Home

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 5 september 2024

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 5 september 2024

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
5 september 2024

Uitspraak

Arrest van het Hof (Tweede kamer)

5 september 2024(*)

"„Hogere voorziening - Staatssteun - Klacht over staatssteun waarmee een voetbalclub een speler in dienst heeft kunnen nemen die tot dan toe bij een andere club in dienst was - Klacht die is ingediend door een van de socios van laatstbedoelde club, die is opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk - Besluit van de Europese Commissie waarin wordt geconcludeerd dat de betrokkene niet de hoedanigheid heeft van belanghebbende die het recht heeft om een klacht in te dienen - Verordening (EU) 2015/1589 - Artikel 1, onder h) - Begrippen belanghebbende en persoon wiens belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt ”"

In zaak C‑224/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 11 april 2023,

Penya Barça Lyon: Plus que des supporters (PBL), gevestigd te Bron (Frankrijk),

Issam Abdelmouine, wonende te Parijs (Frankrijk),

vertegenwoordigd door J. Branco, avocat,

rekwiranten, andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door C.‑M. Carrega en B. Stromsky als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, N. Wahl, J. Passer (rapporteur) en M. L. Arastey Sahún, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 maart 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening vorderen Penya Barça Lyon: Plus que des supporters (PBL) en Issam Abdelmouine vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 februari 2023, PBL en WA/Commissie (T‑538/21, EU:T:2023:53 ; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht hun beroep tot nietigverklaring van besluit COMP/C.4/AH/mdr 2021(092342) van de Commissie van 1 september 2021 betreffende de status van een klacht over vermeende staatssteun aan de voetbalclub Paris Saint-Germain (SA.64489), heeft verworpen.

Toepasselijke bepalingen

2 De overwegingen 32 en 33 van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9, met rectificatie in PB 2017, L 186, blz. 17) luiden als volgt:

„(32) Klachten zijn een belangrijke bron van informatie voor het opsporen van inbreuken op de staatssteunregels van de Unie. Teneinde de kwaliteit te waarborgen van de klachten die bij de Commissie worden ingediend en tegelijk de transparantie en rechtszekerheid te waarborgen, dienen de voorwaarden te worden bepaald waaraan een klacht dient te voldoen om de Commissie informatie over mogelijk onrechtmatige steun ter beschikking te stellen en het eerste onderzoek te kunnen instellen. Klachten die niet aan deze voorwaarden voldoen, dienen te worden behandeld als algemene marktinformatie en dienen niet noodzakelijk tot ambtshalve onderzoeken te leiden.

(33) Van klagers dient te worden verlangd dat zij aantonen dat zij belanghebbende zijn in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU en van artikel 1, onder h), van deze verordening. Van hen dient tevens te worden verlangd dat zij een bepaalde hoeveelheid informatie verschaffen via een formulier dat de Commissie door middel van een uitvoeringsbepaling moet kunnen vaststellen. Om mogelijke klagers niet te ontmoedigen, dient in de uitvoeringsbepaling in acht genomen te worden dat de eisen voor het indienen van een klacht door een belanghebbende niet te onereus mogen zijn.”

3 Artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 bepaalt dat voor de toepassing van deze verordening onder „belanghebbende” wordt verstaan „een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen”.

4 Artikel 12 van deze verordening, met als opschrift „Onderzoek, verzoek om informatie en bevel tot het verstrekken van informatie”, bepaalt in lid 1:

„Onverminderd artikel 24 kan de Commissie ambtshalve informatie, uit welke bron ook, onderzoeken met betrekking tot mogelijk onrechtmatige steun.

De Commissie onderzoekt een klacht die een belanghebbende overeenkomstig artikel 24, lid 2, heeft ingediend, zonder ongegronde vertraging en zorgt ervoor dat de betrokken lidstaat volledig en regelmatig van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek op de hoogte wordt gehouden.”

5 Artikel 24 van deze verordening, met als opschrift „Rechten van de belanghebbenden”, luidt als volgt:

„1.

Elke belanghebbende kan [...] opmerkingen indienen naar aanleiding van een besluit van de Commissie om een formele onderzoeksprocedure in te leiden. Elke belanghebbende die opmerkingen heeft ingediend en elke ontvanger van individuele steun krijgt een afschrift van de door de Commissie [...] genomen besluiten toegezonden.

2.

Elke belanghebbende kan een klacht indienen om de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun of van mogelijk misbruik van steun. Te dien einde vult de belanghebbende een [...] formulier in, en verschaft hij de daarin gevraagde verplichte informatie.

[...]”

Voorgeschiedenis van het geding

6 De voorgeschiedenis van het geding, zoals die door het Gerecht in het bestreden arrest is uiteengezet, kan als volgt worden samengevat.

7 PBL is een vereniging met als doel het „bijeenbrengen van supporters” van Fútbol Club Barcelona (hierna: „FCB”), een in Barcelona (Spanje) gevestigde professionele voetbalclub die is opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.

8 Abdelmouine is lid van PBL. Sinds 3 maart 2020 heeft hij ook de hoedanigheid van socio (bijdragend lid) van FCB.

9 Op 8 augustus 2021 kondigde Lionel Messi, een voetbalspeler die voor FCB werkte, zijn vertrek uit die club aan en zijn aanwerving bij Paris Saint-Germain Football Club (PSG), een in Parijs (Frankrijk) gevestigde professionele voetbalclub.

10 Diezelfde dag heeft Abdelmouine bij de Commissie een klacht ingediend, waarin hij deze instelling in kennis heeft gesteld van het bestaan van vermeende steun die PSG in staat had gesteld Messi in dienst te nemen, en haar heeft verzocht maatregelen te nemen op grond van artikel 116 VWEU.

11 Op 1 september 2021 heeft de Commissie Abdelmouine een brief gestuurd waarin zij in wezen heeft aangegeven dat hij niet kon worden aangemerkt als „belanghebbende” in de zin van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 en dat de over de vermeende steun aan PSG verstrekte informatie bijgevolg niet als een klacht in de zin van artikel 24, lid 2, van die verordening kon worden beschouwd.

Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest

12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 september 2021, hebben PBL en Abdelmouine beroep ingesteld dat strekte, ten eerste, tot nietigverklaring van het in die brief vervatte besluit om Abdelmouine niet te beschouwen als belanghebbende die recht heeft om bij de Commissie een klacht in te dienen in de zin van verordening 2015/1589 (hierna: „litigieus besluit”) en, ten tweede, tot uitvaardiging van bevelen.

13 Op de dag van de pleitzitting, die op 18 oktober 2022 is gehouden, hebben rekwiranten bovendien krachtens artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een aantal bewijselementen neergelegd ter griffie van deze rechterlijke instantie.

14 In de punten 9 tot en met 13 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de tweede vordering van rekwiranten, die strekte tot uitvaardiging van bevelen, afgewezen op grond dat het niet bevoegd is om dergelijke bevelen te geven.

15 Wat de eerste vordering van rekwiranten betreft, die strekt tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, heeft het Gerecht in de punten 14 tot en met 18 van het bestreden arrest geoordeeld dat deze gedeeltelijk niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor zover zij betrekking had op het feit dat PBL door de Commissie niet in aanmerking was genomen in het litigieuze besluit. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat niet was aangetoond dat PBL zich had aangesloten bij de door Abdelmouine ingediende klacht, waarop dat besluit betrekking had, zodat hij als enige klager moest worden beschouwd. Deze vordering is dus slechts ten gronde onderzocht voor zover zij betrekking had op de behandeling van de door Abdelmouine als socio van FCB ingediende klacht.

16 Ten gronde heeft het Gerecht in de punten 19 en 20 van het bestreden arrest geoordeeld dat rekwiranten ter ondersteuning van deze vordering één middel, betreffende schending van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589, hadden aangevoerd, dat uit twee onderdelen bestond.

17 Aangaande het eerste onderdeel, ontleend aan een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten, heeft het Gerecht in de punten 22 tot en met 47 van het bestreden arrest in wezen geoordeeld dat van de verschillende belangen die rekwiranten hadden aangevoerd om aan te tonen dat Abdelmouine in zijn hoedanigheid van socio van FCB als „belanghebbende” in de zin van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 moest worden aangemerkt, er sommige niet waren bewezen en de andere „zuiver algemeen of indirect” waren. Om die redenen heeft het Gerecht geoordeeld dat Abdelmouine niet als een dergelijke „belanghebbende” kon worden beschouwd.

18 Wat het tweede onderdeel betreft, ontleend aan een onjuiste beoordeling van de feiten, het Gerecht heeft dit in de punten 48 tot en met 53 van het bestreden arrest afgewezen op grond dat het niet ter zake dienend was, na in wezen te hebben opgemerkt dat het een louter illustratief, en dus bijkomstig, aspect betrof van de motivering waarop de Commissie zich in het litigieuze besluit had gebaseerd om zich uit te spreken over de status van de door Abdelmouine ingediende klacht.

19 Voorts heeft het Gerecht in de punten 54 tot en met 57 van het bestreden arrest geoordeeld dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over de ontvankelijkheid van de bewijzen die rekwiranten op de dag van de pleitzitting hadden overgelegd, aangezien deze bewijzen hoe dan ook irrelevant waren voor de beoordeling van met name de ontvankelijkheid en de gegrondheid van hun beroep.

20 Gelet op een en ander heeft het Gerecht het beroep verworpen.

Conclusie van partijen in hogere voorziening

21 Rekwiranten verzoeken het Hof:

  • het bestreden arrest te vernietigen en, in wezen,

  • hun in eerste aanleg ingediende vorderingen toe te wijzen.

22 De Commissie verzoekt het Hof:

  • de hogere voorziening af te wijzen en

  • rekwiranten te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

23 Tot staving van hun hogere voorziening voeren rekwiranten in wezen zes middelen aan.

Eerste middel

Argumenten van partijen

24 Met hun eerste middel, dat betrekking heeft op de punten 14 tot en met 18 van het bestreden arrest en in wezen uit twee onderdelen bestaat, betwisten rekwiranten de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring door het Gerecht van hun eerste vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.

25 Met het eerste onderdeel van dit middel betogen zij hoofdzakekijk dat, anders dan het Gerecht in de betrokken punten heeft geoordeeld, de bewijzen die zij op de dag van de pleitzitting aan die rechterlijke instantie hebben overgelegd, afdoende aantonen dat PBL zich bij de door Abdelmouine ingediende klacht had aangesloten en dat de Commissie van die situatie op de hoogte was toen zij het litigieuze besluit vaststelde.

26 Met het tweede onderdeel van dit middel betogen zij dat het Gerecht hoe dan ook is voorbijgegaan aan zijn rechtspraak volgens welke er bij een beroep tot nietigverklaring dat wordt ingesteld door meerdere personen van moet worden uitgegaan dat de vaststelling van de procesbevoegdheid van een van deze personen volstaat om dit beroep in zijn geheel ontvankelijk te maken en dus het onderzoek van de procesbevoegdheid van de andere betrokken personen overbodig maakt. Volgens rekwiranten had het Gerecht, gelet op deze rechtspraak, hun eerste vordering immers in haar geheel ontvankelijk moeten verklaren.

27 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van dit middel en de gegrondheid van het tweede onderdeel ervan.

Beoordeling door het Hof

28 Wat het eerste onderdeel van het onderhavige middel betreft, zij er ten eerste aan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen en om de overgelegde bewijzen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens bij een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar kan zijn voor toetsing door het Hof. Met uitzondering van het betoog inzake een onjuiste opvatting, moet elk betoog waarmee deze beoordeling in een dergelijk kader ter discussie wordt gesteld, derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard (zie in die zin arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie, C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punten 157 en 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Ten tweede moet een partij die stelt dat het Gerecht bewijzen verkeerd heeft opgevat, overeenkomstig artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof precies uiteenzetten welke elementen het Gerecht volgens haar onjuist heeft opgevat en aantonen welke fouten tot die onjuiste opvatting van het Gerecht hebben geleid. Die onjuiste opvatting moet bovendien duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (zie in die zin arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie, C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 219 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In casu volgt hieruit dat rekwiranten, die in dit verband niet stellen of aantonen dat er sprake is van een onjuiste opvatting van de feiten, in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet kunnen opkomen tegen het oordeel van het Gerecht dat in wezen niet was aangetoond dat PBL zich had aangesloten bij de door Abdelmouine bij de Commissie ingediende klacht, waarop het litigieuze besluit betrekking had.

31 Bovendien kan aan de hand van de argumenten die rekwiranten aan het Hof voorleggen, niet worden vastgesteld, en a fortiori niet duidelijk worden aangetoond, onder de in punt 29 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden, dat het Gerecht de op de dag van de pleitzitting aan deze rechterlijke instantie overgelegde bewijzen onjuist heeft opgevat, welke onjuiste opvatting overigens ook niet formeel is aangevoerd. Het enige precieze bewijselement waarnaar rekwiranten in dit verband verwijzen, is immers een e-mail van de Commissie die, anders dan zij stellen, niet aangeeft dat deze instelling een klacht van PBL heeft ontvangen, maar integendeel dat deze instelling niet in het bezit is van een dergelijke klacht. Voor het overige voeren rekwiranten enkel peremptoire, algemene of niet genoegzaam onderbouwde argumenten aan.

32 Wat het tweede onderdeel van dit middel betreft, moet worden vastgesteld dat rekwiranten het Gerecht niet op goede gronden kunnen verwijten dat het is voorbijgegaan aan zijn rechtspraak volgens welke, wanneer een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld door meerdere personen, ervan moet worden uitgegaan dat de vaststelling van de procesbevoegdheid van een van deze personen volstaat opdat dit beroep in zijn geheel ontvankelijk is, en dus het onderzoek van de procesbevoegdheid van de andere betrokken personen overbodig maakt.

33 In de punten 14 tot en met 18 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich immers niet uitgesproken over de procesbevoegdheid van PBL, maar over de ontvankelijkheid van de eerste vordering van rekwiranten, die strekt tot nietigverklaring van het litigieuze besluit. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat deze vordering enkel ontvankelijk was voor zover daarmee werd opgekomen tegen de inhoud van dat besluit, waarbij de Commissie zich had uitgesproken over de door Abdelmouine ingediende klacht. In samenhang daarmee heeft het Gerecht om de in de punten 15, 30 en 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte redenen die vordering niet-ontvankelijk verklaard voor zover daarbij in wezen werd opgekomen tegen het feit dat in het litigieuze besluit geen rekening was gehouden met de gestelde omstandigheid dat PBL zich bij de door Abdelmouine ingediende klacht had aangesloten.

34 In deze context was de rechtspraak waarnaar rekwiranten verwijzen, gelet op het voorwerp en de strekking ervan, niet relevant.

35 Bijgevolg moet het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

Argumenten van partijen

36 Met hun tweede middel betogen rekwiranten in wezen dat het Gerecht zijn verplichtingen niet is nagekomen door in het bestreden arrest niet te antwoorden op een van de twee middelen van hun beroep, dat betrekking had op schending van artikel 116 VWEU.

37 De Commissie betwist de gegrondheid van dit betoog.

Beoordeling door het Hof

38 Zoals blijkt uit de punten 9 tot en met 13 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht vastgesteld dat het niet bevoegd was om kennis te nemen van de tweede vordering van rekwiranten, die ertoe strekte de Commissie te bevelen gebruik te maken van de bevoegdheden waarover deze instelling met name krachtens artikel 116 VWEU beschikt.

39 Deze vaststelling van onbevoegdheid, waartegen in de hogere voorziening niet wordt opgekomen en die om de door het Gerecht in het bestreden arrest genoemde redenen overigens geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, stond eraan in de weg dat het Gerecht in welke vorm dan ook de ontvankelijkheid of de gegrondheid onderzocht van enig middel dat rekwiranten ter ondersteuning van de betrokken vordering mogelijk hebben aangevoerd. Deze vaststelling rechtvaardigt dus impliciet maar noodzakelijkerwijs dat het Gerecht in het bestreden arrest niet heeft geantwoord op de argumenten inzake schending van artikel 116 VWEU die rekwiranten stellen te hebben aangevoerd.

40 Derhalve is het tweede middel ongegrond.

Derde middel

Argumenten van partijen

41 Met hun derde middel, dat betrekking heeft op de punten 22 tot en met 47 van het bestreden arrest, komen rekwiranten op tegen de afwijzing door het Gerecht van het eerste onderdeel van hun middel tot nietigverklaring dat was ontleend aan schending van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589.

42 In de eerste plaats betogen zij dat volgens de rechtspraak van het Hof het in deze bepaling genoemde begrip „belanghebbende” ruim is omschreven, aangezien het verwijst naar een onbepaald geheel van personen, waaronder alle personen wier belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt, in die zin dat die steun hun situatie concreet dreigt te beïnvloeden.

43 In de tweede plaats merken rekwiranten in casu om te beginnen op dat de vermeende steun die aan de orde is gesteld in de klacht waarop het litigieuze besluit betrekking heeft, volgens hen een steunmaatregel is die ten goede is gekomen aan PSG, een in Frankrijk gevestigde professionele voetbalclub, en die aan FCB, een in Spanje gevestigde concurrerende voetbalclub, schade heeft berokkend.

44 Vervolgens betogen zij dat deze steun niet alleen reeds een concrete negatieve invloed heeft gehad en in elk geval dreigt te hebben op de economische, financiële en juridische situatie van FCB, maar ook – gelet op haar structuur van vereniging zonder winstoogmerk en haar zeer specifieke activiteiten – van de socios die de eigendom ervan bezitten en een democratische controle uitoefenen op het bestuur, de besluiten en de activiteiten ervan.

45 Ten slotte betogen rekwiranten in wezen dat zij zowel voor de Commissie als voor het Gerecht duidelijk, nauwkeurig en onderbouwd hebben uiteengezet waarom moest worden geoordeeld dat Abdelmouine, in zijn hoedanigheid van socio van FCB en gelet op de rechten, bevoegdheden en verplichtingen die specifiek aan die hoedanigheid zijn verbonden, zoals deze zijn vastgelegd in de statuten van FCB, een persoon was wiens immateriële, vermogensrechtelijke en economische belangen en concrete situatie door de toekenning van de in zijn klacht bekritiseerde steun konden worden geraakt.

46 In de derde en laatste plaats betogen rekwiranten in wezen dat de redenering op grond waarvan het Gerecht heeft geconcludeerd dat de Commissie Abdelmouine terecht de hoedanigheid van „belanghebbende” had ontzegd, op verschillende punten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

47 Ten eerste heeft het Gerecht het begrip „belanghebbende” ten onrechte restrictief opgevat door op basis van zijn eerdere rechtspraak uit te sluiten dat niet alleen „algemene” maar ook „indirecte” belangen kunnen volstaan om de hoedanigheid van „belanghebbende” van de persoon die zich daarop beroept, aan te tonen.

48 Ten tweede heeft het Gerecht op basis van deze onterecht restrictieve opvatting blijk gegeven van onjuistheden bij de juridische kwalificatie van de feiten en van beoordelingsfouten door te concluderen dat de verschillende belangen die rekwiranten hadden aangevoerd om de hoedanigheid van „belanghebbende” van Abdelmouine aan te tonen, deels onvoldoende onderbouwd waren en voor het overige „zuiver algemeen of indirect” waren.

49 In antwoord hierop voert de Commissie in de eerste plaats aan dat de rechtspraak van het Hof, net als die van het Gerecht, aldus moet worden opgevat dat het niet volstaat om zich te beroepen op „zuiver algemene of indirecte” belangen om als „belanghebbende” te kunnen worden aangemerkt.

50 In de tweede plaats beperken rekwiranten zich er volgens de Commissie grotendeels toe de argumenten die zij voor het Gerecht hadden aangevoerd te herhalen en de beoordelingen van het Gerecht ter discussie te stellen, zonder evenwel aan te voeren dat er sprake is van enige onjuiste opvatting. In zoverre is hun middel niet-ontvankelijk.

51 In de derde en laatste plaats kan op basis van geen van de argumenten van rekwiranten worden geoordeeld dat het Gerecht de feiten juridisch onjuist heeft gekwalificeerd. Integendeel, in het licht van de relevante rechtspraak van het Hof en het Gerecht moet volgens de Commissie worden vastgesteld dat het Gerecht, gelet op de door rekwiranten aangevoerde argumenten en overgelegde bewijzen, in het bestreden arrest terecht heeft geconcludeerd dat het litigieuze besluit niet onrechtmatig was voor zover daarbij is geweigerd om Abdelmouine als „belanghebbende” aan te merken.

Beoordeling door het Hof

52 Met hun derde middel verwijten rekwiranten het Gerecht op meerdere punten blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn toetsing van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit voor zover de Commissie daarin heeft geweigerd Abdelmouine als „belanghebbende” in de zin van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 aan te merken. In wezen heeft het Gerecht huns inziens, ten eerste, die toetsing verricht in het licht van een juridisch onjuiste uitlegging van dat begrip. Op basis daarvan heeft het Gerecht, ten tweede, de feiten juridisch onjuist gekwalificeerd en onjuist beoordeeld door te oordelen dat de Commissie terecht had geconcludeerd dat Abdelmouine niet had aangetoond waarom hij als een dergelijke belanghebbende moest worden beschouwd.

53 In de eerste plaats moet in dit verband om te beginnen in herinnering worden gebracht dat artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589, die de rechtspraak van het Hof over het in artikel 108, lid 2, VWEU bedoelde begrip „belanghebbende” codificeert, preciseert dat het begrip „belanghebbende” in deze verordening ziet op „een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen” (arrest van 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Vervolgens blijkt uit artikel 24 van die verordening dat de hoedanigheid van „belanghebbende” de persoon aan wie deze hoedanigheid is toegekend in staat stelt bepaalde procedurele rechten te genieten, waaronder het recht om een klacht in te dienen teneinde de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun of van mogelijk misbruik van steun, het recht om opmerkingen in te dienen naar aanleiding van een besluit van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden en, wanneer deze persoon dergelijke opmerkingen heeft ingediend, het recht om een afschrift te ontvangen van het door de Commissie aan het einde van de procedure genomen besluit.

55 In samenhang daarmee verplicht artikel 12, lid 1, tweede alinea, van deze verordening de Commissie met name om overeenkomstig artikel 24, lid 2, van die verordening door een belanghebbende ingediende klachten zonder ongegronde vertraging te onderzoeken.

56 Ten slotte veronderstelt de toepassing van de bepalingen waarin die rechten respectievelijk deze verplichting zijn vastgelegd, zoals blijkt uit overweging 33 van verordening 2015/1589, in het licht waarvan deze bepalingen moeten worden gelezen, dat de persoon die een klacht heeft ingediend bij de Commissie, in die klacht heeft aangetoond dat hij een belanghebbende is in de zin van artikel 1, onder h), van die verordening.

57 In de tweede plaats volgt uit de duidelijke bewoordingen van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 dat dit begrip „belanghebbende” niet alleen de lidstaten, de begunstigde(n) van de vermeende steun waartegen de klacht is gericht, de ondernemingen die met deze begunstigde(n) concurreren, alsook de belanghebbende beroepsverenigingen omvat. Naast deze genoemde categorieën natuurlijke of rechtspersonen omvat dit begrip immers ook elke andere persoon wiens belangen door de toekenning van die steun kunnen worden geraakt.

58 Aldus ziet het begrip „belanghebbende” blijkens de rechtspraak van het Hof op een onbepaalde groep adressaten, die elke persoon kan omvatten wiens belangen door de toekenning van vermeende steun kunnen worden geraakt (arresten van 14 november 1984, Intermills/Commissie, 323/82, EU:C:1984:345, punt 16 , en  31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punten 59 en 60 ), op voorwaarde evenwel dat deze persoon rechtens genoegzaam aantoont dat is voldaan aan de vereisten om als belanghebbende te worden aangemerkt en in het bijzonder dat deze vermeende steun zijn situatie concreet dreigt te beïnvloeden (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Daartoe moet degene die zich in een bepaald geval op de hoedanigheid van „belanghebbende” beroept, rechtens genoegzaam aantonen, ten eerste, dat juist de toekenning van de vermeende steun als zodanig zijn belangen kan aantasten, met uitsluiting van elke andere gedraging of maatregel, in het bijzonder elke andere juridisch onderscheiden maatregel die de lidstaat die de steun verleent mogelijk heeft genomen, ook al zou een dergelijke maatregel feitelijk verband houden met die steun. Slechts wanneer bepaalde uitvoeringsvoorschriften van een dergelijke steunmaatregel dermate onlosmakelijk verbonden zijn met het doel ervan dat zij niet afzonderlijk kunnen worden beoordeeld, kunnen deze niet daarvan los te maken uitvoeringsvoorschriften worden ingeroepen om de hoedanigheid van „belanghebbende” van de betrokken persoon aan te tonen (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punten 81, 97‑99, 103 en 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 14 december 2023, CAPA e.a./Commissie, C‑742/21 P, EU:C:2023:1000, punten 40, 79, 93 en 95).

60 Ten tweede moet deze persoon rechtens genoegzaam aantonen dat de toekenning van de vermeende steun wel degelijk „zijn” belangen, dus persoonlijke belangen, kan aantasten (zie in die zin arresten van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punt 64 , en  31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punt 60 ).

61 Dit vereiste sluit evenwel niet uit dat bepaalde soorten rechtspersonen, zoals die welke zijn opgericht in de vorm van vakbonden of verenigingen, zich kunnen beroepen op groepsbelangen of zelfs algemene belangen, zoals de bevordering of de behartiging van de belangen van de leden van een werknemersvakbond in het kader van collectieve onderhandelingen of het algemeen belang dat erin bestaat dat een sportinfrastructuur wordt geëxploiteerd onder economische voorwaarden die de toegankelijkheid ervan voor amateursporters en beroepssporters waarborgen, voor zover dergelijke belangen tot het maatschappelijk doel van deze rechtspersonen behoren en dus samenvallen met een persoonlijk belang van deze rechtspersonen (zie in die zin arresten van 9 juli 2009, 3F/Commissie, C‑319/07 P, EU:C:2009:435, punten 33, 45, 46, 52, 57‑59, 65 en 104, en  2 september 2021, Ja zum Nürburgring/Commissie, C‑647/19 P, EU:C:2021:666, punten 59, 64, 66 en 67).

62 Zoals de advocaat-generaal in de punten 72 tot en met 74 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet de betrokken persoon, ten derde, rechtens genoegzaam aantonen dat de toekenning van de vermeende steun zijn belangen daadwerkelijk concreet heeft beïnvloed of althans potentieel concreet dreigt te beïnvloeden (arresten van 7 april 2022, Solar Ileias Bompaina/Commissie, C‑429/20 P, EU:C:2022:282, punt 35 , en  31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a., C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punt 60 ), door zowel deze daadwerkelijke of potentiële beïnvloeding op zich als het causale verband tussen die beïnvloeding en de toekenning van de betrokken steun duidelijk te maken (zie in die zin arrest van 7 april 2022, Solar Ileias Bompaina/Commissie, C‑429/20 P, EU:C:2022:282, punt 43 ).

63 In de derde plaats moet er in casu aan worden herinnerd dat het Gerecht in de punten 22 tot en met 47 van het bestreden arrest in wezen heeft geoordeeld dat de Commissie in het litigieuze besluit terecht had vastgesteld dat van de verschillende belangen die rekwiranten hadden aangevoerd om aan te tonen dat Abdelmouine in zijn hoedanigheid van socio van FCB moest worden beschouwd als een „belanghebbende” ten aanzien van de in zijn klacht bedoelde vermeende steun, er sommige niet waren bewezen en de andere „zuiver algemeen of indirect” waren.

64 Deze conclusie van het Gerecht berust op vier reeksen overwegingen. In de punten 29 tot en met 31 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers in antwoord op een eerste argument van rekwiranten geoordeeld dat de door hen overgelegde bewijzen niet aantoonden dat een socio van FCB, zoals Abdelmouine, financieel aansprakelijk kan worden gesteld voor verliezen van die club en uit dien hoofde een rechtstreeks vermogensbelang heeft bij het behoud van de financiële situatie van deze club. In de punten 32 tot en met 34 van dat arrest heeft het Gerecht in antwoord op een tweede argument van rekwiranten geoordeeld dat het algemeen belang bij de verdediging van een sport als voetbal en de waarden daarvan niet met succes door een natuurlijke persoon als Abdelmouine kon worden ingeroepen om aan te tonen dat hij een „belanghebbende” was. In de punten 35 tot en met 38 van dat arrest heeft het Gerecht een derde argument van rekwiranten, dat in wezen was ontleend aan een belang van Abdelmouine bij de verdediging van zijn immateriële rechten en zijn recht op vrijheid van vereniging, niet-ontvankelijk verklaard omdat het onvoldoende duidelijk en nauwkeurig was. In de punten 39 tot en met 45 van dat arrest heeft het Gerecht een vierde argument van rekwiranten afgewezen, dat betrekking had op het belang van Abdelmouine bij het behoud van zijn verschillende rechten als socio van FCB.

65 Zoals blijkt uit hun betoog voor het Hof, zoals dat is samengevat in de punten 41 tot en met 48 van het onderhavige arrest, betwisten rekwiranten niet de niet-ontvankelijkverklaring door het Gerecht van hun derde argument. Zij beperken zich er in hun hogere voorziening op dit punt immers toe feitelijke en juridische overwegingen te vermelden met betrekking tot de rechten en verplichtingen van entiteiten als PBL en van socios, zoals Abdelmouine. Deze inhoudelijke overwegingen tonen volgens hen aan dat hun belangen en hun situatie kunnen worden aangetast door de toekenning van vermeende steun als die waarop de in het litigieuze besluit aan de orde zijnde klacht betrekking heeft. Bijgevolg moet de niet-ontvankelijkverklaring van dit derde argument als definitief worden beschouwd.

66 Aangaande de motivering van het bestreden arrest waarmee het Gerecht zich heeft uitgesproken over de gegrondheid van het eerste, het tweede en het vierde argument van rekwiranten, zij er ten eerste aan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 28 van het onderhavige arrest, in het kader van een hogere voorziening een rekwirant het Hof niet kan verzoeken om de feiten en bewijzen te beoordelen en om de beoordeling van deze feiten en bewijselementen door het Gerecht ter discussie te stellen, tenzij hij aanvoert dat dit bewijs onjuist is opgevat.

67 Wat hun eerste argument betreft, volgt hieruit in casu dat rekwiranten, die niet aanvoeren dat de ter ondersteuning van hun beroep overgelegde bewijzen onjuist zijn opgevat, niet kunnen opkomen tegen de beoordelingen van het Gerecht in de punten 29 tot en met 31 van het bestreden arrest, volgens welke de bewijzen waarnaar in die punten wordt verwezen, niet aantonen dat een socio van FCB, zoals Abdelmouine, financieel aansprakelijk kan worden gesteld in geval van verliezen van die club en uit dien hoofde een rechtstreeks vermogensbelang heeft bij het behoud van de financiële situatie van deze club. Om dezelfde reden kunnen zij het Hof evenmin verzoeken om andere bewijselementen te beoordelen, zoals bepaalde voorschriften in de statuten van FCB waaruit volgens hen blijkt dat de socios van deze club tal van andere directe immateriële, vermogensrechtelijke of economische belangen hebben.

68 Wanneer, ten tweede, het Gerecht de feiten heeft vastgesteld en deze feiten en het aan hem overgelegde bewijsmateriaal heeft beoordeeld, kan een rekwirant in het kader van een hogere voorziening de juridische kwalificatie die het Gerecht heeft gegeven en de daaraan verbonden rechtsgevolgen, betwisten (arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, EU:C:1998:608, punt 23 , en  27 oktober 2011, Oostenrijk/Scheucher-Fleisch e.a., C‑47/10 P, EU:C:2011:698, punt 57 ).

69 In casu moet met betrekking tot het tweede argument van rekwiranten worden opgemerkt dat, anders dan rekwiranten betogen, het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 32 tot en met 34 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat het algemeen belang bij de verdediging van een sport als voetbal en de waarden daarvan door een natuurlijke persoon zoals Abdelmouine niet met succes kan worden ingeroepen om aan te tonen dat hij een „belanghebbende” is.

70 Zoals blijkt uit de duidelijke bewoordingen van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 en uit de in de punten 58 en 60 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vaste rechtspraak, moet een persoon immers uitsluitend omdat en voor zover de toekenning van steun deze persoon in „zijn” belangen kan raken, en dus zijn persoonlijke belangen raakt, en derhalve niet de belangen van andere personen en a fortiori geen algemene belangen, als „belanghebbende” in de zin van die bepaling worden aangemerkt. Het is dus uitsluitend omdat en voor zover de toekenning van bepaalde steunmaatregelen de groepsbelangen die of een algemeen belang dat bepaalde rechtspersonen tot doel hadden te verdedigen kon raken, en bijgevolg omdat en voor zover deze groepsbelangen of dat algemeen belang en het persoonlijke belang van deze rechtspersonen elkaar overlapten, dat is aanvaard dat zij dergelijke belangen kunnen inroepen om de hoedanigheid van „belanghebbende” te verkrijgen, zoals blijkt uit de in punt 61 van dat arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof.

71 Wat ten slotte het vierde argument van rekwiranten betreft, moet daarentegen worden vastgesteld dat zij terecht aanvoeren dat het Gerecht in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 onjuist heeft uitgelegd en de feiten juridisch onjuist heeft gekwalificeerd door in wezen te oordelen dat een persoon, om aan te tonen dat zijn belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt en hij bijgevolg een „belanghebbende” is, moet bewijzen dat de toekenning van deze steun zijn belangen rechtstreeks raakt, en door zich vervolgens op het standpunt te stellen dat rekwiranten dit bewijs niet hadden geleverd aangezien zij enkel melding maakten van de indirecte gevolgen die de toekenning van de steun waarop de door Abdelmouine ingediende klacht betrekking heeft, kon hebben voor zijn belangen.

72 Zoals blijkt uit de in punt 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof, is het immers zowel noodzakelijk als voldoende dat de persoon die wenst te worden aangemerkt als „belanghebbende”, rechtens genoegzaam aantoont dat de toekenning van de in zijn klacht bedoelde steun zijn belangen daadwerkelijk heeft beïnvloed of althans potentieel dreigt te beïnvloeden, door zowel die daadwerkelijke of potentiële beïnvloeding zelf als het causale verband daarvan met de toekenning van die steun duidelijk te maken. Dit bewijs kan met name worden geleverd door de concrete invloed aan te tonen die deze steun direct of indirect heeft of dreigt te hebben als gevolg van een opeenvolging van onderling verbonden gebeurtenissen die zich reeds hebben voorgedaan of die zich met voldoende voorzienbaarheid en zekerheid zullen voordoen.

73 Deze onjuiste rechtsopvattingen kunnen echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest, aangezien het Gerecht in punt 45 van dat arrest tegelijkertijd heeft geoordeeld dat de door rekwiranten ter ondersteuning van hun vierde argument aangevoerde elementen bovendien onzeker waren en dat daarmee dus niet kon worden aangetoond dat de toekenning van de vermeende steun waarop de door Abdelmouine ingediende klacht betrekking had, zijn belangen concreet dreigde te beïnvloeden. Deze beoordelingen geven, gelet op de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak, geen blijk van onjuiste rechtsopvattingen en kunnen, zoals blijkt uit de punten 28 en 66 van dit arrest, niet ter discussie worden gesteld in het kader van een hogere voorziening.

74 Het derde middel moet bijgevolg worden afgewezen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

75 Met hun vierde middel, dat betrekking heeft op de punten 48 tot en met 53 van het bestreden arrest, komen rekwiranten op tegen de afwijzing door het Gerecht van het tweede onderdeel van hun middel tot nietigverklaring dat was ontleend aan schending van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589.

76 Zij verwijten het Gerecht in wezen dat het dit onderdeel heeft afgewezen op grond dat het niet ter zake dienend was voor zover het betrekking had op een „bijkomstig” aspect van het litigieuze besluit, en dat het bijgevolg niet ten gronde hun gedetailleerde betoog heeft onderzocht dat personen zoals Abdelmouine met de zeer bijzondere hoedanigheid van socio van een professionele voetbalclub die heeft gekozen voor het model van een vereniging zonder winstoogmerk, zoals FCB, zich niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van een aandeelhouder van een vennootschap en dus niet naar analogie met een dergelijke situatie moeten worden geacht niet in hun belangen te kunnen worden geraakt door de toekenning van steun als die welke in casu aan PSG is verleend.

77 De Commissie betoogt dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat het tweede onderdeel van het middel tot nietigverklaring van rekwiranten niet ter zake dienend is en dat het Gerecht bijgevolg niet kan worden bekritiseerd op grond dat het dit onderdeel niet ten gronde heeft onderzocht.

Beoordeling door het Hof

78 Meteen moet worden opgemerkt dat de in punten 67, 69 en 73 van het onderhavige arrest bedoelde feitelijke beoordelingen van het Gerecht en de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden met betrekking tot de ongegrondheid van het eerste onderdeel van het middel tot nietigverklaring van rekwiranten dat was ontleend aan schending van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589, op zich volstaan ter fundering voor het bestreden arrest, voor zover daarbij het door hen ingestelde beroep ongegrond is verklaard.

79 Die feitelijke en juridische overwegingen rechtvaardigen immers de vaststelling dat Abdelmouine niet kan worden beschouwd als een „belanghebbende” in de zin van artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589, aangezien rekwiranten niet met voldoende zekerheid hebben aangetoond dat de in zijn klacht bedoelde steun de belangen kon aantasten die hij als socio van FCB kan hebben. Bovendien kan aan deze overwegingen niet worden afgedaan door de afzonderlijke en daarvan losstaande overwegingen die het Gerecht en, vóór het Gerecht, de Commissie hebben gewijd aan een eventuele analogie of het ontbreken van een analogie tussen de situatie van een socio als Abdelmouine en die van een aandeelhouder van een vennootschap.

80 Bijgevolg heeft het vierde middel betrekking op elementen van de motivering van het bestreden arrest die, gesteld al dat zij blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, ten overvloede zijn geformuleerd, zoals de advocaat-generaal in punt 96 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt.

81 Bijgevolg is dit vierde middel niet ter zake dienend.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

82 Met hun vijfde middel, dat betrekking heeft op de punten 54 tot en met 57 van het bestreden arrest, verwijten rekwiranten het Gerecht dat het de bewijzen die zij overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op de dag van de pleitzitting hadden overgelegd, buiten beschouwing heeft gelaten op grond dat deze bewijzen, gesteld dat zij ontvankelijk zijn, hoe dan ook irrelevant waren.

83 In dit verband merken zij ten eerste op dat de relevantie van deze bewijzen wordt aangetoond door het feit dat daarover tijdens die terechtzitting standpunten zijn uitgewisseld.

84 Ten tweede blijkt ook uit het onderzoek van die bewijzen dat zij relevant waren, in het bijzonder voor de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het door rekwiranten bij het Gerecht ingestelde beroep. Zij tonen namelijk aan dat de Commissie bij de vaststelling van het litigieuze besluit wist dat PBL zich tijdig bij de door Abdelmouine ingediende klacht had aangesloten. Bovendien tonen zij aan welke concrete invloed de door Abdelmouine gelaakte staatssteun dreigde te hebben op de juridische, economische, financiële en mededingingssituatie van FCB en hoe deze steun de belangen van Abdelmouine en die van PBL kon raken.

85 Volgens de Commissie zijn deze argumenten niet-ontvankelijk en ongegrond.

Beoordeling door het Hof

86 Vastgesteld zij dat het onderhavige middel, net als het eerste onderdeel van het eerste middel, waarvan het de inhoud overigens gedeeltelijk overneemt, betrekking heeft op de beoordeling door het Gerecht van de relevantie van bepaalde door rekwiranten overgelegde bewijzen.

87 Als zodanig moet dit middel, om soortgelijke redenen als die welke in de punten 28 tot en met 31 van het onderhavige arrest zijn vermeld, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Zesde middel

Argumenten van partijen

88 In het kader van hun zesde middel voeren rekwiranten in de eerste plaats in wezen aan dat een van de personen die aan de voorbereiding van hun beroep hebben deelgenomen, vóór of onmiddellijk na de uitspraak van dat arrest deel heeft uitgemaakt van het team van het lid van het Gerecht dat in de zaak die tot het bestreden arrest heeft geleid, de functie van rechter-rapporteur heeft uitgeoefend.

89 In de tweede plaats betogen zij dat deze situatie moet worden geacht een onweerlegbaar belangenconflict op te leveren en de aan dat arrest voorafgaande procedure onrechtmatig te maken.

90 Volgens de Commissie zijn deze argumenten niet-ontvankelijk en ongegrond.

Beoordeling door het Hof

91 Uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid ervan of van het betrokken middel, duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 46 , en beschikking van 20 juli 2016, Staelen/Ombudsman, C‑338/15 P, EU:C:2016:599, punt 15 ).

92 Een middel waarvan de inhoud onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen, met name omdat de wezenlijke elementen waarop dit middel is gebaseerd niet voldoende duidelijk en nauwkeurig uit de hogere voorziening blijken, voldoet niet aan deze vereisten en moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard (zie in die zin arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 30 , en beschikking van 20 juli 2016, Staelen/Ombudsman, C‑338/15 P, EU:C:2016:599, punt 16 ).

93 In casu voldoet het middel kennelijk niet aan die vereisten.

94 Wat de belangrijkste feiten betreft waarop dit middel is gebaseerd, moet worden opgemerkt dat de hogere voorziening immers beperkt blijft tot de vage en niet door enig bewijs onderbouwde stelling dat „gebleken is dat een van de personen die aan de voorbereiding van het beroep hebben deelgenomen, vóór of onmiddellijk na de uitspraak van het bestreden arrest deel heeft uitgemaakt van het team” van het lid van het Gerecht dat in de zaak de functie van rechter-rapporteur heeft vervuld.

95 Daarmee wordt in de hogere voorziening niet gepreciseerd, en a fortiori niet aangetoond, wie de betrokken persoon is, noch in welke hoedanigheid en in hoeverre deze persoon aan de voorbereiding van het beroep heeft deelgenomen. Deze informatie kan echter redelijkerwijs worden geacht ter beschikking te staan van de advocaat die dit beroep heeft ingesteld, en dus a priori heeft voorbereid, en die thans de rekwiranten voor het Hof vertegenwoordigt. Ook de stelling dat deze persoon „vóór of onmiddellijk na” de uitspraak van het bestreden arrest aan het team van de rechter-rapporteur is toegevoegd, is zeer onnauwkeurig.

96 In die omstandigheden stellen rekwiranten, bij gebreke van enige informatie die een duidelijk en nauwkeurig begrip van de gestelde feitelijke situatie mogelijk maakt, alsmede van enig bewijs op grond waarvan de waarheidsgetrouwheid ervan kan worden vastgesteld, het Hof niet in staat dienaangaande enige controle uit te oefenen en, a fortiori, zich uit te spreken over de eventuele rechtsgevolgen die daaraan moeten worden verbonden, terwijl hun stellingen, indien zij juist zouden blijken, het bestaan zouden aantonen van een feitelijke situatie die ongetwijfeld ernstige juridische kwesties opwerpt.

97 Bijgevolg moet het zesde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kosten

98 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

99 Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
  1. De hogere voorziening wordt afgewezen.

  2. Penya Barça Lyon: Plus que des supporters (PBL) en Issam Abdelmouine worden verwezen in de kosten.

ondertekeningen