Home

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 13 februari 2025

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 13 februari 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 februari 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vijfde kamer)

13 februari 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Bijzondere bevoegdheden - Artikel 8, punt 1 - Pluraliteit van verweerders - Vorderingen waartussen een ‚zo nauwe band’ bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting - Artikel 102 VWEU - Begrip ‚onderneming’ - Moeder‑ en dochtervennootschap - Inbreuk door de dochteronderneming - Vermoeden van beslissende invloed van de moedermaatschappij - Hoofdelijke aansprakelijkheid - Beslissing van een nationale mededingingsautoriteit - Vorderingen tot schadevergoeding”"

In zaak C‑393/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 23 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2023, in de procedure

Athenian Brewery SA,

Heineken NV

tegen

Macedonian Thrace Brewery SA,

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur) en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 juni 2024,

gelet op de opmerkingen van:

  • Athenian Brewery SA en Heineken NV, vertegenwoordigd door R. Dufour en E. Pijnacker Hordijk, advocaten,

  • Macedonian Thrace Brewery SA, vertegenwoordigd door A. J. M. J. de Moncuit de Boiscuillé, avocat, J. W. Fanoy, P. A. Fruytier, T. S. Hoyer en M. H. J. van Maanen, advocaten,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Athenian Brewery SA (hierna: „AB”) en Heineken NV, enerzijds, en Macedonian Thrace Brewery SA (hierna: „MTB”), anderzijds, over een vordering tot hoofdelijke aansprakelijkheid van AB en Heineken voor de vergoeding van de door MTB geleden schade wegens een inbreuk door AB op artikel 102 VWEU en artikel 2 van Nomos 3959/2011 Prostasia tou eleutherou antagonismou (wet nr. 3959 inzake de bescherming van de mededinging) van 20 april 2011 (FEK A’ 93).

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1/2003

3 Artikel 5 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), met als opschrift „Bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten”, bepaalt in de eerste volzin:

„De mededingingsautoriteiten van de lidstaten zijn in individuele gevallen bevoegd tot toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU]. [...]”

4 Artikel 16 van deze verordening, met als opschrift „Uniforme toepassing van het communautaire mededingingsrecht”, bepaalt in lid 1:

„Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel [101] of artikel [102 VWEU] toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een [besluit] van de [Europese] Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven [besluit]. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een [besluit dat] de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel [267 VWEU] onverlet.”

5 Volgens artikel 23, lid 2, onder a), van die verordening kan de Commissie bij [besluit] aan ondernemingen en ondernemersverenigingen geldboeten opleggen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op de bepalingen van artikel 101 of artikel 102 VWEU.

Verordening nr. 1215/2012

6 Overwegingen 15, 16 en 21 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt:

„(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. [...]

[...]

(21) Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.”

7 Artikel 4, lid 1, van deze verordening, dat is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk II ervan, met als opschrift „Algemene bepalingen”, luidt als volgt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

8 Artikel 5, lid 1, van deze verordening, dat in diezelfde afdeling staat, bepaalt:

„Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

9 Artikel 8, punt 1, van deze verordening, dat is opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk II, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, bepaalt:

„Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

  1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;

[...]”

Richtlijn 2014/104

10 Artikel 9 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1), met als opschrift „Doorwerking van nationale beslissingen”, luidt:

„1.

De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.

2.

De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties tenminste kan worden gebruikt als een prima facie bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naar gelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld.

3.

Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 267 VWEU onverlet.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11 AB en MTB zijn in Griekenland gevestigde bierbrouwerijen die actief zijn op de Griekse biermarkt. AB maakt deel uit van het Heineken-concern, waarvan de moedermaatschappij, Heineken, is gevestigd te Amsterdam (Nederland). Heineken stelt de strategie en de doelstellingen van het concern vast. Zij heeft echter zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Tussen september 1998 en 14 september 2014 hield Heineken indirect circa 98,8 % van de aandelen in het kapitaal van AB.

12 Bij beslissing van 19 september 2014 heeft de Epitropi Antagonismou (mededingingsautoriteit, Griekenland) vastgesteld dat AB haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft misbruikt in de in het vorige punt genoemde periode en dat dit misbruik als één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 2 van wet nr. 3959 inzake de bescherming van de mededinging moet worden gekwalificeerd. Hoewel MTB de mededingingsautoriteit had verzocht om Heineken in het onderzoek te betrekken, was deze autoriteit in deze beslissing met name van oordeel dat niet was aangetoond dat Heineken rechtstreeks aan de vastgestelde inbreuken had deelgenomen en dat de bijzondere omstandigheden niet het vermoeden deden rijzen dat Heineken beslissende invloed op AB had uitgeoefend. Deze autoriteit heeft zich in die beslissing niet uitgesproken over het in de rechtspraak van het Hof erkende weerlegbare vermoeden dat in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gemaakt, deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van deze dochteronderneming en op dezelfde voet als de dochteronderneming aansprakelijk kan worden gesteld voor de inbreuk (hierna: „vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij”).

13 MTB heeft de rechtbank Amsterdam (Nederland) verzocht om vast te stellen dat AB en Heineken hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de in het vorige punt genoemde inbreuk en derhalve hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van alle schade die MTB als gevolg van die inbreuk heeft geleden. AB en Heineken hebben hunnerzijds onder meer gevorderd dat de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaart om van de vordering tegen AB kennis te nemen. De rechtbank Amsterdam heeft zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken op grond van artikel 4, lid 1, verordening nr. 1215/2012, voor zover laatstgenoemde vennootschap in Amsterdam is gevestigd. De rechtbank heeft daarentegen de door AB en Heineken ingestelde vordering tot onbevoegdheid toegewezen en zich onbevoegd verklaard ten aanzien van AB wegens het ontbreken van een „zo nauwe band”, in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, tussen de tegen Heineken ingestelde vordering en de tegen AB ingestelde vordering dat ter wille van een goede rechtsbedeling de gelijktijdige behandeling en berechting ervan aangewezen was teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen zouden worden gegeven.

14 In beroep heeft het gerechtshof Amsterdam (Nederland) het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd, de incidentele vordering van AB en Heineken afgewezen, en de zaak teruggewezen naar deze rechtbank voor een nieuw onderzoek en afdoening ten gronde. Het gerechtshof heeft in wezen geoordeeld dat deze vennootschappen zich in dezelfde feitelijke situatie bevonden en dat niet met voldoende zekerheid kon worden uitgesloten dat zij een en dezelfde onderneming vormden.

15 AB en Heineken hebben cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter.

16 Deze rechter merkt op dat de bij hem aanhangige zaak verschilt van de zaak die aan de orde was in het arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C‑352/13, EU:C:2015:335 ), waarin het Hof met name voor recht heeft verklaard dat vorderingen tegen ondernemingen die op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende, in een besluit van de Europese Commissie vastgelegde inbreuk op het in het recht van de Europese Unie voorziene kartelverbod, met elkaar verbonden waren door een „zo nauwe band” dat een goede rechtsbedeling vroeg om hun gelijktijdige behandeling en berechting. In de onderhavige zaak is de inbreuk op de mededingingsregels niet vastgesteld bij een besluit van de Commissie, maar bij een beslissing van een nationale mededingingsautoriteit, namelijk de Griekse mededingingsautoriteit. Bovendien staat vast dat Heineken zelf geen transacties op de Griekse biermarkt heeft verricht en de vordering van MTB jegens haar uitsluitend is gebaseerd op de beslissende invloed die zij op het gedrag van AB zou hebben uitgeoefend. In een geval waarin, zoals in casu, de verweerder op gemotiveerde wijze betwist dat hij een dergelijke invloed heeft uitgeoefend, rijst de vraag of, overeenkomstig het door het Hof in de arresten van 28 januari 2015, Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37 ), en  16 juni 2016, Universal Music International Holding (C‑12/15, EU:C:2016:449 ), geformuleerde criterium, kan worden uitgegaan van het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, in welk geval de aangezochte rechter moet erkennen dat hij bevoegd is om uitspraak te doen in de zaak, tenzij de betrokken moedermaatschappij erin slaagt dat vermoeden eenvoudig te weerleggen.

17 In die omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, van verordening [nr. 1215/2012] ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?

  • Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten [van 28 januari 2015, Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37 ),] en [ 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C‑12/15, EU:C:2016:449 )]? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van artikel 8, punt 1, van verordening [nr. 1215/2012] ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

18 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen tot hoofdelijke veroordeling van een moedermaatschappij en haar dochteronderneming tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid uitsluitend baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gemaakt, zij beslissende invloed uitoefent op deze dochteronderneming.

19 Artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt dat een verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één verweerder is, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een „zo nauwe band” bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

20 Het doel van de bevoegdheidsregel als bedoeld in artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 strekt er overeenkomstig de overwegingen 16 en 21 van die verordening toe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende procedures zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21 Deze bijzondere bevoegdheidsregel, waarmee wordt afgeweken van de in artikel 4 van verordening nr. 1215/2012 neergelegde beginselbevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder, moet eng worden uitgelegd. Die uitlegging mag niet voorbijgaan aan de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Hieruit volgt dat voor de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 dient te worden nagegaan of er tussen de door dezelfde verzoeker tegen verschillende verweerders ingediende vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. In dit verband zij opgemerkt dat beslissingen niet reeds onverenigbaar kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil, maar dat daartoe bovendien vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens (arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23 Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de regel van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 niet zodanig kan worden uitgelegd dat een verzoeker op grond ervan een vordering tegen meerdere verweerders kan instellen met het enkele doel om een van die verweerders te onttrekken aan de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel te omzeilen door de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Het Hof heeft ook geoordeeld dat de kans dat een verzoeker een vordering tegen meerdere verweerders heeft ingesteld met het enkele doel om een van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft, uitgesloten is wanneer er een nauw verband bestaat tussen de tegen elk van de verweerders ingestelde vorderingen op het moment waarop deze worden ingesteld, dat wil zeggen wanneer een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke afdoening ervan onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie naar analogie arresten van 11 oktober 2007, Freeport, C‑98/06, EU:C:2007:595, punt 54 ; 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 28 , en  7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft daaruit afgeleid dat, in geval van vorderingen die bij de indiening ervan samenhangend zijn in de zin van artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), dat overeenkomt met artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, het aangezochte gerecht een eventuele omzeiling van de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel slechts kan vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd (zie naar analogie arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 29 ).

25 Het staat dus met betrekking tot de vorderingen tegen de verschillende verweerders aan de verwijzende rechter om te beoordelen of er sprake is van dezelfde situatie rechtens en feitelijk, rekening houdend met alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, en om zich ervan te vergewissen dat de vorderingen die gericht zijn tegen de enige verweerder van wie de woonplaats de bevoegdheid van het aangezochte gerecht rechtvaardigt, niet bedoeld zijn om op kunstmatige wijze te voldoen aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punten 42 en 45 ). Niettemin kan het Hof de verwijzende rechter de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die nuttig zijn voor deze beoordeling.

26 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat aan de voorwaarde van het bestaan van dezelfde situatie feitelijk en rechtens moet worden geacht te zijn voldaan wanneer verschillende ondernemingen die hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, die is vastgesteld in een besluit van de Commissie, als verwerende partijen worden aangesproken op grond van hun deelname aan die inbreuk, ondanks het feit dat de verweerders in het hoofdgeding zowel op verschillende plaatsen als op verschillende tijdstippen aan de uitvoering van de betrokken mededingingsregeling hebben deelgenomen (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 21 ).

27 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, geldt dezelfde vaststelling ook voor vorderingen die zijn gebaseerd op de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie en die tegen deze vennootschap en haar moedermaatschappij zijn ingesteld en waarbij wordt gesteld dat deze vennootschappen samen een en dezelfde onderneming vormden.

28 Het is immers vaste rechtspraak dat het mededingingsrecht van de Unie ziet op de activiteiten van ondernemingen, zodat, gezien het persoonlijke karakter van de aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit inbreuken op de mededingingsregels van de Unie, de aansprakelijkheid voor de door de betreffende inbreuk veroorzaakte schade rust op de onderneming die inbreuk maakt op die regels (arrest van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Wanneer derhalve vaststaat dat een vennootschap en haar dochteronderneming deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus één enkele onderneming in de zin van de mededingingsregels van de Unie vormen, is het bestaan zelf van deze economische eenheid die de inbreuk heeft gepleegd doorslaggevend voor de aansprakelijkheid van de ene of van de andere tot de onderneming behorende vennootschap voor de mededingingsverstorende gedraging van de onderneming. Om die reden leidt het begrip „onderneming”, en dus het begrip „economische eenheid”, van rechtswege tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de economische eenheid op het moment van de inbreuk bestaat (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punten 43 en 44 ).

30 In dit verband staat het feit dat, zoals in casu, de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming voor de inbreuk op de mededingingsregels van de Unie niet is vastgesteld in een definitief besluit van de Commissie, niet in de weg aan de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 op dergelijke vorderingen.

31 Integendeel, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van haar conclusie heeft opgemerkt, bestaat juist enkel in dat geval het risico dat onverenigbare beslissingen worden gegeven in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens. Zoals blijkt uit overweging 21 van verordening nr. 1215/2012, heeft artikel 8, punt 1, van deze verordening juist tot doel een dergelijk risico te voorkomen.

32 De definitieve besluiten van de Commissie over een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie zijn volgens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 verbindend voor elke rechterlijke instantie van een lidstaat die uitspraak doet over dezelfde inbreuk. Terwijl de lidstaten er overeenkomstig artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104 voor moeten zorgen dat hun nationale rechterlijke instanties gebonden zijn aan enkel de definitieve beslissingen van hun eigen mededingingsautoriteiten die uitspraak doen over een dergelijke inbreuk, moeten zij er met betrekking tot soortgelijke beslissingen van een mededingingsautoriteit van een andere lidstaat krachtens artikel 9, lid 2, slechts voor zorgen dat die beslissingen voor hun nationale rechterlijke instanties als een prima facie bewijs van de inbreuk kunnen worden gebruikt.

33 Deze uitlegging van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, in die zin dat deze bepaling ook van toepassing is op vorderingen die zijn ingesteld tegen zowel een moedermaatschappij als haar dochteronderneming waarmee de eerste een economische eenheid vormt en die zijn gebaseerd op de deelname van laatstgenoemde aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, is in overeenstemming met de in de overwegingen 15 en 16 van deze verordening genoemde doelstellingen van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels en het rechtszekerheidsbeginsel.

34 Volgens de rechtspraak van het Hof vereist het rechtszekerheidsbeginsel onder meer dat bijzondere bevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen (arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage, C‑103/05, EU:C:2006:471, punt 25 ).

35 Dit is het geval bij een moedermaatschappij en haar in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming. Gelet op de overwegingen in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest kan elk van deze twee vennootschappen immers redelijkerwijs voorzien dat zij in geval van een door een van hen gepleegde inbreuk op de mededingingsregels van de Unie kan worden opgeroepen voor de rechterlijke instanties van de lidstaat van de woonplaats van de andere vennootschap om zich te verweren tegen op die inbreuk gebaseerde vorderingen.

36 In casu vraagt de verwijzende rechter zich meer in het bijzonder af welke gevolgen voor de eventuele toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 voortvloeien uit het feit dat, ten eerste, een verzoeker zich ter ondersteuning van zijn vorderingen tegen een vennootschap die heeft deelgenomen aan een inbreuk op de mededingingsregels van het Unierecht en tegen de vennootschap die het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van eerstgenoemde in handen heeft, beroept op het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en, ten tweede, de tweede vennootschap betwist beslissende invloed op haar dochteronderneming te hebben uitgeoefend en daarmee een economische eenheid te hebben gevormd.

37 Dienaangaande zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, een weerlegbaar vermoeden bestaat dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, dat wil zeggen een vermoeden van beslissende invloed en van aansprakelijkheid van de moedermaatschappij (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C‑457/16 P en C‑459/16 P tot en met C‑461/16 P, EU:C:2017:819, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Dit vermoeden is ontwikkeld in het kader van de betwisting door de betrokken ondernemingen van de besluiten van de Commissie waarbij werd vastgesteld dat zij hadden deelgenomen aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie en waarbij hun geldboeten waren opgelegd op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat het feit dat de Commissie bewijst dat het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, op zichzelf reeds het vermoeden oplevert dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van die dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat deze dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C‑457/16 P en C‑459/16 P tot en met C‑461/16 P, EU:C:2017:819, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Hoewel het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij is ontwikkeld in het kader van de betwisting van de besluiten van de Commissie op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, kan het ook van toepassing zijn in het geval van een vordering van een natuurlijke of rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden als gevolg van de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, waarbij die vordering is ingesteld tegen een andere vennootschap die het volledige of nagenoeg volledige kapitaal van eerstgenoemde vennootschap in handen heeft.

40 Het Hof heeft immers geoordeeld dat het begrip „onderneming” in de zin van de mededingingsregels van de Unie, dat een autonoom begrip van dat recht is, in de context van de oplegging door de Commissie van geldboeten op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geen andere betekenis kan hebben dan in de context van vorderingen ter vergoeding van schade voor schending van de mededingingsregels van de Unie (arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 38 ).

41 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de aangezochte rechter in de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 rechtvaardigen.

42 Zo het juist is dat verordening nr. 1215/2012 de draagwijdte van de controleverplichtingen die op de nationale gerechten rusten bij de verificatie van hun internationale bevoegdheid niet uitdrukkelijk regelt aangezien dit een aspect van intern procesrecht betreft dat deze verordening niet beoogt eenvormig te maken, neemt dit niet weg dat het Hof heeft geoordeeld dat de toepassing van de relevante regels van het interne procesrecht geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van deze verordening. Terwijl de doelstelling van rechtszekerheid vereist dat de aangezochte nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken zonder dat hij gedwongen is om uitspraak ten gronde te doen, zou een verplichting om reeds in dit stadium van de procedure over te gaan tot een uitgebreide bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, vooruitlopen op het onderzoek van de gegrondheid van de vordering (zie in die zin arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punten 61‑63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Bovendien heeft het Hof ook reeds aangegeven dat zowel het doel van een goede rechtsbedeling als de geboden eerbiediging van de autonomie van de rechter in de uitoefening van zijn functies vereisen dat het aangezochte gerecht zijn internationale bevoegdheid kan toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, die welke zijn verstrekt door de verweerder (zie in die zin arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 64 , en  16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 45 ).

44 In die context zijn dus, wat de vraag betreft of het om samenhangende vorderingen gaat, de gegevens relevant die ertoe strekken aan te tonen dat het verzoekschrift inderdaad betrekking heeft op dezelfde situatie, feitelijk en, in voorkomend geval, rechtens. Voor de vaststelling dat er sprake is van samenhang mag die rechter dan ook uitgaan van de relevante beweringen die de verzoeker in zijn vorderingen heeft geformuleerd aangaande de omstandigheden van de gestelde aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (zie naar analogie arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Derhalve kan de aangezochte rechter zich in een situatie als die van het hoofdgeding ertoe beperken na te gaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming om zich bevoegd te kunnen verklaren voor zover het nationale recht dit toestaat.

46 Dit zal het geval zijn wanneer de verzoekende partij verwijst naar het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. De verificatie dat de vordering tegen de moedermaatschappij, waarvan de woonplaats de bevoegdheid van de aangezochte rechter rechtvaardigt, niet kunstmatig is, veronderstelt echter dat de verwerende partijen zich kunnen beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.

47 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen tot hoofdelijke veroordeling van een moedermaatschappij en haar dochteronderneming tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, zij beslissende invloed op deze dochteronderneming uitoefent, voor zover verweerders niet de mogelijkheid wordt ontnomen om zich te beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.

Kosten

48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen die ertoe strekken dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, zij beslissende invloed op deze dochteronderneming uitoefent, voor zover verweerders niet de mogelijkheid wordt ontnomen om zich te beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.

Jarukaitis

Gratsias

Regan

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 februari 2025.

De griffier

A. Calot Escobar

De president

K. Lenaerts