noch wat het geleende kapitaal, noch wat de rente betreft en dat Volkswagen Bank haar verplichting tot inontvangstneming van het voertuig niet is nagekomen.

26 Mercedes-Benz Bank concludeert primair tot verwerping van het beroep van KI. Zij voert met name aan dat het herroepingsrecht is vervallen en zij werpt een exceptie van misbruik van dit recht op. Subsidiair, voor het geval KI geldig gebruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht en dus recht heeft op teruggaaf van de betaalde bedragen, vordert zij dat wordt vastgesteld dat KI haar een vergoeding voor de waardevermindering van het voertuig moet betalen. Voorts vordert deze bank dat KI wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van 3,92 % per jaar over het nog openstaande saldo van de lening voor de periode tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper en de teruggave van het voertuig.

27 Volkswagen Bank concludeert ook tot verwerping van het beroep van FA en voert in het bijzonder aan dat het herroepingsrecht is vervallen.

28 In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of de kredietgever, wanneer de kredietnemer gebruikmaakt van zijn herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, aanspraak kan maken op een compenserende vergoeding voor de waardevermindering van dat voertuig en, in voorkomend geval, ten belope van welk bedrag.

29 Deze rechter merkt op dat volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de kredietnemer, nadat hij gebruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht, een compenserende vergoeding moet betalen die overeenstemt met de waardevermindering van het voertuig die zich heeft voorgedaan tijdens de periode waarin hij het voertuig in bezit had, zelfs wanneer de consument onvolledig over zijn herroepingsrecht is geïnformeerd. Hij voegt daaraan toe dat het Bundesgerichtshof ook heeft geoordeeld dat het bedrag van deze compenserende vergoeding wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door de consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave ervan.

30 De verwijzende rechter is van oordeel dat deze berekeningsmethode, die gebaseerd is op verschillende marktwaarden die het resultaat zijn van transacties op verschillende markten, te weten de markt waarop de handelaren verkopen en die waarop zij aankopen, de consument niet alleen belast met de compensatie van de waardevermindering die voortvloeit uit het gebruik van het voertuig, maar ook met de kosten van wederverkoop, een winstmarge en de belasting over de toegevoegde waarde. Dit zijn echter prijsverhogende factoren die uitsluitend te wijten zijn aan de gebruikmaking van het herroepingsrecht, aangezien deze lasten losstaan van enig gebruik van het voertuig door de consument. Bovendien kan het bedrag van de compensatie hoog zijn, zelfs wanneer het voertuig voor de gebruikmaking van het herroepingsrecht nooit is geregistreerd of gebruikt. Deze methode stelt de kredietgever dus in staat winst te maken door het voertuig tegen een hogere prijs dan de aankoopprijs van de handelaar door te verkopen.

31 Deze rechter is dan ook van oordeel dat die nationale rechtspraak afbreuk kan doen aan de nuttige werking van het in richtlijn 2008/48 neergelegde herroepingsrecht en aan het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking.

32 In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of met artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 een volledige harmonisatie tot stand is gebracht wat de op de kredietnemer rustende verplichting tot betaling van de debetrente betreft, ook wanneer het gefinancierde krediet gelieerd is aan een koopovereenkomst voor goederen.

33 Deze rechter merkt op dat richtlijn 2008/48 noch de gevolgen van de herroeping voor de gelieerde kredietovereenkomst specificeert, noch de prestaties die de partijen bij de gefinancierde overeenkomst, in casu de koper en de verkoper, moeten teruggeven. Het staat uitsluitend aan de nationale wetgever om de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht voor een dergelijke kredietovereenkomst vast te stellen. Derhalve moet worden aanvaard dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken om vast te stellen, ook door af te wijken van artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48, hoe de status quo ante in het geval van gelieerde overeenkomsten dient te worden hersteld.

34 Indien richtlijn 2008/48 geen volledige harmonisatie tot stand heeft gebracht voor kredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een overeenkomst voor de levering van goederen of voor de verstrekking van diensten, vraagt de verwijzende rechter of het verenigbaar is met het Unierecht, met name met artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in die eerste overeenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper. Hij wijst erop dat de nationale rechtspraak op dit punt uiteenloopt.

35 Aangezien, ten eerste, de consument geen enkele verrijking haalt uit het gebruik van het kredietbedrag omdat dit bedrag rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper is overgemaakt ter betaling van de aankoopprijs van het voertuig en, ten tweede, deze consument niet van zijn herroepingsrecht gebruik zou kunnen maken zonder een financieel nadeel te vrezen, is de verwijzende rechter van oordeel dat een verplichting voor die consument om debetrente te betalen in strijd zou kunnen zijn met de algemene beginselen van het Unierecht, in het bijzonder het vereiste van de nuttige werking van het herroepingsrecht, en met het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking.

36 In de derde plaats vraagt deze rechter zich af of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde herroepingen geldig zijn.

37 In dit verband is hij van oordeel dat uit het arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (C‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736 ), blijkt dat de herroepingstermijn slechts ingaat indien de vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage is vermeld en dat het Bundesgerichtshof zich heeft gevoegd naar dit arrest.

38 De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat de in dat arrest gekozen oplossing niet ter discussie is gesteld door het arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014 ). Hij merkt echter op dat het Bundesgerichtshof er een andere lezing op nahoudt aangezien het voortaan van oordeel is dat de omstandigheid dat de op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld, er niet aan in de weg staat dat de herroepingstermijn ingaat. Door deze lezing twijfelt de verwijzende rechter aan de geldigheid van de herroeping in de hoofdgedingen.

39 In de vierde en laatste plaats vraagt de verwijzende zich af of het mogelijk is om de gebruikmaking van het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 bedoelde herroepingsrecht als misbruik te kwalificeren.

40 Deze rechter merkt op dat volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof het feit dat de consument gebruikmaakt van zijn herroepingsrecht als misbruik kan worden beschouwd wanneer deze consument het voertuig blijft gebruiken totdat de nationale rechterlijke instanties zich over de geldigheid van de herroeping hebben uitgesproken en die consument weigert een compenserende vergoeding te betalen voor de waardevermindering van het voertuig wegens het gebruik ervan.

41 Volgens die rechter lijkt deze nationale rechtspraak echter in strijd met de arresten van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (C‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736 ), en  21 december 2023, BMW Bank e.a. (C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014 ), waarin het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat de consument gebruikmaakt van zijn herroepingsrecht overeenkomstig artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 niet als misbruik kan worden beschouwd wanneer de vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage in de kredietovereenkomst is vermeld.

42 Tegen deze achtergrond heeft het Landgericht Ravensburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Is het verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder met artikel 14, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat in het geval van een herroepen consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een in een fysieke winkel gesloten koopovereenkomst voor een voertuig, de hoogte van de vergoeding voor de waardevermindering van het gefinancierde voertuig die de consument bij teruggave van het gefinancierde voertuig aan de kredietgever moet betalen, wordt berekend door de verkoopprijs van de handelaar op het tijdstip van de verwerving van het voertuig door de consument te verminderen met de aankoopprijs van de handelaar op het tijdstip van de teruggave van het voertuig?

  • Brengt de regeling van artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn [2008/48] voor consumentenkredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig, een volledige harmonisatie tot stand en is zij derhalve bindend voor de lidstaten?

    Indien de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:

  • Is het verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder met artikel 14, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de contractuele debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever (of de verkoper)?

    1. Moet artikel 10, lid 2, onder l), [van richtlijn 2008/48] juncto artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), [ervan] aldus worden uitgelegd dat de herroepingstermijn niet ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage?

      Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

    2. Is de niet-vermelding van deze informatie van dien aard dat zij het vermogen van een gemiddelde consument om de omvang van zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te beoordelen of zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten ongunstig beïnvloedt en hem in voorkomend geval de mogelijkheid ontneemt om zijn rechten onder in wezen dezelfde voorwaarden uit te oefenen als indien die informatie wél volledig en correct was geweest?

    1. Moet de door de kredietgever opgeworpen exceptie dat de consument vanwege zijn handelwijze tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of na de uitoefening van het herroepingsrecht, misbruik van dat recht heeft gemaakt, worden verworpen op grond dat in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage?

      Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

    2. Kan de kwalificatie als rechtsmisbruik met name worden gebaseerd op de volgende feiten:

      • de consument blijft het gefinancierde voertuig gebruiken totdat de rechter zich heeft uitgesproken over de geldigheid van de herroeping;

      • de consument weigert een compenserende vergoeding te betalen voor het gebruik van het voertuig?”

Procedure bij het Hof

43 Bij beslissing van de president van het Hof van 18 april 2023 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst in afwachting van de definitieve uitspraak in de gevoegde zaken BMW Bank e.a. (C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014 ).

44 Overeenkomstig de beslissing van de president van het Hof van 17 december 2023 heeft de griffie de verwijzende rechter in kennis gesteld van het arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014 ), en hem verzocht aan te geven of hij, gelet op dat arrest, zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.

45 Die rechter heeft op 10 april 2024 aangegeven dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing handhaafde en dat hij het noodzakelijk achtte om nieuwe vragen toe te voegen.

46 Na een aanvulling op het verzoek om een prejudiciële beslissing van dezelfde dag, waarbij die rechter twee bijkomende vragen heeft gesteld, te weten de vierde en de vijfde vraag, is de behandeling van de onderhavige zaak bij beslissing van de president van het Hof van 16 april 2024 hervat.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

47 In de eerste plaats voert Volkswagen Bank aan dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is omdat het Unierecht niet van toepassing is op de omstandigheden van de hoofdgedingen. De bepalingen van richtlijn 2008/48 regelen namelijk niet de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht ten aanzien van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen of de verrichting van diensten. Deze gevolgen, met name wat betreft de verplichting voor de koper van een aldus gefinancierd goed om een compenserende vergoeding te betalen wegens de waardevermindering ervan en de berekeningswijze van deze vergoeding, vallen uitsluitend onder het nationale recht.

48 In herinnering moet worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 25 , en  11 januari 2024, Nárokuj, C‑755/22, EU:C:2024:10, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die het noodzakelijk acht om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf, C‑355/97, EU:C:1999:391, punt 22 , en  11 januari 2024, Nárokuj, C‑755/22, EU:C:2024:10, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Dit is in casu echter niet het geval.

51 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat de hoofdgedingen, waarvan het bestaan niet wordt betwist, ten eerste betrekking hebben op de vaststelling van de rechtsgevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht door de betrokken consumenten in het kader van kredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig. Ten tweede hebben deze gedingen betrekking op de wijze waarop de herroepingstermijn ingaat, gelet op het feit dat de vertragingsrentevoet niet als een concreet percentage in de kredietovereenkomst wordt vermeld, alsmede op het eventuele misbruik van het herroepingsrecht.

52 In deze context wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie te vernemen of de in de Duitse rechtspraak geformuleerde berekeningsmethode voor de compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van een goed die de consument moet betalen wanneer hij gebruikmaakt van dat herroepingsrecht, verenigbaar is met artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48. Deze bepaling, waarop de uitlegging van de eerste vraag betrekking heeft, regelt dat aan consumenten toegekende herroepingsrecht.

53 Aldus blijkt niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging van richtlijn 2008/48 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van de hoofdgedingen of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is. De exceptie van niet-toepasselijkheid van deze bepaling op het hoofdgeding betreft dus niet de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar de grond van de gestelde vragen [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, TGSS (Werkloosheid van huishoudelijk personeel), C‑389/20, EU:C:2022:120, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54 Bijgevolg is de eerste vraag ontvankelijk.

55 In de tweede plaats betwist Mercedes-Benz Bank de ontvankelijkheid van de vierde en de vijfde vraag. Zij voert ten eerste aan dat deze vragen reeds zijn beantwoord in het arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014 ), en ten tweede dat de verwijzende rechter de rechtspraak van het Bundesgerichtshof die is gebaseerd op de bepalingen van richtlijn 2008/48, zoals uitgelegd in dat arrest, opnieuw ter discussie wil stellen. Met betrekking tot laatstgenoemd argument stelt Mercedes-Benz Bank dat de verwijzende rechter daarmee de beoordelingen van het Hof in dat arrest wil betwisten op basis van zijn eigen uitlegging van die bepalingen.

56 In casu verzoekt de verwijzende rechter met zijn vierde en vijfde vraag het Hof om uitlegging van artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48, betreffende het vereiste dat de vertragingsrentevoet in de kredietovereenkomst wordt vermeld, en van artikel 14, lid 1, van deze richtlijn, betreffende de vaststelling van het tijdstip waarop de herroepingstermijn van 14 dagen ingaat. Deze twee vragen hebben respectievelijk betrekking op de wijze waarop de herroepingstermijn ingaat en op de mogelijkheid om de gebruikmaking van het herroepingsrecht als misbruik te kwalificeren.

57 Allereerst dient in herinnering te worden gebracht dat de nationale rechterlijke instanties – zelfs wanneer in de rechtspraak van het Hof al een oplossing is aangedragen voor de rechtsvraag in kwestie – de meest uitgebreide bevoegdheid behouden om zich tot het Hof te wenden indien zij dit wenselijk achten, zonder dat de omstandigheid dat het Hof reeds een uitlegging heeft gegeven aan de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht, eraan in de weg staat dat het opnieuw uitspraak doet (arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Verder kan het in punt 49 van het onderhavige arrest vermelde vermoeden van relevantie niet worden weerlegd door de omstandigheid alleen dat een van de partijen in het hoofdgeding de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van de bepalingen van het Unierecht – ook wanneer die reeds door de het Hof zijn uitgelegd – betwist (zie naar analogie arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 41 ).

59 Ten slotte moet het de niet in laatste aanleg uitspraak doende rechter vrijstaan om zich met zijn vragen tot het Hof te wenden, met name indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het Unierecht strijdig vonnis zou kunnen brengen (zie arresten van 16 januari 1974, Rheinmühlen-Düsseldorf, 166/73, EU:C:1974:3, punt 4 , en  18 mei 2021, Asociaţia „Forumul Judecătorilor din România” e.a., C‑83/19, C‑127/19, C‑195/19, C‑291/19, C‑355/19 en C‑397/19, EU:C:2021:393, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Bijgevolg zijn de vierde en de vijfde vraag ook ontvankelijk.

Ten gronde

61 Allereerst moeten de vierde en de vijfde vraag worden onderzocht, voor zover zij betrekking hebben op respectievelijk het tijdstip waarop de herroepingstermijn ingaat bij kredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig en de mogelijkheid om de gebruikmaking van het herroepingsrecht als misbruik te kwalificeren. De eerste tot en met de derde vraag, die in essentie betrekking hebben op de gevolgen van de herroeping, zullen daarna worden onderzocht.

Vierde vraag

62 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 10, lid 2, onder l), en artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat de in artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingstermijn enkel ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage is vermeld. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst hij te vernemen of de niet-vermelding van deze informatie van invloed kan zijn op het vermogen van de consument om de omvang van zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te beoordelen of zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten ongunstig kan beïnvloeden en hem in voorkomend geval de mogelijkheid kan ontnemen om zijn rechten onder in wezen dezelfde voorwaarden uit te oefenen als indien die informatie wél volledig en correct was geweest.

63 Uit artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48 volgt dat de herroepingstermijn van 14 dagen pas ingaat op de dag waarop de consument met name de in artikel 10 van deze richtlijn bedoelde informatie heeft ontvangen, als die dag later valt dan de dag waarop de kredietovereenkomst is gesloten.

64 Overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48 moet in de kredietovereenkomst op duidelijke en beknopte wijze melding worden gemaakt van de op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand alsmede van de wijzigingsmodaliteiten en, in voorkomend geval, kosten van niet-nakoming.

65 In herinnering moet worden gebracht dat het door richtlijn 2008/48 uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper vooraf opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 259 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Het is voor een consument van wezenlijk belang dat hij, vóór en bij de sluiting van een overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen die aan die sluiting zijn verbonden. Met name op basis van die informatie zal hij beslissen of hij gebonden wenst te zijn door de voorwaarden die de handelaar tevoren heeft vastgesteld (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 260 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 In dit verband draagt de in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieplicht bij tot de verwezenlijking van het doel van die richtlijn, dat erin bestaat om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige en dwingende harmonisatie tot stand te brengen die nodig is om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een grondige en gelijkwaardige bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, zoals uit de overwegingen 7 en 9 van die richtlijn blijkt (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 262 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 Uit artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 31, blijkt immers dat het vereiste dat in een op papier of op een andere duurzame drager opgestelde kredietovereenkomst op duidelijke en beknopte wijze de in die bepaling bedoelde informatie wordt opgenomen, noodzakelijk is zodat de consument kennis kan nemen van zijn rechten en verplichtingen. De kennis en een goed begrip door de consument van de gegevens die de kredietovereenkomst verplicht moet bevatten, zijn noodzakelijk voor de goede uitvoering van deze overeenkomst en met name de uitoefening van zijn rechten (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69 Ingeval de krachtens artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 door de kredietgever aan de consument verstrekte informatie onvolledig of onjuist blijkt, gaat de herroepingstermijn dus enkel in indien de onvolledigheid of de onjuistheid van die informatie niet van dien aard is dat zij het vermogen van de consument om de omvang van zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te beoordelen en zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten ongunstig beïnvloedt en hem in voorkomend geval de mogelijkheid ontneemt om zijn rechten onder in essentie dezelfde voorwaarden uit te oefenen als indien die informatie wél volledig en correct was geweest (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 265 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70 Een situatie waarin onvolledige of onjuiste informatie wordt verstrekt moet echter worden onderscheiden van een situatie waarin de vereiste informatie ontbreekt (zie in die zin arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 264 ).

71 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in geen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomsten geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage werd vermeld. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt evenmin dat deze informatie na de sluiting van deze overeenkomsten aan de betrokken consumenten is meegedeeld.

72 In dit verband moet worden benadrukt dat de verplichting om in de kredietovereenkomst de concrete vertragingsrentevoet, uitgedrukt in een percentage, te vermelden, overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48, de consument in staat stelt kennis te nemen van de gevolgen indien hij betalingsachterstand zou oplopen. Derhalve heeft het Hof geoordeeld dat de op het tijdstip van het sluiten van een kredietovereenkomst geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage in die overeenkomst moet worden vermeld, en dat het mechanisme voor de aanpassing van die rentevoet in die overeenkomst concreet moet worden beschreven (arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736, punten 92 en 95 ).

73 Dat in het kader van een kredietovereenkomst de geldende vertragingsrentevoet, uitgedrukt in de vorm van een concreet percentage, wordt vermeld, blijkt namelijk onontbeerlijk opdat de consument zich een beeld kan vormen van de draagwijdte van zijn contractuele verbintenis, met name wat betreft de financiële gevolgen die kunnen voortvloeien uit een niet-nakoming van zijn betalingsverplichting of een vertraging in de uitvoering ervan. Deze informatie kan in dat opzicht niet alleen van invloed zijn op de beslissing van de consument om het contract te sluiten, maar ook op zijn vermogen om het beheer van de terugbetaling van de aangegane lening te organiseren.

74 Hieruit volgt dat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld, de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 bedoelde herroepingstermijn niet ingaat voordat deze informatie aan de consument is meegedeeld (zie in die zin arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736, punt 117 ).

75 Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, onder l), en artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat de in artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingstermijn niet ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage, en dat zolang deze informatie niet naar behoren aan de consument is meegedeeld.

Vijfde vraag

76 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de kredietgever zich op geldige wijze kan beroepen op misbruik door de consument van het in dat artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingsrecht vanwege de handelwijze van de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of zelfs na die uitoefening, wanneer in de kredietovereenkomst, in strijd met artikel 10, lid 2, onder l), van deze richtlijn, de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomst geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of de kwalificatie als rechtsmisbruik kan worden gebaseerd op de omstandigheid dat deze consument het voertuig blijft gebruiken totdat de nationale rechterlijke instanties uitspraak hebben gedaan over de geldigheid van de herroeping en op de omstandigheid dat de consument weigert een compenserende vergoeding wegens waardevermindering van dat voertuig te betalen.

77 In dit verband dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat richtlijn 2008/48 geen bepalingen bevat die de kwestie van misbruik door de consument van de hem door deze richtlijn verleende rechten regelen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 280 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 Het is echter vaste rechtspraak dat er in het Unierecht een algemeen rechtsbeginsel bestaat dat justitiabelen zich niet door middel van fraude of misbruik kunnen beroepen op het Unierecht (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 281 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 De justitiabelen dienen dit algemene rechtsbeginsel na te leven. De Unieregeling mag immers niet zo ruim worden toegepast dat zij transacties dekt die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 282 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80 Uit dit beginsel volgt dan ook dat een lidstaat de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen moet weigeren – zelfs bij gebreke van bepalingen van nationaal recht die in een dergelijke weigering voorzien – indien zij door een persoon niet worden ingeroepen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze bepalingen, maar om een Unierechtelijk voordeel te verkrijgen terwijl slechts formeel voldaan is aan de Unierechtelijke objectieve voorwaarden om op dit voordeel aanspraak te kunnen maken (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 283 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81 In de tweede plaats blijkt uit vaste rechtspraak dat voor het bewijs dat er sprake is van misbruik enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist is waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de toepasselijke Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet is bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 285 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82 Uiteindelijk staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of in de bij hem aanhangige zaken sprake is van een dergelijk misbruik door alle feiten en omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen, met inbegrip van de feiten en omstandigheden die volgen op de transactie die misbruik zou opleveren (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 286 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof kan de nationale rechter echter leiden bij zijn beoordeling.

83 In dit verband volgt uit de rechtspraak dat de kredietgever niet op geldige wijze kan stellen dat, omdat er aanzienlijke tijd is verstreken tussen de sluiting van de overeenkomst en de gebruikmaking van het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 genoemde herroepingsrecht, de consument misbruik heeft gemaakt van dit recht, wanneer een van de in artikel 10, lid 2, van die richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen niet in de kredietovereenkomst was opgenomen en evenmin achteraf naar behoren is meegedeeld, waarbij niet van belang is of die consument niet op de hoogte was van het bestaan van zijn herroepingsrecht (arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736, punt 127 ).

84 Bijgevolg kan een kredietgever zich niet beroepen op misbruik van het herroepingsrecht wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld, waarbij deze vermelding deel uitmaakt van bovengenoemde verplichte vermeldingen. Zoals blijkt uit punt 75 van het onderhavige arrest, is de herroepingstermijn in een dergelijk geval immers niet ingegaan.

85 Gelet op een en ander moet op het eerste onderdeel van de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de kredietgever zich op geldige wijze kan beroepen op misbruik door de consument van het in dat artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingsrecht vanwege de handelwijze van de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of zelfs na die uitoefening, wanneer de door artikel 10, lid 2, onder l), van die richtlijn vereiste vermelding, in de vorm van een concreet percentage, van de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomst geldende vertragingsrentevoet, niet in de kredietovereenkomst was opgenomen en evenmin achteraf naar behoren is meegedeeld.

Eerste vraag

86 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, wanneer de consument gebruikmaakt van het herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, het bedrag van de compenserende vergoeding wegens waardevermindering die deze consument bij de teruggave van het voertuig aan de kredietgever verschuldigd is, wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door die consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van dat voertuig.

87 Krachtens artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 is een „gelieerde kredietovereenkomst” een kredietovereenkomst waarbij geldt dat het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van met name een overeenkomst voor de levering van goederen, op voorwaarde dat die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen.

88 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten zijn gebruikt voor de aankoop van motorvoertuigen voor privégebruik. Daaruit blijkt ook dat de kredietbedragen rechtstreeks werden betaald aan de autohandelaren bij wie de voertuigen zijn gekocht. Bijgevolg vallen deze overeenkomsten onder het begrip „gelieerde kredietovereenkomst” in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48.

89 Wat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 betreft, hierin wordt bepaald dat de consument over een termijn van 14 kalenderdagen beschikt om de kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te herroepen. Richtlijn 2008/48 bevat echter geen bepalingen inzake de gevolgen van de herroeping door de consument van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan de overeenkomst tot levering van goederen. Bovendien wordt in overweging 35 van die richtlijn uiteengezet dat deze richtlijn de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van het door het krediet gefinancierde goed of daarmee samenhangende aangelegenheden onverlet laat (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 302 ).

90 Bij gebreke van specifieke Unieregeling ter zake zijn de nadere uitvoeringsregels voor de door die richtlijn geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten. Die nadere regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 303 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91 Wat de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel betreft – het enige beginsel dat in casu relevant is – volgt uit de rechtspraak dat de vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 304 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 De nationale bepalingen – en, in voorkomend geval, de nationale rechtspraak waarin die bepalingen worden toegepast – die de gevolgen regelen van de herroeping door de consument van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een overeenkomst tot levering van goederen, mogen dus geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid en effectiviteit van het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 bedoelde herroepingsrecht.

93 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing in de eerste plaats dat krachtens § 357, lid 7, van het BGB de consument verplicht is een compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van het goed te betalen wanneer deze het gevolg is van een behandeling van het goed die niet noodzakelijk was om de aard, de kenmerken en de werking ervan na te gaan, op voorwaarde dat de handelaar de consument heeft geïnformeerd over diens herroepingsrecht. In de tweede plaats wordt volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof het bedrag van deze compenserende vergoeding in omstandigheden als die van het hoofdgeding berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door de consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van het voertuig.

94 Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens is deze berekeningsmethode gebaseerd op verschillende marktwaarden die het resultaat zijn van transacties op verschillende markten, te weten enerzijds de markt waarop de handelaren verkopen en anderzijds die waarop zij aankopen. Volgens deze gegevens belast die methode de consument niet alleen met de compensatie van de waardevermindering die voortvloeit uit het gebruik van het voertuig, maar ook met de kosten van wederverkoop, een winstmarge en de belasting over de toegevoegde waarde. Het gaat namelijk om lasten die inherent zijn aan de gebruikmaking van het herroepingsrecht en die losstaan van het gebruik van het voertuig door de consument. Dit zou erop neerkomen dat de consument wordt verplicht om een vergoeding te betalen wegens de loutere gebruikmaking van het herroepingsrecht. Hieruit volgt dat het bedrag van die vergoeding hoog kan zijn, zelfs wanneer het voertuig voor de gebruikmaking van het herroepingsrecht nooit is geregistreerd of gebruikt.

95 In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof met betrekking tot het in richtlijn 97/7 bedoelde herroepingsrecht in geval van een op afstand gesloten overeenkomst reeds heeft geoordeeld dat de aan de lidstaten toegekende bevoegdheid om de voorwaarden en regels van dat recht te bepalen, moet worden uitgeoefend met inachtneming van de doelstelling van deze richtlijn en geen afbreuk mag doen aan de doeltreffendheid en de effectiviteit van dat recht. Dit zou het geval zijn wanneer het bedrag van een compenserende vergoeding wegens waardevermindering van een goed, die de consument bij de teruggave van het goed aan de kredietgever verschuldigd is, niet in verhouding staat tot de koopprijs van dat goed (zie in die zin arrest van 3 september 2009, Messner, C‑489/07, EU:C:2009:502, punt 27 ).

96 Deze uitlegging geldt ook voor richtlijn 2008/48. Net als richtlijn 97/7, waarvan overweging 14 vermeldde dat de lidstaten de bevoegdheid hadden om de voorwaarden en regels voortvloeiend uit het herroepingsrecht te bepalen, kent richtlijn 2008/48 de lidstaten immers speelruimte toe, aangezien – zoals reeds is opgemerkt in punt 89 van het onderhavige arrest – deze richtlijn het aan hen overlaat om de aangelegenheden betreffende de teruggave van het door het krediet gefinancierde goed of enige andere daarmee samenhangende aangelegenheid te regelen. Zoals blijkt uit punt 92 van het onderhavige arrest, vereist het doeltreffendheidsbeginsel bovendien dat de nationale bepalingen die de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht regelen, de doeltreffendheid en effectiviteit van dit recht niet zodanig aantasten dat de uitoefening van dat recht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.

97 De evenredigheid van de compenserende vergoeding die van de consument kan worden gevorderd nadat hij van zijn herroepingsrecht gebruik heeft gemaakt, moet worden beoordeeld aan de hand van een uitvoerige analyse, waarbij rekening wordt gehouden met de gebruikswijze die eigen is aan het goed in kwestie en met de staat van het voertuig op het tijdstip van de teruggave ervan, met name uit het oogpunt van een eventuele mechanische beschadiging of esthetische wijziging als gevolg van dat gebruik. Het enkele feit dat de aldus bepaalde compenserende vergoeding hoog kan zijn in verhouding tot de door de consument betaalde aankoopprijs van het voertuig, kan als zodanig niet aantonen dat deze vergoeding onevenredig is en dat de berekeningsmethode voor die vergoeding de uitoefening van het herroepingsrecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, voor zover het bedrag van die vergoeding objectief de werkelijke waardevermindering van dat voertuig weergeeft, waarbij die waardevermindering het gevolg is van het gebruik van het voertuig door de consument en de staat waarin het zich bevindt op het tijdstip van teruggave.

98 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet daarentegen worden geoordeeld dat een berekeningsmethode die uitsluitend is gebaseerd op het prijsverschil tussen de aankoop en de wederverkoop van het voertuig en die rekening houdt met factoren die geen verband houden met het gebruik van dit voertuig, zoals handelsmarges en kosten van wederverkoop – die eenzijdig door de autohandelaar worden vastgesteld – alsook de belasting over de toegevoegde waarde, het niet mogelijk maakt om de waardevermindering van dat voertuig als gevolg van het gebruik ervan door de consument te beoordelen. Bovendien merkt de verwijzende rechter terecht op dat deze factoren zelfs een rol spelen wanneer het voertuig niet is geregistreerd en gebruikt voor de uitoefening van het herroepingsrecht. Deze methode lijkt deze consument dus een last op te leggen die uitsluitend voortvloeit uit de uitoefening van zijn herroepingsrecht.

99 In die omstandigheden kan een berekeningsmethode voor een compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van een goed als die welke in het hoofdgeding aan de orde is leiden tot een vergoeding die onevenredig is ten opzichte van de aankoopprijs van dat goed en de uitoefening van het herroepingsrecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

100 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, wanneer de consument gebruikmaakt van het herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, het bedrag van de compenserende vergoeding wegens waardevermindering die deze consument bij de teruggave van het voertuig aan de kredietgever verschuldigd is, wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door die consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van dat voertuig, voor zover bij deze berekeningsmethode rekening wordt gehouden met factoren die geen verband houden met het gebruik van dit voertuig door de consument.

Tweede vraag

101 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2008/48, gelet op artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, aldus moet worden uitgelegd dat zij een volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig.

102 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat uit artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48, uitgelegd tegen de achtergrond van de overwegingen 9 en 10 ervan, blijkt dat deze richtlijn voor de binnen haar werkingssfeer vallende kredietovereenkomsten voorziet in een volledige harmonisatie en, zoals volgt uit het opschrift van dat artikel 22, een dwingend karakter heeft. Hieruit volgt dat de lidstaten voor de door die harmonisatie specifiek bestreken materies geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van de bepalingen waarin in deze richtlijn is voorzien (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 295 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

103 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/48 bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op kredietovereenkomsten en, zoals blijkt uit artikel 3, onder n), van deze richtlijn, waarvan de bewoordingen in punt 87 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, vallen „gelieerde kredietovereenkomsten” onder de categorie „kredietovereenkomsten”. Hieruit volgt dat gelieerde kredietovereenkomsten in de zin van dat artikel 3, onder n), niet louter op grond van hun voorwerp van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten.

104 Artikel 14, lid 3, onder b), van richtlijn 2008/48 bepaalt echter enkel dat indien de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt, hij onverwijld en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de herroeping aan de kredietgever heeft gestuurd, de kredietgever het geleende kapitaal en de op dit kapitaal lopende rente terugbetaalt vanaf de datum waarop het krediet is opgenomen tot de datum waarop het kapitaal wordt terugbetaald. De verschuldigde debetrente wordt berekend aan de hand van de overeengekomen debetrentevoet.

105 In de tweede plaats moet om te beginnen worden benadrukt, zoals in punt 89 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dat richtlijn 2008/48 geen bepalingen bevat over de gevolgen van de gebruikmaking van het herroepingsrecht door de consument met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan de overeenkomst tot levering van goederen. Bovendien wordt in overweging 35 van die richtlijn uiteengezet dat deze richtlijn de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van het door het krediet gefinancierde goed of daarmee samenhangende aangelegenheden onverlet laat (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 302 ).

106 Vervolgens, zoals de advocaat-generaal in de punten 34 en 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zegt artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 niets over wat er moet gebeuren met het gefinancierde goed of over eventuele wisselwerkingen tussen de gelieerde kredietovereenkomst en de koopovereenkomst voor het voertuig. De enige bepaling van deze richtlijn die verwijst naar de gevolgen van de gebruikmaking van een herroepingsrecht bij een gelieerde kredietovereenkomst, namelijk artikel 15, lid 1, betreft het geval waarin een consument een dergelijk in het Unierecht voorzien recht uitoefent met betrekking tot een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een dienst. Daarentegen wordt in geen enkele bepaling van richtlijn 2008/48 het geval geregeld waarin het herroepingsrecht waarvan de consument gebruikmaakt betrekking heeft op de gelieerde kredietovereenkomst zelf.

107 Ten slotte en zoals reeds in punt 90 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, zijn bij gebreke van specifieke Unieregeling ter zake de nadere uitvoeringsregels voor de door richtlijn 2008/48 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten. Die nadere regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).

108 Hieruit volgt dat de Uniewetgever heeft willen waarborgen dat de uitoefening van het herroepingsrecht doeltreffend is, maar tegelijkertijd de lidstaten een beoordelingsmarge heeft gelaten met betrekking tot de uitvoering van die herroeping in het specifieke kader van de gelieerde kredietovereenkomst. Richtlijn 2008/48 brengt dus geen volledige harmonisatie tot stand van alle rechtsgevolgen die uit de herroeping van een dergelijke overeenkomst kunnen voortvloeien.

109 Bijgevolg staat het aan de lidstaten om, met inachtneming van het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel, de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht in het kader van een aan een overeenkomst voor de levering van goederen gelieerde kredietovereenkomst nader te omschrijven, met inbegrip van, in voorkomend geval, de verplichting om de op het kapitaal lopende rente te betalen en de regeling van deze verplichting.

110 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat zij geen volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig.

Derde vraag

111 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de consument, na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in deze kredietovereenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper.

112 Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 voorziet in een herroepingsrecht ten gunste van de consument zonder dat deze zijn beslissing hoeft te motiveren. Bovendien blijkt uit artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van deze richtlijn dat indien de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt, hij verplicht is het kapitaal en de debetrente terug te betalen tegen de overeengekomen debetrentevoet voor de periode tussen de terbeschikkingstelling van het krediet en de volledige terugbetaling ervan.

113 Uit het antwoord op de tweede vraag blijkt dat artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 geen volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen, zoals de aankoop van een voertuig.

114 Zoals blijkt uit overweging 8 van richtlijn 2008/48, beoogt deze bepaling echter een evenwicht te verzekeren tussen consumentenbescherming en het vrije verkeer van kredietaanbiedingen. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het Unierecht zich er niet tegen verzet dat een nationale regeling bepaalt dat consumenten, wanneer zij een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig herroepen, verplicht zijn om de debetrente te betalen over het tijdvak vanaf de daadwerkelijke terbeschikkingstelling van het krediet tot aan de teruggave van het goed.

115 Deze beoordeling wordt ten eerste bevestigd door het feit dat de kredietgever tijdelijk afstand heeft gedaan van het kredietbedrag dat aan de verkoper van het voertuig is betaald ten behoeve van de consument, hetgeen voor hem een immobilisatie van middelen en een financieel risico inhoudt. Ten tweede vormt de op het kapitaal lopende rente geen boete, maar de tegenprestatie voor de toegang tot het krediet, hetgeen in beginsel een transactie tegen betaling is, los van de uitoefening van het herroepingsrecht.

116 Bovendien kan, zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, het contractuele evenwicht worden gehandhaafd door de eventueel op de consument rustende verplichting tot betaling van de debetrente die wordt berekend met inachtneming van de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling van het krediet. Deze verplichting belet dat een partij door gebruik te maken van haar herroepingsrecht een ongerechtvaardigd voordeel behaalt ten nadele van de andere partij en waarborgt een billijke verdeling van de lasten en voordelen die voortvloeien uit de – zij het gedeeltelijke en tijdelijke – uitvoering van de kredietovereenkomst.

117 Niettemin zij eraan herinnerd dat, zoals in de punten 90 en 91 van het onderhavige arrest is benadrukt, bij gebreke van specifieke Unieregeling ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de door richtlijn 2008/48 geboden consumentenbescherming een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de lidstaten is en dat die nadere regels het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel moeten eerbiedigen.

118 Voorts kunnen de antwoorden van het Hof op de eerste en de onderhavige vraag de verwijzende rechter duidelijkheid verschaffen wat zijn vragen betreft over een eventuele ongerechtvaardigde verrijking ten gunste van de consument of de kredietgever.

119 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de consument, na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in deze kredietovereenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper.

Kosten

120 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
  1. Artikel 10, lid 2, onder l), en artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad

    moeten aldus worden uitgelegd dat

    de in artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingstermijn niet ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage, en dat zolang deze informatie niet naar behoren aan de consument is meegedeeld.

  2. Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het eraan in de weg staat dat de kredietgever zich op geldige wijze kan beroepen op misbruik door de consument van het in dat artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingsrecht vanwege de handelwijze van de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of zelfs na die uitoefening, wanneer de door artikel 10, lid 2, onder l), van die richtlijn vereiste vermelding, in de vorm van een concreet percentage, van de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomst geldende vertragingsrentevoet, niet in de kredietovereenkomst was opgenomen en evenmin achteraf naar behoren is meegedeeld.

  3. Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, wanneer de consument gebruikmaakt van het herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, het bedrag van de compenserende vergoeding wegens waardevermindering die deze consument bij de teruggave van het voertuig aan de kredietgever verschuldigd is, wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door die consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van dat voertuig, voor zover bij deze berekeningsmethode rekening wordt gehouden met factoren die geen verband houden met het gebruik van dit voertuig door de consument.

  4. Richtlijn 2008/48

    moet aldus worden uitgelegd dat

    dat zij geen volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig.

  5. Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de consument, na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in deze kredietovereenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper.

ondertekeningen